Toegepaste vergelijkende godsdienstwetenschap in het voortgezet onderwijs
Contouren van een cursus ter versterking van sociale cohesie en burgerschap
Vandaag, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, lijken er tenminste drie goede redenen genoemd te kunnen worden om het onderwerp religies en levensbeschouwingen verplicht te onderrichten op alle Europese scholen voor voortgezet onderwijs.
[1]
De eerste reden is de groeiende complexiteit van religies en levensbeschouwingen in Europese samenlevingen. Dit gaat veel verder dan wat ‘pluralisme’ genoemd werd. We hebben het immers niet langer over seculiere samenlevingen met een sterke christelijke geschiedenis die in de loop van de tijd sommige niet-christelijke minderheden hebben geabsorbeerd, maar over een verbijsterend aantal ‘wereldgodsdiensten’, ‘sekten’ en zogenaamde ‘nieuwe religieuze bewegingen’, die allemaal op elkaar inwerken en soms ook met elkaar wedijveren binnen dezelfde samenlevingen. Kennis van en inzicht in deze culturele aspecten van moderne Europese samenlevingen zijn tegenwoordig gewoonlijk alleen toegankelijk voor een klein aantal deskundigen.
Omdat veel, zo niet de meeste van de betrokken religieuze gezichtspunten en gewoonten door de meerderheidsgroepen van niet-belijders toch al als ‘vreemd’ worden beschouwd, verontrust deze heersende onwetendheid de meeste mensen nauwelijks. Dit heeft echter ernstige gevolgen in de sfeer van de toepassing van historisch gevormde principes en gedragsregels met betrekking tot de plaats en rol van religie en levensbeschouwing in de maatschappij. Deze principes en regels, die nog steeds een essentieel onderdeel vormen van de identiteit van moderne Europese samenlevingen, werden doorgaans ontwikkeld in een tijd dat het christendom (katholicisme, protestantisme, anglicanisme, etc.) de dominante religie was, en vaak alleen in aanwezigheid van joodse en niet- religieuze (humanistische en andere) groepen. Hoe moeten deze principes en regels worden toegepast op de hedendaagse islam, het hindoeïsme, het boeddhisme en op New Age? Zelfs de deskundigen blijven vaak het antwoord schuldig.
[2]
De tweede reden is de zwakker wordende rol van de traditionele religieuze instituties in de overdracht van religieuze kennis aan de volgende generaties. Dit type normatieve religieuze kennis bevatte doorgaans ook belangrijke informatie over de ‘principes en gedragsregels’ die ik al eerder noemde, als een richtlijn van hoe men als gelovige leven in de bredere, seculiere samenleving. Met het toenemen van de secularisatie ontvangt een groeiend deel van de bevolking deze informatie niet langer van een goed onderlegde geestelijkheid. Dit geldt niet alleen voor christenen en joden, maar ook voor aanhangers van alle andere religieuze tradities die in Europa vertegenwoordigd zijn, met inbegrip van de islam. Sprekend over de islamitische geestelijkheid kan men zonder voorbehoud stellen dat velen, zo niet allen, onvoldoende zijn ingevoerd in de godsdienstgeschiedenis van Europa sinds de Franse Revolutie om aan de volgende generaties de gedragsregels met betrekking tot religieuze zaken die voortkomen uit en samenhangen met deze geschiedenis over te kunnen dragen. Er is nauwelijks sprake van een adequate opvoeding of scholing op dit terrein. Dit lijkt te gelden, tenminste tot op zekere hoogte, voor de jeugd van alle religieuze of levensbeschouwelijke achtergronden.
De derde reden is het verontrustende aantal sociale conflicten, niet zelden gepaard gaande met verschillende vormen van geweld, waarvan beweerd wordt dat deze gerelateerd zijn aan bepaalde religieuze kwesties. Ik verwijs hier naar (1) voorvallen met betrekking tot intolerantie of racisme; (2) politieke discussies over bepaalde religieuze kwesties; en (3) handelingen gemotiveerd door religieus gelegitimeerd extremisme. Deze voorvallen van religieuze intolerantie en racisme omvatten onder meer aanslagen op gebedshuizen, het bekladden van religieuze begraafplaatsen, de systematische publicatie van beledigingen en talrijke andere vormen van publieke vernedering, met inbegrip van het begaan van geweld tegen individuen. Deze incidenten wijzen niet alleen op een afnemend niveau van tolerantie in de samenleving, maar tonen ook een fundamenteel gebrek aan begrip van het belang van de eerdergenoemde ‘gedragsregels’ voor de samenleving als geheel. Het is veelzeggend dat de voormalige Nederlandse Minister van Justitie werd weggehoond door de meerderheid van de Tweede Kamer toen hij recentelijk voorstelde om een oude wet tegen blasfemie nieuw leven in te blazen met als doel het steeds toenemende aantal beledigingen terzake van sacrale aspecten van het islamitische geloof te bestrijden.
Met betrekking tot de politieke discussies verwijs ik naar de enorme debatten die tot op heden nog steeds voortgaan in sommige delen van Europa met betrekking tot de hoofddoek gedragen door islamitische vrouwen. Een van de meest verontrustende aspecten van deze discussies is de bereidheid van politici (en soms ook rechters) om de eeuwenoude ‘gedragsregels’ ter zijde te schuiven, voor de ontwikkeling waarvan vele mensen hun leven hebben geofferd en die hebben bewezen fundamenteel te zijn in de constructie en handhaving van de Europese samenleving. Zo heeft onlangs het tijdschrift van het wetenschappelijke bureau van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) zelfs een anoniem artikel gepubliceerd waarin een straffechtelijk verbod op het bezit en de verspreiding van de Koran werd voorgesteld. De Partij voor de Vrijheid (PW) nam het voorstel over en ontketende daarmee een nationale discussie in Nederland over de vraag of de Heilige Schrift van de islam al dan niet bij wet moet worden verboden.
[3]
Met betrekking tot handelingen van religieus gelegitimeerd extremisme, nemen wij, ten slotte, een verontrustend aantal jongeren (van verschillende achtergronden) waar, bij wie een iets bredere horizon ontbreekt inzake religieuze zaken en levensbeschouwing, zoals die normaal gesproken kan worden verwacht van een jonge man of vrouw die bezig is zich voor te bereiden op een leven in de complexe moderne Europese samenleving.
1. ‘Constitutionele principes en Mensenrechten’ met betrekking tot religies
Wie zich wil richten op de bevordering van tolerantie, de eliminatie van stereotypen en generaliseringen, het uitbannen van racisme en het bestrijden van extremisme, kan niet volstaan met de naïeve onderrichting van religieuze doctrines en normen, historisch of anderszins. Waar wij ons op richten zijn, allereerst, de constitutionele principes die de vreedzame verhoudingen en de sociale samenhang bepalen tussen de aanhangers van de talrijke religies en levensbeschouwingen die gangbaar zijn in de hedendaagse samenleving. Ontwikkeld in Europese samenlevingen gedurende de Moderne Tijd, zijn deze principes: (1) de scheiding tussen Staat en Religie; (2) het principe van de godsdienstvrijheid; (3) het verbod op discriminatie op basis van geslacht, kleur, taal, ras of religie’, (4) de vrijheid van onderwijs; (5) de mensenrechten in het algemeen. Al deze principes worden gekoesterd in de Constituties van de verschillende lidstaten van de Europese Gemeenschap, en in de internationale verdragen door hen ondertekend. Dit geldt in het bijzonder voor het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens dat ondertekend is door alle lidstaten en waarop alle Europese burgers zich kunnen beroepen tegen de beslissingen van hun nationale gerechtshoven bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.
Voor de duidelijkheid, wanneer het gaat over deze ‘principes inzake religie’ heb ik het niet over een nieuwe ‘Europese civil religion, als parallel van die van Jean-Jacques Rousseau, Emile Durkheim en Robert Bellah. Zij stipuleerden een systeem van metafysische overtuigingen en rituele gebruiken die gedeeld werden door alle burgers van een staat, ongeacht hun individuele geloof en achtergrond. Zij dachten bij machte te zijn om een sociale cohesie te bereiken die de geledingen van de samenleving wat betreft klasses, religieuze denominaties en rassen oversteeg, en de belangrijkste instituties van de staat konden legitimeren. Het belangrijkste verschilpunt tussen hen was dat Durkheim en, na hem, Bellah, veronderstelden dat de burgers de civil religion spontaan en uit vrije wil aanhingen, terwijl Rousseau meende dat zij hiertoe door de autoriteiten gedwongen zouden moeten worden.
[4]
We hoeven niet te geloven in het wonder van weer een andere religie om de complicaties op te lossen van de vele religies die we al hebben in onze huidige samenleving. Er is niets metafysisch aan het seculiere principe van de scheiding tussen religie en staat. Dit principe was het resultaat van een langdurige, soms bloedige strijd om concrete macht tussen Staat en Kerk en het was alles behalve een ‘happy end’ voor de Kerk. De Kerk verloor haar bezittingen en werd ontdaan van haar machtsbases in zaken van openbaar bestuur, jurisprudentie (familierecht in het bijzonder), onderwijs, sociale zorg, etc. De ‘scheiding’ tussen Staat en Kerk is in feite een eufemistische uitdrukking die verwijst naar het verlies van de Kerk van haar seculiere macht. Het was dit verlies dat de weg bereidde voor het principe van de godsdienstvrijheid en andere mensenrechten. Joden, bijvoorbeeld, konden alleen burgers worden na deze eerste ‘scheiding’; hetzelfde gold voor de emancipatie van de katholieken in overheersend niet-katholieke landen (zoals bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk en Nederland) en voor protestanten in voormalige overwegend katholieke gebieden (zoals bijvoorbeeld België). De openstelling van de eerste moskee in West-Europa vond pas plaats tijdens de Verlichting (in Pruisen, tijdens de regering van Frederik de Grote) en de publieke getolereerde presentie van deze religie in Europa werd slechts mogelijk door de voomoemde ‘scheiding’ en de consequenties ervan in de sfeer van godsdienstvrijheid en mensenrechten. Voor die tijd was er geen sprake van juridische ruimte voor de islam in West-Europa. In de overwegend katholieke wereld was het precaire bestaan van de joodse gemeenschappen voorafgaand aan de ‘scheiding’ alleen mogelijk geweest vanwege de bescherming door seculiere machten (feodale heersers), meestal uit eigenbelang, tegen de voortdurende verwerping van de joden door de kerk. (Dit was ook de situatie van de islamitische gemeenschappen in het christelijke Spanje tussen de twaalfde tot de vijftiende eeuw.) Maar ook in de hoofdzakelijk protestantse wereld, waartoe bijvoorbeeld Nederland behoorde, bleven de joden een afzonderlijke ‘natie’ en verkregen ze pas volledige burgerrechten en emancipatie na de scheiding van Kerk en Staat.
We onderwijzen dus de algemene constitutionele principes evenals de mensenrechten met betrekking tot religies en levensbeschouwingen zoals die ontwikkeld zijn in Europa in het algemeen, en Nederland in het bijzonder als een zuiver historisch onderwerp, deel uitmakend van de culturele en politieke geschiedenis van deze landen in de moderne tijd. Dit is het eerste deel van onze cursus.
2. Protestantisme, katholicisme en jodendom in
De ‘algemene principes’ die in het eerste deel zijn besproken moesten vertaald worden in concrete ‘gedragsregels’, onder verwijzing naar de brede variatie aan religieuze thema’s die tot uiting worden gebracht in het publieke domein. Over het algemeen gesproken probeerden overheden na de pijnlijke gebeurtenis van de ‘scheiding’ in heel Europa manieren te vinden om te komen tot verbetering van de relaties, pacificatie en zelfs verzoening met de Kerk. Dit leidde tot verschillende soorten van oplossingen en overeenkomsten, met een grote variatie hiervan per land – ook in relatie tot de geografische, demografische, sociaal- culturele en andere historische kenmerken van de vele Europese samenlevingen.
Als we naar Nederland kijken, zien we dat nadat de Gereformeerde Kerk in Nederland haar positie als staatskerk in de negentiende eeuw verloor de weg geopend was voor de geleidelijke integratie en emancipatie van de andere protestantse denominaties (die tot dan toe als ‘sektes’ werden beschouwd), van katholieken en ook van de joden. In principe waren deze godsdiensten alle gerechtigd tot een gelijke positie in de Nederlandse samenleving op basis van het heersende publieke recht. De geschiedenis van dit proces van integratie en emancipatie moet het tweede deel vormen van onze cursus. Het zelfde geldt voor de catastrofe die plaatsvond tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen de principes die het centrale onderwerp vormen van onze cursus, niet langer werden gehandhaafd.
Natuurlijk, de eeuwenoude historische wortels en de steun van de meerderheid van de bevolking van de verschillende christelijke denominaties bleven weerspiegeld in de infrastructurele voorzieningen die werden gecreëerd en/of onderhouden door de staat en de samenleving voor specifieke christelijke religieuze doeleinden. Hier verwijzen we niet alleen naar de rijke erfenis van kerkgebouwen en andere kerkelijke monumenten, maar ook naar de voortgaande publieke erkenning van de zondag als een rustdag, en van de belangrijke christelijke feestdagen door het hele jaar. Een ander voorbeeld is dat de Nederlandse staat de verschillende christelijke denominaties bleef ondersteunen door het subsidiëren van onderwijsinstellingen op verschillende niveaus, ook voor de opleiding van de geestelijkheid. De beruchte Nederlandse schoolstrijd aan het begin van de twintigste eeuw bood financiële gelijkheid van confessionele scholen in vergelijking met de openbare scholen, met als resultaat een religieus onderwijssegment dat tot op heden krachtiger bleef dan de openbare sector. In weerwil van de negentiende-eeuwse ‘scheiding’, bleef dan ook in tal van opzichten een overwegend christelijk land.
De integratie en emancipatie van de joden volgde het patroon van de kerken, maar werd aan de andere kant ook sterk bepaald door het verhoudingsgewijze beperkte aantal aanhangers ervan. Het jodendom werd officieel erkend in de structuur van de ‘Israëlitische Kerkgenootschappen’, die het had aangenomen in overeenstemming met de Wet op de Kerkgenootschappen die werd geïntroduceerd na de afschaffing van de Staatskerk. Men verkreeg concessies op sommige gebieden, zoals de toestemming om dieren te slachten in overeenstemming met de joodse religieuze wetgeving voor de consumptie van vlees, en het recht op absentie van school en werk op zaterdagen en joodse feestdagen, zonder echter recht te hebben op een financiële compensatie voor het verlies van inkomsten. Deze concessies waren feitelijk uitzonderingen op de algemeen geldende regels die nog immer sterk werden gekenmerkt door christelijke invloeden.
3. Levensbeschouwingen en religies na de Tweede Wereldoorlog: Het voorbeeld van de islam
De derde fase van de moderne godsdienstgeschiedenis van begint na de Tweede Wereldoorlog met het proces dat leidde tot de officiële erkenning van het humanisme als een levensbeschouwing met dezelfde rechten als een godsdienst. Het eerste gevolg hiervan was dat de nauw omschreven structuur van het ‘kerkgenootschap’ in overeenstemming met de al eerder aangehaalde wet met dezelfde naam, niet langer noodzakelijk geacht werd voor de publieke erkennning van een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie. Deze ontwikkeling resulteerde uiteindelijk in de afschaffing van de Wet op de Kerkgenootschappen, zodat tegenwoordig het fenomeen ‘‘kerk’ zelfs niet langer bekend is in het Nederlandse recht. Het lukte de humanisten in om gelijke mogelijkheden te verkrijgen in vele maatschappelijke sectoren. Zo stichtte men de Universiteit voor Humanistiek, die ten dienste staat aan de vorming van geestelijke verzorgers die, betaald door de; Staat, onder andere werkzaam zijn in gevangenissen en ziekenhuizen.
De islam (alsook enkele andere nieuwe religies, in het bijzonder het hindoeïsme), die zich in Nederland vestigde na de Tweede Wereldoorlog, werd logischerwijs vooral behandeld in overeenstemming met de regels die reeds waren ontwikkeld voor christendom, jodendom en humanisme. Er was nauwelijks sprake van nieuwe, formele wetgeving. De belangrijkste ontwikkelingen voltrokken zich in de vorm van wetsvoorstellen van de regering en rechterlijke uitspraken (jurisprudentie). Naar het voorbeeld van de christelijke geestelijkheid, werden de functie en de wettelijke positie van imams gelijkgesteld met die van priesters, predikanten (en rabbijnen). Deze belangrijke ontwikkeling had tal van implicaties voor de toekomst van de islam in Nederland. Bij de regels met betrekking tot het bijwonen van de vrijdagsdiensten, islamitische feestdagen, en ook de islamitische spijswetten, was het model dat gevolgd werd dat van de joden. De islam was zeer gebaat bij de afschaffing van de strikte voorwaarden voor publieke erkenning in de sfeer van de organisatorische (kerkelijke) structuur, die indirect was veroorzaakt door de erkenning en integratie van het Humanisme. In Nederland bestaat thans geen voorgeschreven vorm voor een religieuze organisatie als voorwaarde om toe te treden tot onderhandelingen of een andere vorm van officieel contact met lokale of nationale overheden, dit in tegenstelling tot, bijvoorbeeld, de strikte en gecompliceerde eisen in dat opzicht van de Belgische en Duitse wetgeving.
Binnen het constitutionele kader van de godsdienstvrijheid en andere mensenrechten, heeft de Nederlandse samenleving al veel bouwstenen ontwikkeld voor een reeks van ‘gedragsregels’ met betrekking tot de islam. In overeenstemming met de heersende interpretatie van het recht op godsdienstvrijheid, gaat het hier om de volgende aspecten van religie en levensbeschouwing: (1) het belijden of niet belijden van een religie of levensbeschouwing, alsook het recht van bekering tot een religie en afval van een religie; (2) het belijden van een geloof individueel of gemeenschappelijk, wat onder andere impliceert het recht tot het bouwen van een communale infrastructuur zoals een moskee, het opleiden en aanstellen van imams, het organiseren van religieuze diensten en alles wat hierbij verder behoort, zoals religieus onderwijs en het naleven van religieuze regels en rituelen in het dagelijkse leven; (3) voorzieningen gebaseerd op de wet, die het mogelijk maken om de vrijheid van het belijden van een religie of een levensbeschouwing te beperken, die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving in het belang van de openbare veiligheid, ter bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Het is duidelijk dat de Nederlandse samenleving, evenals andere Europese staten, verwikkeld is in het proces van integratie van de islam, evenals van andere ‘nieuwe’ religies die na de Tweede Wereldoorlog binnen kwamen, op basis van haar eigen definitie van de ruimte die een religie wordt geboden en van de grenzen van de ‘openbare orde’. Het komt mij voor dat deze zelfde definitie bepalend zou moeten zijn voor de keuze van de thema’s die aan de orde komen in het curriculum dat hier in hoofdlijnen geschetst wordt.
4. Enige afsluitende opmerkingen
Ontegenzeggelijk bestaat er enige overlapping tussen de onderwerpen in een cursus over Religies en Levensbeschouwingen zoals die hier geschetst wordt, en de zogenaamde Burgerschapsvorming. De studie van de constitutionele principes en mensenrechten, alsook hun praktische toepassing, zeker gezien worden als een belangrijke stap in de richting van volledig en verantwoordelijk burgerschap. Over de precieze definitie van het concept van ‘burgerschap’ bestaat echter geen consensus. Sommigen beschouwen het van veel verder strekkende aard dan het onderschrijven van de Grondwet en de Mensenrechten, het eerlijk afdragen van belastingen en het op correcte wijze oversteken van een straat. Rekening houden met de politieke en ideologische debatten over de volledige betekenis van het begrip ‘burgerschap’ zou de weg openen voor allerlei soorten van politieke en ideologische overtuigingen in een cursus die geen ander normatief uitgangspunt neemt dan de heersende constitutionele principes en de internationaal erkende mensenrechten. Dan verliest een dergelijke cursus zijn geloofwaardigheid en daarmee ook zijn potentiële bijdrage aan sociale vrede en sociale cohesie.
We hebben hierboven reeds de religieuze onderwerpen geïdentificeerd waarover gesproken dient te worden in de cursus, omdat deze worden bepaald door de geaccepteerde interpretaties van godsdienstvrijheid en de daarmee verbonden fundamentele rechten door nationale en Europese jurisprudentie. Een van de implicaties van deze manier van het selecteren van onderwerpen die worden onderwezen zou zijn dat in de cursus geen aandacht besteed wordt aan het lezen en de exegese van de Schriften en van andere heilige bronnen, zoals, in het geval van de islam, de Koran en de Soenna. Dit zou moeten vallen onder godsdienstonderwijs van het normatieve type of onder de academische studie van de islam. De docent aan het openbaar voortgezet onderwijs is niet bij machte om een oordeel te vellen over de betekenis van heilige teksten, zodat deze zaken zeer waarschijnlijk conflicten en meningsverschillen zullen veroorzaken. Een andere implicatie van de selectiemethode zal zijn dat een afzonderlijke behandeling van de islamitische wet zoals deze wordt toegepast in verschillende islamitische landen (in familiezaken, etc.), achterwege blijft. Islamitische sociale ethiek is uiteraard een belangrijk onderwerp om te behandelen in relatie tot verschillende soorten onderwerpen (ziekte, de omgang met ouderen, euthanasie, en vele andere onderwerpen), maar in zaken van het familierecht wordt religie geacht vervangen te zijn door een cross- religieus systeem van seculier burgerlijk recht.
Moslim leerlingen moeten zichzelf kunnen herkennen in en identificeren met de informatie die wordt gegeven over de islam. Dit impliceert een hoge mate van empathie van de kant van de auteurs van de lesboeken en ook van de docenten. Waar mogelijk, dient men een cross-religieuze benadering toe te passen en daardoor de verschillende religies en levensbeschouwingen gelijkwaardig te behandelen. Er zou zowel aandacht moeten worden besteed aan de verschillen als aan de overeenkomsten tussen de verschillende religieuze tradities en levensbeschouwelijke systemen. Binnen de besproken parameters, is objectiviteit een centrale doelstelling. Dit impliceert een scherpe focus op intern islamitische verscheidenheid, inclusief de mystieke, orthodoxe, en de liberale en humanistische aspecten van de islam.
Het onderwijsmateriaal dat thans in de Nederlandse taal beschikbaar is voldoet op geen enkele wijze aan de invalshoek en inhoud van de cursus die hier bespoken is. In dit materiaal is er nauwelijks enig begrip van de relatie tussen de besproken onderwerpen en de context van Europese en Nederlandse samenlevingen. In de regel wordt de islam besproken als een achterlijk fenomeen van de onderontwikkelde wereld. De auteurs van deze specifieke tekstboeken zijn meestal volledig onbevoegd op het gebied dat ze behandelen.
[5]
Doorgaans baseren zij zich op secundair materiaal dat ze niet in staat zijn kritisch te behandelen, omdat zij zelf geen academische studie van de islam hebben gemaakt. Evenmin blijken ze in het bezit te zijn van enige kennis van de moderne ontwikkelingen in het islamitische denken. Een voorbeeld hiervan is de auteur die onkritisch een boek over de islam samenstelde van secundair materiaal dat toevallig voorhanden was. Hierin herhaalt hij, onder andere, de aloude dichotomie van de wereld in het ‘Huis van Islam’ en het ‘Huis van Oorlog’, als een concept met onverminderde geldigheid. De auteur lijkt weinig besef te hebben van het feit dat deze concepten in de moderne tijd vervangen zijn in vele en langdurige debatten van religieuze geleerden, terwijl het beeld van Europa als het ‘Huis van Oorlog’, hooguit nog in marginale en extremistische kringen voortleeft.
[6]
In een ander boek wordt de dichotomie enigszins verzacht door de bewering dat de ‘oude grenzen tussen het Huis van Islam en het Huis van Oorlog niet langer geografisch geduid kunnen worden’. Geen enkele verwijzing wordt gegeven naar verdere ontwikkelingen met betrekking tot dit onderwerp in het moderne islamitische denken, waarvan de auteur blijkbaar geen idee heeft.
[7]
Bijzonder veelzeggend is een lesboek dat, handelend over goed en kwaad, hedendaagse religieuze autoriteiten, zoals de Dalai Lama en de bekende Rotterdamse predikant Hans Visser citeert wanneer het gaat om het verhelderen van de boeddhistische en christelijke visies. Voor de islam had de auteur blijkbaar geen toegang tot vergelijkbare bronnen, en beperkte hij zich tot een interview van een halve pagina met een heer van Marokkaanse achtergrond die uitlegt dat de aalmoezen die hij jaarlijks geeft verdeeld worden onder zijn arme familieleden in Marokko.
[8]
Een vergelijkbaar gebrek aan toegang tot elementaire data geldt voor de auteur die zijn studenten leert dat het ‘niet iemands overtuigingen maar iemands daden zijn die bepalen of een persoon moslim is of niet’.
[9]
Er is geen enkele steun voor deze zienswijze in de islamitische theologie.
Docenten van de cursus waarvan wij hebben gepoogd de contouren te schetsen, zouden zeer goed getraind moeten zijn; indien noodzakelijk, moeten zij vervolgcursussen lopen om de noodzakelijke kwalificaties te verkrijgen. De staat zowel als de uitgevers zouden bereid moeten zijn om belangrijke financiële investeringen te doen bij het voorbereiden van leermiddelen die voldoen aan de vereiste, hoge kwaliteitseisen. Experts van de verschillende gebieden zouden betrokken moeten zijn bij het project, samen met een professionele redactionele staf. Het onderwerp is te belangrijk om overgelaten te worden aan de grillen van amateurs.