In een echte ontmoeting sta je op heilige grond
Het belang van schroom in de geestelijke verzorging
Geestelijk verzorger Jody van der Velde schrijft over het belang van schroom in de geestelijke verzorging. Het woord schroom heeft meerdere betekenissen, zoals verlegenheid, angst of terughoudendheid. Maar waarom is schroom zo belangrijk in het verlenen van geestelijke steun?
Het is al jaren geleden, maar ik herinner me het nog als de dag van gisteren. Ik was vastgelopen op mijn werk en had een afspraak gemaakt met een geestelijk begeleider. Ik wilde met hem onderzoeken wat er bij mij speelde. Op de dag van de afspraak fietste ik naar de afgesproken locatie. Maar telkens weer schoot de gedachte door mijn hoofd: “Dit heb je toch niet nodig? Wat zal hij wel niet van jou denken? Het gaat al beter, je kunt dit zelf wel oplossen.” Ik stond op het punt om naar huis terug te fietsen en de afspraak af te zeggen. Gelukkig heb ik dat niet gedaan. De gesprekken hebben me geholpen om mijn vragen en onzekerheid onder ogen te zien. Dat bood ruimte en nieuwe inzichten. Maar de schroom om te erkennen dat ik hulp nodig had, dat ik niet alles zelf kon oplossen én de drempel die ik voelde om mijn innerlijke onrust met iemand anders te delen, is me altijd bijgebleven. Deze ervaring helpt me nu ik in mijn rol als geestelijk verzorger met anderen het gesprek aan ga.
Diepere laag van het bestaan
Sinds een aantal jaar werk ik als algemeen geestelijk verzorger in het Zaans Medisch Centrum. De mensen met wie ik spreek verkeren vaak in kwetsbare posities. Ze maken zich zorgen om hun gezondheid. Ze zijn niet thuis, niet in hun vertrouwde veilige omgeving, maar in het ziekenhuis. Ik voer gesprekken met mensen die dat willen; vaak na aanbod van artsen en verpleegkundigen. De beroepsvereniging van geestelijk verzorgers (VGVZ) definieert het werk van geestelijk verzorgers als het bieden van begeleiding bij levensvragen, zingeving, spiritualiteit en ethische dilemma’s. Ze worden ingeschakeld bij ingrijpende gebeurtenissen zoals ziekte of beperking, verlies, afscheid, geboorte of existentiële vragen. De gesprekken raken vaak een diepere laag van het bestaan, daar waar mensen ervaren dat de maakbaarheid van het leven beperkt is en het niet-weten aan de deur van het leven klopt.
Twee voorbeelden
In mijn werklijst staat een verzoek om langs te gaan bij een 70-jarige vrouw die recent slecht nieuws heeft gekregen en verdrietig is. Ik ga haar eenpersoonskamer binnen, stel me voor, leg uit waarvoor ik kom en vraag of ik bij haar mag komen zitten. Dat mag. Ik pak een stoel en ga zo zitten dat ze me makkelijk kan aankijken, met voldoende afstand. Ik zie emotie bij haar en ik zeg niets, kijk haar rustig aan. Ze begint te huilen. We zijn samen stil. Na een poosje begint ze te vertellen wat haar bezighoudt. En het gesprek ontvouwt zich vervolgens als vanzelf.
Later, aan het einde van de middag, gaat mijn telefoon. Een verpleegkundige van de intensive care vraagt of ik tijd heb om langs te komen. Een patiënt heeft onverwacht te horen gekregen dat hij niet meer beter zal worden. Hij is nog geen 60 jaar oud. De verpleegkundige vraagt of ik deze patiënt wil ondersteunen. Hij kan nauwelijks praten. Ik stel mezelf voor en meen angst te zien in zijn ogen. Ik benoem wat ik zie en vraag of ik iets voor hem kan betekenen. Hij geeft aan katholiek te zijn, en ik spreek een kort gebed uit. Dit lijkt voor dat moment voldoende, een echt gesprek is nu niet mogelijk omdat hij te verzwakt is. De volgende dag lees ik in het patiënten-rapport dat de patiënt en zijn familie boos zijn dat ik langs ben geweest. De komst van een geestelijk verzorger aan zijn bed heeft hij opgevat als een teken dat hij spoedig zal overlijden. Hij is hevig geschrokken en heeft aangegeven me niet meer te willen zien.
De komst van een geestelijk verzorger aan zijn bed heeft hij opgevat als een teken dat hij spoedig zal overlijden
Deze twee voorbeelden laten zien hoe kwetsbaar een gesprek kan zijn. De beeldvorming die de gesprekspartner heeft over de geestelijk verzorger speelt een grote rol, zoals duidelijk werd bij de patiënt op de intensive care. Ik moet er rekening mee houden dat mijn gesprekspartner een beeld van mijn functie heeft wat het gesprek beïnvloedt. Daarnaast zijn het gesprekken waarbij de persoonlijke ruimte, de innerlijke ruimte, wordt betreden. Het hart en de ziel worden geraakt. Het intiemste, wat diep van binnen leeft, wordt toevertrouwd. Dit vraagt om een veilige en vrije ruimte, waarin geen belangen spelen en er geen doelstellingen zijn voor het gesprek. Waar het niet-weten er mag zijn, zonder dat deze gevuld wordt met adviezen en oplossingen. Het is mijn verantwoordelijkheid als geestelijk verzorger om deze veilige ruimte te creëren, te behoeden en te beschermen.
Met schroom tegemoet treden
Als ik een patiëntenkamer binnenga, probeer ik te denken aan de Bijbeltekst: “Trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat is heilig” (Exodus 3:5, NBV21). De persoon met wie ik in gesprek ga is heilig, dat wat gedeeld wordt is heilig en moet met schroom tegemoet getreden worden. Pas dan kan deze persoon zich laten zien, en delen wat er in zijn of haar binnenste afspeelt. Concreet doe ik dat door af te tasten wat er voor de ander op het spel staat en van belang is. Door te letten op verbale en non-verbale signalen én door in mijzelf ruimte te maken voor het verhaal van de ander. Pas dan kan de ander tot zijn of haar recht komen. In het eerste voorbeeld lukte dat. Ik had de rust en innerlijke ruimte om bij de patiënte te blijven, ik kon ruimte en vertrouwen bieden. Dit vraagt wel om innerlijk werk, om het uit te kunnen houden met verdriet en dit niet gelijk te willen verzachten. Het vraagt om de stille ruimte in mijzelf en bij de ander te behoeden en erbij blijven. Daarvoor moet ik mijn eigen hart openen, mijn eigen kwetsbaarheid toelaten en ook in het niet-weten durven te verblijven.
De stille ruimte in mijzelf en bij de ander te behoeden en erbij blijven
In het tweede voorbeeld lukte dat niet. Het was het einde van de middag, ik was gehaast en heb verzuimd om bij de verpleegkundige navraag te doen over wat er precies speelde en wat de wens van de patiënt was. Ik voelde me onzeker toen ik bij hem was. Het gebed wat ik uitsprak was achteraf gezien een soort oplossing in een situatie waarin ik niet wist wat goed was om te doen. Deze patiënt heeft mijn komst als een bevestiging ervaren van zijn angst dat hij snel zou overlijden.
De vijf stappen van het rituele bad
Je kunt gespreksvoering in de geestelijke verzorging vergelijken met een ritueel bad, legt collega Job Smit uit.1 Het beeldt een ideale route uit die de geestelijk verzorger en gesprekspartner samen gaan: het naderen en vervolgens het afdalen in het rituele bad om ‘gereinigd’ te worden (verdiepen), vervolgens weer omhoog te klimmen naar de oppervlakte om met nieuwe kracht verder te gaan (verbinden).
Het rituele bad omvat vijf stappen. Eerst is er het naderen. Dit bestaat uit het leggen van contact en het kweken van vertrouwen. Het gesprek bevindt zich dan nog aan de oppervlakte. Vervolgens kan het gesprek verdiept worden, dit gebeurt al zoekend. De beleving en betekenis van wat de gesprekspartner vertelt, wordt onderzocht. In deze fases speelt schroom een grote rol; het is een kwestie van onderzoeken hoeveel ruimte er is. Om af te tasten wat er mag zijn en of zijn of haar innerlijke ruimte geopend wordt. Als dat lukt, komt er een moment waarop de geestelijk verzorger niets doet, maar de dingen laat gebeuren. Dit is de fase van laten. Dit is een spirituele fase, waarbij de gesprekspartner zichopent en de geestelijk verzorger daarvan getuige is. De gesprekspartner wordt geraakt en getransformeerd. Dit proces ligt buiten de macht van de geestelijk verzorger. Het gebeurt bij wijze van spreken ‘onder water’. Er komt iets tevoorschijn dat als nieuw wordt ervaren. Dit vraagt van de geestelijk verzorger om ruimte te maken, stil te zijn en dit proces in verwondering te aanschouwen. In de verbindende fase worden samen beelden of woorden gezocht voor wat er gebeurd en ontdekt is. Dit wordt vervolgens verbonden met het gewone leven. Tot slot wordt het gesprek afgesloten, en wordt gevierd wat ontvangen is.
“Geef mij maar een spuitje”
Ik sprak een man die door een hersenbloeding halfzijdig verlamd was geraakt. Hij was diep verdrietig, boos en bang. Zijn omgeving probeerde hem moed in te praten, maar dat hielp hem niet. In het eerste gesprek dat ik met hem had hebben we alleen stilgestaan bij de pijn en bij emoties en gedachten die in hem leefden. Hij wilde zo niet verder leven, in een rolstoel, afhankelijk van zorg: “Geef mij maar een spuitje.” In dat eerste gesprek mocht dat er allemaal zijn, het werd erkend en onderzocht. In dit gesprek bleven we bij de fases naderen en verdiepen.
In het tweede gesprek herhaalde ik wat we besproken hadden in ons vorige gesprek. En weer vertelde hij dat hij zijn leven zo niet zag zitten. Ik vroeg hem vervolgens wat zijn leven vóór de hersenbloeding vreugde gaf. Hij vertelde over zijn vrouw, gezin en kleinkinderen. Wat ze voor hem betekenden. En hoe verdrietig ze nu waren. Het gesprek viel stil. Zijn blik was naar beneden gericht, tranen liepen over zijn wangen. Ik bleef stil en na enkele lange minuten hief hij zijn hoofd op, pakte mijn hand en zei: “Ik moet tóch door. Ik kan mijn vrouw niet achterlaten. Ik wil mijn kleinkinderen zien opgroeien. Hen laten zien dat een rolstoel het einde niet is. Ik moet gaan vechten.” Een nieuwe blik in zijn ogen. Hij had iets ontvangen in de stilte, nadat eerst zijn verdriet er mocht zijn. Mijn rol in dit gesprek was ruimte bieden aan dit proces, het laten gebeuren. Ik kon niets oplossen, alleen vertrouwen op datgene wat zich in deze man afspeelde. Niets doen is in dit geval alles laten gebeuren.
Niets doen is in dit geval alles laten gebeuren
Een ander woord voor de fase van ‘laten’ is ‘tussenruimte’. Het gaat hier om de spirituele dimensie, die niet verstandelijk te begrijpen is, maar wel aan te voelen. Er gebeurt iets nieuws in deze tussenruimte. Het is aan de geestelijk verzorger om hier ruimte voor te maken en dit proces te herkennen. Het vraagt om het kunnen herkennen van zingevings- en spirituele thema’s die spelen, maar óók om eigen intuïtie in te zetten en te volgen.
Dat vind ik altijd een spannende stap, want intuïtie kan er zomaar naast zitten. Het benoemen van intuïtieve gedachten (die zomaar opborrelen) vraagt om zowel schroom als moed. Terughoudendheid omdat ik er naast kan zitten en de ander hierdoor kwijt kan raken. Er is moed voor nodig om het dan toch in te brengen. Een ander woord voor moed is lef. En dit is verbonden met het Hebreeuwse woord Lev: ‘’hart”. Het hart staat hierin symbool voor de innerlijke bron van het leven, waar beslissingen worden genomen vanuit liefde, kracht en wijsheid. Om die lef te hebben is verbinding met mijn eigen hart en ziel onmisbaar.
Tijdens een gesprek wordt dus ook van mij als geestelijk verzorger gevraagd om mij innerlijk te openen, om te reflecteren en te toetsen wat er in het gesprek gebeurt. En om verbonden te zijn met mijn eigen spiritualiteit. Het hele proces vraagt om schroom. In een echte ontmoeting sta je op heilige grond en moet je zowel je sandalen uit doen als stevig staan. Om zo verbonden met de grond die ons draagt, met schroom en lev, in verbinding met jezelf en de A/ander vol vertrouwen de ontmoeting in te gaan.
Jody van der Velde-van Garderen werkt als geestelijk verzorger in het Zaans Medisch Centrum en via Questio, centrum voor levensvragen.
- Job Smit. Antwoord geven op het leven zelf. Een onderzoek maar de basismethodiek van de geestelijke verzorging (2015), Eburon Uitgeverij B.V, p. 299. ↩︎