Buitenbeentjes van Gods werkzaamheid
2e zondag van de herfst (Numeri 11,24-29 en Marcus 9,38-50)
Zowel in de lezing uit Numeri als in het gedeelte uit het Evangelie naar Marcus gaat het om de zorg voor de correcte omgang met datgene wat als heilig wordt gezien. In Numeri wijst Jozua zijn meester Mozes erop dat er door Eldad en Medad wordt geprofeteerd, zonder dat zij zich bij de groep uitgekozenen bevonden. En in het evangelie komen de leerlingen bij Jezus met de klacht dat er iemand is die in zijn naam genezingen doet, maar zich niet bij de kring van zijn leerlingen wil aansluiten.
Profetie en genezing zijn gaven van God, maar hoe exclusief zijn die gaven? Zijn ze voorbehouden aan een select gezelschap? En moet je ze dan ook beschermen om ontheiliging te voorkomen of tegen te gaan?
Numeri: troost als omlijsting van de crisis
De perikoop uit Numeri is ontleend aan het middendeel van het boek. In het voorafgaande eerste deel (1,1–10,10) beschreef de verteller in tien hoofdstukken de monstering van Israël en de voorbereiding op de tocht naar het Beloofde Land. In het derde en laatste deel van het boek (20,1–36,13) vertelt hij vooral over de ontmoeting met de volkeren van Kanaän en de voorbereiding op de intocht in dat land. Het middendeel beslaat dus de woestijntocht, die zoals bekend veertig jaar duurde. Dat had anders kunnen gaan, want al na twee jaar stond Israël aan de grens van Kanaän, maar durfde de intocht toen niet aan.
Over die tussenliggende periode vertelt het middendeel, dat zorgvuldig is opgebouwd rond het centrale verhaal over de verspieders (13,1–14,45). Zoals het volk in dit verhaal door een gebrek aan vertrouwen op JHWH God de intocht niet aandurft, zo wordt het verhaal omlijst door twee verhalen over hoogmoed en opstand tegen Mozes, eerst van Mirjam en Aäron (12,1-16) en daarna van Korach (16,1–17,5). Om die drie crisisverhalen heen wordt dan verteld over Mozes die zijn opdracht om het jammerende volk te leiden deelt met zeventig oudsten, die deel krijgen aan zijn profetische gave (10,11–11,34) en het verzoenende dienstwerk van de Levieten (17,16–19,22).
Profeteren buiten de kring der geroepenen
Het verhaal over het profeteren van Eldad en Medad staat aldus in het teken van iets positiefs, namelijk de zorg van Mozes voor de leiding van het volk. Hij deelt die zorg met zeventig oudsten, die als teken daarvan gaan profeteren. Maar waarom gingen Eldad en Medad niet met die zeventig andere geroepenen naar de tent, maar zegt de verteller zo nadrukkelijk dat ze in het kamp bleven? Als JHWH opdracht had gegeven om zeventig oudsten bijeen te roepen (13,16) en dat aantal is inderdaad met Mozes bij de tent (13,25), hoe kunnen Eldad en Medad dan tot die geroepenen behoren, maar er niet bij zijn? Een rabbijnse uitleg stelt dat er misschien zes uit elke stam waren geroepen, dus 72 personen in totaal, maar dat Eldad en Medad uit bescheidenheid in het kamp waren gebleven.
Daarmee is ook een verklaring gegeven voor het feit dat Mozes niet op de suggestie van Jozua ingaat om ze tot de orde te roepen. Mozes’ uitroep (in eigen vertaling): ‘Wie geve dat het hele volk van JHWH zou profeteren! Wie geve dat JHWH zijn geest over hen geven zou!’
Genezen buiten de orde van leerlingen
Zoals de gave van profetie zich in Numeri niet laat inperken, zo doet de gave van genezing dat ook niet in het evangelie. In de perikoop uit Marcus blijkt iemand in Jezus’ naam boze geesten uit te drijven, maar weigert hij zich aan te sluiten bij de groep leerlingen van Jezus. Die laatsten hebben geprobeerd dat tegen te gaan, maar zijn er niet geslaagd. Bij monde van Johannes komen ze dat nu aan Jezus melden (9,38). Hoewel het niet met zoveel woorden wordt gezegd, lijken ze Jezus te vragen om te doen wat zij zelf niet konden. Met dat verzoek borduren ze verder op het voorgaande verhaal, waar Jezus een boze geest uitdrijft bij een jongen, hetgeen de leerlingen niet konden (9,14-29).
Waar het in dit laatste verhaal het onvermogen van de leerlingen betrof om iets positiefs te doen, namelijk de genezing van de epileptische jongen, is het in 9,38 iets negatiefs, namelijk het beletten van een genezing buiten de orde, buiten de blijkbaar besloten kring van leerlingen van Jezus.
In beide gevallen reageert Jezus door ruimte te maken. Bij het onvermogen om het positieve te doen door de epileptische jongen te genezen, wijst Jezus op geloof en gebed als hetgeen daarvoor nodig is: ‘Alles is mogelijk voor wie gelooft’ (9,23) en ‘Dit soort kan alleen door gebed worden uitgedreven’ (9,29). Bij het negatieve om de genezing buiten de orde te beletten, breekt Jezus de beslotenheid van de eigen kring radicaal open. In plaats van te stellen dat wie niet vóór Hem is, tegen Hem is, zegt Hij: ‘Wie niet tegen Mij is, is vóór Mij’ (9,40). Anders gezegd: het vermogen om te genezen is niet voorbehouden aan diegenen die zich uitdrukkelijk bij Jezus hebben aangesloten, maar aan allen die niet uitdrukkelijk tegen Hem zijn.
Het kán dan gebeuren dat er boze geesten worden uitgedreven, óók door iemand die zich buiten de orde bevindt. Maar dat geschiedt dan wel in de naam van Jezus – en die naam is niet anders dan ‘de Heer God redt’.
De laatste zin van de perikoop (9,41) onderstreept dit bevrijdende openbreken van de beslotenheid van de leerlingen: niet wie zij superieur een beker water te drinken geven, maar degene ie aan hen zo’n goede daad doet, die zal zijn loon niet missen. Leve de leerling die zich niet laat voorstaan op zijn uitverkiezing, maar zich door geloof en gebed als dienaar laat leiden.
Deze exegese is opgesteld door Dick Schoon.