Tweede zondag van de herfst
OT: Ezechiël 18,1 -4.25-32 Psalm: Psalm 25,1 -10 EV: Matteüs 21,23 -32 Epistel: Filippenzen 2,1 -13 Overig: Jezus Sirach 18,1 -14 Alternatieven:
OT: Ezechiël 18,1 -4.25-32 Psalm: Psalm 25,1 -10 EV: Matteüs 21,23 -32 Epistel: Filippenzen 2,1 -13 Overig: Jezus Sirach 18,1 -14 Alternatieven:
‘Ik zal hem laten zien hoeveel hij moet lijden ter wille van mijn naam.’ Dit waren de woorden die een zekere Ananias ooit in een visioen had vernomen, toen hem werd opgedragen naar Saulus te gaan. Deze was, verblind door hemels licht, vlak voor Damascus op de grond gevallen en verbleef nu in de stad. Saulus, aldus de stem, zou Jezus’ naam brengen ‘voor volken, hun koningen en de Israëlieten’ (Hand. 9,12-16).
Zowel in de lezing uit Numeri als in het gedeelte uit het Evangelie naar Marcus gaat het om de zorg voor de correcte omgang met datgene wat als heilig wordt gezien. In Numeri wijst Jozua zijn meester Mozes erop dat er door Eldad en Medad wordt geprofeteerd, zonder dat zij zich bij de groep uitgekozenen bevonden. En in het evangelie komen de leerlingen bij Jezus met de klacht dat er iemand is die in zijn naam genezingen doet, maar zich niet bij de kring van zijn leerlingen wil aansluiten.
Hoe leren we de rechte weg te kiezen die God ons wil laten gaan? Dit vergt inzien dat Gods weg een weg is van zowel rechtvaardigheid als van liefde en trouw. Het volgen van goede voorbeelden en de bereidheid tot ommekeer maken daar eveneens deel van uit.
In een rabbijns verhaal wordt een rijke man gevraagd eerst door een raam te kijken en vervolgens in een spiegel. Door het raam ziet hij de wereld en hulpbehoevenden, in de spiegel alleen zichzelf. Het verschil is een zilverlaag. Daarom draait het uiteindelijk in het verhaal over de rijke man en de arme Lazarus. De rijke deelt zijn brood niet met de hongerige, biedt geen onderdak aan dakloze armen, kleedt niet wie naakt is en bekommert zich niet om zijn medemens (Jes. 58,6-7). Zijn hand en hart blijven gesloten (Deut. 15,7-11).