Een knecht is niet meer dan zijn meester
Alternatief bij 2e zondag van de herfst (Handelingen 24,1-23(27))
‘Ik zal hem laten zien hoeveel hij moet lijden ter wille van mijn naam.’ Dit waren de woorden die een zekere Ananias ooit in een visioen had vernomen, toen hem werd opgedragen naar Saulus te gaan. Deze was, verblind door hemels licht, vlak voor Damascus op de grond gevallen en verbleef nu in de stad. Saulus, aldus de stem, zou Jezus’ naam brengen ‘voor volken, hun koningen en de Israëlieten’ (Hand. 9,12-16).
Lijden – het was nooit helemaal afwezig geweest in de jaren waarin Paulus het evangelie verkondigde, gemeenten stichtte en hun groei begeleidde. Maar sinds hij de reis naar Jeruzalem was begonnen, werd hem telkens weer bevestigd dat hem daar ‘boeien en ellende’ te wachten zouden staan (Hand. 20,23). Paulus liet zich niet weerhouden; hij zette vaart achter zijn reisplannen. De dagen van de ongedesemde broden had hij nog in Filippi doorgebracht; met sjavoeot, het pentekostè-feest, wilde hij in Jeruzalem zijn (Hand. 20,6.16).
Van Jeruzalem naar Caesarea
Het gerucht was sneller in Jeruzalem dan Paulus zelf: hij zou de joden in de diaspora afvallig maken, zou onder andere leren dat zij zich niet hoefden te laten besnijden (Hand. 21,21). Paulus ondergaat een reinigingsritueel om blijk te geven van zijn trouw aan joodse gebruiken. Maar dat mag niet baten. Joden uit Asia beweren nu dat hij de tempel heeft ontwijd. Jeruzalem is in rep en roer. Ternauwernood lukt het Romeinse eenheden om Paulus’ leven te redden. Een toespraak tot de menigte leidt niet tot rust. Op het moment dat Paulus ingaat op zijn opdracht om naar de heidenen te gaan, barst het tumult opnieuw los (Hand. 21,26–22,23).
De Romeinse tribuun Claudius Lysias wil achterhalen wat de menigte zo woedend maakt. Hij laat Paulus voor het sanhedrin brengen, het hoogste joodse orgaan voor religieuze en juridische kwesties. Daar ontstaat ruzie tussen de farizeïsche en de sadduceïsche leden over de opstanding van de doden. De farizeeën gaan aan de kant van Paulus staan; want ook zij geloven in de opstanding. Opnieuw moet de tribuun Paulus uit het tumult redden. Een tweede ontmoeting met het sanhedrin, zogenaamd voor nader onderzoek, komt niet tot stand omdat ruchtbaar wordt dat ‘meer dan veertig joden’ Paulus bij die gelegenheid willen doden. De tribuun laat Paulus zwaar beveiligd naar Caesarea overbrengen voor de procurator Felix.
Slim als slangen, eenvoudig als duiven
Aanklacht en verdediging veranderen afhankelijk van de setting. Nu de Romeinse autoriteit het proces voorzit, brengt de professionele jurist Tertullus eerst en vooral een aspect naar voren dat voor de Romeinse overheid van belang moet zijn: Paulus zou overal oproer veroorzaken. Dat hij leider is van een afsplitsing van het jodendom en probeerde de tempel te ontwijden is pas het tweede punt van zijn aanklacht (Hand. 24,5-8). De zending naar de heidenen en het geloof aan de opstanding komen hier niet ter sprake. Twistpunten op het gebied van religieuze overtuigingen zijn voor de Romeinen pas interessant als de openbare rust in het geding komt.
Ook Paulus kiest zijn invalshoek zorgvuldig (Hand. 24,11-21): op het verwijt dat hij overal onrust sticht, reageert hij met de opmerking dat hij pas enkele dagen eerder in Jeruzalem is aangekomen, met zuiver religieuze doelstellingen, zonder dat hij in discussie is gegaan of oproer veroorzaakte. Dit laatste kwam tot stand door joden uit Asia die hem beschuldigden. Over zijn geloof is Paulus open: ja, hij gelooft in ‘de Weg’, zoals het christelijk geloof bij Lucas vaker genoemd wordt, maar dat betekent volgens Paulus niet dat hij buiten het jodendom valt. Hij is juist gekomen om zijn volk de opbrengsten van collectes te brengen die hij over meerdere jaren heeft gehouden. Wat sommige joden hem verwijten, is juist het geloof in de opstanding van de doden.
Lucas, Paulus en ‘de joden’
Terwijl bij Lucas de collecte in de verdediging van Paulus uit de lucht komt vallen, laat Paulus ons weten dat juist het overbrengen van de collecte de aanleiding was voor zijn reis naar Jeruzalem (Rom. 15,25-33). Voor hem is dit symbool van verbondenheid van christenen in Macedonië, Griekenland en Asia met de christelijke gemeente te Jeruzalem een hartsaangelegenheid, al meerdere jaren (Gal. 2,10). Bij Lucas wordt hier voor het eerst over deze collecte gerept en is de beoogde ontvanger Paulus’ volk (Hand. 24,17), niet alleen de christenen te Jeruzalem.
Ook op ander gebied probeert Lucas juist de verbondenheid van Paulus met niet alleen de christelijke joden te onderstrepen: Paulus neemt het reinigingsritueel op zich en is als farizeeër trouw aan de Tora. Ook de opstanding van de doden scheidt hem niet van het joodse geloof: de farizeeën zijn het hierin met hem eens. Paulus’ eigen relativerende kijk op mogelijke redenen tot trots op zijn biografie als Tora-getrouwe farizeeër (Fil. 4,4-8) komt bij Lucas niet ter sprake. Joden staan bij Lucas zeker lang niet altijd in een positief licht, maar telkens weer zien wij hem ook mogelijke conflictpunten die christenen van joden zouden kunnen verwijderen, juist klein houden.
De knecht en zijn meester
Voor Lucas is Paulus vooral een volgeling van Jezus, zozeer dat in zijn beschrijving Paulus’ proces op dat van Jezus lijkt. Ook Jezus staat eerst terecht voor het sanhedrin (Luc. 22,66-71), vervolgens voor de procurator van Judea (Luc. 23,1-5.13-25) en voor een koning (Herodes Antipas bij Jezus, zie Luc. 22, en Agrippa II bij Paulus, zie Hand. 25–26). In beide gevallen dragen hooggeplaatste vertegenwoordigers van het Jeruzalemmer jodendom de aanklacht voor en wordt de aangeklaagde beticht van politieke en religieuze opruiing. Alleen komt het bij Paulus niet tot een formele onschuldsverklaring door de Romeinse autoriteit zoals bij Jezus (Luc. 22,13-16); bij hem worden slechts de omstandigheden van zijn gevangenschap versoepeld (Hand. 24,23).
Deze exegese is opgesteld door Martin Ruf.