Spreuken
INLEIDING
De wijsheidsliteratuur
a. In Israel. Het boek Spreuken behoort, met Prediker en Job, tot de zogenoemde Wijsheidsliteratuur van Israel. Het woord ‘wijsheid’ (Hebr.: chokma) en het woord ‘de wijze’ (Hebr.: chakaam), dat wij in ons woord ‘goochem’ herkennen, heeft als grondbetekenis: vast, solide. Van oorsprong is de wijze iemand, die ‘vast’ en dus vaardig is op een bepaald terrein: een vakman, bedreven in een bepaald handwerk. Als voorbeelden noemt de Schrift Bezaleël en Aholiab (Ex. 35:30vv). Deze technische vaardigheid vereist inzicht en ervaring, en zo groeit de betekenis van de wijsheid naar die van: levenswijsheid. Wijsheid in Israel is daarmee niet gelijk aan onze opvatting van wijsbegeerte, waarbij de nadruk op het denken ligt, maar is in de diepe zin des woords: praktische wijsheid. De wijze is degene, die inzicht heeft in de juiste wijze van leven.
In de loop der eeuwen ontstond een stand van wijzen, die met name aan het koninklijke hof werd aangetroffen. Deze wijzen waren in de eerste plaats schrijvers, zodat de betekenis van ‘vaklieden’ bleef doorklinken. Als hofambtenaren namen de schrijvers een belangrijke plaats in. Zo verzorgden zij de correspondentie met het buitenland op diplomatiek niveau. Daarnaast was in de opvoeding van de zonen van de koning en van hun eigen zonen hun een fundamentele opdracht toebetrouwd. Zo ontstond aan het hof een stand van wijzen, die de schrijfkunst en ook meer algemeen: de kunst van het leven aan een volgende generatie overdroeg.
Van deze stand van wijzen, naast die van priester en profeet, horen we Jeremia gewagen: ‘…want nooit ontbreekt een aanwijzing aan de priester, raad aan de wijze, een woord aan de profeet!’ (Jer. 18:18). Ook Ezechiel meldt ons deze drieslag: ‘Zij zullen een gezicht begeren van een profeet, de priester zal een aanwijzing ontbreken en raad aan de oudsten.’ (Ez. 7:26). De priester, zo horen we, geeft aanwijzing (Hebr.:Tora; SV: de wet) aan het volk vanuit de Tora, en dat met name met het oog op de eredienst. De profeet geeft het woord van de Heilige door aan het volk: ‘Alzo zegt de Here HERE…’. De wijze geeft raad vanuit een wijs inzicht in de vragen van het dagelijkse leven. Daarbij is de inhoud van de wijsheid in Israel niet in strijd met hetgeen priester en profeet het volk vanuit het gehoorde en geziene Woord des HEREN onderwijzen. De ganse levenswijsheid ligt verworteld in het geheim, dat begin en einde van alle inzicht vertolkt: ‘De vreze des HEREN is het begin der wijsheid’ (Spr. 9: 10). Nooit kan het praktische leven zelfstandig aan de orde komen, maar.het inzicht in een wijs leven bloeit slechts op uit dé bron van de eerbied voor de Naam. Los van de bronervaring van de vreze des Heren kan in Israel geen ethiek tot leven komen.
Na de ballingschap zien we de wijzen terugkeren als schriftgeleerden. Dezen zijn dan de ‘schrijvers’, die het volk onderrichten in de wijsheid van de Tora. Wijsheid wordt meer en meer verstaan als Tora-wijsheid en de wijze bij uitstek is de schriftgeleerde. Zo loopt er een lijn van het koningshof naar het leerhuis. In het apocriefe geschrift Jezus Sirach komen we deze Tora-wijsheid op diepgaande wijze tegen.
b. Buiten Israel. De Wijsheidsliteratuur van Israel staat, historisch gezien, in een onmiskenbaar internationaal verband. In het oude oosten kende elk land zijn eigen wijsheidscultuur. Zo weten we van de wijsheid van Egypte, Mesopotamie en Kanaän. In het boek Spreuken is bij voorbeeld opmerkelijk de parallel tussen Spr. 22:17-23: 14 en de egyptische ‘Wijsheid van Amenemope’. Uit de ontmoeting van de koningin van Scheba en Salomo (1 Kon. 10) blijkt dat er van uitwisseling van wijsheid sprake is. De inhoud van het boek Spreuken vertoont dit internationale karakter: algemeen-menselijke wijsheid komt ter sprake. Onder andere komt dit tot uitdrukking in het feit, dat in het Spreukenboek het woord ‘Israel’ niet voorkomt, maar het woord ‘mens’ (Hebr.: adam) des te meer. Dit algemene karakter van de wijsheid in Israel staat echter niet in tegenstelling tot het concrete van de binding van alle wijsheid aan de vreze des HEREN. Wijsheid wordt immers herleid op de kennis van de Naam van de Heilige Israels.
Het boek Spreuken
Dit boek behoort volgens de orde van de Tenach tot de Chetoebim (geschriften), die na Tora (vijf boeken van Mozes) en Nebiim (profeten) het derde en laatste deel vormen van de Schriften, die aan Israel zijn toebetrouwd. Deze plaatsing van Spreuken nä wet en profeten herinnert ons aan de bovengenoemde plaats van de wijze na en naast de priester en de profeet.
a. Overzicht van de inhoud. Het boek Spreuken is een verzameling van verschillende groepen van wijsheids-spreuken. Deze bundeling is als volgt gerangschikt:
Titel, doel en thema van het boek: 1:1-7.
Onderricht van en over de wijsheid: 1:8-9:18.
De eerste verzameling van Salomo: 10:1-22:16.
De woorden der wijzen: 22:17-24:22.
Een andere verzameling spreuken van de wijzen: 24:23-34.
De tweede verzameling van Salomo: 25:1-29:27.
De woorden van Agur: 30:1-33.
Woorden van Lemuel: 31:1-9.
Lof op de bekwame huisvrouw: 31:10-31.
b. Auteurschap. Het opschrift gewaagt van Salomo als de schrijver van de Spreuken. We hebben hier te maken met het uit het Oude Oosten bekende verschijnsel dat geschriften werden uitgegeven op naam van beroemde persoonlijkheden. In het boek zelf worden de volgende auteurs genoemd:
1.Salomo. Rechtstreeks aan Salomo worden toegeschreven de gedeelten 10:1-22:16 en 25:1-29:27. Een rabbijnse traditie zegt dat Salomo het Hooglied schreef in zijn jeugd, Spreuken op middelbare leeftijd en Prediker tegen het einde van zijn leven. Er is geen reden te twijfelen aan het auteurschap van Salomo zelf, wat betreft een groot gedeelte van het Spreukenboek. Vanwege zijn grote wijsheid is deze koning van Israel vermaard geweest, zoals 1 Koningen ons vermeldt. Met name wordt gezegd dat hij drie duizend spreuken sprak en duizend vijf liederen gaf (1 Kon. 4:32). Deze wijsheid werd door God aan hem gegeven (1 Kon. 4:29) en zij bevatte de praktische kundigheid, zoals in het rechtspreken (1 Kon. 3:16vv), en levenslessen, ontleend aan het dieren- en plantenleven (1 Kon. 4:33). In dienst van Salomo waren ouden (1 Kon. 12:6), die we mogen duiden als de wijzen aan het hof. De legendarische wijsheid van Salomo, die in het boek Spreuken tot ons komt, kende volgens de Schriften als bron ‘zijn liefde tot de HERE’ (1 Kon. 3:3).
2.De wijzen. Op hun naam staan de verzamelingen in 22:17-24:22 en 24:23- deze spreuken ontvangen we een blik op de internationaal getinte wijsheid, zoals deze in de kringen van de wijzen rond het hof ontsproot.
3.De mannen van Hizkia. Koning Hizkia heeft de davidische orde in de tempel willen herstellen (2 Kron. 29:2530) en het is zeer goed denkbaar, dat hij daarbij diep geïnteresseerd was in de wijsheid van Salomo. Hij liet bepaalde groepen van spreuken verzamelen en uitgeven (Spr. 25:1) door zijn ‘mannen’, onder wie de hofschrij-vers en wijzen verstaan moeten worden. Met de naam van Hizkia, naast die van Salomo, wordt uitgedrukt, dat de hoofdinhoud van het Spreukenboek uit de koningstijd stamt.
4.Agur, de zoon van Jake, wiens naam in 30:1 klinkt.
5.Lemuel, de koning van Massa, vermeld in 31:1.
c. Datering. Grotendeels zal de inhoud van het boek stammen uit de tijd der koningen, dus voor de ballingschap. Het koningschap staat in Spreuken hoog aangeschreven. Mogelijk is de inleiding (1:1-7), het gedeelte 1: 8-9:18 en het slot (30:1-31:31) van jongere datum. Sommigen denken aan Ezra als degene, die het boek in zijn uiteindelijke vorm heeft uitgegeven. Dit valt in te denken vanwege het verlangen van deze schriftgeleerde om het volk na de ballingschap de vreze des HEREN als basis voor het totale leven te herschenken. Samenvattend kunnen we stellen, dat de inhoud van het boek Spreuken overwegend stamt uit de tijd, die door de twee belangrijkste namen, namelijk Salomo en Hizkia, wordt aangegeven. De vormgeving, zoals deze in de hebreeuwse tekst voor ons ligt, zal in de tijd na de ballingschap ontstaan zijn.
d. De tekst. In de hebreeuwse tekst, en dat met name in het aan Salomo toegeschreven gedeelte, komen nogal duistere plaatsen voor, waardoor in sommige gevallen de vertaling onzeker moet blijven. Opmerkelijk is verder, dat de griekse vertaling van Spreuken een zeer afwijkende weergave van de hebreeuwse tekst te zien geeft.
De spreuk
Met de titel van het boek ‘Spreuken’ wordt een vertaling gegeven van het hebreeuwse misjlee, in het enkelvoud masjaal. Het woord masjaal bevat een scala aan betekenissen, zoals: gangbaar spreekwoord (1 Sam. 10:12), vanouds overgeleverd gezegde (1 Sam. 24:14), gelijkenis (Ez. 17:2), korte en gemakkelijk inprentbare spreuk (Pr. 12:9), spotlied (Jes. 14:4). De hebreeuwse wortel van het woord hangt samen met de betekenis: ‘gelijk zijn, in twee helften verdelen’. Zo kunnen we onder een ‘spreuk’ vooral verstaan een kernachtig gezegde, waarin een vergelijking wordt verwoord, die tot dieper nadenken wil stemmen. Ook kan in het woord masjaal de notie van ‘regeren’ doorklinken. Daarmee zouden we masjaal kunnen weergeven met: gezaghebbende spreuk, kernachtig spreekwoord. In deze laatste zin komen we de spreuk in het boek Spreuken met name tegen.
Daarbij gaat het vooral om de zogenoemde kunstspreuk, die in de ‘school’ der wijzen een vorm heeft gekregen, die het inprenten moet vergemakkelijken. Daarmee is niet in tegenspraak, dat oude volkswijsheid en traditionele gezegden doorklinken. Het boek Spreuken vormt een verzameling gezegden, die een poëtische bewerking heeft ondergaan. Daarbij wordt, naast het hanteren van poëtische vormen als alliteratie, chiasme, klanknabootsing, in hoge mate gebruik gemaakt van het in de hebreeuwse taal gangbare parallelisme. We kunnen hierbij onderscheiden:
Synoniem parallelisme, waarbij de tweede regel de gedachte van de eerste in andere woorden herhaalt. Voorbeeld:
a. De mond van de dwaas is hem tot verderf,
b. zijn lippen zijn een valstrik voor hemzelf. (18:7). Antithetisch parallelisme, waarbij de tweede frase eèn tegenstelling vormt tot de eerste. Voorbeeld:
a. Een vrolijk hart bevordert de genezing,
b. maar een verslagen geest doet het gebeente verdorren. (17:22).
Synthetisch parallelisme, waarbij de tweede zin de gedachte van de eerste voortzet. Voorbeeld:
a. Heb de slaap niet lief, opdat gij niet verarmt,
b. houd uw ogen open, dan hebt gij brood genoeg. (20: 13).
Een andere, veel voorkomende, vorm, in overeenstemming met de wortelbetekenis van masjaal, is de vergelijking:
a. Een woord, in juiste vorm gesproken,
b. is als gouden appelen op zilveren schalen. (25:11). De spreuken in het Spreukenboek bestaan gewoonlijk uit twee zinnen, hetgeen het leren en het reproduceren vergemakkelijkt.
In de hoofdstukken 1-9 komen we de masjaal niet als kunstspreuk, maar overwegend als een doorgaande verhandeling over verschillende onderwerpen tegen.
De onderwerpen
Getuige de herhaalde aanspraak ‘Mijn zoon’, zouden we het boek Spreuken kunnen typeren als een leerboek, waarin, met name ten behoeve van de jeugd, een overzicht wordt gegeven van de wijsheid met het oog op alle mogelijke levensgebieden. Een verscheidenheid van onderwerpen komt ter sprake: het koningschap, de handel, de landbouw, huwelijk en gezinsleven, vriendschap, rijkdom en armoede, opvoeding van de jeugd, gevaren van zelfoverschatting, waarschuwing tegen luiheid en lofprijzing op het werkzame leven.
Opmerkelijk is, dat de vermaningen gezet zijn in het kader van het zogenaamde vergeldingsschema: er bestaat een verband tussen het menselijk handelen en de daardoor ontstane gevolgen. Wie juist handelt vanuit een wijs inzicht oogst geluk, maar de verkeerde houding van de dwaas wordt met ongeluk gestraft. De wijze, die ook de rechtvaardige genoemd wordt, is, in tegenstelling tot de dwaze, degene, die de juiste beslissingen weet te nemen vanuit een diep inzicht in de wijsheid, die tot het leven en niet tot de dood voert.
Typerend voor het ‘vademecum’, dat in het Spreukenboek ons is gegeven, is, zoals gezegd, de verworteling van het totale terrein van de praktische wijsheid in de grondhouding van de eerbied. De wijze is degene, die de HERE vreest en daarmee is uitgesproken, dat de vreze des HEREN slechts de ware toegang verschaft tot het ware leven.
Het Spreukenboek en het evangelie
Na de afsluiting van het Spreukenboek is de bezinning vanuit de wijsheid in Israel door de eeuwen heen tot op vandaag voortgezet. Zo kent de joodse traditie bijvoorbeeld als onderdeel van de Talmud het geschrift ‘Spreuken der Vaderen’, een samenvatting van wijsheid, die rond het begin van onze jaartelling is ontstaan.
Wat het Nieuwe Testament betreft: hier komen we rond de honderd citaten uit het boek Spreuken tegen. In het onderwijs, dat Jezus geeft, wordt de masjaal vooral als gelijkenis gehanteerd (Grieks: parabolè). Jezus’ methode van onderricht doet denken aan de Spreukenwijsheid, waarbij Salomo ook met name wordt genoemd (Mat. 6: 29).
In de brieven komen we vooral bij Petrus woorden, ontleend aan het Spreukenboek, tegen, evenals bij Paulus dat het geval is. Bij de laatste echter treffen we ook, vanuit Jes. 29:14, de uitermate kritische houding ten opzichte van de wijsheid (Grieks: sophia) aan in het begin van de eerste brief aan Korinthe: de dwaasheid van het woord des kruises staat radicaal tegenover de wijsheid van deze wereld.
Vanuit de inhoud van het boek Spreuken, gezien in het licht van het Nieuwe Testament, vallen enkele momenten te verwoorden, die kunnen leiden tot een bijbelse theologie van de wijsheid. Opvallend zelden wordt in de Schriften God zelf wijs genoemd (zie Jes. 31:2, Rom. 16:27). Van Jezus staat geschreven, dat Hij toeneemt in wijsheid (Luc. 2:52) en dat Hij méér wijsheid bezit dan Salomo (Mat. 12:42). Christus, in wie al de schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn, wordt genoemd de wijsheid Gods (1 Kor. 1:24). In dit verband mag genoemd worden de kerkelijke uitleg van Spr. 8, waar de Wijsheid, die sprekende wordt ingevoerd, verstaan is als een profetie van de openbaring van de preëxistente Christus. De Heilige Geest tenslotte is het, die de wijsheid schenkt (Jes. 11:2; 1 Kor. 2:13). Samenvattend mogen we dus zeggen, dat de wijsheid een gave van God is, die Hij in het kruis en de opstanding van Jezus Christus als Zijn wijsheid aan het licht brengt, en die Hij door de Heilige Geest in het hart legt. Van deze gave getuigen met name de brieven en het laatste bijbelboek (Op. 13:18).
VERKLARING
Titel, doel en thema van het boek 1:1-7
A Titel. Vs. 1 vormt het opschrift boven de gehele verzameling spreuken van dit boek. De Spreuken: zie inleiding, onder 111; Salomo, de zoon van David: de toevoeging zoon van is gebruikelijk bij het vermelden van de naam van een man; de koning van Israel: heeft betrekking op Salomo, en niet op David.
2-6. Doel. De vss 2-6 vormen, met uitzondering van vs 5, één lange zin, waarin de centrale begrippen van de wijsheid worden gepresenteerd en waarin een antwoord wordt gegeven op de vraag: waartoe deze spreukenverzameling?
2.wijsheid: zie inleiding, onder I, a; tucht: evenals wijsheid een kernwoord in het Spreukenboek. De betekenis is: bestraffing van het kind door de ouders (13:24); vermaning, terechtwijzing, onderwijzing (6:23); de door tucht verkregen zedelijke vorming (23:23). Het doel van de tucht, die de vorm van kastijding kan aannemen, is een leven, waarin de wijze tucht oefent over zichzelf en waarvoor dus de zelfbeheersing kenmerkend is (vgl.Deut. 4:36; 8:5; 11:2; Heb. 12:5); om verstandige woorden te verstaan: zowel verstandig als verstaan hebben te maken met het hebr. voorzetsel ‘tussen’ en duiden aan het vermogen tot het maken van het juiste onderscheid (vgl. 1 Kon. 3:9, waar we horen van de gave om te mogen onderscheiden tussen goed en kwaad).
3.aan te nemen: namelijk van de leermeester in de wijsheid; die verstandig maakt: bedoeld is de tucht, die tot inzicht leidt, namelijk in hetgeen recht en rechtvaardig is; gerechtigheid…: de drie volgende termen ook in 2:9, en de beide als eerst genoemde ook in Ps. 89:15; 97:2 als eigenschappen, waarop de troon van God gevestigd is; gerechtigheid: het grondwoord, waarin de juiste verhouding tussen God en mens en tussen mens en medemens en daarmee de basis voor een rechtvaardige samenleving wordt vertolkt; recht: heeft te maken met het uitspreken van een oordeel en duidt vooral aan het toepassen van gerechtigheid in te nemen beslissingen; rechtschapenheid: oprechtheid en eerlijkheid.
4.de onverstandigen: de grondbetekenis is ‘wijd open staan’, in de zin van: ontvankelijk zijn voor zowel geode als kwade invloeden. De onverstandige is de mens zonder besliste overtuiging; schranderheid: het woord wordt gebruikt van de ‘listige’ slang (Gen. 3.T). Hier is bedoeld die schranderheid, die een bescherming juist tegen verleiding biedt; de jongeling: een onrijpe persoonlijkheid, nog zonder levenservaring (vgl. Jer. 1:6); bedachtzaamheid: het vermogen om wijze besluiten te nemen.
5.De wijze hore: ook degene, die wijsheid heeft verworven, kan door middel van dit boek zijn inzicht vermeerderen; inzicht: zijn onderwijs zal daardoor breder en dieper kunnen worden; verstandig: zie vs 2; overleg: het hebr. woord staat voor: stuurmanskunst. Bedoeld is hier de kunst om de juiste koers in het leven te houden.
6.beeldspraak: behalve hier alleen nog in Hab. 2:6, waar met ‘spotlied’ vertaald is; raadselen: duistere gezegden, die alleen voor ingewijden verstaanbaar zijn. Vs 6 geeft in een vierslag van kernwoorden een samenvatting van de kunstvormen, die de wijze als een ingewijde hanteert. De leerling, die de lezer van het Spreukenboek ook is, wil ingewijd worden in de geheimen der wijsheid.
7.Thema. Hier wordt het fundamentele beginsel van de wijsheid in Israel verwoord (vgl. 9:10; Ps. 111:10, Job 28:28). De vreze: de eerbied als het diep ontzag voor de Heilige Israels. Het gaat om die uiting van kinderlijke vreze, die ver staat van bange vrees, maar die de liefde wil dragen. Slechts uit deze bron van eerbied voor de HERE kan wijsheid opwellen; begin: dit woordt betekent zowel ‘begin’ als ook ‘het belangrijkste deel, het beste’, zoals wij spreken van ‘de eerste, de beste’. Het eerste en beste van alle wijsheid is: de HERE te vrezen; dwazen: zij vormen in het Spreukenboek de voortdurende tegenstelling tot de wijzen, en dat in die zin, dat zij niet zozeer intellectueel als wel zedelijk dwaas genoemd moeten worden.
Onderricht van en over de wijsheid 1:8-9:18
De eerste les 1:8-33
8.9. Inleidende oproep. Hoor: bedoeld is een oproep tot gehoorzamen (vgl. Ex. 24:7); mijn zoon: een herhaalde aanspraak in Spr. 1-9, waarbij te denken is zowel letterlijk aan de vader-kind verhouding als aan de daaruit afgeleide van leraar-leerling; tucht: zie vs 2; verwerp: in de steek laten, verlaten (SV); onderwijzing: Hebr.: tora. Opmerkelijk is, dat van de vader de tucht (inclusief desnoods kastijding) uitgaat en van de moeder onderricht, in de zin van het wijzen van een weg (vgl. Lev. 19:3). In de Talmud wordt hiervader op God betrokken en moeder op Israel;liefelijke krans: aangename kroon (waardoor de waarde is aangeduid); keten: een sieraad, dat de eer aangeeft.
10-19. Waarschuwing tegen het meedoen met moord en doodslag. Als eerste van de vaderlijke vermaningen klinkt die tegen georganiseerde roof- en moordzucht. Met name de profeet Hosea signaleert het bestaan van zulke roversbenden in Israel (Hos. 4:2, 6:9, 7:1; vgl. ook Luc. 10:30vv).
10. zondaren: die namelijk het begaan van misdaden tot hun gewoonte rekenen.
11. bloed: het roven gaat gepaard met bloedvergieten; de onschuldige: de argeloze voorbijganger; geen oorzaak: voor het leggen van een hinderlaag bestaat geen enkele rechtvaardiging. Enig motief is de begeerte naar buit.
12. het dodenrijk: Hebr.: sjeool. Hier is bedoeld het graf (SV), dat lichamen ‘verslindt’; de groeve: vgl. Ps. 28:1. De rover veracht het mensenleven ten enenmale.
13. allerlei… vullen: in deze woorden wordt niet een enkele losstaande misdaad aangeduid, maar het plan tot een criminele carrière ontvouwd.
14. uw aandeel: lett. uw lot werpen midden onder ons (SV). Bedoeld is een uitnodiging om mee te doen; één buidel: waaruit elke deelnemer een gelijk deel krijgt.
15. mijn zoon: nu volgt de vaderlijke waarschuwing.
16. Zie voor dit vs: Jes. 59:7 en Rom. 3:15. Bij Jesaja is sprake van onschuldig bloed. Hier kan de betekenis zijn dat de rovers uiteindelijk hun eigen bloed vergieten vanwege het kwaad, dat zij zichzelf aandoen.
17. tevergeefs: de vogel meent ten onrechte dat er voedsel is in het net en wordt gevangen. Zo ook de rover.
18. Zo vergaat het degene, die zich met rovers inlaat. Uiteindelijk vindt hij, in plaats van rijkdom, de dood.
19. De slotsom is, dat een ieder die uit is op onrechtmatige winst, gegrepen door gierigheid, dit met de dood moet bekopen.
20-33. De roep van de Wijsheid. In de volgende vss stelt de Wijsheid zichzelf voor in de persoon van een vrouw. In Spr. 8 komt dit persoonlijk roepen van de Wijsheid ook voor.
20. De Wijsheid: in het Hebr. een meervoudsvorm, waardoor de volheid kan worden uitgedrukt. De Wijsheid bij uitnemendheid; op de straat: in het openbaar dus; de pleinen: waar dus veel mensen samen komen.
21. de hoek: daar waar veel straten samen komen en waar veel mensen zijn, roept de Wijsheid haar vermaning uit; de ingangen der poorten: onder de diepe en overdekte poorten wordt recht gesproken. Daar ook verheft de Wijsheid juist haar stem.
22. onverstand igen: zie vs 4; spotters: het gezelschap van hen, die spotten met de Wijsheid, moet vermeden worden (vgl. Ps. 1:1); dwazen: degenen, die de Wijsheid haten.
23. Keert u: oproep tot omkeer en bekering; mijn geest: vgl. Jes. 11:2; 44:3; Hand. 2:2; Ef. 1:17. De betekenis kan zijn: ronduit spreken, zeggen waarop het staat.
24. toen ik riep: getuige het ‘Hoe lang?’ (vs 22) heeft de Wijsheid herhaaldelijk geroepen; mijn hand uitstrekte: gebaar van het zoeken van toenadering, vgl. Jes. 65:2.
de wind sloegt: laten gaan, verwerpen (SV).
26. ook lachen: zoals er gelachen is om en gespot met de Wijsheid; uw verderf: het gevolg van het veronachtzamen van de roep der Wijsheid. Deze vss doen denken aan de roep der profeten, vgl. Jes. 65:12; 66:3v; Mi. 3:4; uw verschrikking: de gebeurtenissen vervullen het hart met vrees en schrik.
27. storm: een storm namelijk, die verwoesting veroorzaakt (vgl. Job 9:17).
28. Dit vs laat horen, dat wel van vergeving sprake mag zijn na begane zonden, maar dat de gevolgen van de zonden gedragen moeten worden als de oogst van hetgeen gezaaid is.
29. kennis: zoals in vs 4 is bedoeld; verkozen: naar joodse opvatting berust de keuze van de vreze des HEREN op de wil van de mens.
30. versmaad: met verachting verworpen.
31. de vrucht: hier treffen we de wet van de vergelding aan. Wat iemand zaait, zal hij ook maaien; raadslagen: met uitzondering van 22:20 te nemen in een negatieve betekenis.
32. afkerigheid: letterlijk lezen we ‘terugkeren’, en dat in de zin van afvalligheid; zorgeloosheid: gerustheid, het gevoel van vermeende veiligheid (vgl. Luc. 12:16vv).
33. gerust: namelijk vrij van gevaar. De roep van de Wijsheid eindigt in dit vs met een oproep tot bekering vanuit een hoopvol uitzicht, dat voor ogen gesteld wordt.
De tweede les 2:1-22
In dit hoofdstuk komen de zegen en de vrucht van de wijsheid ter sprake in het geval, dat zij niet verworpen, maar aangenomen wordt. Aan het woord is niet de Wijsheid zelf, maar de leermeester, die zijn leerling als een zoon onderwijst en daarbij de centrale thema’s naar voren brengt.
1.mijn geboden: gedragsregels; bewaart: de bedoeling is dat de leerling niet alleen hoort, maar ook het gehoorde als een schat bewaart.
2.uw hart: hier met name als zetel van het verstand; neigt: aanduiding van gespannen aandacht en verlangen om het gehoorde in zich op te nemen; verstandigheid: zie 1:2.
3.inzicht: dezelfde betekenis als verstandig (1:2); roept: als uitnodiging; verheft: sterkere vorm van roepen.
4.zilver: dat wordt gedolven in de diepte van de zilvermijnen (vgl. Job 28); verborgen schatten: waardevolle voorwerpen werden vaak begraven als bescherming tegen diefstal.
5.de vreze des HEREN: hier als het doel of einde van het zoeken naar wijsheid (vgl. 1:7: de vreze als begin); de kennis Gods: het kennen in liefde van Hem, die te vrezen is.
6.geeft: de wijsheid moet gezocht worden (vss 1-4) èn zij is een gave van de HERE.
7.bewaart: het zoeken naar de wijsheid als verborgen schat is dus niet tevergeefs; hulp: de betekenis kan zijn: gezond verstand, beleid, overleg, met als gevolg dat deze hulp tot bevrijding leidt; een schild: zie Gen. 15:1; Ps. 59:12.
8.het recht: zie 1:3; gunstgenoten: (Hebr.: chasid; alleen hier in Spr.) de beminden, die de HERE liefhebben.
9.Zie 1:3; weg: minder bekend woord, lett.: wagenspoor.
10. liefelijk: spontaan verwelkomd, zonder geforceerdheid.
11. Vanuit de door God gegeven bewaring zal de wijze over zichzelf waken en dat met het oog op de gevaren, die in de vss 12vv en 16vv worden getekend (om u te redden…).
12. de man: hier collectief bedoeld van degenen, die verleiden tot een leugenleer, als tegenstelling tot de leer der wijsheid; verkeerde dingen: lett. onderste-boven, op zijn kop gezet, dus: leugenwoorden.
13. duistere wegen: het pad der wijsheid is verlicht en de weg der dwaasheid ligt in duisternis (vgl. 4:18v).
14. zich verheugen: de wijsheid niet in onwetendheid, maar opzettelijk verworpen, en dat met gejuich.
15. Vgl. 28:6.
16. de vreemde vrouw: zie vooral 5:3vv. De betekenis kan een letterlijke zijn (verleiding door een getrouwde vrouw) of een overdrachtelijke (beeld voor afgoderij; vreemde god, Ps. 44:21); gladde woorden: voorbeeld daarvan in 7:14vv.
17. de echtvriend: haar man, met wie ze jong trouwde. In Jer. 3:4 van God gezegd; verbond: het verbod tot overspel in de tweeërlei betekenis behoort tot het verbond Gods.
18. de schimmen: de bewoners van de sjeool (1:12), de doden, zie: Jes. 14:9; Ps. 88:11; Job 26:5.
19. keert weder: namelijk van de poorten van de sjeool.
20. Dit vers, dat aansluit bij vs 11, geeft een samenvatting van het doel, dat de roep naar de wijsheid nastreeft.
21. het land: (Hebr.: èrèts), namelijk het land Israel;de vromen: de oprechten.de onberispelijken, zie: Gen. 17:1.
22. Samen met het vorige vers een samenvattende afsluiting van dit hoofdstuk, in een licht-donker contrast.
De derde les 3 :1-10
Deze verzen bevatten een vermaning van de leermeester aan de leerling om het onderricht van de wijsheid ter harte te nemen en zij gewagen van de zegen van het gehoorzamen.
1.onderwijzing: Hebr.: tora, zie 1:8.
2.lengte van dagen: de inhoud van de belofte, die verbonden is met het eren van de ouders (Ex. 20:12; het eerste gebod met een belofte, Ef. 6:2; vgl. ook Deut. 30:20); jaren van leven: leven, in de diepe zin van levensgeluk (Joh. 6:63); vrede: (Hebr.: sjaloom). Dit woord omvat al hetgeen het bestaan heilzaam maakt, zodat het héél is. Vrede is de hoge gave van God, waardoor het heilzame leven gedragen wordt.
3.liefde en trouw: veel voorkomend woordpaar, waarbij liefde (SV: goedertierenheid) de liefde in het verbond uitdrukt en trouw de vastheid, stabiliteit, betrouwbaarheid weergeeft. In deze beide woorden zijn goddelijke eigenschappen getekend, die Gods verbondsrelatie met de mens typeren (Gen. 24:27) en van daaruit ook de relatie tussen mens en medemens (Spr. 16:6); uw hals: zoals een zegelring aan een koord om de hals wordt gedragen (Gen. 38:18); uw hart: zie Deut. 6:9; de betekenis is: om nooit te vergeten.
4.goedkeuring: goed inzicht; hier in de zin van: een gunstige indruk; God en mensen: het dienen van God is niet los te zien van de dienst aan de naaste, vgl. Hand. 24:16.
5.ganse hart: namelijk ongedeeld en dat te allen tijde.
6.recht maken: door obstakels te verwijderen.
7.vrees de HERE: dat namelijk is het begin der wijsheid.
8.medicijn: genezing, met als resultaat vernieuwde lichaamskracht; vlees: lett. navel, en dan als deel voor het geheel: lichaam (vgl. 4:22); lafenis: lett. drank, zodat het gebeente niet verdroogd raakt, maar verfrist wordt.
9.Vereer: dit is een van de weinige verzen in het Spreukenboek, waarin letterlijk tot het offeren wordt opgeroepen. Het eren van God komt tot uiting in de wijze, waarop goed en geld besteed wordt; eerstelingen: het eerste en het beste is voor de HERE, zie: Deut. 18:4; 26:2.
10. Het onderhouden van Gods geboden brengt met zich overvloed. Deze, vaak voorkomende, uitspraak is niet in tegenspraak met het fundamentele belijden van Israel, dat het geluk is gelegen in de vreugde vanwege Gods geboden en niet in de beloning voor het houden der geboden (vgl. Ps. 112:1); most: vers druivensap, dat nog niet volledig gegist is.
De vierde les 3:11-20
De volgende verzen hebben als inhoud het bestraffen van de wijze, zoals een kind, door de HERE, de zegen van de wijsheid en de eerste aanzet van het thema: wijsheid en schepping.
11. De beide volgende verzen hebben als achtergrond de ‘Jobsvraag’: de zichtbare tegenspoed van de wijze.; tuchtiging: hier bedoeld als een openbaring van de liefde Gods. Vgl. Ps. 119:71; Heb. 12:5v; bestraffing: vermaning, zie 1:30.
12. liefheeft: een joods gezegde spreekt van de ‘kastijdingen van de liefde’ om het lijden van de rechtvaardigen te verwoorden; vgl. Op. 3:19; gelijk een vader: zie Deut. 8: 5.
13. Welzalig: gelukkig; verkrijgt: zie 8:35; 12:2; 18:22.
14. wat zij opbrengt: de winst, die de wijsheid oplevert, is van grotere waarde dan geldelijke winst; goud: Hebr. letterlijk: geel; dichterlijk in de betekenis: goud.
15. koralen: zoals deze bijv. in de Rode Zee gevonden worden, of ook: robijnen. Vgl. 8:11.
16. Lengte van dagen: zie vs 2; rechterhand: de waarde gaat boven die van de inhoud van de linkerhand uit; rijkdom: ondanks het gezegde in vs 14 blijft het waar, dat de wijsheid ook materiële voorspoed brengt; eer: in combinatie met rijkdom aanduiding voor schitterende heerlijkheid.
17. De beide volgende verzen worden gezegd in de synagoge wanneer de Tora-rol wordt teruggezet in de ark na de lezing daaruit.
18. boom des levens: een voortdurende bron van leven, zoals de boom in de hof van Eden (Gen. 2:9). Zie verder in Spr. 11:30; 13:12; 15:4.
19. De beide volgende verzen laten het thema ‘de wijsheid en de schepping’ horen, dat in 8:22vv uitvoerig ter sprake zal komen; door wijsheid: de Wijsheid gaat aan de schepping vooraf, zie 8:23; gegrond: de aarde rust op fundamenten van water (zie Ps. 24:2; 104:5; 136:6); verstand: hier dus parallel met de wijsheid.
20. de waterdiepten: (Hebr.: tehomot) onderaardse watervoorraden, die kunnen worden opengebroken, zoals we in Gen.7:11 vernemen; dauw: hiervan is de droge aarde afhankelijk gedurende de tijd, dat er geen regen valt.
De vijfde les 3:21-35
21. laat ze niet wijken: nl. de in het voorafgaande genoemde wijsheid en verstandigheid; overleg: zie 2:7, waar het woord met hulp is vertaald; bedachtzamheid: zie 1:4.
22. sieraad: vgl. 1:9.
23. veilig: vgl. 1:33; in vertrouwen en vrij van angst de weg gaan; stoot: zie Ps. 91:12, waar de engelen beschermen.
24. nederlegt: vgl. Ps. 91:5, waar sprake is van de ‘verschrikking van de nacht’; zoet: namelijk ongestoord.
25. plotselinge schrik: een onverwachte vreeswekkende ervaring, zoals de komst van een onweersbui; de ondergang der goddelozen: de verwoesting, die de goddelozen aanrichten of de storm van verwoesting, die juist over hen komen zal. Vgl. 1:27.
26. betrouwen: verwachting (SV); gegrepen: namelijk verstrikt in de valstrikken, die de goddelozen zetten.
27. De volgende verzen tekenen de vrucht van de wijsheid, zoals deze gevonden wordt in de omgang met de naaste; aan wie het toekomt: lett. aan de eigenaren (meesters, SV); in het gegeven verband kunnen we, bv. in het spoor van de griekse vertaling, denken aan de armen, die recht hebben op goederen; macht: lett. de macht van uw handen.
28. uw naaste: de stam kan betekenen volksgenoot, vriend, broeder; Ga heen…: mogelijk een verwijzing naar de plicht om een gehuurde dagloner aan het einde van elke dag uit te betalen, zie Deut. 24:14v. In het algemeen gaat het hier om het verlenen van snelle hulp: Wie snel geeft, geeft dubbel.
goed vertrouwen: zonder dat hij u verdenkt, woont hij in volkomen vertrouwen bij u.
30. zonder oorzaak: begin niet zonder enige reden een twistgesprek en laat het twistziek-zijn verre van u zijn.
31. afgunstig: waarschuwing om niet jaloers te zijn op iemand, die zijn bezit op onwettige wijze en met geweld heeft verkregen. Vgl. 1:1 lw. De nadruk in deze vermaning ligt op de oproep de weg van zulk geweld niet te volgen (Ps. 73:3).
32. de verkeerde: die afwijkende wegen gaat, perverse paden bewandelt, zie 2:15; vertrouwelijk: hier treffen we het uit Ps. 25:14 bekende woord: verborgen omgang, vertrouwensvolle gemeenschap, geheimenis van het vertrouwde gesprek.
33. De vloek des HEREN: zie vooral Deut. ll:26vv, waar de vloek des HEREN gevolg is van het niet horen van Zijn woorden en het niet doen van Zijn geboden.
34. spotters: zie 1:22; de betekenis zal hier zijn, dat God de spotters met spot tegemoet treedt en hen dus met gelijke munt betaalt; de nederigen: tegenovergesteld aan de spotters: de zachtmoedigen (SV), de armen, de geslage-nen. Zie Luc. 1:51; Jak. 4:6; 1 Petr. 5:5. De nederigen vinden genade in de ogen des Heren.
35. eer: lett. wat hen gewichtig maakt; schande: de dwazen ruilen eer voor schande in. Zie 1:22vv.
De zesde les 4:1-9
In dit gedeelte, waarin we opnieuw kernbegrippen uit de wijsheid tegenkomen, is een vader aan het woord, die zijn kinderen onderricht in de traditie der wijsheid en daarbij autobiografische elementen ter sprake brengt.
1.zonen: hier meervoud (zoals ook in 5:7; 7:24) lees: kinderen (SV); een vader: vgl. 1:8: uw vader. Hier geeft de vader onderwijs door, dat hij zelf van zijn vader ontving; weest opmerkzaam: vgl. 2:2.
2.leer: hebr. wortel van dit woord is: ontvangen, en heeft dus betrekking op hetgeen doorgegeven wordt van vader op zoon; onderwijzing: (Hebr.: tora) hier met name: een weg.
3.mijn moeder: zie 1:8.
4.De vss 4b-9 geven een letterlijk citaat van de woorden van de vader, waarbij de werkwoorden in enkelvouds-vorm voorkomen: de zonen worden ieder persoonlijk toegesproken, vasthouden: zie 3:18.
5.Verwerf: verkrijgen ten koste van elke prijs, zie 4:7; 23:23; vergeet niet: namelijk de woorden van mijnmond.
6.haar. heeft betrekking op wijsheid en inzicht (vs 5); heb haar lief: de wijsheid als bruid, in tegenstelling tot de vreemde vrouw, of als beschermvrouwe.
7.Hel begin der wijsheid: we kunnen omschrijven met: het eerste en het beste (zie 1:7) is wijsheid, en dus: verwerf wijsheid (vgl. SV: De wijsheid is het voornaamste); bij al wat gij bezit: of met al uw bezit, aangezien het verwerven van wijsheid de inzet van alle bezit rechtvaardigt, vgl. hierbij Mat. 13:44vv.
8.Houd haar hoog: schat de wijsheid hoog; verheffen: namelijk in de ogen van uw naaste; omhelzen: zie vs 6.
9.Vgl. 1:9. De wijsheid vormt letterlijk de bekroning van een mensenleven. In deze woorden straalt vreugde door.
De zevende les 4:10-19
In de vss 10-19 wordt een zeer levend beeld geschetst van de beide wegen: het pad der wijzen in contrast met de weg der goddelozen.
10. uw levensjaren: zie 3:2.
11. onderricht: namelijk om de weg der wijsheid zelf te gaan; rechte paden: zie 2:9. De betekenis is, dat het pad van de wijsheid recht is en zonder hobbels, in tegenstelling tot de weg der goddeloosheid, die vele bochten en kuilen kent. De weg der wijsheid is het pad der eenvoud.
12. niet belemmerd: niet in moeilijkheden geraken, omdat de weg van de wijsheid ongehinderd te begaan valt; niet struikelen: vgl. 3:6. Hindernissen zijn uit de weg geruimd.
13. zij is uw leven: vgl. hierbij 8:35.
14. goddelozen: vgl. voor een beschrijving l:10vv.
15. Mijd die: lett. vrij laten, aan zichzelf overlaten; wijk er van af: zeg er geen voet zelfs op.
16. slapen: met de goddelozen is het zover gekomen, dat zij zonder het zondige handelen niet meer tot rust kunnen komen. Vgl. het tegendeel in 3:24 over de rust van de wijze.
17. zij eten… en drinken: de goddelozen leven van de opbrengst van hun rooftochten. Ook kan de betekenis zijn dat de goddeloosheid zelf hun eten en drinken is (vgl. voor het tegendeel: Joh. 4:34).
18. morgenlicht: in het beeld van de aanbrekende dag en de opgaande zon wordt de wijsheid als verlichting voorgesteld, waardoor het pad van de wijze al meer en meer verschijnt in het volle licht.
19. duisternis: namelijk een dikke duisternis, zoals beschreven in Ex. 10:22. Hoe helderder het licht, des te donkerder de duisternis. De tegenstelling tussen het pad van de wijze en van de goddeloze is als die tussen licht en donker.
De achtste les 4:20-27
De volgende verzen vertolken de oproep aan de zoon om het rechte pad te bewandelen.
20. sla acht: hetzelfde woord als weest opmerkzaam, vs 1.
21. wijken: zie 3:21; diep in uw hart: lett. in het midden van uw hart, zodat de woorden veilig geborgen zijn in het centrum van het leven, vgl. Ps. 119:11; Luc.2:19.
22. vinden: zie 8:35; lichaam: lett. vlees, vgl. 3:8.
23. Behoed uw hart: het hart, als het centrum van het leven, is het orgaan dat het gehele lichaam bestuurt, waarbij met name in de wijsheidstaai het hart de functie van het verstand en van het denken wil uitdrukken; de oorsprongen: de bronnen van het leven van de mens.
de vss 24vv vernemen we van de uitgangen van het hart, zoals deze zichtbaar worden in mond, ogen en voeten, de valsheid van mond: verdraaidheid en omkering van de waarheid komt voort uit de mond, zie ook 6:12; verkeerdheid: afgeleid van de wortel wijken, zie 3:21.
25. voorwaarts blikken: als uiting van een oprecht hart; oogopslag: lett. oogleden, die niet bewegen, wanneer de blik op een vast punt in de verte gericht is.
26. inslaan: De betekenis kan zijn: wandel niet zonder een vast doel voor ogen (vgl. Spr. 16:11; Heb. 12:13).
27. Wijk…af: verlaat niet het pad, zoals dat nu getekend is; het kwade: het kwaad wordt vermeden door in wijsheid de weg van het juiste midden te gaan.
De negende les 5:1-23
In dit hoofdstuk treffen we opnieuw (zie 2:16vv) de waarschuwing tegen de verleiding door de vreemde vrouw. Naast de letterlijke betekenis kan bedoeld zijn de vermaning zich verre te houden van een vreemde godsdienst, zoals bijv. de kanaänitische vruchtbaarheidscul-tus. Onder ‘vreemd’ kan verstaan worden: vreemdsoortig, buiten-lands. In elk geval: buiten de orde, die voor Israel geldt.
1.De vss 1 en 2 vormen een inleidende oproep, mijn wijsheid: nl. de wijsheid, die ik onderwijs als leraar.
2.bedachtzaamheid: zie 1:4; hier het woord in meervoudsvorm; lippen: in vs tegengestelde zin gebruikt.
3.De vss 3-6 geven een beschrijving van de vreemde vrouw, honigzeem: gladde, verleidende woorden spreekt zij.
4.op het laatst: het einde, door haar verleiding veroorzaakt; alsem: deze plant staat in de Schrift voor bitterheid (Deut. 29:18; Jer. 9:15; Am. 5:7); tweesnijdend zwaard: als tegenstelling tot vs 3b.
5.de dood: vgl. 2:18; 7:27; haar leven, en het leven met haar, leidt naar een spoedig einde; raken: lett. grijpen.
6.Duidelijke tegenstelling met 4:26.
7.De vss 7-14 laten de oproep horen de vreemde vrouw te mijden en laten zien wat haar slachtoffers overkomt. zonen: meervoud, zoals in 4:1, maar de aanspraak is persoonlijk.
8.ver van haar: blijf buiten bereik van haar verleiding en speel dus niet met vuur.
9.uw luister: uw waardigheid, hoogheid. Ook kan bedoeld zijn: de mannelijke kracht van de jonge jaren: een meedogenloze: de jaren (het leven) mogen niet gegeven worden aan een wreed einde.
10. uw vermogen: uw mannelijke kracht of uw vermogen, dat met veel moeite verworven is, mag niet komen in handen van de handlangers van de vreemde vrouw; het einde is armoede, 6:26.
11. verteerd: op het laatst zijn de lichamelijke krachten uitgeput vanwege een losbandig leven, zodat gekerm rest.
12. 13. de vermaning: nl. van de wijsheid. In deze vss klinkt de spijt en wroeging door vanwege het veronachtzaamd hebben van de waarschuwing tegen de verleiding. 14. te midden van: in het midden van de gemeente is hetkwaad begaan. Ook kan hier herinnerd zijn aan de straf, die temidden van het verzamelde volk werd uitgevoerd (Deut. 22:22vv, vgl. Joh. 8:1 w), zodat het kwaad verwijderd werd.
15. De vss 15-19 laten als tegenstelling tot het voorafgaande de oproep horen tot de heilige liefde (vgl. Hooglied), water, in deze symbolische taal (vgl. Hoogl. 4:15; 7:10; 8:2) wordt weergegeven: vind verzadiging in uw wettige vrouw.
16,17. De uitleg is: beeld voor het voortbrengen van kinderen (vgl. Zach. 8:5), of: juist een waarschuwing is bedoeld dat de liefde tot de eigen vrouw niet verwisseld wordt voor de openbare omgang met de vreemde vrouw.
18. Uw bron: beeld van de vrouw als bron van vreugde; uwer jeugd: vgl. 2:17, men huwde op jonge leeftijd.
19. hinde: vgl. Hoogl. 2:7, 9, 17, 3:5, sierlijk beeld voor de beminde; verrukt: als dronken van liefde, dolend in een roes.
20. De vss 20-23 laten horen hoe al onze wegen, dus ook die in de voorafgaande verzen getekend, open liggen voor het aangezicht des HEREN. Waarom…: wettige hartstocht staat tegenover onwettige begeerte.
21. de ogen des HEREN: vgl. hiertoe Ps. 73:1 lw.
22. vangen: hij raakt meer en meer in het net verstrikt vanwege de zonde, die van stap tot stap toeneemt.
23. verdwaalt: nl. als een dronken man, zonder vaste gang.
De tiende les 6:1-19
De waarschuwing voor de vreemde vrouw wordt onderbroken door een viertal vermaningen: 1-5. Waarschuwing voor verlies van onafhankelijkheid ten gevolge van het borg zijn voor de naaste.
1.borg: zoals Juda met zijn leven borg stond voor Benjamin (Gen. 43:9); een vreemde: bedoeld zal zijn, dat iemand borg staat voor zijn naaste ten behoeve van een vreemde, die bv. een buitenlandse handelaar kan zijn; handslag: een oude manier om een overeenkomst te bezegelen.
2.verstrikt: hier klinkt de waarschuwing om op de woorden te letten, waarin het borg-zijn beloofd wordt; gevangen: duidt op het verlies van onafhankelijkheid (vgl. 5: 22).
3.red u: nl. uit deze benarde situatie van een onverantwoorde borgstelling; klamp uw naaste aan: verneder u zelf voor hem; bestorm hem: dwing hem met geweld.
4.geen slaap: stel niet uit tot de volgende dag.
5.red u: het gaat om een onmiddellijke beëindiging van het borg-zijn; van de vangst: lett. uit de hand (nl. van de jager); als een vogel: vgl. Ps. 91:3; 124:7.
6.de mier: vgl. 24:30vv; 30:25; de ijver van de mier, die in de zomer zorgt voor de winter, wordt aan de luiaard ten voorbeeld gesteld; luiaard: zie de spot over hem in 19:24.
7.geen aanvoerder: de mier werkt vanuit zichzelf zonder leiding.
8.in de zomer: dan zorgt de mier voor wintervoorraad.
9.Hoe lang…: nl. gedurende de uren overdag.
10. met gevouwen handen: vgl. Pr. 4:5; gewone houding, wanneer iemand zich neerlegt om te gaan slapen.
11. snelle loper: zoals een rover langs de weg onverwacht een wandelaar bespringt en hem berooft; gewapend man: lett. een man van het schild; zoals een aanvallend soldaat.
12. Een nietsnut: lett. een Belialsman, vgl. Ri. 19:22; 2 Kor. 6:15; een man zonder waarde, een niets-zeggend mens.
13. Dit vs geeft het verleidelijk-aandacht-trekken weer.
14. draaierijen: zie 2:12; hier opkomend uit het binnenste; stookt: lett. hij zendt; nl. altijd twist tussen mensen.
15. plotseling: zie 1:27; bv. een onverwachte dood; onherstelbaar: lett. geen genezing, en dus: dodelijk (29:1). 16-19. Waarschuwing in de vorm van een getalspreuk.
16. zes…zeven: in een zgn. getalspreuk (zie bv. ook Spr. 30:15vv; Am. l:3vv) wordt een gemakkelijk inprentbare opsomming gegeven van te leren wijsheden; Hem: lett. voor Zijn ziel. Hier wordt het kwaad gesteld voor het aangezicht des HEREN; gruwel: zie 3:32.
17. hoogmoedige ogen: vgl. vs 13. Hoogmoed staat tegenover de vreze des HEREN; valse tong: vgl. vs 12: het spreken met twee monden; handen: vgl. vs 13. Onschuldig bloed vergieten is als het vernietigen van het beeld van God.
18. een hart: vgl. vs 14; voeten: vgl. vs 13; Ps. 147:15.
19. valse getuige: vgl. vs 12. Als een meinedige een vals getuigenis uit-blazen; twist: vgl. vs 14.
De elfde les 6:20-35
Na een inleidende vermaning in de vss 20-23 wordt het thema uit het vorige hoofdstuk weer opgenomen.
20. vader…moeder: zie 1:8.
21. Bind ze…hang ze: zie 3:3.
22. moge het: het enkelvoud ‘het’ slaat terug op gebod en onderwijzing in vs 20.
23. lamp…licht: het gebod is een lamp om het pad te verlichten (Ps. 119:105) en de onderwijzing(Tora) is de bron van het licht (vgl. Joh. 1:8 en Joh. 5:35).
24. de slechte vrouw: lett. de vrouw van het kwaad; de gladde tong…: lett. het gevlei van de vreemde tong. Bedoeld is de taal, die gebruikt wordt door de vreemde vrouw.
25. wimpers: te denken valt aan het verven van de wimpers (vgl. 2 Kon. 9:30) en de verleidelijke oogopslag.
26. schamel stuk brood: gevolg is extreme armoede (vgl. 5:10vv); kostbaar leven: lett. kostbare ziel. Immers het leven zelf staat op het spel (Lev. 20:10; Deut. 22:22).
27. boezem: plooi in het kleed, die als bergruimte kan worden gebruikt, vgl. Ex. 4:6.
28. lopen: namelijk blootsvoets.
29. gaat vrij uit: zal niet voor onschuldig gehouden worden, maar zal gestraft worden of door wraak getroffen.
30. begeerte: lett. zijn ziel te vullen. Vgl. ons ‘de inwendige mens versterken’. Dit vs kan betekenen, dat voor een hongerige dief begrip wordt opgebracht wanneer deze steelt. Maar zijn verdiende straf ontgaat hij niet.
31. zevenvoudig: betekent hier veelvoudig. Vgl. Lev. 26: 28.
32. verstandeloos: voor tijdelijk genot zet hij zijn leven op het spel; zichzelf: lett. zijn eigen ziel.
33. schade: lichamelijk letsel, dat wordt toegebracht door de jaloerse echtgenoot (vs 34).
34. jaloersheid: vanwege de ontrouw van zijn vrouw;man: Hebr.: gèber, drukt de mannelijke kracht uit.
35. zoenmiddel: bv. in de vorm van geld; groot geschenk: hoe grote geldsom ook geboden, de eer blijft geschonden.
De twaalfde les 7:1-27
In dit hoofdstuk komt nog eenmaal (na 2:16-19; 5, 6:2035) het thema van de vreemde vrouw uitvoerig ter sprake. Na een inleiding (1-5) volgt een levendig ooggetuige-verslag: een jonge man valt ten prooi aan de verleiding van de vreemde vrouw (6-23). Tenslotte klinkt de waarschuwing (24-27).
1.De intussen bekende oproep vernemen we als inzet.
2.oogappel: uiterst kwetsbaar, het zien hangt hier van af, vgl. Deut. 32:10; Ps. 17:8.
3.uw vingers: altijd zichtbaar, vgl. Deut. 6:8;hart: vgl. Deut. 6:9, het schrijven van het gebod op de deurpost.
4.mijn zuster: de wijsheid als vrouw voorgesteld en dat in tegenstelling hier tot de vreemde vrouw, vgl. Hoogl. 4: 9vv; vertrouweling: zie Ruth 2:1; 3:2 (SV: bloedvriend).
5.Het kenmerk van de gladde en vleiende tong, dat ook als uitdrukking van afgoderij kan bedoeld zijn, komt voor bij elke beschrijving van de vreemde vrouw: 2:16; 5:3; 6:24.
6.In de griekse vertaling is het de vreemde vrouw, die uit het venster kijkt om de jongeman te verleiden.
7.onverstandtgen: zie 1:4, 22; jongelieden: lett. zonen.
8.In plaats van deze richting naar haar huis te mijden.
9.De vier woorden beschrijven het voortschrijden van de uren van de late namiddag tot middernacht.
10. hoerenkledtj: vgl. Gen. 38:14v; listig: SV: met het hart op haar hoede, dwz.: verborgen, listig, gesloten.
11. losbandig: zoals in Hos. 4:16 gezegd van de koe, die het juk wil afwerpen.
12. straat…pleinen: vgl. hierbij l:20v.
13. onbeschaamd: lett.: zij sterkte haar gezicht (SV).
14. Volgens Lev. 7:15v moest het vlees van deze offers dezelfde dag of de volgende gegeten worden. Mogelijk onder godsdienstig voorwendsel lokt ze de jongeman in haar huis. Ook is mogelijk dat onder het betalen van de geloften verstaan wordt hetgeen in de vss 16vv beschreven wordt. In dat geval is sprake van een zgn. cultische bruiloft en is de vreemde vrouw een dienares van een vreemde godin.
15. om u te zoeken: lett. om uw aangezicht te zoeken.
16. Egyptisch linnen: aanduidend de beste kwaliteit.
17. besprenkeld: met specerijen, vgl. Ps. 45:9; Hoogl. 4: 14.
18. liefde: hier in negatieve zin, zoals bv. in Hos. 8:9.
19. mijn man: lett. de man, als uitdrukking van verachting.
20. buidel geld: voor een langdurige zakenreis ging hij weg; volle maan: aangezien vs 9 de indruk geeft van een maanloze nacht, duurt het nog lang voordat de man terugkeert.
21. redenering: hetzelfde woord als goede teer in 4:2, hier in schril contrast gebruikt.
22. Argeloos: of ook: plotseling. De beelden in dit vs drukken uit hoe de jongen volgt zonder weerstand te bieden.
23. fever: in het Hebr. afgeleid van de stam ‘zwaar’. De lever, zwaar van bloed, is de zetel van levenskracht. Dit vs laat de dodelijke afloop van de verleiding zien.
24. zonen: nu volgt de les van het voorafgaande verhaal.
25. wijke niet af: vgl. het leven van Salomo, 1 Kon. 11: lw.
26. verslagenen: neergeslagen tot in het dodenrijk.
27. wegen: het meervoud duidt de vele wegen aan, die alle leiden naar de dood en die beginnen in het huis van deze vrouw.
De dertiende les 8:1-36
De Wijsheid, als vrouw voorgesteld (zoals in 1:20vv), en dat in tegenstelling tot de vreemde vrouw, roept tot zich en stelt zich voor. Haar lokkende roep leidt niet tot de dood, maar tot het leven. 1-3. Inleiding door de leraar.
1.Een retorische vraag: de Wijsheid roept tot zich.
2.de hoogten: zo bereikt de Wijsheid vele mensen (zie ook: 9: 3, 14); waar de paden samenkomen: lett. het huis van de paden; de kruispunten. Zo is de Wijsheid zichtbaar.
3.de poorten: zie 1:21. Juist hier worden velen bereikt. 4-21. De Wijsheid roept en stelt zichzelf voor.
4.mannen…mensenkinderen: samen omvatten ze alle soorten van mensen, die door de Wijsheid geroepen worden (Ps. 49:3).
5.Zie voor de kernwoorden in dit vs: 1:4, 22; 2:2.
6.verheven dingen: vorstelijke uitspraken.
7.een gruwel: iets dat afstoot, vgl. 12:22.
8.in gerechtigheid: de juiste verhouding tussen God en mens.
9.juist: recht door zee, oprecht, eerlijk, ronduit.
10. vermaning: tucht, zie 1:2; goud: vgl. 3:14.
11. Een herhaling van 3:15.
de volgende verzen horen we hoe de Wijsheid zichzelf voorstelt; Ik, de Wijsheid: niet de leraar spreekt, maar de Wijsheid zelf nodigt tot een persoonlijke ontmoeting.
13. De vreze des HEREN: deze vreze als begin der wijsheid, en dus verstaan als liefde tot de wijsheid, houdt tegelijk in het haten van het kwaad; hoogmoed…: zie 6:17 over de hoge ogen, die de HERE haat; boze wandel: de weg van het kwaad.
14. raad…: de Wijsheid draagt hier de eigenschappen van de koning, vgl. Jes. 9:5, 11:2; in Job 12:13 worden deze eigenschappen aan God toegeschreven.
15. regeren: op de wijze zoals Salomo (1 Kon. 3:9), en dat wil zeggen met inachtneming van gerechtigheid en recht.
16. …der aarde: de gave der wijsheid aan koningen is niet tot Israel beperkt, maar is een universele gave.
17. Wie de Wijsheid vroeg, dat is: oprecht en met inspanning, zoekt, zal haar vinden. Vgl. hiertoe Luc. ll:9vv.
18. Rijkdom en eer: zie 3:16; duurzaam: zich verder bewegend, en dat in de zin van: blijvend en durend; gerechtigheid: bedoeld is rijkdom, die in gerechtigheid verworven is.
19. gelouterd goud: vgl. Ps. 19:11; opbrengst: zie 3:14.
20. Ik wandel: of Tk doe wandelen…’ (SV).
21. bezit: als een uitdrukkelijke gave van de Wijsheid.
In de volgende vss, die als een brede uitwerking van 3:19 te beschouwen zijn, legitimeert de roepende Wijsheid zich door haar afkomst te verhalen: zij is door de HEREvoortgebracht, maar was er reeds vóór het begin van de schepping van hemel en aarde. In de kerkelijke uitleg zijn deze woorden gehoord als een loflied op de openbaring van de preëxistente Christus, de eeuwige Zoon, en dat op grond van teksten als Joh. 1:2; Kol. 1:17; Op. 3: 14. Ook kan hier, met name vanwege de vrouwelijke gestalte, die de Wijsheid is, een profetie van de Heilige Geest vernomen worden. De Wijsheid heeft een duidelijke plaats in de schepping, zij is in de wereld te zoeken, maar tegelijk nooit te bevatten (zie vooral Job 28). Zij is onderscheiden van de HERE, maar kan tegelijk beloven, dat wie haar vindt, het leven vindt. Het boek Jezus Sirach stelt de Wijsheid gelijk met de Tora, die voortgebracht is vóór de schepping der wereld.
22. totaanzijn geroepen: het ww. betekent verwerven, bezitten, zie: Gen. 14:19, 22; Deut. 32:6; Ps. 139:13. De vertaling scheppen is vanuit de griekse vertaling overgeleverd; zijn werken: namelijk die van de schepping; van ouds af: hoort bij tot aanzijn geroepen.
23. geformeerd: het beeld van gesmolten metaal, dat wordt uitgegoten in een vorm; ook is de betekenis: gezalfd (SV).
24. oceaan (fhomot, zie 3:20): bedoeld is de afgrond van de wateren volgens Gen. 1:2; bronnen: de kolken der grote waterdiepte (Gen. 7:11; 8:2).
25. omlaaggezonken: de bergen rusten op de onderaardse wateren (zie bv. Ps. 18:8).
26. stofdeeltjes: waaruit de stoffelijke wereld is opgebouwd (vgl. Jes. 40:12), de elementaire stof.
27. een kring: het hemelgewelf wordt als een beschermende stolp over de (plat voorgestelde) aarde gezet en dat (letterlijk) op het aangezicht van de wateren (vs 24).
28. met kracht opborrelden: de bedoeling zal zijn, dat de bronnen van de afgrond vastgemaakt (SV), getemd werden.
29. zijn gebod: lett. zijn mond; zoals God spreekt: Gen. 1:9.
30. een troetelkind: het hebr. woord (‘amon) geeft hier velerlei verklaring te zien. Samenvattend zijn er twee mogelijke vertalingen: troetelkind, voedsterling (SV) of werkmeester, architect; verrukking: de Wijsheid was de verheuging in eigen persoon (bij het zien bv. van het werk van Gods handen gedurende de zes scheppingsdagen (dag aan dag)); mij verheugend: spelende (SV). Zo uitte zij haar vreugde.
31. de mensenkinderen: de vreugde, die de Wijsheid bij de schepping ervaart, wil ze overbrengen op de mensen. 32-36. De Wijsheid roept nogmaals.
32. Nu dan…: na het zojuist gehoorde (vgl. 7:24).
33. slaat haar…: lett. laat niet gaan, wijs niet af.
34. deuren…poorten: nl. van het huis, dat de Wijsheid heeft gebouwd (9:1). De Wijsheid moet voortdurend in het oog gehouden worden. Het gaat om haar blijvend gezelschap.
35. het leven: de Wijsheid is genoemd een boom des levens (3:18); welgevallen: de zegen van de HERE rust op hem.
36. mist: als tegenstelling tot het vinden (vs 35). Het woord missen is een van de woorden voor: zonde, als het missen van het doel; de dood: zonder Wijsheid is er geen leven.
Samenvatting van de dertien lessen 9:1-18
Dit hoofdstuk geeft een samenvatting van hetgeen tot nog toe in het Spreukenboek gehoord is. We zien hier voor ons: de vrouwe Wijsheid, en dat in tegenstelling tot vrouwe dwaasheid. De Wijsheid roept en nodigt tot het leven (1-6), daarna volgt een intermezzo (7-12), dat nauw aansluit bij de context, en tenslotte zien we de dwaasheid, die lokt en nodigt tot de dood (13-18).
1.De Wijsheid: in het Hebr. de meervoudsvorm, zie 1: 20; haar huis: om gasten te ontvangen, vgl. 7:8vv; zeven pilaren: wellicht die van een zuilengalerij in het huis.
2.slachtvee: de Wijsheid heeft een maaltijd bereid (vgl. 7:14) en nodigt om te eten; wijn gemengd: met specerijen.
3.haar dienstmaagden: dezen nodigen in de naam van de Wijsheid; de hoogten der stad: vgl. 8:2v.
4.onverstandig: zie voor de uitleg 1:4. Dezen worden door de Wijsheid genodigd, om geleerd te worden en ingeleid in de verborgen schatten der wijsheid (als maaltijd voorgesteld).
5.Komt…: de uitnodiging, zie Jes. 55:1.
6.laat varen…: een oproep het onverstand te verlaten, en het leven te vinden onder leiding van de Wijsheid.
7.een spotter: degene, die willens en wetens verkeerd wil; die het kwaad verkiest (vgl. Mat. 7:6).
8.Vgl. 15:12. Hier staat de spotter tegenover de wijze.
9.Vgl. 1:5, 18:15. Tegenover de spotter hier de rechtvaardige.
10. De vreze des HEREN: vgl. 1:7. Hier is voor begin een ander woord gebruikt: wat beslissend voorafgaat; de Hoogheilige: in Hebr. meervoud van heilig.
11. door mij: nl. de Wijsheid; vermeerderd: zie 3:2.
12. tot uw eigen welzijn… alleen: dit vs benadrukt de persoonlijke verantwoordelijkheid, al naar gelang de keuze.
13. Vrouwe Dwaasheid: lett. vrouw van dwaasheid; zoals eerder de vreemde vrouw zich voorstelde; luidruchtig: zie 7:11; onverstand: vgl. vs 4.
15. recht maken: zij nodigt dezen om een kromme weg te gaan en zo hen van het rechte spoor af te brengen.
16. Deze nodiging is nagenoeg woordelijk gelijk aan die in vs 4.
17. Tegenover vs 4v: gestolen vruchten smaken zoet.
18. Vgl. 2:18v. Het einde van de dwaasheid is de dood.
De eerste verzameling van Salomo 10:1-22:16
De volgende verzameling spreuken, die op naam van Salomo staat (zie: Inleiding, IIb), bevat grotendeels korte en op zichzelf staande uitspraken, waarbij het parallelisme (zie: Inleiding, III) kenmerkend is.
Spreuken 10:1-32
In dit hoofdstuk treffen we aan de tegenstelling tussen wijs en dwaas, tussen rechtvaardige en goddeloze.
1.vrijs zoon…dwaas zoon: de tegenstelling betreft met name de levenswandel; een bekommering: hij bezorgt haar verdriet. 2. geen nut: vgl. 11:4; gerechtigheid: ook verstaan als het geven van een aalmoes. 3. de rechtvaardige: lett. de ziel van de rechtvaardige, vgl. Ps. 37:25; de begerigheid: de HERE stoot de kwade begeerte weg, wanneer deze binnen handbereik zou zijn. 4. Een trage hand: een slappe, losse hand, vgl. 19:15. Hier ontmoetenwe het ‘wie niet werkt, zal ook niet eten’. 5. zoon: vgl. vs 1. 6. Zegeningen: van God (Gen. 49:26) of door middel van de naaste; geweld: zie parallel in vs 11, waar het contrast met de rechtvaardige duidelijker is. 7. De gedachtenis…: zó wordt nog altijd naar joods gebruik over een dode gesproken, wiens naam in ere wordt gehouden; wegrotten: volledig vergeten namelijk. 8. dwaas van lippen: dwaze taal klinkt, omdat hij meent geen geboden nodig te hebben (vgl. Hos. 4:14). 9. veilig: zoals in 3:23; vgl. ook 2:7; verdraait: zie 2:15; Hand. 13:10; doorzien: lett. gekend (vgl. 2 Tim. 3:9), ‘zal bekend worden’ (SV). 10. knipt: zoals in 6:13; als uitdrukking van verleiding en onoprecht gedrag; vs 10b is identiek met vs 8b. 11. bron van leven: het luisteren naar de woorden van de rechtvaardige is als het drinken uit een bron, vgl. 13:14, 14:27; geweld: hier als tegenstelling tot leven, vgl. vs 6b.12. verwekt: door het vuur aan te wakkeren, dat in de twist gloeit; bedekt: de liefde Weet alle dingen te bedekken, vgl. Spr. 17:9; 1 Kor. 13:f; 1 Petr. 4:8; Jak. 5:20.13. de verstandige: zie 1:2, 5; de roede: de verstandeloze heeft leiding van buitenaf nodig, zoals een dier, vgl. 26: 3. 14. bewaren: reserveren, verbergen, zodat de wijze bedachtzaam en met overleg zijn [verworven kennis toont; dreigend onheil: de dwaas weegt zijn woorden niet en sticht met een overvloed van woorden veel onheil. 15. sterke stad: rijkdom kan bescherpien, zoals een versterkte stad beschermt; onheil: de armen zijn onbeschermd. 16. ten leven: om in het levensonderhoud te kunnen voorzien; ror zonde: oneerlijk verkregen inkomsten worden voor een verkeerd doel gebruikt. 17. pad ten1 leven: zo is een rechtvaardige, nl. als een pad ten leven, of ook: zo wandelt hij op de weg ten leven. 18. leugenlip: de betekenis zal zijn dat de dwaas anders spreekt, dan dat hij gevoelt. 19. Zie vs 14; bedwingt: de wijze weet van de ‘wacht voor zijn mond’ (Ps. 141:3). 20. Uitgelezen: zo zijn de woorden der wijzen: als gelouterd zilver; weinig waard: als een onedel metaal. 21. weiden: zoals schapen geweid en gevoed worden; sterven: de dwazen voeden anderen niet en zij worden zelf niet gevoed. 22. zwoegen…aan toe: beter is ‘en Hij voegt er geen smart bij’ (SV). 23. vermaak: de dwaas geniet van zijn schanddaad, terwijl de wijze vreugde vindt in het zoeken en vinden der wijsheid. 24. vreest: de vrees, die hij anderen inboezemt, komt over hem zelf. 25. de stormwind: vgl. Mat. 7:24vv; duurzame grondslag: vgl. Ps. l:3vv. 26. de luiaard: vgl. 6:6vv. 27. vermeerdert: zie 3:2, 9:11. 28. de hoop der goddelozen: vgl. Ps. 112:10. 29. De weg des HEREN: het pad des levens, zoals door de HERE geboden is om te gaan, of: de wijze van doen, die de HERE betracht. 30. niet wankelen: de wijze blijft staande (vgl. Ps. 15:5; 21: 8; 55:23). Hier kan meeklinken, dat Israel het land der belofte blijvend zal bewonen, vgl. Ex. 20:12; Mat. 5:5. 31. brengt… voort: beeld van een boom, met overvloedig fruit. 32. welgevallig: wat God en mens behaagt.
Spreuken 11:1-31
Kenmerkend voor dit hoofdstuk is het antithetisch parallelisme (zie: Inleiding, III).
1.Een bedrieglijke weegschaal: zie Lev. 19:35v; Deut. 25:15; Am. 8:5; Mi. 6:11. Eerlijkheid in het koopmanschap heeft een sterke nadruk in het handelen voor het aangezicht des HEREN. 2. overmoed: vgl. 6:17; de betekenis is: hoogmoed komt vóór de val; zie ook 1 Petr. 5:5; ootmoedigen: alleen nog in Mi. 6:8, zie aldaar; de wijsheid zoekt, zoals de regen, de diepste plaats. 3. rechtschapenheid: lett. het heel-zijn, de integriteit; de verkeerde zin: verkeerdheid, als tegenstelling tot integriteit. 4. ten dage des toorns: hier verstaan als een vroegtijdige dood. 5. de rechtschapene: het woord is verwant met integriteit, vs 3; vgl. ook 3:6. 6. door hun begeerlijkheid: lett. in de begeerte der trouwelozen vangen zij zich (zelf). 7. de verwachting:n. die mensen van de goddeloze hadden. 8. Vanuit de rechtspraak te verstaan: de rechtvaardige wordt vrijgesproken en in zijn plaats komt de goddeloze, die zich nu te verdedigen heeft. 9. Eveneens te verstaan vanuit de rechtspraak: de godvergetene (de huichelaar) beschuldigt vals zijn naaste, maar deze vindt als rechtvaardige (onschuldige) de juiste argumenten om de leugens te ontmaskeren. 10. de stad: de rechtvaardige deelt zijn voorspoed met zijn naasten; gejuich: wanneer het goddeloze element uit de samenleving verwijderd is. ll.de opkomst: de rechtvaardige brengt het leven op hoger peil. 12. veracht: openlijk minachten en dat met zoveel woorden uitspreken. Daartegenover zwijgt de verstandige, hij houdt zijn gedachten over zijn naaste voor zich. 13. laster: zie Lev. 19:16; verborgen: nl. wat hem vertrouwelijk ter ore is gekomen. 14. beleid: zie 1:5, onder overleg; vgl. ons: ‘besturen van het schip van de staat’. 15. borg: zie 6:1. 16. de geweldigen: de sterken, die hun ëer desnoods met geweld behalen. 17. Een welda-^ dig man: die weldaden bewijst, die wèl doet; zijn eigen vlees: de wrede en zelfingenomen mens ziet zijn wreedheid op zijn eigen hoofd terugkeren. 18. die niet gedijt: vgl. 10:16, 11:4; blijvend gewin: vgl. Hos. 10:12; Gal. 6: 7; lett.: een beloning van waarheid. 19. Ware gerechtigheid: lett. Zeker, gerechtigheid…, vgl. bv. Joz. 2:4. 20. Zie Ps. 119:1; Spr. 3:32. 21. Voorwaar: lett. hand aan hand; in onze betekenis: mijn hand er op, of: met mijn hand op het hart; het geslacht: nakomelingschap, of juist ook: de huidige generatie. 22. gouden ring: nl. door de neus gedragen (een bekend sieraad voor een vrouw); varkenssnuit: onrein dier; zonder verstand: zonder smaak. 23. enkel geluk: lett. alleen het goede; nl. de gunst van God, in plaats van zijn toorn. 24. uitstrooien: ruim en groothartig geven. 25. verkwikt: lett. zal vet gemaakt worden (SV); zal voorspoedig zijn. 26. …achterhoudt: om zo in een tijd van schaarste de prijs van het koren op te drijven; vgl. Am. 8:4vv. 27. welbehagen: gunst van God of van de medemens. 28. fris loof: vgl. Ps. 1:3, 92: 13. 29. wind erven: wat geen inhoud heeft, vgl. Jer. 5:13. 30. boom des levens: vgl. 3:18; wint harten: lett. vangt zielen. 31. vergolden: zelfs de rechtvaardige is niet volmaakt; vgl. Luc. 23:31; 1 Petr. 4:18.
Spreuken 12:1-28
Ook in dit hoofdstuk zijn de spreuken hoofdzakelijk antithetisch in opbouw, terwijl, wat de inhoud betreft, in het tweede gedeelte nadruk ligt op het juiste spreken. 1. tucht: zie 1:2; hier als de bereidheid om zijn gedrag onder kritiek te laten stellen; dom: onvernuftig (SV); niet bereid zijn het (dierlijke) instinct te onderwerpen aan tucht en Opvoeding, vgl. Ps. 73:22, 92:7. 2. slinkse streken: hier is het woord in negatieve zin gebruikt; overigens in positieve betekenis: bedachtzaamheid, bv. 1:4, 2:11; veroordeelt: juridische betekenis. 3. Vgl. voor dit vers 10:30. 4. Een degelijke vrouw: lett. een vrouw van kracht; van een sterk karakter, vgl. 31:10; bederf: zij brengt hem ten ondergang, zoals een ziekte, die het lichaam ruineert. 5. overleggingen: gedachten, plannen; voornemens: zie 1:5, waar vertaald is met overleg; bedriegerij: zij bedenken kromme wegen om hun doel te bereiken. 6. loeren op bloed: zie 1:11; redt hen uit: namelijk de slachtoffers van de goddelozen. 7. omvergeworpen: zodat ze zich niet weer kunnen oprichten, vgl. 10:25; blijft in stand: vgl. Mat. 7:25. 8. verstand: nl. gezond verstand; het vermogen om een helder oordeel te vormen; verkeerde van hart: die verantwoordelijk is voor verkeerde beslissingen. 9. een knecht te hebben: het is beter ondanks gering vermogen een knecht te hebben, dan temidden van veel ophef geen brood te hebben. Ook kan gelezen worden: voor zichzelf knecht te zijn, voor zichzelf te werken. 10. zijn vee: lett. de rechtvaardige kent de ziel van zijn vee, zorgt voor voedsel, weet van de behoeften van het dier, vgl. Deut. 25:4; Ps. 104:14. Uit Deut. 11:15 werd de regel afgeleid dat de mens eerst zijn dieren moet voeden voordat hij zelf eet; de barmhartigheid: emoties, gevoelens. 11. Vgl. 28:19; ijdele dingen: namelijk methoden, die letterlijk geen vrucht opleveren. 12. de vangst: lett. het net; wat in het net gevangen wordt, de prooi; boze dingen: beter: boze mensen; geeft (vrucht): lett. geeft; is blijvend, vgl. vs 7. 13. de overtreding der lippen: de spreker van valse en bedrieglijke woorden wordt uiteindelijk in zijn eigen woorden gevangen; de benauwdheid: de waarheid komt aan het licht.14. keert weder tot hem: het spreken en het handelen hebben gevolgen voor degene, die spreekt en handelt. Hierbij kan ook gedacht zijn aan de HERE, die vergeldt.15. Vgl. 3:7.16. aanstonds: lett. op de(zelfde) dag; hij uit onmiddellijk zijn ergernis; bedekt: hij kan zich inhouden en wil niet openlijk beledigen. 17. Wie waarheid spreekt: lett. uitblaast; vgl. 6:19. Bedoeld is het getuigenis voor de rechtbank; bedrog: een vals getuigenis, waardoor de rechter misleid wordt. 18. gepraat: onbedachtzaam (SV) spreken, vgl.Lev. 5:4; dolksteken: onbezonnen woorden kunnen dodelijk zijn. 19. voor een ogenblik: zolang het knipperen van de ogen duurt. 20. Bedrog: hier in tegenstelling tot vreugde; een hart vol van bedrog mist de ware vreugde. 21. Vgl. Ps. 32:10, 91:10. 22. Vgl. 11:20. 23. houdt., .voor zich:vg. 11:13, 12:16; verkondigt: de dwazen hebben het hart op de tong, zij kunnen niet woorden bedachtzaam voor zich houden. 24. heersen: door zijn ijver bereikt hij de positie van ‘werkgever’; dienstbaarheid: positie van ‘werknemer’. 25. buigt het neder: verdriet drukt als een last op het hart; een goed woord: een vriendelijk woord betekent ‘een pak van het hart’. 26. onderkent…doen: onduidelijke betekenis: ‘is voortreffelijker dan zijn naaste’ (SV), of ‘laat een rechtvaardige zijn weg vinden door zijn naaste te raadplegen’. 27. zijn wild niet vangen: het werkwoord alleen hier in de Schrift, ook te vertalen door: braden (SV). 28. maar de weg…ten dode: hier kan ook gelezen worden ‘en in de weg van haar voetpad is de dood niet’ (SV), of ook ‘de weg van de dwaas voert naar de dood’.
Spreuken 13:1-25
Opnieuw treffen we ook in dit hoofdstuk hoofdzakelijk spreuken aan, die in opbouw antithetisch van aard zijn. 1. laat zich tuchtigen: het werkwoord ontbreekt in het Hebreeuws. Letterlijk staat er: een wijs zoon – tuchtiging van de vader. De betekenis kan zijn: een zoon is wijs tengevolge van tuchtiging door de vader; een spotter: zie 1: 22. 2. Van de vrucht…eten: zie 12:14; bedoeld is hier een vriendelijk spreken, waardoor iemand met het goede verzadigd wordt; de begeerte: lett. de ziel. De trouwelozen willen met alle geweld hun naaste ruïneren. toom houdt: zorgvuldig letten op wat men zegt, en dus geen ‘grote mond opzetten’. Onder bepaalde omstandigheden kan dit iemands leven redden (vgl. 18:21). 4. begerig: namelijk naar voedsel, maar: ‘wie niet werkt, zal ook niet eten’ (vgl. Ps. 128:2); verkwikt: zie 11:25; ‘vet gemaakt’ (SV). 5. leugentaal: een woord of een zaak, die leugenachtig is; gehaat: maakt zich stinkende (SV). 6. de onbe-rispelljken van wandel: lett. ‘volkomenheid van weg’; stort…in het verderf: zie 19:3; goddeloosheid leidt langs de verkeerde weg. 7. Vgl. 12:9. Het gaat in dit vs om het zich arm of rijk voordoen, en dat om bepaalde maatschappelijke reden. 8. Het losgeld: een rijk mens loopt vanwege dreigende chantage gevaar een hoog losgeld voor zijn leven te moeten betalen, terwijl de arme dit gevaar niet loopt, omdat hij niets bezit. 9. brandt blijde: lett. verheugt. Licht is teken van vreugde en voorspoed; uitgeblust: vgl. 20:20, 24:20. 10. Door overmoed: hierdoor ontstaat twist en blijft deze ook voortbestaan; wijsheid: in het zich laten raden, en dus niet te trots daarvoor zijn, wordt wijsheid openbaar. 11. uit niets: door speculatie, of door middel van roof en diefstal; met eigen hand: namelijk ‘langzamerhand, beetje bij beetje’. Het gaat om het gestaag opgebouwde inkomen. 12. langgerekt: uitgesteld wat de vervulling betreft; vervulde: lett. die gekomen is; boom des levens: zie 3:18. 13. ontgelden: het beeld is dat van een onderpand, in geval van schuld. Wie het woord (van God) veracht, zet zijn leven als onderpand in; vreest: eerbied voor het woord Gods wordt beloond. 14. Vgl. 14:27; strikken des doods: valkuilen, die een voortijdige dood kunnen veroorzaken, vgl. 5:5, 7:22v. 15. Goed inzicht: vgl. 3:4; besef van hetgeen goed en juist is; onbegaanbaar: de gewone betekenis is: blijvend, bestendig, maar hier valt te denken aan: ruw, hard. 16. overleg: lett. kennis; kraamt…uit: spreidt uit, zoals koopwaar wordt uitgestald. 17. valt: wanneer de bode namelijk op eigen gezag handelt. de wind slaat: die niet de raad van de wijze in acht neemt, maar bij eigen mening volhardt; geëerd: lett. wordt van gewicht geacht; is rijk (vgl. Gen. 13:2). 19. Vgl. vs 12. 20. wordt slecht: wordt slecht behandeld, vgl. 11:15. 21. de rechtvaardigen…het goede: als onderwerp kan God bedoeld zijn, of er kan gelezen worden: het goede beloont de rechtvaardigen. 22. De goede: wanneer namelijk sprake is van een ‘goede’ familie. 23. Een nagenoeg onvertaalbare spreuk, die ongeveer luidt: veel voedsel brengt de bebouwbaar gemaakte akker van de armen, maar ze kan weggenomen worden door onrecht. 24. haat: in de zin van’niet liefhebben’, vgl. Heb. 12:6vv.25. totverza-diging: lett. tot verzadiging van zijn ziel. De rechtvaardige eet om zich te verzadigen, maar de goddeloze heeft nooit genoeg.
Spreuken 14:1-35
De tegenstelling tussen wijsheid en dwaasheid vormt een dikwijls herhaald thema in dit hoofdstuk.
1.De wijsheid der vrouwen: lett. de wijzen van de vrouwen (een ieder van hen) bouwt haar huis. Een wijze vrouw bouwt haar huis op (vgl. 31:13vv), maar een dwaze vrouw breekt het met eigen handen af. 2. Wie de HERE vreest gaat op rechte wegen en verachting van de HERE gaat gepaard met een kromme gang. 3. een roede: alleen nog in Jes. 11:1, in de betekenis: rijsje, spruit. De betekenis is hier dat de mond van de dwaze trotse taal voortbrengt; bewaren: de wijzen spreken voorzichtig en bewaren zo zichzelf voor uitingen van hoogmoed. 4. leeg: rein, schoon; ploegos: werd ingezet voor het ploegen en dorsen. Dit vs wil zeggen: geen rund in de stal, dan geen vuile voerbak, maar ook geen opbrengst. 5. Vgl. 6:19, 12:17. 6. tevergeefs: als spotter mist hij namelijk het begin der wijsheid: de vreze des HEREN. 7. uit de weg: vermijd zijn gezelschap. 8. zijn weg te verstaan: namelijk welke weg hij zal gaan, vgl. 4:26; bedrog: de zot misleidt zichzelf en kiest de verkeerde weg. 9. De betekenis van dit (moeilijke) vs kan zijn: de dwazen lachen om een schuldoffer (hoewel juist zij dat nodig hebben), terwijl onder de oprechten sprake is van een welgevallen (in de onderlinge omgang) ook zonder schuldoffer. 10. zijn eigen droefheid: lett. de bitterheid van zijn ziel; niet mengen: de diepste gevoelens van verdriet en van vreugde kunnen niet gedeeld worden met een vreemde. 11. huis…tent: het sterke huis wordt verwoest, en de nederige tent blijft bestaan: zo de goddeloze en de oprechte. 12. het einde daarvan: lett. het laatste van die zijn wegen des doods (SV). Er is maar één rechte weg, en er zijn vele dood-lopende wegen. 13. Vreugde kan plotseling omslaan in verdriet vanwege de niet voorspelbare omstandigheden van het leven. 14. met het zijne: ook kan gelezen worden, dat een goed man zich verre houdt van de afvallige van hart. 15. De onverstandige: zie 1:4. 16. vreest: hij vreest de HERE en is daarom voorzichtig; gaat zich te buiten: hij is overmoedig en handelt onvoorzichtig. 17. slinkse streken: zie 12:2. 18. De onverstandi-gen: zie vs 15. 19. Uiteindelijk zullen de bozen zich buigen voor de goeden, in de erkenning van hun nederlaag. 20. vrienden: lett. de liefhebbers. 21. zondigt: vanuit het gebod de naaste lief te hebben als zichzelf (Lev. 19:18). 22. liefde en trouw: zie 3:3. 23. gepraat: bedoeld is hier het louter spreken in plaats van werken. 24. hun rijkdom: namelijk de wijsheid, waarmee zij gekroond zijn; de dwaasheid: hoe ook gedraaid of gekeerd, het blijft dwaasheid hetgeen de zotte doet. 25. levens: lett. zielen; bedrog: zie vs 8. 26. zijn zonen: namelijk van hem, die de HERE vreest. 27. Dit vs is identiek met 13:14, behalve dat het ‘onderricht van de wijze’ vervangen is door ‘De vreze des HEREN’. dit vs en in vs 35 ontmoeten we een zgn. koningsspreuk; de ondergang: deze kan gevolg zijn van een slecht bestuur. 29. hoopt…op: wie kortaangebonden is, heft de dwaasheid hoog op en laat die aan een ieder zien. 30. Een zachtmoedig hart: een rustgevend, een genezing brengend hart; jaloersheid: heethoofdigheid, jaloezie; vertering: zie 12:4. 31. Het eren van God komt tot uiting in onze houding ten opzichte van de behoeftige naaste. 32. Vgl. Ps. 73:19, 24; geveld: hij kan niet weer opstaan; zelfs in zijn dood: vanwege zijn vertrouwen op God namelijk. 33. zelfs…onderkend: beter weer te geven met: in het binnenste van de dwazen moet de wijsheid zichzelf bekend maken (in tegenstelling tot de verstandigen, in wie de wijsheid woont). 34. Vgl. 8:15v; schandvlek: lett. liefde (zie vs 22). Zie voor de betekenis schandvlek nog Lev. 20:17; Spr. 25:10. 35. Een algemene uitspraak, vervat in de concreetheid van een koningsspreuk.
Spreuken 15:1-33
1.een krenkend woord: lett. een woord van pijn. Het gaat hier om het juiste woord op het juiste moment; vgl. Jak. 1:19. 2. brengt…voort: beter ‘maakt de wetenschap goed’ (SV); versiert de kennis (vgl. 2 Kon. 9:30), in de zin van: maakt de kennis aangenaam. 3. kwaden en goeden: geen van de mensen kan zich onttrekken aan het al-ziende oog des HEREN. 4. Zachtheid van tong: lett. een tong, die geneest; valsheid: verkeerdheid, verdraaidheid; een verderf: bedoeld is een vermindering van levenskracht, een breuk in de geest, vgl. Jes. 65:14; Ps. 51:19. 5. De dwaas: zie 13:1. het huis: lett. Het huis…is een grote schat; vernieling: beroering (SV); de opbrengst van de goddeloze (zie 10:16) levert problemen, en geeft geen volkomen voldoening. 7. het hart: staat hier tegenover lippen, als bron van het spreken; niet recht: lett. niet alzo (SV); vgl. Ps. 1:4. 8. Een van de weinige verzen in Spreuken met betrekking tot de offerdienst. Niet het offer op zich, maar het offer van het goddeloze hart wordt afgewezen (vgl. 1 Sam. 15:22; Jes. l:llvv; Am. 5: 22vv); het gebed: niet als tegenstelling tot het offer, maar als gelijktijdige daad van de rechtvaardige tijdens het brengen van het offer. 9. De weg: het voorgaande spreken over offer en gebed wil opnieuw attent maken op de weg van het leven van de rechtvaardige. 10. het rechte pad: zie 12:28; sterven: leven is onlosmakelijk met tucht verbonden. 11. Dodenrijk: Hebr.: sjeool (zie 1:12); verderf: Hebr.: abaddon (vgl. Op. 9:11), ook in 27:20 verbonden met sjeool; hoeveel te meer: de verborgen diepten van de afgrond zijn bij de HERE bekend. Des te meer is het verborgene van de mens voor Zijn aangezicht een open boek (vgl. Jer. 17:10). 12. ror de wijzen: namelijk om onderricht te ontvangen (vgl. 6:6). 13. Een blij hart: de stemming van het hart valt op het gezicht te lezen. 14. houdt zich…bezig: zal gevoed worden (SV). 15. maar…feest: wie goed (vrolijk) van hart is, heeft altijd een feestmaal. Het komt aan op de opgewektheid des harten. 16. onrust: vgl. Am. 3:9; rijkdom door uitbuiting verkregen kan niet tot zegen zijn. 17. Nadere uitleg van vs 16; schotel groente: eenvoudige maaltijd; liefde: hier parallel met vreze des HEREN. 18. lankmoedige: hier het tegenovergestelde van opvliegend en heethoofdig. 19. doornhaag: waardoor een vrije doortocht wordt verhinderd; welgebaand: opgehoogd en geëffend (vgl. Jes. 57: 14; Jer. 18:15). 20. veracht: doet haar verdriet aan, in tegenstelling tot de inhoud van vs 20a. 21. rechte weg: de verstandige gaat een rechte weg in het handelen. 22. Vgl. 11:14; gebrek aan overleg: met name de opbouwende kritiek van anderen kan niet gemist worden. 23. een gepast antwoord: een juist woord op de juiste plaats; op zijn tijd: met name wanneer het plannen (vs 22) betreft. 24. opwaarts: in tegenstelling tot het dodenrijk; dus de richting naar het leven heen; dodenrijk: Hebr.: sjeool.25. hoogmoedigen: zij, die zich verrijken ten koste van de zwakken zoals de weduwen; weduwe: zij staat voor degene, die geen helper en beschermer heeft. De HERE beschermt haar. 26. rein: in tegenstelling tot gruwel, zoals reine dieren geschikt zijn voor het offer. 27. Vgl. 1: 19; haat: te denken valt bv. aan de rechter, die onomkoopbaar is en niet ontvankelijk voor steekpenningen. 28. stort…uit: zonder de woorden van te voren te overwegen. 29. Ver: wanneer de goddelozen bidden, is de HERE ver van hen, vgl. Ps. 145:18. 30. Vriendelijk stralende ogen: lett. het licht van de ogen. De ogen schitteren bij het horen van goed nieuws; verkwikt: lett. maakt vet, mergrijk. 31. te midden der wijzen: om op die wijze de terechtwijzing, die ten leven is, te kunnen ontvangen. 32. leven: lett. ziel; verstand: lett. hart. 33. voedt op tot wijsheid: lett. de tucht der wijsheid; ootmoed: de vreze des HEREN brengt de ootmoed, de nederigheid, mee, die noodzakelijk voorafgaat aan de eer, die de wijze toekomt.
Spreuken 16:1-33
In dit hoofdstuk komt overwegend synoniem parallellisme voor. Verder valt op te merken een verzameling spreuken, waarin de naam HERE genoemd wordt (vss 19) en een aantal koningsspreuken (vss 10-15).
1.overleggingen: beraadslagingen (SV); het antwoord: het is een gave van de HERE om de gedachten in woorden te kunnen vertolken (vgl. Jes. 50:4). 2. Vgl. 21:2; 1 Kor. 4:4; rein: zuiver (een aan de offerdienst ontleende term); toetst: weegt (SV), vgl. 21:2. 3. Beveel: lett. wentel op (SV), vgl. Ps. 22:9. 4. voor zijn doel: lett. voor zijn antwoord. De HERE heeft alles geschapen opdat er een antwoord komt; de goddeloze: vgl. Pr. 7:29. Nu er eenmaal goddelozen zijn, heeft God een dag van het gericht vastgesteld. 5. Zie ll:20v; voorwaar: lett. hand aan hand, zie 11:21. 6. liefde en trouw: zie 3:3; verzoend: lett. bedekt, en daarmee verborgen voor het aangezicht des HEREN; vreze des HEREN: deze werkt dus preventief en voorkomt het inslaan van verkeerde wegen. 7. diens vijanden: de uitwerking van het welgevallen van de HERE over iemands weg is vrede in plaats van vijandschap. 8. Vgl. 15:16; inkomsten: oneerlijk verkregen inkomsten. 9. Vgl. vs 1. Hier als afsluiting van de spreuken, waarin de naam HERE voorkomt (vss 1-9, behalve vs 8). 10. godsoordeel: dit woord betekent gewoonlijk waarzeggerij, en deze is verboden (Deut. 18:10). Hier is het spreken van de koning als gezalfde des HEREN bedoeld; het gericht: de koning is tevens de hoogste rechter; faalt: vgl. hiervoor Lev. 5:15. 11. Zuivere waag…: ook te lezen als: waag en weegschaal van het recht zijn des HEREN (vgl. Lev. 19:36); weegstenen: zie Deut. 25: 13. 12. de troon: vgl. Ps. 89:15, 97:2. 13. oprechte woorden: redelijke, rechte woorden. 14. grimmigheid: vgl. 14: 35; een voorbode: lett. meervoud: voorboden, vgl. 1 Sam. 22:16vv; Ester 7:8vv; Dan. 2:5. 15. Het licht: lett. in het licht. Het lichtend aangezicht, een vriendelijk gezicht; late regen: die valt in de lente en een goede oogst verzekert. 16. Zie 3:13-18. 17. De koers: een welgebaand pad, een effen weg (vgl. 15:19). 18. Hovaardij: hoogmoed is een belediging van de HERE, vgl. 6:17. 19.de armen: ook te lezen als de zachtmoedigen (SV); hovaar-digen: zie 15:25. 20. het woord: namelijk van God, zie 13:13.21. zoetheid van lippen: nl. van de wijze van hart, die aangename woorden spreekt (vgl. ook 7:21); versterkt het betoog: vermeerdert inzicht en geeft overtuigende kracht aan de gesproken woorden, zie 1:5.22. verstand: zie 1:3; bron: zie 10:11. 23. Herhaling en bevestiging van vs 21. 24. honigzeem: vgl. Ps. 19:11; de ziel: hier bedoeld als: de keel; gebeente: zie 15:30. 25. Herhaling van 14:12. 26. De honger: lett. de ziel. Hier: verlangen naar voedsel (vgl. 10:3); spoort hem aan: dringt hem, laat hem niet los. 27. De vss 27-30 vormen een tegenstelling met de vss 21-24. Vgl. ook 6:12vv; nietswaardig: zie 6:12; verzengend vuur: vgl. Lev. 13:23, 28; Ez. 21:3; Jak. 3:6. 28. twist: zie 6:14; vrienden: vgl. 2:17, waar dit woord ook voorkomt. Zie ook Jer. 3:4. 29. verleidt: zie l:10vv; een weg…: zie Jes. 65:2; Ps. 36:5. 30. toeknijpt: vgl. 6:13vv; samendrukt: vgl. 6:13, 10:10; uitdrukking voor vastbesloten doorzetten van de plannen. 31. grijsheid: zie Lev. 19:32; gerechtigheid: zie 12:28. 32. beheerst: zelfbeheersing is hier bedoeld. 33. Het lot: vgl. Joz. 7: 14vv; Hand. 1:26; de schoot: zie 6:27, de loten zijn in het kleed gevouwen; beslissing: lett. oordeel.
Spreuken 17:1-28
In dit hoofdstuk is het synonieme parallellisme dominant.
1.Vgl. 15:16v, 16:8. vleesspijzen: lett. offers, vgl. Deut. 12:7; 1 Sam. 9:12v. 2. slaaf: vgl. voor het thema van ‘de knecht, die heer wordt’: Gen. 15:2, 24:2; 2 Sam. 16:4; Pr. 10:7. 3. de toetser: alleen de HERE kän het hart louteren en beproeven op echtheid; vgl. Ps. 17:3, 66:10; 1 Petr. 1:7. 4. schenkt aandacht: luistert gretig. 5. bespot: zie 14:31; het spotten met de arme is ten diepste spotten met de HERE. 6. de kroon: vgl. 4:9; 16:31; kinderen…ouders: lett. zonen en vaders, maar de dochters en moeders zijn mee inbegrepen. 7. Een groot woord: lett. lippen van uitnemendheid; van wat in overvloed voorhanden is. De bedoeling zal zijn: grootspraak; dwaas: hetzelfde woord in Ps. 14:1. 8. kostbare steen: lett. een steen van gunst; amulet, toversteen. Hier wordt het kwaad van omkoping gehekeld; hij is voorspoedig: nl. de steen, die succes heeft in al wat hij onderneemt. 9. overtreding: hier bedoeld als persoonlijk gerichte belediging; bedekt: zie 10:12; ophaalt: door niet te bedekken, maar integendeel de overtreding steeds aan te roeren. 10. honderdslagen: een afgerond getal, dat een groot aantal beduidt. Nog geen honderd slagen doen tot de zot verstand doordringen. 11. een onbarmhartige bode: namelijk met een boodschap van vergelding, vgl. 16:14; Ps. 78:49. 12. berin: vgl. 2 Sam. 17:8; Hos. 13:8. Een van jongen beroofde berin is spreekwoordelijk gevaarlijk. 13. het kwaad…niet wijken: vgl. 1 Sam. 25. 14. Het begin…: in een zeer vroeg stadium moet een twist gestopt worden. 15. Zie Ex. 23:6v. De inhoud van dit vs is niet in tegenspraak met Rom. 4:5. 16. wijsheid te kopen: dat wijsheid te koop zou zijn voor geld is een dwaze gedachte. 17. te allen tijde: in voorspoed en tegenspoed; maar een broeder: synoniem voor vriend, vgl. 2 Sam. 1:26; 1 Kon. 9: tegenspoed blijkt de vriendschap. 18. Vgl. 6:1, 11: 15 voor het borg zijn; voor zijn naaste: lett. voor het aangezicht van zijn naaste. 19. overtreding: nl. tegenover zijn naaste, vgl. vs 9; grote mond: lett. deur, poort, opening, vgl. Ps. 119:130. 20. geluk: lett. goed. 21. Vgl. 10:1. Zotte en dwaze kinderen zijn een kwelling voor de ouders. 22. Een vrolijk hart zie 15:13; genezing: vgl. Hos. 5:13; gebeente: vgl. 15:30; droefheid of blijdschap heeft een lichamelijke uitwerking. 23. geschenk: bedoeld is ook hier omkoping; buidel: vgl. 6:27. 24. voor ogen: als een blijvend oriënteringspunt; dwalen…aarde: de dwaas kan zich niet concentreren op de wijsheid, maar hij dwaalt alle kanten heen. 25. Zie vs 21. 26. beboeten: waarschijnlijk door middel van een geldstraf; vgl. Ex. 21:22; Deut. 22:19; slaan: door middel van lijfelijke straf. 27. houdt…in: vgl. 10:19; bezonnen: lett. koel van geest, en dus: voorzichtig in het spreken. 28. Door te zwijgen spreekt hij geen dwaze dingen.
Spreuken 18:1-24
Ook hier is sprake van overwegend synoniem parallellisme.
1.De eenzelvige: die zichzelf afzondert, en wel van de gemeenschap; eigen begeerte: dus niet het algemeen belang; barst los: zie 17:14, losbreekt; wat verstandig is: namelijk de gemeenschappelijke wijsheid. 2. zich bloot geeft: de dwaas maakt zijn eigen inzichten openbaar, die op niets anders dan dwaasheid gegrond zijn. 3. verachting: de goddeloze minacht zijn naaste; smaad: deze schandelijke minachting roept smaad op in de zin van: verwijt, geringschatting. 4. diepe wateren: diep verborgen en moeilijk bereikbaar zijn de woorden van de ‘gewone man’; een bron van wijsheid: maar een bron van wijsheid is gelijk aan een stromende beek, en dus gemakkelijk bereikbaar om eruit te drinken. 5. verkeerd: zie 17: 26; voor te trekken: lett. het aangezicht op te heffen; goddeloze: hier de schuldige partij voor het gericht. 6. slagen: alleen nog in 19:29. Gedacht kan worden aan bv. lijfelijke straffen, waartoe de dwaas door zijn spreken zichzelf ‘uitnodigt’. 7. Dezelfde inhoud als vs 6; hemzelf: lett. zijn ziel. 8. lekkernijen: ze worden gretig verslonden; de schuilhoeken van het hart: het binnenste van de buik; mogelijke betekenis: daar blijven ze in herinnering. 9. broeder: hier in de betekenis metgezel; de verderven lett. een eigenaar, die verderft. Een traag en lui mens voert zichzelf ten verderve. W.De naam des HEREN: de Here zelf, vgl. Ps.20:8; onaantastbaar: gesteld in een “Hoog Vertrek” (SV). 11. Het bezit…: zie 10:15; in zijn verbeelding: rijkdom ten kwade gebruikt, is slechts bescherming in schijn. 12. Vóórdeval: zie 16:18; maaroot-moed…: zie 15:33. 13. smaad: schande is het, wanneer de ander in de rede valt, zonder te hebben laten uitspreken. 14. De geestkracht: dappere geest en sterke wil draagt fysieke zwakheid; neerslachtig geest: een gebroken wil kan niet zichzelf herstellen. 15. Het hart…: zie 15:14; het oor: wijsheid wordt met name verworven door luisteren. 16. geschenk: hier hoeft niet noodzakelijk aan steekpenningen gedacht te worden; ruimte: ruim baan. Geld opent deuren naar belangrijke contacten. 17. de eerste: namelijk de aanklager in een proces. Zolang de andere partij nog niet aan het woord geweest is, schijnt de eerste in zijn recht te staan; de ander: namelijk de verdediger; rekent hem na: zoekt het uit. Beide partijen dienen gehoord te worden. 18. Het lot: zie 16:33. Soms kan alleen het lot in een rechtsgeding beslissen. 19. broeder: hoe nauwer de relatie, des te moeilijker de verzoening na aangedaan ongelijk. 20. Van de vrucht…: zie 12:14, 13: 2. Woorden zijn als voedsel en kunnen verzadigen. de macht: lett. in de hand; toegeeft: lett. wie haar liefheeft, vgl. Jak. 3:5. 22. een vrouw: namelijk een goede vrouw; gunst: vgl. 8:35, in verband met het vinden van de wijsheid. 23. hard: ruw, zoals een rijke een arme kan toespreken. 24. Veel makkers…een mens: lett. een man van (veel) vrienden; strekken… tot ongeluk: de betekenis kan ook luiden: ze gaan als vrienden met elkaar om; een vriend: lett. die liefheeft; aanhankelijker: vgl. 17:17.
Spreuken 19:1-29
Evenals in de vorige hoofdstukken is ook hier het synonieme parallellisme de meest voorkomende poëtische vorm.
1.dwaas: hier is bedoeld een rijke dwaas, vgl. 28:6; de tegenstelling is die tussen een oprechte levenswandel en een onoprecht taalgebruik. 2. deugt…niet: lett. is een ziel niet goed. Bedoeld is: ijver, als een doelloze activiteit, vgl. Rom. 10:2; haastig…misstap: haastige spoed is zelden goed. 3. gramstorig: de dwaas is vergramd op de HERE, maar hij heeft zijn verderf aan zichzelf te danken. 4. Vgl. 14:20. 5. …blijft niet ongestraft: wordt niet voor onschuldig gehouden; uitblaast: vgl. 6:19,14:5, 25. 6. dingen naar de gunst van: lett. het aangezicht strelen van. 7. broeders: als bloedverwanten namelijk; weg zijn zij: lett. niet (zijn) zij. 8. verstand: lett. hart; zijn leven: lett. zijn ziel; vindt geluk: lett. om het goede te vinden. 9. Identiek met vs 5, behalve: zal omkomen ipv. ontkomt niet. 10. Weelde: deze bevestigt namelijk de dwaas in zijn dwaasheid; hoeveel te minder…: de onderdrukte loopt gevaar ontvangen macht te misbruiken door zelf te onderdrukken. 11. lankmoedig: het is verstandig de toorn in te houden, vgl. 14:29; voorbij te zien: te vergeven, vgl. 17:9. 12. de toorn…: zie 16:14; gras: kruiden, begroeiing, vgl. Hos. 14:6. 13. Een dwaas zoon: vgl. 17: 21, 25; …druppelend lek: zoals een lekkend dak gestadig druppels vallen laat; vgl. 21:9. 14. …van de HERE: niet zoals een erfenis, maar als een geschenk, vgl. 18:22. 15. slaap: zodat de luiaard niet kan werken; de trage: lett. een ziel van luiheid. 16. zijn wandel: lett. zijn wegen, zodat ook gelezen kan worden: Zijn wegen. 17. de arme: de zwakke, die hulp nodig heeft; leent: zodat de HERE teruggeven zal; vgl. Ps. 41:2vv; Mat. 25:40. 18. wanneer. ..: ook te lezen als: want er is nog hoop; hem te doden: immers zolang er leven is, is er hoop. 19. boeten: een geldstraf betalen; …maakt gij het erger: door de drift nog aan te wakkeren. 20. raad: deskundige en wijze leiding; ten slotte: voor de rest en aan het einde van het leven. 21. de raad des HEREN: tegenover de vele raadgevingen van mensen staat de ene raadgeving des HEREN, vgl. Ps. 33:11. 22. Het aantrekkelijke, het begeren; zijn welwillendheid: goedheid, barmhartigheid, weldadigheid; een arme: die namelijk niet belooft, zoals een leugenachtige rijke, die belooft en niets doet. 23. De vreze des HEREN: vgl. 14:27; men…: namelijk degene, die de HERE vreest. 24. hij brengt ze… mond: daar is hij namelijk te lui voor. Gevolg is dat de gemeenschappelijke schotel leeg is, voordat hij iets gegeten heeft. 25. spotter…onverstandige: vgl. 1:4, 22; het slaan is een taal, die de onverstandige verstaat; de verstandige, heeft aan een woord van terechtwijzing genoeg. 26. mishandelt…verstoot: wanneer ze namelijk oud geworden zijn. 27. De inhoud kan ironisch bedoeld zijn: het helpt toch niet… 28. nietswaardig: zie 6:12. 29. slagen: zie 18:6.
Spreuken 20:1-30
1.een spotter: wijn en sterke drank worden hier als een persoon voorgesteld, die spot (vgl. 1:22v, 19:29) en die luid schreeuwt; overgeeft: in tegenstelling tot een matig en goed gebruik (Ps. 104:15) zich overgeven aan dronkenschap (Jes. 28:7). 2. De dreiging des konings… : vgl. 16:14,19:12; bedoeld is hier de dreiging en toorn, die van de koning, met name als rechter, uitgaat. 3. barst los: hetzelfde werkwoord in 17:14; 18.T. Hier verstaan als het uitbreken van een twist. de herfst: lett. van de winter, dat is: na de oogst, wanneer geploegd dient te worden; zoekt hij: wie niet zaait, zal niet oogsten. 5. De plannen: het werkelijke voornemen; diepe wateren: zie 18:4. 6. welwillendheid: goedheid, liefde (3:3). 7. zijn kinderen: vanuit Ex. 20:6 te verstaan; vgl. ook 13:22,14: 26, 17:6. 8. Een koning: hier als de hoogste en onpartijdige rechter; met zijn ogen: hij doorziet wat voor ogen is, en weet het kwade van het goede te onderscheiden. 9. Geen mens is zonder zonde, vgl. Ps. 51:7; Pr. 7:20; Spr. 15:3, 11; 16:2 en 1 Joh. 1:7. 10. Tweeërlei…: lett. een steen (gewicht) en een steen, een efa (maat) en een efa; vgl. 11:1, 16:11. 11.Reedseen knaap…: een kind is de vader van de man. 12. …beide gemaakt: zodat de mens met oog en oor de HERE zal loven; vgl. Ps. 94:9; Spr. 16:4. 13. de slaap: zie 6:9v, 19:15; houdt uw ogen open: namelijk wanneer het tijd is om te werken. 14. Slecht…: om aldus een lage prijs te bedingen; beroemt...: nu kan hij bij de verkoop winst maken. 15. koralen: zie 3:15; verstandige lippen: lippen, die kennis laten horen (14:7). 16. zijn kleed: zie Ex. 22:26; borg: zie 6:lw, 11:15, 17: 18; onbekenden: vanwege het risico van het zaken doen met vreemden. 17. Brood des bedrogs: door bedrog verworven voedsel; zoet: namelijk in het begin, vgl. 9:17; vol kiezel: beeldspraak voor een zeer onaangename ervaring, vgl. Klaagl. 3:16. 18. Plannen: vgl. Luc. 14:31; beraad: in overleg met mensen, die ervaring hebben, vgl. 11:14; overleg: zie 1:5. 19. geheimen: zie 11:13; laat u…in: lett. vermeng u. 20. vervloekt: zie Ex. 21:17; Lev. 20:9; diens lamp: zijn levenslicht; dichte duisternis: lett. in de oogappel van de duisternis (7:9) of ook: in het uur van de duisternis. 21. bezit: of ook: erfenis; te spoedig: overijld, of verkregen door verkeerde middelen. 22. vergelden: het recht in eigen hand nemen; wacht: hoop, vertrouw. 23. Tweeërlei gewicht: lett. een steen en een steen, zie vs 10. 24. Van de HERE… : zie Ps. 37:23; doorzien: lett. verstaan, volkomen bevatten, vgl. ook 16:9. 25. valstrik… : een waarschuwing tegen het ondoordacht wijden of heiligen van een voorwerp, bv. ten behoeve van de tempel (Lev. 27), omdat de gever daarna spijt kan krijgen van een te spontane en ondoordachte handeling; na gedane beloften…: zie Pr. 5:4. 26. zuivert…uit: hetzelfde werkwoord als in vs 8; het rad: bedoeld is waarschijnlijk het rad van de dorswagen, vgl. Jes. 28:27v. 27. De geest: de levensadem, Gen. 2:7; doorzoekende: vgl. 1 Kor. 2:11. 28. Liefde en trouw: zie 3:3; door liefde: vgl. 16:12; Jes. 16:5. 29. sieraad: glorie, trots; glorie: zie 16: 31. 30. Bloedige striemen: strepen van een wonde; slagen reinigen: uitwendige slagen met een reinigend inwendig effect, vgl. bv. Ps. 119:71.
Spreuken 21:1-31
1.Het hart van de koning: in het oude oosten is de koning een absoluut heerser, maar ook hij staat onder het bestuur des HEREN; waterbeken: kunstmatige (irrigatiekanalen, waarbij het water door mensenhand geleid wordt. 2. Bijna letterlijke herhaling van 16:2. 3. offers: God aanvaardt niet de offers van de mens, die tegelijk gerechtigheid en recht vertrapt; vgl. 1 Sam. 15:22; Spr. 15:8, 21:27. 4. Trotsheid: zie 6:17; opgeblazenheid: lett. breedte, ruimte. Hier in de zin van: zonder maat of grens; de glans: geluk, welzijn; ook te lezen: het ploegen (SV). 5. de vlijtige: zie 10:4; overijlt: snel rijk willen worden: blinde ijver schaadt slechts. 6. Vgl. 10:2; verwaaiende nevel: uiteengedreven, verstrooid; dodelijke valstrikken: lett. zoekers van de dood. In plaats van rijkdom wordt de dood gevonden. 7. sleurt hen mee: zie Hab. 1: 15; de goddelozen worden in hun eigen net gevangen. 8. de bedrieger: ook wel gelezen als: de misdadiger, de met schuld beladene; eerlijk: rein. 9. Vgl. 19:13, 21:19, 25: 24; 27:15; een hoek van het dak: vgl. 1 Sam. 9:25v; 2 Kon. 4:10; bedoeld is het alleen en afgezonderd wonen, dat de voorkeur verdient boven het wonen in een gemeenschap, waar een twistzieke vrouw overheerst. 10. De begeerte: lett. de ziel; draagt hij…toe: vindt geen genade in zijn ogen. 11. Vgl. 19:25; de onverstandige: de onervarene wordt wijs, wanneer hij ziet hoe de spotter gestraft wordt: hij verstaat die les; hij…verwerven: namelijk de onverstandige. 12. De Rechtvaardige: te lezen als: de rechtvaardige; let op…: handelt juist met; en stort: als rechtvaardige namelijk. 13. de geringe: zie 19: 17. 14. Een heimelijke gave: bedoeld is omkoping; de buidel: zie 6:27, 17:23. 15. Recht doen: vgl. verband met vs 14: op recht wil de samenleving gebaseerd zijn. 16. verstand: zie 1:3; schimmen: zie 2:18; pas wanneer de verstandeloze gestorven is komt hij tot rust. 17. vermaak: vreugde, overdadige blijdschap; olie en wijn: hier tekenen van een rijk en overdadig leven. 18. losprijs: boete, bij opgelegde straf, vgl. 11:8: uiteindelijk wordt de rechtvaardige vrijgesproken. 19. een woestijn: een woest en leeg land, waar men alleen en in eenzaamheid woont, vgl. vs 9. 20. kostelijke voorraad: een verzameling begerenswaardige goederen, waarvan de olie als voorbeeld wordt genoemd, vgl. 3:16. 21. Vgl. Mi. 6:6vv; Mat. 6:33. 22. beklimt: de kracht van de wijsheid gaat die van fysieke sterkte te boven, vgl. hierbij Pr. 9:14v; de sterkte: de verdedigingsmuren en torens van de stad. 23. zichzelf: lett. zijn ziel, vgl. 13:3, 18:21. 24. vermetele: zie Hab. 2:5; heet spotter: spotter is zijn naam. 25. De luiaard heeft wel wensen en begeerten, maar hij is te lui om zijn handen er voor uit te steken. 26. geeft: in het gegeven verband valt te denken aan: hij geeft zich aan het werk van zijn handen. 27. Het offer: vgl. 15:8; met boze bedoeling: namelijk als een ‘verzoening’ voor zijn misdaad, terwijl hij zo op ‘vrome’ wijze zijn boze plannen verder wil uitvoeren. 28. Een leugenachtig getuige: zie Deut. 19:19; Spr. 19:5, 9; een man, die luistert: een betrouwbaar getuige; zegevierend: of voor altijd, in tegenstelling tot de leugenachtige getuige, die omkomt. 29. een onbeschaamd gezicht: een verhard gezicht, vgl. 7:13. 30. tegenover, geen wijsheid, verstand of raad houdt stand, wanneer deze tegen de wil des HEREN gericht zijn. 31. Het paard: zie daarover Deut. 17:16; Ps. 20:8,33:17, 76:7; Hos. 1:7; Zach. 9:10; de zege: de overwinning, vgl. 1 Sam. 17:47.
Spreuken 22.1-16
1.Een goede naam: zie Pr. 7.T; gunst: lett. goede gunst (SV); vgl. 3:4, 13:15. 2. hun aller Maker: zie 14:31; rijk en arm, dat een tegenover elkaar kan betekenen, wil een met elkaar en voor elkaar zijn, vanwege het leven, dat de HERE beiden gegeven heeft. 3. het onheil: gevaar, moeilijkheden; bergt zich: blijft uit de buurt, gedraagt zich onopvallend; gaan hun gang: zij gaan door, gaan op het gevaar af. 4. Het loon…: bedoeld is de ootmoed, die aan de vreze des HEREN ontspringt; rijkdom, eer en leven: zie 3:16. 5. Dorens en strikken: lett. strikken van dorens, vgl. 15:19; zichzelf: lett. zijn ziel. 6. Oefen: lett. inwijden, de eerste beginselen bijbrengen. 7. heerst: rijkdom betekent macht, en gemis aan rijkdom betekent verlies van onafhankelijkheid. 8′. onheil: ,zie 12:21; Gal. 6:7; de staf: teken van macht. 9. vriendelijk van oog: lett. goed van oog; een vriendelijk ikarakter, dat zich uit in weldoen. 10. de spotter: die geen rekening houdt met God noch gebod. 11. reinheid van hart: zuivere motieven;/ wiens lippen vriendelijk zijp: namelijk als’ uiting van het hart, vgl. 16:13; vriend: zó wordt de vriendschap van de koning verkregen. 12. de kennis: namelijk, die zich in wijsheid uit. 13. En is een leeuw…: opnieuw een voorbeeld van spottende humor aangaande de luiaard. 14. vreemde vrouwen: zie 2:1^; vergramd: vanwege de omgang met de vreemde vrouw. 15. dwaasheid: deze is natuurlijk voor de knaap, eh dient door de tuchtroede te worden verdreven. 16. bevoordeelt hem: bedoeld kan zijn dat de arme of dat de onderdrukker bevoordeeld wordt; verarmt hem: namelijk de rijke of ook zichzelf als de gever.
De woorden der wijzen 22:17-24:22
In de volgende woorden der wijzen is er een opmerkelijke overeenkomst met de inhoud van de Egyptische ‘Wijsheid van Amenemope’ (tussen 1150 en 1000).
Spreuken 22:17-23:11
17. mijn kennis: namelijk die de leraar aan de leerling (de zoon) overdraagt. 18. liefelijk: vgl. 3:17; in uw binnenste: lett. in uw buik; bestendig: zodat de woorden ter beschikking staan. 19. ja u: onderstreept het persoonlijke van de relatie leraar-leerling. 20. kernspreuken: ook te lezen als: heerlijke, voortreffelijke dingen. Verder kan nog de betekenis zijn ‘dertig’, als mogelijke verwijzing naar dertig hoofdstukken spreuken van Amenemope; opgeschreven: vgl. Pr. 12:10, 12. 21. de juistheid: zekerheid, waarheid; uw zender: bedoeld kan zijn degene, die vragen stelt of anderen denken aan de ouders van de leerling. 22. Nu volgen tien met Amenemope verwante spreuken. Eerste spreuk: juiste houding tegenover de arme; de geringe: de zwakke, die geen weerstand kan bieden; in de poort: waar recht gesproken wordt, zie 21:1. 23. beroven: alle nog in Mal. 3:8v; vgl. Ex. 22:20vv. 24. Tweede spreuk: houding ten opzichte van een heethoofd; heethoofd: lett. een man van toorn of wraak, die snel zijn kalmte verliest. 25. een strik: lett. een strik voor uw ziel. 26. Derde spreuk: waarschuwing tegen borgstelling;handslag: zie 6.T; schulden: namelijk die een ander gemaakt heeft. 27. uw bed…wegnemen: vgl. Deut. 24: lOw; sprekend voorbeeld van de hardheid van de schuldeiser. 28. Vierde spreuk: verzet geen grenspalen. Vgl. Deut. 19:14. 29. Vijfde spreuk: bekwaamheid geeft vooruitgang; vaardig: vakbekwaam, vgl. Ps. 45:2; Ezra 7:6; onaanzienlijken: lett. die zich in het duister bevinden. 23:1. Zesde spreuk: gedrag in aanwezigheid van een koning; wat vóór u staat: of ook: hem, die voor uw aangezicht is. 2. het mes op de keel: uitdrukking voor: beteugeling van de eetdrift, zelfbeheersing; een gulzig mens: lett. eigenaar van een ziel, van begeerte, vgl. 13:4. 3. bedriegelijke spijs: lett. brood van leugens; achter de vriendelijkheid van de heerser kan een gevaarlijke bedoeling schuilen. 4. Zevende spreuk: begeer geen rijkdom. Tob…af: maak van bezit van rijkdom niet het doel van het leven; uw voornemen: inzicht. 5. maakt hij zich vleugels: namelijk de rijkdom, die als een vogel ver-vliegt, vgl. Jes. 11:14. 6. Achtste spreuk: waarschuwing tegen een gierig gastheer, boos van oog: tegenstelling in 22:9; vriendelijk of onvriendelijk karakter. 7. eigen plannen: in plaats van rekening te houden met zijn gast. 8. uitspuwen: wanneer namelijk de ware bedoeling van de gastheer duidelijk wordt. 9. Negende spreuk:verspi geen woorden aan een dwaas. 10. Tiende spreuk: respect voor de rechten der zwakken, grenzen: landpalen, zie 22:28.11. Losser: Hebr.: goèl, zie Lev. 25:25. God is bijzonder de Vader der wezen, Ps. 68:6; Hij: met nadruk voorop.
Spreuken 23:12-25
12. Met de oproep in dit vs wordt een nieuwe serie vermaningen ingeleid. 13. de tucht: zie 13:24; 19:18; sterft: de stokslagen zijn niet dodelijk, of ook: juist de straf, die tot inkeer wil brengen, behoedt voor de dood. 14. gij: met nadruk voorop. 15. Mijn zoon: zie 1:8; de volgende spreuken vertonen overeenkomst met die in Spr. 1-9. 16. mijn binnenste: lett. mijn nieren; als zetel van gevoelens. 17. naijverig: vgl. Ps. 37:1; 73:3; voortdurend: lett. heel de dag. 18. waarlijk, dan…: ziet terug op de inhoud van vs 17. 19. op de weg: namelijk die van de wijsheid, de rechte weg. 20. wijn en vlees: vgl. Deut. 21:20; Mat. 11: 19. 21. slaperigheid: tengevolge namelijk van overdadig drinken en eten. 22. Luister…veracht: van het kind wordt eerbied en geduld gevraagd ten aanzien van de ouders. 23. Koop: vgl. 4:5; waarheid: dat, wat bestand heeft en betrouwbaar is. 24. verblijdt zich: zie 10:1. 25. Ouders mogen zich verheugen over rechtvaardige en wijze kinderen.
Spreuken 23:26-24:2
26. behagen hebben: ook te lezen als: waarnemen, bewaren. 27. een diepe kuil: vgl. 22:14; opnieuw klinkt de waarschuwing voor de vreemde vrouw. 28. als een rover: nadruk ligt hier op de actieve verleiding door de ontuchtige. de vss 29-35 wordt, niet zonder humor, de dronkelap ten tonele gevoerd (vgl. 23:20v). Bij wie is ach?…: dit vs verwoordt de wisselvallige stemmingen van de dronkenschap: wonden zonder reden: de dronkeman is strijdlustig; troebele ogen: vgl. Gen. 49:12; roodachtig zijn de ogen, bloeddoorlopen. 30. laat opzitten: vgl. Jes. 5:11; gemengde drank: zie9:2. 31. roodachtig: aantrekkelijk, door flonkerende kleur; vlot…binnen: vgl. Hoogl. 7:9. 32.gif: de dodelijke natuur van de drankzucht wordt hier in beelden uitgedrukt. 33. vreemde dingen… wartaal: een dronkeman ziet de dingen op de kop (vgl. 2:12), en zo spreekt hij. 34. De betekenis kan zijn, dat de beweging van een dronkemansgang wordt uitgebeeld: zoals een schip op-en-neergaande bewegingen maakt. 35. De dronkeman zelf is hier aan het woord; geslagen: vgl. vs 29; Dan zoek…op: namelijk de wijn, die hij opnieuw onmiddellijk zoekt, wanneer hij uit zijn roes is ontwaakt. 24:1. afgunstig: vgl. 3:31, 23:17; booswichten: lett. mannen van het kwaad, vgl. Ps. 37:1,
7.2. onderdrukking: geweld, roverij.
Spreuken 24:3-22
3.Door wijsheid: vgl. 3:19, 9:1. 4. door kennis: hier als parallel van wijsheid (vs 3). 5. sterk: lett. in kracht; betoont: lett. maakt de kracht vast (SV). 6. Vgl. 11:14; 20: 18; al ligt in de oorlog de nadruk op de fysieke kracht, toch geeft de wijsheid de beslissende doorslag wat de overwinning betreft. 7. Onbereikbaar: te hoog namelijk; wijsheid: hier in het meervoud, vgl. 1:20; in de poort: waar de wijzen samen komen, en waar ook de markt is.
8.aartsschelm: lett. eigenaar van onheil, kwaad. 9. Het bedenken: op te vatten als het maken van gemene plannen. 10. Betoont gij u slap: vgl. 18:9; traag. 11. ten dode gegrepen: in levensgevaar verkeren; wend u niet af: zie niet werkeloos toe wanneer zij te gronde gaan. 12. wij wisten…: namelijk hetgeen in de vss 11, 12 beschreven is; let op de meervoudsvorm wij; Hij, die de harten doorzoekt: vgl. 21:2; God kent de gedachten; vergelden: de straf is mogelijk in vs 10b beschreven; vgl. ook Mat. 16: 27; Luc. 16:15; Rom. 2:6; Op. 2:23. 13. honig: is goed voor het lichaam; hier als beeld van de wijsheid; vgl. Ps. 19:11, 119:103; Spr. 16:24. 14. toekomst…verwachting: vgl. 23:18. 15. woning…verblijfplaats: vgl. 3:33, 21:20. 16. zeven maal: dikwijls; staat weer op: door de hand Gods, vgl. Ps. 37:24; struikelen: vallen zonder weer op te staan. 17. verheug u dan niet: zo mochten volgens overlevering de engelen niet juichen bij de ondergang van de Egyptenaren in de Rode Zee. 18. zijn toorn…afwenden: zodat deze mogelijk op het hoofd van de jubelende zou terechtkomen; leedvermaak over de ondergang van de vijand is een grote zonde. 19. Wees niet afgunstig: lett. maak uzelf niet heet; vgl. Ps. 37.T; Spr. 23:17; 24.T. 20. geen toekomst: vgl. vs 14; uitgeblust: vgl. 13:9. 21. Vrees…: vgl. 1 Petr. 2:17; ontzag komt eerst de HERE toe, en dan de koning; laat u niet in: zie 20:19; oproermakers: die naar verandering staan (SV); gericht tegen de wetten van de HERE en van de koning. 22. hun jaren in ongeluk vergaan: ook te lezen als: wie weet hun beider ondergang? (SV), of: het onheil van hen, die naar verandering staan – wie weet het?
Een andere verzameling spreuken van de wijzen 24:23-34
23. Ook dit…wijzen: opschrift boven 24:23-34, een aanhangsel bij 22:17 (zie aldaar)-24:22; Aanzien des per-soons: partijdigheid in de rechtspraak is verboden, vgl. Deut. 16:19; Lev. 19:15. 24. onschuldig: lett. rechtvaardig; het gaat hier om schuld of onschuld in het gericht, vgl. 17:15; volken…natiën: zij missen dan de zekerheid van de onpartijdige rechtspraak. 25. voorspoed: lett. het goede. 26. kust de lippen: mogelijk te verstaan als het kussen van de lippen van de waarheid. 27. buiten: op het veld; de bedoeling is: eerst de akker, dan het huis en daarna het huwelijk als een verantwoorde volgorde. 28. misleiden: door namelijk een vals getuige tegen uw naaste te zijn. 29. Vgl. 20:22, 24:17. 30. De volgende vss laten een spotlied op de luiaard horen, en dat niet zonder humor; vgl. 6:6-11. 31. Beschrijving van volkomen verwaarloosd land; distels: vgl. Jes. 34:13; Hos. 9:6; onkruid: dit woord alleen nog in Job 30:7; Sef. 2:9; stenen muur: als bescherming rondom het veld. 32. een les: onderricht, tucht (1:2). 33. zie 6:10v. 34. gebrek: in het Hebreeuws in het meervoud.
De tweede’ verzameling van Salomo 25:1-29:27
Spreuken 25:1-28
1.de mannen van Hizkia: zie Inleiding, II, b, 3; bijeengebracht: verzamelen, samenstellen, uitschrijven. 2, verbergen: Gods regering blijft ondoorgrondelijk; uit te vorsen: te doorgronden (SV); tot op de bodem uit te zoeken, verstaanbaar te maken. 3. niet te doorvorsen: de koninklijke geest is niet te doorgronden. 4. Alleen met gezuiverd materiaal kan een goed werkstuk gemaakt worden, vgl. Ps. 119:119. 5. de goddeloze: bv. een dienaar van de koning, die een slechte invloed op hem heeft; zijn troon: vgl. 16:12. Vss 4 en 5 horen bijeen: zoals (vs 4)…, zo ook (vs 5)… 6. Praal niet: neem geen hogere plaats in, dan u is toegedacht, vgl. Luc. 14:8-11. 7.de aanzienlijke: wiens plaats u had ingenomen. 8. …u beschaamd maakt: door namelijk het proces te winnen. 9. Beslecht…: bespreek uw klacht met hem persoonlijk; het geheim: bazuin niet rond, wat u vertrouwelijk ter ore is gekomen. 10. beschimpe: vanwege het feit, dat u roddelt. 11./« juiste vorm: ter rechter tijd, passend, vgl. 15: 23; appelen: vgl. granaatappelen, die als siervruchten worden gebruikt, vgl. 1 Kon. 7:15vv. 12. een luisterend oor: dat openstaat voor vermaning; ring: zie 11:22. 13. koelte der sneeuw: verkoeling door sneeuw in de dag van de oogst, vgl. 2 Kon. 4:18v; betrouwbare bode: tegenstelling met 10:26; verkwikt de ziel: zie Ps. 23:3. 14. een waardeloos geschenk: vergeleken met de ophef, die de gever er over maakt, is de gift als een wolk, waaruit geen regen valt. 15. zachte tong: een vriendelijk in plaats van een hard woord heeft effect bij een heerser. 16. Overdaad schaadt. 17. niet te dikwijls: in aansluiting bij het vorige vs: laat uw voet zeldzaam zijn, loop de deur bij uw naaste niet plat. 18. Een knots: een hamer. 19. tand… voet: met de tand kan niet gebeten worden, op de voet niet gegaan: zo is het vertrouwen op de trouweloze tevergeefs. 20. liedjes…bij een treurig hart: misplaatste vrolijkheid beurt een droevig (lett. een slecht) hart niet op. 21. uw vijand: lett. die u haat (SV), vgl. Mat. 5:44; Rom. 12:20. 22. vurige kolen: met de bedoeling de ander tot inkeer te brengen. 23. heimelijk gepraat: lett. een verborgen tong, vgl. Ps. 101:5. 24. Zie 21:9. 25. uit verren lande: het is moeilijk nieuws uit een ver land te ontvangen, en daarom is het des te verkwikkender, vgl. Gen. 45:27; Spr. 15:30. 26. wankelt: de rechtvaardige geraakt aan het wankelen en struikelt in het aangezicht van de goddeloze. 27. doorvorsen…eer: lett.: en het zoeken van haar eer (is) eer. Een duistere zin. 28. niet in bedwang: als eenopen stad, zonder verdediging, openstaande voor plotselinge aanvallen.
Spreuken 26:1-28
De vss 1-12 bevatten een aantal spreuken over de dwaas. 1. eer: een eervol ambt past evenmin bij een dwaas als sneeuw en regen in de zomer en tijdens de oogst. 2. geen doel: zoals de mus en de zwaluw vliegen en fladderen zonder doel, zo raakt een vloek, die ongegrond is, de betroffene niet. 3. de roede: de dwaas moet voelen, wanneer hij niet horen wil, vgl. 10:13, 19:29. 4. Vs 4 en 5 schijnen elkaar tegen te spreken, maar de inhoud heeft betrekking op verschillende omstandigheden: verlaag uzelf niet door naar het niveau van de dwaas af te dalen, en 5. corrigeer een dwaze uitspraak om eigen-wijsheid van de dwaas te voorkomen. 6. boodschap: lett. woorden; de voeten: de boodschapper kan beschreven worden als ‘de voeten van de zender’; onheil: lett. geweld. De ontvanger kan in woede ontbranden, omdat hij meent dat de boodschap, die onjuist is overgebracht, correct is weergegeven. 7. zo is een spreuk…: een dwaas kan een op zich goede spreuk niet goed toepassen. 8. Zoals …vastbindt: onzekere vertaling; de betekenis is die van een nutteloze handeling. 9. een doren: als een wandelstok bedoeld, maar bij verkeerd gebruik in geval van dronkenschap werkend als een scherpe doorn. 10. De hebreeuwse tekst is hier duister. 11. herhaalt: de dwaas herhaalt het onverteerbare en handelt opnieuw dwaas, vgl. 2 Petr. 2:22. 12. Een dwaas kan nog veranderen, een overtuigd eigen-wijze niet. 13. De luiaard: de vss 13-16 zijn opnieuw aan de luiaard gewijd; een roofdier: een leeuw, vgl. 22:13. 14. draalt: de luiaard draait zich om en om, en staat niet op. 15. te traag: te moe, het kost hem te veel moeite, vgl. 19:24. 16. zeven: een rond, vol getal; verstandig: een door wijsheid gerijpt antwoord. 17. hond: geen huisdier, maar een straatdier, dat bijt bij aanraking. 18. dolleman: hij gaat als een gek tekeer, en doet onbezonnen dingen, die een dodelijke afloop kunnen hebben voor anderen. 19. bedriegt: als grap bedoelt, maar met ernstige gevolgen. 20. lasteraar: zie 16:28. 21. zo een twistziek man: deze doet namelijk de strijd oplaaien. 22. Zie 18:8. 23. Zilverglazuursel: wat overblijft na de loutering van het zilver. Bedoeld is hier: onecht, een schijn van zilver; brandende lippen: gladde lippen, die de schijn van waarheid voortbrengen. 24. veinst: achter vriendelijke woorden wordt de haat verborgen, vgl. 10: 18; bergt: het bedrog hoopt zich in het verborgene op,’ en ter gelegener tijd komt het naar buiten. 25. geloof hem niet: vertrouw zijn vriendelijk klinkende woorden, waaronder een volheid van gruwelen verborgen is, niet. 26. de vergadering: vgl. 5:14; vroeg of laat komt de opgekropte haat openbaar. 27. Wie een kuil graaft…: om anderen leed te berokkenen, vgl. Ps. 7:16v; Pr. 10:8. 28. haat hen: leugentaal en laster wordt door haat gedragen.
Spreuken 27:1-27
1.Beroem u niet…: prijs uzelf niet met het oog op de dag van morgen, vgl. Mat. 6:11; Jak. 4:13vv. 2. roeme: hetzelfde woord als in het vorige vs; men moet niet zichzelf prijzen. 3. de ergernis over een dwaas: de kwelling, plaag of ergernis, die een dwaas oproept. 4. jaloersheid: vgl. 6: 34; Hoogl. 8:6. 5. verborgen liefde: een openlijke bestraffing is beter dan die liefde, die zich verborgen houdt en zich niet openlijk bestraffend uit. 6. wonden door een vriend geslagen: door bestraffende woorden namelijk; overvloedig: verborgen in overvloedige valsheid. 7. mens: lett. ziel, vgl. 10:3; een hongerige: vgl. ons ‘Honger maakt rauwe bonen zoet’. 8. rondzwerft: veranderen van woonplaats of van land is in de oudheid zeer ingrijpend. 9. verheugen: vanwege de aangename geur; vanwege welgemeende raad: lett. vanwege de raad van de ziel (SV); een van harte gegeven advies. 10. Een goede buur, die bereid is te helpen wanneer de nood aan de man is, is beter dan een verre broer, die vanwege de afstand niet tot directe hulpverlening in staat is. 11. mijn zoon: hier spreekt opnieuw de leraar der wijsheid; een antwoord: de wijsheid van de leerling is het antwoord in levende lijve, wanneer de leraar spottend wordt bekritiseerd. 12. Zie 22:3. 13. Zie 20:16. 14. op luidruchtige wijze: uitwendig, in de zin van: gemaakt, onoprecht; als een vloek: de geveinsde zegengroet wordt de spreker zelf als een vloek aangerekend. 15. Een gestadig druppelend lek: verdrijft de bewoners uit het huis, vgl. 19:13; gelijk: zo verdrijft een twistzieke vrouw de bewoners. 16. opsluiten: evenmin als de wind is op te sluiten, is het gedrag van de twistzieke vrouw (tegenover de buren) binnenskamers te houden; ontmoeten: lett. roepen; de rechterhand, waarmee men zichzelf met olie zalft, verraadt de geur, die niet verborgen is te houden. 17. zo scherpt…: door gemeenschappelijke studie wordt het karakter gescherpt. 18. zorgt: lett. die de wacht…waarneemt (SV). 19. zo weerspiegelt…: in het hart van een medemens zien we onszelf; aan onze naaste kunnen we ons spiegelen. 20. Dodenrijk en verderf: zie 15:11; de ogen: door middel waarvan het verlangen naar steeds meer opgewekt wordt. 21. De smeltkroes…: zie 17:3; zijn faam: die hij ontvangt of die hij anderen verleent, vgl. 12:8. 22. Al stampt gij…: zelfs door de meest ingrijpende maatregelen wordt de dwaasheid niet van een dwaas weggenomen. 23. De vss 23-27 laten de zorg voor de kudde kleinvee horen, de staat: lett. het aangezicht. 24. een schat: rijkdom; een kroon: deze is vaak niet zo duurzaam als het bezit van land en vee. 25. verdwenen: nl. als hooi naar de schuur gedragen; etgroen: jong groen, dat na het maaien opkomt, de kruiden der bergen: vgl. Ps. 147:8. 26. kleding: nl. van de wol van de schapen. 27. geitenmelk: vgl. Deut. 32:14.
Spreuken 28:1-28
1.zonder…vervolgt: als een inbreker, die een slecht geweten heeft. 2. …zijn vorsten vele: voortdurende wisseling van heersers kan als een straf voor een land beschouwd worden; het recht: vgl. 11:19. 3. arm man: een arme, die macht verkrijgt, kan wreed zijn voor zijn naaste; wegspoelende regen: najaarsregen, die alles wegspoelt, zodat zelfs geen voedsel overblijft. 4. de wet: Hebr.: tora; hen: namelijk de goddeloze(n). 5. verstaan: zie 1:2; verstaan alles: hebben inzicht in het geheel, namelijk het onderscheid tussen goed en kwaad. 6. Beter een arme…: zie 19:1; wegen: lett. beide wegen. 7. de wet: Hebr.: tora; doorbrengers: vgl. 23:20. 8. rente en woeker: volgens Lev. 25:36 is zowel het een als het ander verboden; verzamelt…ontfermt: uiteindelijk komt de opbrengst ten goede aan de armen en niet aan de geldjagerzelf. 9. afwendt: een opzettelijke weigering om het onderricht te horen; een gruwel: vgl. 15:8. 10. een slechte weg: vgl. 8:13; boze wandel; eigen kuil: zie 26:27; de rechtschapenen: vgl. 2:21; de vromen. 11. rijkdom is geen garantie voor wijsheid. 12. de heerlijkheid: hier te verstaan als die levensomstandigheden, die het gevolg zijn van een rechtvaardig regeren; verbergen zich de mensen: zij worden gezocht, namelijk: om hun bezit in beslag te nemen bv., vgl. Ob. 6. 13. bedekt: geheim houdt en weigert schuld te belijden, vgl. Ps. 32:5; 1 Joh. 1:9; voorspoedig zijn: namelijk er in slagen om de overtredingen te verbergen. 14. vreest: te verstaan als eerbied en vreze des HEREN; onheil: het kwaad, als gevolg van de houding van het niet-vrezen. 15. grommende leeuw: die een prooi gegrepen heeft, vgl. Am. 3:4; hongerige beer: lett. omzwervend; zoekend naar voedsel, vgl. Joël 2:9. 16. zonder inzicht: hiervan is Salomo het tegenbeeld, 1 Kon. 3:9; verlengt zijn dagen: Hebr. voor: een lang en gelukkig leven. 17. vluchten: de bloedwreker zit hem op de hielen, vgl. Num. 35:19vv; weerhoude: of ook: ondersteune (SV). 18. wegen: evenals in vs 6 valt hier te lezen: beide wegen (SV: twee wegen); onverhoeds: lett. in één, nl. één van de beide wegen. 19. Vgl. 12:11. 20. betrouwbaar: nl. in zaken; ongestraft: met haast rijk te willen worden gaat gepaard met schuld. 21. Aanzien des persoons: zie 24:23; zelfs…overtreden: ook in dat geval mag de rechter geen aanzien des persoons betrachten, vgl. Ex. 23:3; Lev. 19:15. 22. boos van oog: vgl. 23: 6. 23. later: achteraf zal de ander inzien, dat vermaning, en niet vleierij, gevolg van vriendschap is. 24. ontrooft: het bezit van de ouders zich toeëigenen, vgl. 19:26; Mar. 7:10vv; metgezel: vgl. 18:9. 25. hebzuchtige: lett. die wijd van ziel is; die veel verlangt; overvloedig verkwikt: zie 11:25. 26. eigen hart: eigen verstand, zonder leraren der wijsheid; ontkomen: namelijk aan het kwaad, dat gevolg is van zelfvertrouwen. 27. Wie…geeft: zie 19:17; toesluit: nl. voor de nood van de arme; vervloekt: zie Deut. 15:9. 28. Vlg. vs 12; verschuilen: nl. uit vrees voor de macht der goddeloze heersers; nemen… toe: in macht en in aantal.
Spreuken 29:1-27
1.herhaalde vermaning: lett. een man van berispingen; onherstelbaar: lett. zonder genezing, vgl. 6:15. 2. Vgl. ll:10v, 28:12, 28. 3. verheugt: door het geld niet met hoeren door te brengen (vgl. Luc. 15: ^i), kan hij zijn vader onderhouden. 4. houdt…staande: namelijk door evenwicht en voorspoed, die het gevolg .van het handhaven van het recht zijn; afperser: ljbtt. eert man van buitensporige eis; waarmee hier bedoeld kan zijn buitensporig hoge belasting, die de koning aan het volk oplegt. 5. zijn schreden: bedoeld kunnen zijn zowey de schreden van zijn naaste als die van zichzelf, vgj. 26:27ƒ 28:10. 6. een valstrik: voor de ander bedoeld, maar hij valt er zelf in, vgl. 12:13; jubelen en vrolijk zijn: de rechtvaardige kan verheugd zijn weg gaan, omdat hij onderweg geen valstrik legt voor zijn naaste. 7. erkent: in de zin van kennen en erkennen, vgl. 12:10; het recht: de rechtszaak, de rechten, de positie van de arme. 8. Overmoedigen: lett. mannen van de spot, vgl. 1:22; Jes. 28:14; brengen…in onrust: lett. steken in brand; zij stoken het vuur van de tweedracht op, vgl. 22:10. 9. een rechtszaak: een proces of ook een discussie; raast en lacht deze: namelijk de dwaas, die de wijsheid belachelijk maakt; zonder bedaren: dan is er geen rust. 10. Mannen des bloeds: die niet terugschrikken voor geweld en bloedvergieten; zoeken zijn behoud: lett. zoeken zijn ziel, in de zin van: bekommeren zich om zijn leven. 11. toorn: lett. geest, vlg. 16: 32.12. leugentaal: valse beschuldigingen; dienaren: zoals de koning is, zo zijn zijn ministers. 13. Vgl. 22:2; verdrukker: de rijke is hier de onderdrukker van de arme; het licht der ogen: vgl. Ps. 13:4. 14.de geringen: zievs7, een rechtvaardige regering wordt getoetst aan het recht der armen; diens troon: vgl. 16:12, 20:28, 25:5. 15. Roede en bestraffing: tucht, die doet voelen en wil laten horen; moeder: vgl. 10:1. 16. Zie vs 2; verlustigen: lett. zien toe; zij zijn getuigen. 17. rust…vreugde: ouders kunnen een levensavond vol rust en vreugde ontvangen wanneer hun kinderen een standvastig leven leiden, vgl. 19:18, 23: 13. 18. openbaring: hier is met name bedoeld: het profetische visioen, Jes. 1:1; Jer. 14:14; verwildert: vgl. Ex. 32:25. 19. Met woorden…: vgl. echter de bescherming van de slaaf tegen lichamelijk geweld, Ex. 21:20, 26v; stoort zich er niet aan: lett. hij antwoordt niet. 20. te haastig: snel en ondoordacht spreken; vooreen dwaas… voor hem: zie 26:12. 21. weerbarstigheid: onzekere vertaling, ook te lezen als: een zoon (SV), de verwende slaaf gaat zich gedragen alsof hij een vrije zoon was. 22. Vgl. 15:18, 28:25. 23. vernedert: vgl. 11:2, 16:18; Luc. 14:11; eer ontvangen: vgl. 15:33, 18:12. 24. zichzelf: lett. zijn eigen ziel; de vloek: zie Lev. 5:1; bedoeld is de vloek, die over de dief wordt uitgesproken. 25. onaantastbaar: lett. zal in een hoog vertrek gesteld worden (SV). 26. de gunst: lett. het aangezicht. 27. booswicht: lett. een man van ongerechtigheid; een gruwel: omdat de rechtvaardige de daden van de goddeloze veroordeelt door zijn levenswandel.
De woorden van Agur 30:1-33
1.De woorden van Agur: in dit hoofdstuk treffen we aan een verzameling spreuken van de overigens onbekende Agur; De godsspraak: de last (SV); vgl. bij Nah. 1:1; Woord Gods door middel van een profeet gesproken, vgl. Jer. 23:33vv; Hebr.: massa'(in Gen. 25:14 de naam van een afstammeling van Ismaël); Deze man zegt: lett. het (profetische) woord van de man; eveneens in Num. 24:3; 2 Sam. 23:1; Ik tobde mij af, o God: weergave van Hebr. Ithiël (als naam voorkomend in Neh. 11:7); en ik versmacht: Hebr. Uchai, mogelijk zijn Ithiël en Uchal leerlingen van Agur. 2. onvernuftiger: zie 12:1. 3. de Hoogheilige: kennis der wijsheid leidt niet tot het kennen in de zin van het bevatten van de Heilige (in Hebr.: meervoud), vgl. 9:10. 4. De serie vragen wil laten zien dat geen mens tot het hier genoemde in staat is, vgl. Job 38: 4vv; daalde weer neder: alleen God, vgl. Gen. 11:7; Ex. 19:18; de wind… verzameld: een daad van God, zie Am. 4:13; Ps. 135:7; de wateren saamgebonden: zie Job 26:8; Hoe is zijn naam: uitdagend bedoeld; …van zijn zoon: voortzetting van de uitdaging: noem de naam van de zoon als ge kunt…; Gij weet het toch: zeg het, als ge het werkelijk weet… 5. De vss 5 en 6 geven het antwoord op de voorgaande vragen: houdt u aan het geopenbaarde Woord des HEREN; Alle woord Gods…: zie Ps. 18:31;gelouterd: zoals edel metaal, vgl. Ps. 12:7, 119:140. 6. Doe niets… toe: zie Deut. 4:2. 7. De vss 7-9 laten een gebed horen, dat het voorgaande onderstreept; …voordat ik sterf: vgl. Ps. 39:14. 8. valsheid: ziePs. 12:3,41:7; mij toebedeeld: 31:15; Mat. 6:11. 9. verloochenen: ten gevolge van rijkdom zich niet meer afhankelijk weten van God; Wieis…: vgl. Deut. 8:lw, 32:15; vergrijpe: namelijk door de schuld van het stelen uiteindelijk op God af te wentelen. 10. Belaster: een slaaf is uitermate kwetsbaar en kan zich niet tegen laster verdedigen; en gij… boeten: en gij schuldig wordt (SV). 11. Sleutelwoord in de vss 11-14 is: geslacht, geslacht vgl. Ps. 12:8, 14:5, 24:6; we kunnen weergeven met: wat een geslacht…!; vervloekt zie 20:20. 12. rein…in eigen ogen: vgl. Jes. 1: lOw. 13. trotse ogen: vgl. 6:17, 21:4; opgetrokken wimpers: dat wil zeggen met verachtelijke blik. 14. tanden…gebit: zoals van verscheurende dieren. de vss 15, 16 ontmoeten we de eerste van een vijftal getalspreuken, die telkens met vier voorbeelden een thema uitbeelden. Het eerste thema is: het onverzadigbare; geef, geef!: duidt de naam en het karakter aan; twee…drie…vier: opklimmende reeks; al meer en meer, vgl. Am. 1:3; Ps. 62:12; Jes. 17:6; Spr. 6:16; genoeg: lett. rijkdom, overvloed. 16. het dodenrijk: vgl. 27:20; de onvruchtbare schoot de gesloten baarmoeder (SV). 17. Het oog: als spiegel van de ziel; de gehoorzaamheid: vgl. Gen. 49:10; opeten: als straf onbegraven blijven liggen en door de jonge arenden gegeten worden, vgl. Deut. 21:18vv. de vss 18-20 de tweede getalspreuk, met als thema: het onbegrijpelijke; te wonderlijk: vgl. Ps. 139:14vv; Pr. 11: 5; begrijp: kennen, bevatten. 19. de weg: vier maal de verwondering over de weg waarlangs en de wijze waarop; adelaar: zie vs 17. 20. de weg…: even onbegrijpelijk is de weg van de overspelige vrouw, voor wie overspel gelijk is aan eten en drinken. 21. De derde getalspreuk treffen we in de vss 21-23, met als thema: het onfverjdraag-lijke; onder vier: tweemaal een man en tweemaal een vrouw. 22. slaaf…koning: vgl. 19:10; 1 Kon. 16:9v; nietsnut: zie 17:7; verzadigd: zie boven vs 8v. 23. een versmade: lett. een gehate vrouw; dienstmaagd: zie Gen. 16. 24. De vss 24-28 bevatten de vierde getalspreuk. Het thema is: klein, maar wijs; de kleinste…bovenmate wijs: groot is niet gelijk aan grootheid, integendeel… 25. de mieren: zie 6:8. 26. de klipdassen: zie Ps. 104:18; zij mogen niet gegeten worden, Lev. 11:5. 27. gezamenlijk: vgl. Joël 2:2vv, als een geordend leger. 28. de hagedis: of de spin; paleizen: de grootste gebouwen, als tegenstelling tot de kleinste dieren. 29. de vijfde getalspreuk, met als thema: statige verschijning, vinden we in de vss 29-31; statige tred…gang: goed van stap en goed van gang. 30. terugdeinst: de leeuw kent geen angst voor andere dieren. 31. de windhond: ook gelezen als: haan of als: paard; lett.: de aan de heupen gesnoerde; wiens krijgsvolk met hem is: of: die niet tegen te staan is (SV), tegen wie niet valt op te staan. 32. ondoordacht: als een dwaas, vgl. 17:7; verheft: door uzelf boven een ander te plaatsen. 33. drukking: vermijd het resultaat van de druk, door de hand op de mond te leggen en dus te zwijgen.
Woorden van Lemuël 31:1-9
1.Lemuël: naam van overigens onbekende koning; de koning van Massa: Hebr.: massa’ kan ook hier betekenen: godsspraak, zie 30:1; zijn moeder…vermaande: in een zgn. vorstenspiegel onderwijst de koningin-moeder haar zoon. 2. zoon van mijn geloften: vgl. 1 Sam. 1:11. 3. aan de vrouwen: namelijk in de harem; uw omgang: lett. uw wegen. 4. Het past…niet: waarschuwing voor dronkenschap; noch machthebbers…begeren: lett. noch prinsen (om te zeggen): waar (is) sterke drank? vgl. 20.T. 5. alle verdrukten: lett. alle zonen der verdrukking; zij immers hopen op het recht van de koning. 6. Geeft…: Wijn is gegeven om het hart van de mens te verheugen, Ps. 104:15, in geval van bitter verdriet. Hier gaat het dus om het juiste gebruik van sterke drank. 7. zijn moeite: zijn zorgen, zijn lijden. 8. de stomme: die zelf geen stem heeft in het gericht; wegkwijnen: lett. de zonen van het verdwijnen. Voor dezulken zal de koning opkomen. deze woorden is de roeping van de koning samengevat.
Lof op de bekwame huisvrouw 31:10-31
10. Het Spreukenboek wordt afgesloten met een alfabetisch lofdicht op de bekwame vrouw. Na de vele spreuken, gewijd aan de vreemde en verleidelijke vrouw, volgt tenslotte een onvergelijkelijke lofzang op de wijze vrouw. In joodse gezinnen wordt bij het aanbreken van de sabbat onder andere dit slot van Spreuken gehoord. 10. Een degelijke vrouw: zie 12:4; koralen: zie 3:15. 11. vertrouwt: hij heeft vol vertrouwen in de wijze, waarop zij de huishouding voert; voordeel: zijn vrouw brengt hem winst binnen. 12. Zij doet hem goed: geestelijk en materieel. 13. Zij is bezig: lett. zij zoekt. Zij zorgt dat er voldoende materiaal voor kleding is; vaardige: lett. het plezier van haar handen. 14. schepen: die goederen vanuit verre landen invoeren; van verre: in de zin van zeer kostbaar. 15. het voedsel: lett. de buit, de prooi, vgl. Ps. 111:5; Mal. 3:10; haar deel: nl. het toebedeelde voedsel, vgl. 30:8. 16. Zint zij…: na onderzoek en goedkeuring koopt zij de akker; de verdienste: lett. de vrucht; een wijngaard: behoort bij een ideaal bezit, vgl. 1 Kon. 4:25. 17. omgordt: kan slaan op het opschorten van de kleding, om zo beter te kunnen werken. 18. bemerkt: lett. zij smaakt, vgl. Ps. 34:9; gedijt: lett. goed, en dus: winst oplevert; haar lamp: zij werkt laat in de avond en vroeg in de morgen (vs 15); vgl. de gewoonte de hele nacht een lamp te laten branden (Jer. 25:10; Job 18:6). 19. Door het spinnen van de wol zorgt zij voor kleding voor de arme (vs 20) en voor haar gezin (vs 21). 20. Haar hand: haar handpalm strekt ze open uit naar haar naaste in nood. 21. scharlaken: kostbare kleding, vgl. 2 Sam. 1:24; Jer. 4:30. 22. tapijten: zie 7:16; fijn linnen en rood purper: kostbare kleding, vgl. Luc. 16:19. 23. de poorten: zie 1:21. 24. linnen kleding: gebruikt als boven- of onder-kleding, vgl. Jes. 3:23; Mat. 27:59; Mar. 14:51v; gordels: versierd met borduurwerk; de koopman: lett. de Ka-naäniet, vgl. Jes. 23:8; Zach. 14:21. 25. haar gewaad: vgl. Ps. 104:1, 132:9; de komende dag: de toekomst. 26. vriendelijke onderwijzing: lett. tora van vriendelijkheid; zij geeft haar instructies op vriendelijke toon. 27. traagheid: luiheid. 28. staan op: in de morgen, of ook: als betoon van eerbied, vgl. Lev. 19:32. 29. Hier is de man aan het woord; dochters: hier voor: vrouwen, Hoogl. 2:2, 6:9. 30. De beide slotverzen vertolken de les der wijsheid geheim ,yart de. prijzenswaardigheid van de vrouw. 31. uit het voorafgaande; ijdel: als een damp, een adem- …in de poorten: de vrucht van dé handen van de bekwa-tbcht;…die de HERE vreest: de vreze dés HEREN is het • me huisvrouw vindt .openbare erkenning.
Voor de uitleg werd dankbaar gebruik gemaakt van: A. Cohen, Proverbs, in de serie Soncjno Books of the Bible, London/Jerusalem/New York 1976, zevende druk.