Menu

Premium

Een betrouwbare boodschap

Alternatief bij 4e zondag van de herfst (Titus 1,1-16)

De eerste verzen van de Brief aan Titus zijn fraai geschreven, maar ook fel van inhoud. Interessant is dat de brief in de canon gekomen is naast andere stemmen, mogelijk zelfs naast de stemmen waartegen deze brief zich juist zo heftig afzet. De brief staat op naam van Paulus, maar Paulus was niet de auteur: de brief is pseudepigrafisch. De heftigheid en de inzet voor het evangelie worden er niet minder door, maar uiteindelijk is deze brief toch één stem naast andere stemmen die soms met net zo veel passie terugspreken.

Het is goed te bedenken dat deze brief één stem vormt naast andere. Dat helpt om het oog meer te richten op wat ‘Paulus’ hier wél wil, in plaats van op wat en wie hij terugwijst.

Op gezag van Paulus

De inleiding (1,1-4) herinnert sterk aan de authentieke brieven van Paulus: ‘Paulus’ stelt zich voor als dienaar (of ‘slaaf’) van God en als apostel van Christus. Je kunt ‘dienaar’ en ‘apostel’ al wel als ‘ambten’ beschouwen, omdat het geïnstitutionaliseerde rollen zijn, die behalve een functionele ook een symbolische betekenis hebben. ‘Paulus’ verbindt er zijn opdracht aan, namelijk ‘om Gods uitverkorenen tot geloof te brengen en tot de kennis van de ware vroomheid, die hoop geeft op het eeuwige leven dat God, die niet liegt, vóór alle tijden heeft beloofd’ (1,1-2 – NBV21, zoals ook in de volgende citaten). Door deze verbinding bereidt ‘Paulus’ de lezer voor op wat er vanaf vers 5 zal volgen: de opdracht aan ‘Titus’, vermoedelijk een eveneens fictief personage, om orde op zaken te stellen in de gemeenten in Kreta.

Deze Titus wordt in paulinische bewoordingen ‘Genade en vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze redder’ toegewenst (1,4). Tevens wordt zijn verhouding tot ‘Paulus’ verwoord: hij is ‘mijn waarachtig kind in ons gemeenschappelijk geloof’ (1,4). Daarmee wordt niet alleen een nauwe band tot uitdrukking gebracht, maar ook een gezagsverhouding: ‘Paulus’ is de vader (of ten minste: ouder) en ‘Titus’ het kind. Gezien het grote gezag van vooral vaders over hun kinderen in de antieke wereld (vgl. de patria potestas) is dat op zich al bepaald geen sinecure.

Maar tegelijkertijd betekent deze verhouding van ‘Titus’ tot ‘Paulus’ ook een vorm van empowerment voor de eerstgenoemde: Titus wordt ‘opgeladen’ met het gezag van Paulus zelf wanneer hij optreedt in de gemeenten in Kreta. Bovendien zullen mensen, wanneer zij zich op basis van deze brief beroepen op de fictieve Titus die van Paulus volmacht gekregen heeft, zich via Titus meteen beroepen op het gezag van Paulus zelf.

Ambtsdragers

Naast deze meer formele kant van de zaak, waarin de posities van ‘Paulus’ en ‘Titus’ bepaald worden, richt de opdracht van ‘Paulus’ aan ‘Titus’ vanaf vers 5 de aandacht op wat er volgens de schrijver van de brief inhoudelijk moet gebeuren. De organisatie van de gemeente is namelijk meer dan een formaliteit, maar moet gebeuren ten dienste van een zuivere verkondiging. Die verkondiging moet, op zijn beurt, als het ware door de levenswandel van de ‘oudsten’ belichaamd en bewaarheid worden. Het gaat er dus om dat de ‘oudsten’ de juiste levenswandel tonen.

De eerste stap in de organisatie van de gemeente is het aanstellen van episkopoi (mensen met verantwoording voor het geheel – met overzicht) die later presbuteroi (een soort ‘senior gemeenteleden’) genoemd worden. Deze zijn goed te vergelijken met wat er aan formeel geïnstitutionaliseerd leiderschap aan te treffen is in contemporaine synagogale organisaties of in de talrijke verenigingen die het Romeinse Rijk kende (Lat.: collegia). Daarmee is een term als ‘ambtsdragers’ er helemaal niet zo vreemd voor. Losse charismatische leiders zijn het in ieder geval niet, daarvoor ligt er te veel nadruk op de inbedding in de gemeenten en in de paulijnse traditie (ook met betrekking tot waar ze hun gezag vandaan krijgen).

(Zelf)beheersing

De brief weet scherp onder woorden te brengen wat ‘oudsten’ allemaal wel en niet moeten zijn. Onder meer moeten het ‘onberispelijke mannen’ zijn, ‘die maar één vrouw hebben. Hun kinderen moeten gelovige kinderen zijn, die niet kunnen worden beschuldigd van schandelijk gedrag en ongehoorzaamheid’ (1,6). Bovendien moet een ‘oudste’ ‘niet eigenzinnig optreden, niet driftig zijn, niet te veel drinken, niet gewelddadig zijn en niet hebzuchtig’ (1,7) en juist wel ‘gastvrij zijn, goedwillend, bezonnen, rechtvaardig, toegewijd en beheerst’ (1,8). De logica van dit forse profiel is te vinden in de functie van de ‘oudste’: ‘Hij moet zich houden aan de betrouwbare boodschap die in overeenstemming is met de leer, zodat hij in staat is om anderen met heilzaam onderricht te bemoedigen en dwarsliggers terecht te wijzen’ (1,9).

Het laatste zinsdeel, vanaf ‘zodat’ (Gr.: hina), is allesbepalend. De hele levenswandel van de ‘oudste’ moet zelfbeheersing uitstralen. Die beheersing moet zich ook over zijn gezinsleden uitstrekken. Als dat zo is, dan kan hij ook een goede beheerder van Gods huis zijn (vgl. 1,7). Alleen zo kan de ‘oudste’ de gemeente in staat stellen om bij een gezonde en heilbrengende leer te blijven.

De tekst sluit af met enige problematische opvattingen over Kretenzers en ‘Joden’ (1,10-16). De kern ervan is het streven naar een vorm van ambtsuitoefening (of leiderschap) in de gemeente, die zowel een belichaming van de ‘gezonde leer’ is alsook ten dienste staat van de verkondiging ervan aan de gemeente, op zo’n manier dat de gemeente op haar beurt deze leer eveneens belichamen kan. Of daarbij precies dezelfde opvattingen moeten gelden als in de Brief aan Titus is dan een tweede vraag, hoewel de deugdencatalogus in vers 8 nog niets van zijn actualiteit verloren lijkt te hebben: een episkopos (of presbuteros) moet ‘gastvrij zijn, goedwillend, bezonnen, rechtvaardig, toegewijd en beheerst’.

Deze exegese is opgesteld door Peter-Ben Smit.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken