Vierde zondag van de herfst
OT: Jesaja 25,1 -9 Psalm: Psalm 23 EV: Matteüs 22,1 -14 Epistel: Filippenzen 3,17-21 Overig: Alternatieven: 1 Tessalonicenzen
OT: Jesaja 25,1 -9 Psalm: Psalm 23 EV: Matteüs 22,1 -14 Epistel: Filippenzen 3,17-21 Overig: Alternatieven: 1 Tessalonicenzen
Er komt een man bij Jezus die graag een toegangskaartje voor het eeuwige leven wil hebben. Aanvankelijk verloopt het gesprek stroef: Jezus wijst de man terecht en staat hem koeltjes te woord. Vervolgens wijst Hij hem de bekende weg: houd je aan de geboden. Dat doe ik al van jongs af aan, zegt de man dan ook. Maar is er niet nog meer? En dan verandert er iets in het verhaal…
De eerste verzen van de Brief aan Titus zijn fraai geschreven, maar ook fel van inhoud. Interessant is dat de brief in de canon gekomen is naast andere stemmen, mogelijk zelfs naast de stemmen waartegen deze brief zich juist zo heftig afzet. De brief staat op naam van Paulus, maar Paulus was niet de auteur: de brief is pseudepigrafisch. De heftigheid en de inzet voor het evangelie worden er niet minder door, maar uiteindelijk is deze brief toch één stem naast andere stemmen die soms met net zo veel passie terugspreken.
Aan het einde van de gelijkenis van het bruiloftsmaal (Mat. 22,1-14) is er iemand die niet gekleed is in een bruiloftskleed. De vraag van de koning ‘Hoe kom je zó binnen, zónder bruiloftskleed?’ behoeft geen antwoord. De vraag zegt genoeg. Wie immers binnengaat in een bruiloftskleed, is gekleed in een schoon wit gewaad. Wie dat niet heeft, lijkt geen tijd genomen te hebben om zijn smerige werkplunje uit te trekken, zich thuis te wassen en schone kleding aan te trekken, alvorens naar de bruiloft te gaan.
De scène waarmee de perikoop uit Lucas begint, is er één van ellende in het meervoud. De melaatsen die Jezus tegenkomt zijn fysiek ziek, ze moeten daarom op afstand van gezonde mensen blijven (zie de afstand waarop ze blijven staan, 17,12). Bovendien gelden ze ook als onrein in religieuze zin, en het is ook nog een groep waarin ten minste één Samaritaan zit (17,16), een bevolkingscategorie ten opzichte van wie de Joden afstand bewaarden, althans in theorie.