Titus
INLEIDING
a. Schrijver en datering
Paulus is de auteur van deze brief, wat niet uitsluit dat een medewerker er de hand in heeft gehad. De apostel is op reis, hij heeft Kreta aangedaan en Titus daar achtergelaten. De brief is geschreven in de tijd waarin ook 1 Tim. werd geschreven. Zie de Inleiding op de brieven aan Timoteüs. Paulus wil overwinteren in Nicopolis en is waarschijnlijk onderweg naar Rome.
b. Titus
Titus, aan wie deze brief is geschreven, is een zeer gewaardeerd medewerker van Paulus. In zijn brieven wordt hij nog al eens genoemd, maar in de Hand. niet. Titus is een heidenchristen. Of hij besneden is, is een discussiepunt bij de uitleg van Gal. 2:3. Hij heeft in Korinte veel goed kunnen maken toen daar veel moeilijkheden waren, 2 Kor. 2:13, 7:6, 13, 14. Paulus vertrouwde hem ook de collecte van Korinte voor Jeruzalem toe, 2 Kor. 8, en droeg hem op de 2de Korinte-brief over te brengen, 2Kor. 8:6, 16,23, 12:18. Op Kreta moet Titus leiding geven aan de ordening van het leven van de gemeente. Hij werd blijkens 2 Tim. 4:10 naar Dalmatië gezonden om ook daar moeilijkheden op te lossen.
c. Leidende gedachten
Titus moet in alle steden oudsten aanstellen. Hij hoort van Paulus welke mannen daarvoor in aanmerking komen. Vele gemeenteleden willen van geen leiding weten. Ze laten zich in met lieden die met lege praatjes en holle klanken de gemeente ondermijnen. Oud en jong krijgen aanwijzingen, als ook mannen en vrouwen, vrijen en slaven. Op grond van Gods genade spoort hij aan tot goede werken. Ook ten aanzien van de overheid en van niet-‘ christenen dienen de gelovigen een christelijke levensstijl aan te nemen. Tenslotte gaan ook hier vele groeten over en weer.
Inhoud van de brief
Schrijver, lezer, groet 1:1-4
Taak van Titus op Kreta 1:5-16
Plicht en genade 2:1-15
Vermaningen betreffende de overheid en de omgang met ongelovigen 3:1-11
Groeten en zegen 3:12-15
VERKLARING
Schrijver, lezer, groet 1:1-4
Zeer uitvoerig leidt Paulus zichzelf in. Hij duidt tevens de gang van de heilsgeschiedenis aan. Hij noemt zich hier dienstknecht van God (1) lett. slaaf van God, terwijl hij in andere brieven steeds spreekt over slaaf van Jezus Christus. Apostel naar het geloof (1) di. met het oog op het geloof van Gods uitverkorenen, waardoor zij de waarheid zullen erkennen, 1 Tim. 6:3; 2 Tim. 2:10. Naar de godsvrucht (1) de ware erkenning van de waarheid Gods geeft een nieuw leven voor God. Het geloof steunt op de hoop van het eeuwige leven (2) dat God beloofde vóór eeuwige tijd, vóór men de eeuwen telde, vgl. Gen. 3:15; Rom. 5:4, 5. Te zijner tijd heeft God zijn Woord bekend gemaakt door zijn verkondiging, vgl. 1 Tim. 3:16 en 2 Tim. 1:6. God onze Heiland (3) vgl. 4 en 1 Tim. 1:1. Titus (3) is evenals Timoteüs een geestelijk kind van Paulus, 1 Tim. 1:2. Het geloof bepaalt de wederzijdse betrekking. Genade (4). Sommige handschriften hebben hier ook het woord: barmhartigheid, duidelijk naar de groet in 1 Tim. 1:2 en 2 Tim. 1:2.
Taak van Titus op Kreta 1:5-16
Kreta (5) in het O.T. Kaftor, nu Kandia geheten, sinds 27 voor Christus met Cyrenaica een romeinse provincie meteen proconsul. Orde (5) het gemeenteleven is blijkbaar nog niet geregeld naar vaste orde. Titus moet oudsten aanstellen (5) zie 1 Tim. 3; 1 Tim. 4:14; Hand. 14:23. Opzieners (7) in plaats van oudste/presbyter. De woorden werden door elkaar gebruikt. De oudste is beheerder van het huis van God (7) de gemeente, 1 Kor. 4:lv; 1 Tim. 3:4, 5. Hij moet gelovige kinderen hebben. Er zijn blijkbaar christenen met grotere kinderen die (nog) niet tot geloof gekomen zijn, toen zij Jezus gingen belijden. De oudsten moeten aan hoge zedelijke en geestelijke eisen voldoen. Het woord dat ze spreken moet naar de leer zijn (9), die rond de doop al tot ontwikkeling komt in de gemeente. Vermanen en weerleggen, tweeërlei nuttig gebruik van het Woord, vgl. 2 Tim. 3:16vv.
Velen (10), gemeenteleden die menen iets te zeggen te hebben, willen van geen tucht weten en verzetten zich tegen gezag. Vooral uit de besnijdenis, Joden dus. Op Kreta waren vele Joden, vgl. Hand. 2:11. Met hun eigen profeet (12) bedoelt Paulus Epimenides, 600 v. Chr., een door het volk erkende wijze, vgl. Hand. 17:28. Leugenaars (12): Ovidius schrijft: Zelfs de Kretenzen liegen niet alles.. Weerleg hen kortweg (13) lett. afsnijden, een ziek deel afsnijden om erger te voorkomen. Het doel is hen te behouden, ook de misleidende lieden. Joodse verdichtsels, lett. mythen, 1 Tim. 1:4; 2 Tim. 4:4.Alles is rein (15), de dingen zijn in zich rein, maar ze worden onrein, wanneer ze op zondige wijze gebruikt worden. Een gelovige staat in de vrijheid van het geloof, vgl. 1 Tim. 4: 3v; Hand. 10:15; Mat. 15:11. Het geweten is besmet (15), ze hebben weet van hun dwaasheden. Ze verloochenen (16) in feite God, vgl. Rom. 2:17. Ze zijn ongehoorzaam (16) ze zijn onbekwaam voor enig goed werk.
Plicht en genade 2:1-15
Maar gij () met nadruk, vgl. 1 Tim. 6:11; 2Tim. 3:14,4: 5. Paulus bindt Titus op het hart bij de gezonde leer te blijven. Gezond (1) zie 1:9; en het volgende vers. In 2 en 3 gaat het over ‘vaders’ en ‘moeders’ in de gemeente, die zich hun eer waardig zullen betonen, vgl. Ex. 20:12. Priesterlijk (3) av. heilig en eerwaardig in kleding, houding en gebaren, vgl. Op. 5:10, in heilige dienst staande. Hun leven staat in dienst van de Here en zijn heiligdom, de gemeente. Een heenwijzing naar het ‘ambt’ van kerkelijke weduwen, 1 Tim. 5:8-13? Ze hebben een belangrijke taak in familie en gemeente. Zie ook Ef. 5:22; Kol. 3:18; Jak. 2:7; 1 Petr. 2:15. Gelasterd (5), nl. door buitenstaanders en tegenstanders. Het gedrag van de vrouwen heeft missionaire betekenis. Zie ook 8; Rom. 14:16; 1 Petr. 2:15. Oudere vrouwen onderrichten de jongere, de jonge mannen (6) moet Titus zelf onderrichten. Goede werken (7) gaan hier voor de zuivere leer, waardigheid voor de gezonde prediking, lett. woord. Voor zuiverheid staat lett. onverdorvenheid, dat wat niet met het evangelie in strijd is. Gezond (7) heilzaam, nuttig. Ook de slaven (9) kunnen door hun leefwijze missionair dienen, vgl. 1 Tim. 6.T. Paulus schrijft over hen verder in 1 Kor. 12:13; Gal. 3:28; Ef. 6:5vv; Kol. 3:22, 4:1; Fil. 16; en Petrus in 1 Petr. 2:15.
Verschenen (11) wordt hier gebruikt met als onderwerp genade. Meestal is dat Christus, 2 Tim. 4:18. Vgl. Jes. 42:7, 16. Voor alle mensen, rassen, volken, mannen, vrouwen, vrijen en slaven, 1 Tim. 2:4. Om ons op te voeden zodat (12) av. omdat of opdat. Goddeloosheid, zonde in het algemeen. Over wereldse begeerten 1 Joh. 2:16. Het heil des Heren geeft in deze wereld, met nadruk op déze, een bezonnen, rechtvaardig en godvruchtig leven. Het uitzicht en tevens de grondslag ervan is de hoop op de verschijning van Christus onze grote God en Heiland (13). Een opvallende belijdenis van het God-zijn van Jezus. Zo alleen hier, vgl. Rom. 9:5; Kol. 1:27, 3:4; 2 Petr. 1:1. Door zichzelf te geven maakte Hij vrij van ongerechtigheid, lett. wetteloosheid, Ps. 130:8, en vrij voor goede werken. Hij reinigt een eigen volk (14) een gemeenschap die Christus toebehoort, vgl. Ez. 37:22; Ex. 19:5; Deut. 14:2; 1 Petr. 3:13; Ef. 2:10.
Vermaningen betreffende de overheid en de omgang met ongelovigen 3:1-11
Christenen respecteren overheid en gezag (1), dus de toenmalige onchristelijke overheid. Vgl. Rom. 13:1-7. Ze zijn ook bereid het goede voor haar te doen, bereid tot alle goed werk (2). Goede werken krijgen telkens aandacht in de pastorale brieven, 1 Tim. 2:10, 5:10; 2 Tim. 2:21, 3:17; Tit. 1:16, 2:10, 3:8. Verder zijn christenen vriendelijk en zachtmoedig voor alle mensen, ook voor niet-gelovigen (2), 2 Tim. 2:23; Filp. 4:5. Want vroeger(3) waren ook zij buiten Christus, en ook dwaas, ongehoorzaam, verslaafd, verstoken van alle ware kennis van God. Vgl. Ef. 2:1-2, 5:8; Kol. 3:7; 1 Petr. 4:3; Rom. 1: 28. Goedertierenheid en mensenliefde van onze Heiland(4) nemen door zijn komst gestalte aan in de gelovigen. Niet om werken (5), een duidelijk paulinisch motief, de rechtvaardiging om niet, vgl. Rom. 9:16; Ef. 2:4, 8v; 2 Tim. 1:9; Deut. 9:5. Het badder wedergeboorte (5) is de doop en staat parallel met de vernieuwing door de Heilige Geest als spiegelbeeld. Een eventuele doopmagie is daardoor uitgesloten. De wedergeboorte blijft een daad van Gods Geest. En die Geest komt van Jezus. Hij heeft die rijkelijk over ons uitgestort. Zo wijst de doop de gelovige op God in Jezus Christus, vgl. Joh. 3:5; Ef. 5:2; Gal. 3:27; Rom. 6:3v; Hand. 2:4, 17; Joël 3:1; Ez. 36: 25vv. Gerechtvaardigd door zijn genade (7) Rom. 3:24. Erfgenamen (7) Rom. 8:17; Gal. 4:7; Jac. 2:5. Getrouw(8) betrouwbaar, 14, 1 Tim. 1:15. Op dit punt (8) onderstreept het belang van het bovenstaande. Titus moet er met beslistheid over spreken. Die (8) SV: deze dingen, het voorafgaande. Dwaze vragen zijn nutteloos en doel’ loos (9), nogmaals aandacht voor dit dreigende gevaar, 1:10. Geslachtsregisters, 1 Tim. 4:7. Strijd over de wet(9) de joodse wet. Een mens die scheuring maakt (10) is een partij zuchtig mens met sectarische neigingen. Zo iemand moet worden afgewezen, vgl. Mat. 18:15-17, 7:6; Hand. 19:9. Hij is geheel het spoor bijster (11), vgl. 1 Tim. 6:21. Hij zondigt, terwijl hij zichzelf veroordeelt (11), welbewust. Bedoelt Paulus een zonde ‘met opgeheven hand’ waarvoor in het O.T. geen vergeving was?
Groeten en zegen 3:12-15
Tychicus (12) Hand. 20:4; Ef. 6, 21; 2 Tim. 4:12. Mco-polis (12) aan de westkust van Macedonië (1 Kor. 16:6). Zenas (13) wellicht joods wetgeleerde.Apollos (13), be–kend uit Hand. 18:24vv, werkte later in Korinte, bracht de brief aan Titus over. Goede werken (14) gelden als vruchten van het geloof, 2:14; Mat. 7:19, 12:33, 13:22; Ef. 4:28v; 2 Petr. 1:8; gastvrijheid en hulp, vgl. 13, zijn zulke werken. Die ons liefhebben in het geloof, 2 Kor. 5: 16 (15) medegelovigen die hem liefhebben ontvangen de groet. De laatste woorden van de brief zijn voor allen, ook voor hen die nog veel vermaning nodig hebben.