Menu

Premium

Hebben wij het wel goed begrepen?

Preekschets bij Handelingen 1:1-11

Mozaïek op een kerk
(Beeld: Thanasis Papazacharias via Pixabay)

Heer, gaat u in déze tijd voor Israël het koningschap herstellen? (Handelingen 1:6b, NB14)

Schriftlezing: Handelingen 1:1-11
Overige lezingen: Jesaja 11:1-10; Lucas 24:50-52

Liturgisch kader

De lezingen uit Handelingen en Lucas op deze dag zijn vanzelfsprekend. De profetenlezing plaatst de vraag van de apostelen in het juiste perspectief. In kerken waar geen dienst op Hemelvaartsdag wordt gehouden, zou deze preekschets op de voorafgaande of de volgende zondag gebruikt kunnen worden.

Uitleg

De verwachting van Gods koningschap speelt een belangrijke rol in de geschriften van Lucas. Aan het begin is er Simeon, die ‘uitzag naar de tijd dat God Israël vertroosting zou schenken (Luc. 2:25)’. En aan het eind Jozef van Arimatea, die ‘de komst van het koninkrijk van God verwachtte (23:51)’. Handelingen begint met de vraag van de apostelen (Hand. 1:6) en eindigt met Paulus die het koninkrijk van God verkondigde (28:31).

Een vraag

Vlak voor Jezus’ hemelvaart vragen de apostelen naar de komst van het Koninkrijk. Uit preken en commentaren krijg je vaak de indruk dat die vraag helemaal verkeerd is, met verklaringen als:

  • Zij leggen de woorden van Jezus uit volgens hun eigen bekrompen en materialistische ideeën;
  • Typische vraag voor de nog steeds nationalistisch-messiaanse verwachtingen der leerlingen;
  • De vraag komt voort uit de verwachting dat de Messias bij zijn komst het koninkrijk van David zou herstellen.

Is hun vraag werkelijk zo vreemd? Van Willem Barnard heb ik geleerd dat je een tekst niet letterlijk maar woordelijk moet lezen. En als ik dat doe, komen drie tegenvragen op bovenstaande op. Is het zo vreemd, dat:

  • Ze het Rijk verwachten;
  • Ze het juist nu verwachten;
  • Ze het voor Israël verwachten?

Een antwoord

Nee, dat is het niet. Lezen we niet telkens weer bij de profeten over het Messiaanse rijk waarin vrede en recht zouden heersen; waar geen oorlog meer zal zijn omdat de zwaarden worden omgesmeed tot snoeimessen en de speren tot ploegscharen? De vraag weerklinkt ook aan het eind van Psalm 89: Hoe lang nog, o Heer? Ten onrechte?

Jezus sprak voortdurend over dat rijk in gelijkenissen. En in zijn omgang met de mensen werd iets van dat rijk zichtbaar. Het realiseren van het koningschap van God is zijn centrale missie. De vraag uit vers 6 ‘weerspiegelt de toenmalige sfeer van gespannen verwachting ten aanzien van het aanbreken van het Godsrijk! (De Heer, 47; 59)’

Vreemde verwachting?

Het is dus totaal niet vreemd dat de leerlingen juist nu het koninkrijk verwachten; het ligt voor de hand. Een paar verzen eerder lezen we dat Jezus gedurende de 40 dagen van zijn verschijningen sprak ‘over het koningschap van God (Hand. 1:3 NB14).’ Dag in dag uit was er slechts één thema dat hun gesprekken beheerste: het Koninkrijk.

De apostelen begrepen wat er ging gebeuren. Dat het geen zonder meer aards koninkrijk zou zijn was hen inmiddels ook wel duidelijk. Dat het Rijk nu heel dichtbij was, op welke manier dan ook, kon niet missen. Is het een wonder dat die vraag in hun harten brandt? Zou het niet veel vreemder zijn als ze het juist nu niet verwachten?

Dat de leerlingen het rijk verwachten in Israël ligt voor de hand. Het messiaanse rijk begint in Israël (Jes. 11:1). Maar in Israël gaat het om de wereld, het blijft niet tot Israël beperkt: de volken zullen de wortel van Isaï zoeken (Jes. 11:10). Jezus is inderdaad niet alleen voor Israël, maar het begint daar wel. Voor zijn geboorte klinken de woorden: ‘Koning over het huis van Jakob’ en ‘de troon van zijn vader David’ (Luc. 1:32-33). Aan het eind van zijn leven staan boven zijn hoofd de woorden: ‘Dit is de koning der Joden’ (Luc. 23:38). Opnieuw: het begint in Israël en gaat vanuit Israël naar de gehele wereld.

Dat de apostelen een concreet koninkrijk op aarde verwachten is in de lijn van de Profeten (Jes. 11:3,4). Het gaat God om de aarde, de wereld en wie daarop wonen! Het messiaanse rijk is geen aards, politiek rijk zonder meer. Dat wil echter niet zeggen dat het dus hemels en geestelijk is. Het heeft concreet gestalte. Er loopt een lijn van het profetische malkoeth (Boom des Levens) naar basileia tou theou (Koninkrijk van God) in de prediking van Jezus (Miskotte, 169).

Conclusie: de leerlingen hadden gelijk toen ze dachten: het koninkrijk begint bij Israël. Dat is geen egoïsme, maar bijbels geloof! Want het gaat in Israël om de volken, heel de Schrift door. Er is hoop voor de wereld, want er is hoop voor Israël!

Kerkbanken in een kerk
Bidden wij nog wel om de komst van het Rijk? Zien we nog dat het God te doen is om de aarde? Verlangen we naar de komst van dat Rijk, bepaalt dat ons handelen?
(Beeld: Bernhard Schürmann via Pixabay)

Nogmaals vraag en antwoord

Nee, de vraag uit vers 6 van de leerlingen is zo dwaas nog niet. Voor wie als laatste tegenwerping het antwoord van Jezus als ‘duidelijk een terechtwijzing aan het adres van zijn leerlingen’ wil interpreteren, heb ik nog het volgende te zeggen. Jezus wijst hen niet terecht omdat ze vragen naar het Godsrijk. Hij verwijt hun ook niet dat ze het nu verwachten, en evenmin dat ze het voor Israël verlangen. Jezus zegt niet dat de apostelen het bij het verkeerde eind hebben (Hemelsmoet & Touwen, 22). Het enige wat Jezus niet aanstaat is het feit dat zij precies willen weten wanneer het rijk komt, iets wat resulteert in een afwachtende houding. Wanneer, dat is hun zaak niet. Hun zaak is om te getuigen van Jezus. Want wie is Hij? De Messiaanse koning, de Heer van het koninkrijk. Ze moeten dus getuigen van het rijk, dat in Jezus op aarde zichtbaar werd, maar dat in volle glorie nog moet verschijnen. Want alle profetieën over de Messias en zijn rijk zijn nog niet vervuld.

Kort gezegd: de leerlingen vragen: ‘gaat U…?’ en Jezus antwoordt: ‘Jullie gaan…’

Wie de vraag stelt wat God zal doen en wanneer, krijgt te horen dat hij zelf ook wat moet doen: getuigen van het rijk dat komt. Met een belofte en een opdracht betrekt Jezus de leerlingen bij de door Hem begonnen missie (De Heer, 60). Hoe? Door de kracht van de Geest die in een profetie over het Messiaanse rijk genoemd wordt: de geest van raad en sterkte, van kennis en vreze des Heren (Jes. 11:2). De Geest die Jezus bezielde.

Aanwijzingen voor de prediking

We begonnen met enkele kritische vragen vanuit de tekst aan de leerlingen. In de prediking zou ik de rollen willen omdraaien: hebben wij wel goed begrepen wat Jezus bedoelt met het koninkrijk van God?

Waar Lucas spreekt over het koninkrijk van God, heeft Matteüs het over het koninkrijk der hemelen. Hij schrijft voor een joods publiek en vervangt daarom God door een verwijzing naar God: hemelen. Beide evangelisten bedoelen hetzelfde. Hoewel dat meer dan eens in preken gezegd is, zijn er nog altijd christenen die denken aan een hemels koninkrijk. Van de discipelen kunnen wij leren om aards te denken.

Dit betekent echter niet dat je het dus zou kunnen aanwijzen hier op aarde. Bijvoorbeeld: de kerk is het koninkrijk. Weliswaar moet dat rijk in de kerk zichtbaar worden, maar het rijk en de kerk vallen niet samen! In beide gevallen – zowel wanneer we spreken van de kerk als Gods koninkrijk, als wanneer we er een hemels rijk van maken – doen we tekort aan de profetie zoals van de messiaanse koning in Psalm 72: Hij zal de redder zijn der armen, Hij hoort hun hulpgeschrei, Hij is met koninklijk erbarmen, hun eenzaamheid nabij. Of dan hebben we de aarde afgeschreven.

Je kunt de gemeente de volgende elementen ter overweging meegeven:

  • Bidden wij nog wel om de komst van het Rijk? Zien we nog dat het God te doen is om de aarde? Verlangen we naar de komst van dat Rijk? En bepaalt dat ons handelen?
  • Je kunt wijzen op de interesse van sommige christenen in het einde der tijden; de boeken die daarover worden volgeschreven. Wijs de gemeente erop dat dit niet is waar het om gaat. In plaats daarvan komt het erop aan om te getuigen van het koninkrijk. Jezus heeft meer aandacht voor het einde der aarde (Hand. 1:8) dan voor het einde der tijden. Het is een veeg teken wanneer het bij ons andersom is!
  • De gemeente moet in deze wereld het visioen levend houden: getuigen van het Rijk van vrede en recht. Dwars tegen alle koninkrijken van deze wereld in.
  • Het Rijk komt van God, Hij heeft het initiatief en Hij weet wanneer. Dat betekent niet dat we moeten afwachten, de leerlingen krijgen immers een niet mis-te-verstane opdracht.
  • Zendingsgemeente zijn betekent: bezig zijn met de opdracht van de Heer om getuige te zijn van het komende Rijk. De opdracht is wereldwijd, maar begint dicht bij huis.

Tot slot: als Jezus koning is van dat Rijk, hoe kan het dan nog zo ellendig zijn in de wereld?

Die vraag is heel begrijpelijk, maar mag alleen gesteld worden als je geen toeschouwer blijft, maar betrokkene bent. Niet als buitenlander die het Rijk op een afstand bekijkt, maar als burger van het Rijk, die meeleeft, meedenkt, en roept: Heer, uw koninkrijk kome, met kracht en met haast! Om af te sluiten met een citaat van Bertolt Brecht: ‘Wenn alle gut sind, ist Sein Reich nicht fern.’

Liedsuggesties

  • Allereerst natuurlijk de berijming van deze bijbeltekst door Jan Wit: Lied 662:
  • Ook lied 756 mag niet ontbreken: Laat komen, Heer, uw rijk, uw koninklijke dag;
  • De aanvangspsalm van deze dag is 47: Prijs met handgeklap, ’s Heren koningschap;
  • Na de profetenlezing Psalm 96: Zo zal zijn koninkrijk beginnen;

Bert Aalbers is emeritus PKN-predikant. Hij werkte in Halle, Epe, Maarssen en Breukelen. Van 1999 tot 2007 doceerde hij Nieuwe Testament aan de Hogeschool voor Theologie NBI in Utrecht. Hij is tevens lid van de redactie Prediking.

Geraadpleegd

Aalbers, B. (2024) Het koninkrijk van God is nabij. Preekschets. 

Brecht, B. (1928/2013) Die Dreigroschenoper. Suhrkamp.

Heer, J. de (2013) Jezus’ geestkracht wereldwijd: Commentaar op Handelingen, Skandalon.

Hemelsoet, B. & Touwen, K. (1997) Handelingen, Lucas ten tweeden male: parabels van het koninkrijk. Boekencentrum.

Miskotte, K.H. (1956) Als de goden zwijgen: over de zin van het Oude Testament, Holland.

Wellicht ook interessant

Schilderij De Leviet in Gibea van Gerbrand van den Eeckhout
Schilderij De Leviet in Gibea van Gerbrand van den Eeckhout
Basis

Seks en geweld: Rechters 19-21

Vrouw overlijdt na brute groepsverkrachting. Drie dagen hevige strijd in burgeroorlog: meer dan vijfenzestigduizend slachtoffers onder de strijders. Aantal burgerslachtoffers: onbekend, maar groot. Nee, dit is niet uit de krant van vandaag. Het is een korte samenvatting van wat we lezen in de laatste drie hoofdstukken van hel Bijbelboek Rechters (19-21). Seks en geweld. Wat moeten we met dit oude relaas? Gewoon maar concluderen dat de ontsporingen waarover verhaald wordt, nu eenmaal onontkoombaar zijn als een ‘condition humaine’ – in de zin van: het is nooit anders geweest – of valt er meer over te zeggen?

Lody van de Kamp
Lody van de Kamp
Basis

Korte Metten: Een tweede Rode Lijn op de stoep van de PKN

Vrijdag 20 maart: de Jannekes en de Hanna’s aan de niet zo pro-Israël kant van de PKN trekken hun rode jassen weer aan en doen hun rooie sjaals opnieuw om zodat zij hun zorgen over hun eigen kerkgenootschap nogmaals kunnen laten horen. Na een eerste christelijk Rode Lijn protest enkele maanden geleden volgt nu dus een tweede. Ze zijn boos. Heel boos. In hun ogen maakt de leiding van hun PKN zich, waar het over Israël, Gaza en Palestina gaat, schuldig aan het gebruik van “ontwijkende taal van ‘pijn aan beide kanten’ en misleidende taal over ‘conflict’ en ‘ingewikkeld’. En ook neemt de kerkleiding nog steeds het woord ‘genocide’ niet in de mond.” Zo schrijven de initiatiefnemers van dit tweede Rode Lijn protest in hun oproep in Nieuw Wij op 2 maart.

Nieuwe boeken