Menu

Premium

Wie niet geeft om zelfbehoud…

4e zondag van de herfst (Marcus 10,17-31)

Er komt een man bij Jezus die graag een toegangskaartje voor het eeuwige leven wil hebben. Aanvankelijk verloopt het gesprek stroef: Jezus wijst de man terecht en staat hem koeltjes te woord. Vervolgens wijst Hij hem de bekende weg: houd je aan de geboden. Dat doe ik al van jongs af aan, zegt de man dan ook. Maar is er niet nog meer? En dan verandert er iets in het verhaal…

Alleen bij Marcus staat dat Jezus de man lief kreeg (10,21). Dat is al opmerkelijk genoeg, maar dit is bovendien de enige keer dat er over iemand staat dat Jezus hem lief kreeg, met het Griekse agapaoo (in de aoristus ingressivus). Het herinnert aan de doop van Jezus, waarbij een stem klinkt: ‘Jij bent mijn geliefde kind’ (Gr.: agapètos, 1,11). Komt deze plotselinge genegenheid van Jezus voort uit het feit dat de man zich aan de geboden zei te houden? Jezus is nooit erg onder de indruk van mensen die zich netjes aan de geboden houden. Sterker nog, Hij krijgt geregeld kritiek van de farizeeën omdat Hij zich níet aan de geboden houdt. Jezus vat genegenheid voor de man op nadat Hij hem heeft aangekeken, waarbij het Griekse emblepsas letterlijk betekent: ‘erin gekeken’ of ‘onderzoekend aangekeken’. Hij zag wie deze man was. Maar waarom kreeg Hij hem lief? Dat is volgens mij te verklaren uit wat volgt.

Wat u betreft

Nadat Jezus hem heeft aangekeken, volgt de uitspraak ‘hen se husterei’. Alle vertalingen die ik heb bekeken, vertalen dit met ‘één ding ontbreekt u’. Grammaticaal kan dit niet, omdat er in plaats van se dan soi had moeten staan. Bij Lucas staat dat er ook (hen soi leipei, 18,22). Se kan hier het beste worden opgevat als een accusativus limitationis: ‘wat u betreft’. Toen Hij de man aankeek en zag wie hij was, kon Hij hem pas echt antwoord geven op zijn vraag. Husterei heeft bovendien de connotatie van ‘later zijn’, ‘later komen’. Wat hier staat is: ‘Wat u betreft komt er nog één ding achteraan.’ De vertaling ‘één ding ontbreekt u’ is inhoudelijk wel correct, maar suggereert dat de man nog (slechts) één ding moet doen om het afvinklijstje compleet te krijgen.

Maar het is niet iets dat hij nog moet dóén, het is iets dat eraan schort. Hij zoekt zijn eigen heil (wat moet ik doen om deel te hebben aan het eeuwige leven?) en niet dat van anderen. Om die reden houdt hij zich aan de geboden. Jezus ziet dat, Hij ziet zijn onvermogen, nog voordat Hij heeft benoemd wat hem ontbreekt. Deze zeer vermogende man is onvermogend op het gebied van de liefde, van delen en zijn hart zetten op datgene wat hij zegt te willen, maar blijkbaar toch niet echt van harte. Hij zit vast aan zijn bezit. Hij keert zich om en gaat weg. Dat is precies het omgekeerde van wat Jezus al vanaf het begin van mensen vraagt: metanoia, de omkering die ertoe leidt dat iemand de weg van het Koninkrijk gaat.

Driemaal één

Marcus gebruikt in dit tekstgedeelte driemaal het telwoord één. Er komt hem één tegemoet (10,17), in plaats van ‘iemand’ of ‘een rijke man’. Dan de terechtwijzing van Jezus dat de man hem niet goed mag noemen, omdat niemand goed is dan één, namelijk God. Dit is opmerkelijk, omdat ook het Eerste Testament geregeld spreekt over mensen die goed zijn. Misschien wil Hij de man erop wijzen dat hij niet op eigen kracht goed kan zijn en daarmee het eeuwige leven kan verwerven. Dit is in lijn met het voorgaande tekstgedeelte, waarin Jezus zegt dat wie niet als een kind het Koninkrijk ontvangt het zeker niet zal binnengaan. En ten slotte Jezus’ woord over het ene dat er bij de rijke nog aan schort. Het staat voorop in de zin en krijgt daarmee alle nadruk: dit ene schort er nog aan bij jou. Vervolgens noemt Jezus dan vier dingen, wat de gedachte bevestigt dat het om de houding en niet om de daden van de man gaat.

Helemaal aan het eind komt er nog een telwoord langs: wie Jezus volgt en omwille van Hem afstand doet van familie en bezit, ontvangt uiteindelijk het honderdvoudige terug. Maar die ene die zich omdraaide en wegliep, blijft alleen.

De kameel en het oog van de naald

Daarna spreekt Jezus tot de leerlingen over de hindernis die rijkdom vormt op weg naar het Koninkrijk. Eerder kruipt een kameel door het oog van een naald dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat. Deze beroemde uitspraak van Jezus is vaak afgezwakt, bijvoorbeeld door te suggereren dat er een stadspoortje in Jeruzalem zou zijn geweest dat de naam ‘oog van de naald’ droeg, omdat het zo smal was dat je je lastdier eerst geheel moest afladen om erdoor te kunnen. Er zijn echter geen aanwijzingen dat zo’n poortje echt heeft bestaan. En het verandert ook niets aan de portee van Jezus’ uitspraak. Jezus gebruikt een metafoor, hyperbolisch, humoristisch, maar waarom zou Hij niet menen wat Hij zegt?

Hij zegt het in antwoord op de geschrokken reactie van de leerlingen op zijn uitspraak dat het voor rijken heel moeilijk is om het Koninkrijk van God binnen te komen. Hij dikt zijn eerdere woorden nog een beetje aan. Rijke mensen hebben een hoge ‘levensverzekering’ door hun vermogen en bezittingen waarop ze kunnen terugvallen. Maar het eeuwige leven kunnen ze er niet mee verwerven. Daarvoor zijn ze uiteindelijk afhankelijk van hun metanoia en van God. Bij mensen is het misschien onmogelijk, maar bij God is niets onmogelijk, verzekert Jezus de leerlingen. Of, zoals Huub Oosterhuis dichtte: ‘Wie niet geeft om zelfbehoud, leven vindt hij honderdvoud’ (LB 845).

Deze exegese is opgesteld door Anja Kosterman.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken