Gods weg leren kiezen
2e zondag van de herfst ( Ezechiël 18,1-4.25-32, Psalm 25,1-10 en Matteüs 21,23-32)
Hoe leren we de rechte weg te kiezen die God ons wil laten gaan? Dit vergt inzien dat Gods weg een weg is van zowel rechtvaardigheid als van liefde en trouw. Het volgen van goede voorbeelden en de bereidheid tot ommekeer maken daar eveneens deel van uit.
Aan wie in ontzag voor Hem leven, leert God de juiste weg te kiezen, verklaart de psalmist (25,12). Maar de psalm maakt ook duidelijk dat dit een weg is van vallen en opstaan. Als mensen op God mogen hopen, is het niet omdat zij vlekkeloos leven, maar omdat God barmhartigheid, liefde en goedheid laat voorgaan op de fouten uit het verleden en omdat Hij tot vergiffenis bereid is. Zondaars wijst Hij de weg. Dit vergt nederigheid, bereidheid om een andere weg in te slaan en om Gods richtlijnen te volgen. Dan is het mogelijk om te ervaren dat Gods weg er een is van liefde en trouw.
Het leerproces van vader op zoon
Ezechiël laat God verklaren: ‘Volk van Israël, Ik zal ieder van jullie beoordelen volgens de weg die hij gaat!’ (18,30). Dit houdt een grote persoonlijke verantwoordelijkheid in. Het individu wordt niet beoordeeld volgens de groep waartoe men behoort, ook niet over de generaties heen.
Niet eerlijk, lijken zijn tegenstanders te denken. Want het spreekwoord geeft juist het omgekeerde aan: de vaderen eten zure druiven en de kinderen krijgen er stompe tanden van (18,2). Deze volkswijsheid realiseert zich dat wat mensen doen, gevolgen heeft voor anderen, en met name voor wie van hen afhankelijk is. Het weerspiegelt de feitelijke, dikwijls harde realiteit. Maar hieruit kan ook de idee groeien dat men geen verantwoordelijkheid draagt voor de eigen omstandigheden: dat is dan de schuld (of de verdienste) van de vorige generatie. Dit is niet de zienswijze van God, argumenteert Ezechiël. Dood wacht enkel wie zondigt, overvloedig leven is de toekomst van de rechtvaardige (18,4.9).
Beeldrijk schetst de profeet de levensloop van een rechtvaardige man, die recht in zijn schoenen staat tegenover God (18,6), zich correct gedraagt tegenover vrouwen (18,6), niet uitbuit, geen misbruik maakt van de zwakke positie van de schuldenaar, welvaart deelt, en rechtvaardig is bij geschillen (18,7-8). En stel je voor: dan heeft zo iemand een zoon die het omgekeerde doet, een geweldenaar en moordenaar is bovendien (18,10-13). Ondanks dit slechte voorbeeld handelt echter diens zoon weer net als zijn rechtvaardige grootvader (18,14-17). Volgens het spreekwoord zou deze zoon de gevolgen moeten dragen van de misdaden van zijn vader. In Gods visie zal de slechte zoon wel sterven, zijn goede zoon echter zal leven, evenals de grootvader: een vader hoeft niet te boeten voor het wangedrag van zijn zoon (18,20).
Het leerproces van de zondaar
De voorbeelden zijn tot nog toe nogal exemplarisch: de ultieme rechtvaardige krijgt een compleet onrechtvaardige zoon, maar een volmaakt rechtvaardige kleinzoon. Zo eenvoudig is het in de praktijk natuurlijk niet. Vandaar dat de tekst vervolgt met meer realistische situaties, waarbij mensen nu eens goed en dan weer slecht handelen. Hoe staat God tegenover de mens die zondigt?
De kernboodschap is dat God het leven wil van de zondaar, maar tegelijkertijd mag het ook duidelijk zijn dat dit geen vrijbrief is om af te wijken van Gods paden. God verlangt dat mensen van hun slechte wegen afkeren én dat zij Gods wegen gaan. Goede daden doen het onrecht uit het verleden teniet, omdat God wil dat de zondaar tot inkeer komt en in leven blijft (18,22-23). Maar alle rechtvaardige daden uit het verleden laten niet toe om nu onrecht te doen: dat heeft de dood tot gevolg (18,24-26). Het is duidelijk dat Ezechiël weerstand verwacht op deze profetische boodschap, dat men God zal verwijten dat dit niet rechtvaardig is (18,25.29). Alsof Gods barmhartigheid én verwachting dat de goede wegen gevolgd blijven worden onrechtvaardig is, terwijl de sprekers die God onrechtvaardigheid verwijten, net ook mensen zijn die onrechtvaardige wegen gaan en nog tot inkeer dienen te komen.
De zoon die Gods wil doet
De parabel die Jezus volgens Matteüs 21,28-31 vertelt, sluit qua visie nauw aan bij Ezechiël 18. Net zoals in de profetische boodschap van Ezechiël ligt de klemtoon op het doen van Gods wil en het tot inkeer komen. De ene zoon zegt wel ja, maar doet nee, terwijl de zoon die nee zegt, tot inkeer komt en het wel doet. Die laatste doet Gods wil. Vervolgens actualiseert de tekst de parabel. Ondanks het goede voorbeeld van tollenaars en hoeren die tot inkeer komen, zijn de oudsten en hogepriesters niet van idee veranderd. Daarom zijn het de tollenaars en hoeren die zullen leven (in Ezechiëls termen) en het Rijk Gods zullen binnengaan.
Ware kinderen van God
In de ruimere verhaalcontext van Matteüs had Johannes de Doper allen opgeroepen om tot inkeer te komen. Hierbij had hij het valse veiligheidsgevoel aan de kaak gesteld van wie zichzelf als ‘zoon van Abraham’ beschouwen, alsof zij gevrijwaard van Gods oordeel niet tot inkeer dienen te komen, alsof God niet desnoods uit stenen kinderen van Abraham kan maken (Mat. 3,8-10). In joodse teksten staat de wijngaard voor Gods volk. De vader in Jezus’ parabel vraagt dus om Gods werk bij het volk te doen. In de eerste zoon, die wel ja zegt maar nee doet, herkent men de hogepriesters en oudsten.
Terwijl de mensen op wie zij neerkijken, de tollenaars en hoeren, zich als ware zonen gedragen die tot inkeer komen. Noch het goede voorbeeld van Johannes, die Gods weg van gerechtigheid bewandelt, noch dat van de zondaars nemen de leiders ter harte. Daarom zal het Koninkrijk hun uiteindelijk worden ontnomen en gegeven aan wie wel vrucht dragen (Mat. 21,43).
Deze exegese is opgesteld door Ine Van Den Eynde.