Roeping en geloof
3e zondag na Epifanie (Jesaja 49,1-7, Psalm 139,1-12 en Matteüs 4,12-22)
De Matteüslezing over Jezus’ roeping van zijn eerste leerlingen riep bij mij herinneringen op aan een preek, nu al weer zo’n vijftig jaar geleden, waarin het ging over ‘roeping’. Of die gebaseerd was op Matteüs 4,12-22 weet ik niet meer. Maar wel dat de predikant erin benadrukte dat je je altijd bewust moest zijn van je roeping. En die bestond uit leven in ontzag voor de Eeuwige en gehoor geven aan de richtlijnen zoals die in de bijbelverhalen te vinden waren. Deed je dat niet, dan was je verkeerd bezig.
Vanaf de kansel werd zonder omwegen gesteld dat het prachtig was dat er mensen waren die zich inzetten voor een goede wereld, maar wanneer hun inzet niet werd getekend door een gelovige houding, dan diende het helemaal nergens toe. Waarmee dus elke inzet voor de samenleving als het ware werd geproclameerd tot het exclusieve terrein van gelovige mensen, c.q. de kerken. Zonder dat kader had het allemaal geen enkele zin.
Handel rechtvaardig
Toch zou ik bij deze Matteüsperikoop over de roeping van de eerste leerlingen willen benadrukken dat het in de context ervan steeds weer gaat om sociale en economische rechtvaardigheid tussen mensen onderling. Anders gezegd: dat het bij Matteüs draait om de verhoudingen tussen mensen, meer nog dan tussen de mens en de Eeuwige.
Zie bijvoorbeeld de voorwaarden die Jezus stelt aan een geroepene: die jonge mens in Matteüs 19,16-21. ‘Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven? Ik voldoe aan de geboden’ (19,16-18). In zijn antwoord noemt Jezus van de tien geboden opvallend genoeg alleen die welke gaan over de verhouding van de mens tot zijn naaste, en niet die welke gaan over zijn verhouding tot God. Wat moet deze mens doen? Meer bidden? Meer lofzangen aanheffen, psalmen citeren? Nee. ‘Verkoop wat je hebt en geef dat (de opbrengst) aan de armen en kom dan terug om Mij te volgen’ (19,21). Want zó verkrijg je die schat in de hemel.
Naastenliefde als graadmeter
‘Als gij uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave aan te bieden,’ zo klinkt het in de Bergrede (Mat. 5,23-24). Zorg eerst op aarde voor goede verhoudingen, alvorens je je gaven komt aanbieden aan God zelf. Werden die gaven aangedragen als een zoenoffer? Dat vermeldt de tekst niet. Maar even later klinkt het in de woorden van het Onze Vader wel heel duidelijk wanneer het gaat over vergeving: ‘Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven onze schuldenaren’ (6,12). Niet zomaar vragen om vergeving, maar om vergeving in de mate waarin ook wij mensen elkaar vergeving schenken voor de fouten die wij tegenover elkaar maken.
Wanneer de verhouding van de mens tot God in het geding is, stelt Matteüs opvallend genoeg altijd de verhouding tussen mensen onderling als graadmeter. Dat zien we ook terug in de vraag naar het grootste gebod. ‘Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf’ (Mat. 22,37-39 – WV). Misschien wordt hier uit een soort piëteit het woord ‘gelijkwaardig’ gebruikt, maar er mag gewoon staan: ‘gelijk’.
Anoniem christendom
Het gaat steeds weer om gerechtigheid die gedaan moet worden opdat mensen kunnen leven. Zo ook bij Jesaja, die spreekt over het einde van de ballingschap. Even vóór het gelezen gedeelte worden woorden gebruikt die refereren aan Exodus. Een tocht door een woestijn, zonder honger of dorst, met water uit de rots, waardoor de Heer Israël heeft verlost.
Gaat het uitsluitend om de vraag of mensen elkaar recht doen? We hebben een tijd achter ons waarin er werd gesproken over anoniem christendom. Over mensen die geen weet hadden van de bijbelverhalen, die geen uitgesproken religieuze drijfveren kenden, maar wel handelden in de geest van de Bijbel. Daar is men toch wel op teruggekomen. Het christendom kan niet ‘alleen maar’ gaan om rechtvaardig handelen van mensen. Maar het kan ook niet gaan – zoals ik destijds mocht horen – om rechtvaardigheid die alleen betekenis kan krijgen vanuit de bijbelteksten, waarmee, nogmaals, christenen een soort alleenvertoningsrecht zouden kunnen claimen op rechtvaardig handelen. Wanneer het immers exclusief van ons christenen zou moeten afhangen, dan zijn we toch maar met een betrekkelijk klein groepje mensen. Juist in het over en weer waarderen van elkaar kunnen christenen en niet-christenen verder komen dan wanneer we in exclusiviteit blijven hangen.
De keuze voor Psalm 139,1-12 komt waarschijnlijk voort uit de hoopvolle Jesajatekst over de geroepene voor wie de Eeuwige zijn sterkte is. En wellicht uit de uitdrukking ‘vissers van mensen’ (Mat. 4,19), waardoor ons eveneens hoop wordt aangezegd. Ik zou meer nadruk willen leggen op de roeping tot handelen in overeenstemming met de ons gegeven woorden, en dan is Psalm 24(,3-5) misschien een betere keuze.
De waarde van onze daden hangt niet zozeer af van de vraag of we geloven of niet, maar ons geloof vindt wel zijn waarde in datgene wat mensen aan en voor elkaar doen. Om Matteüs 25,37-40 te citeren (WV75): ‘Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed? En wanneer zagen we U ziek of in de gevangenis en zijn U komen bezoeken? (…) Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan.’
Deze exegese is opgesteld door Henk Hudepohl.