Uit Sion komt de wet
Bij Jesaja 2:1-5, Psalm 122, Romeinen 13:8-14 en Matteüs 24:32-44
Het is goed voor de christen die horen wil, dat op de eerste zondag van de Advent, in de eerste zin van de eerste lezing in de kerkelijke A-cyclus te lezen staat: ‘Op het einde der dagen zal de berg waarop de tempel van de Heer staat, oprijzen boven alle bergen’ (Jes. 2,2). Jeruzalem staat dus centraal. Wij kunnen niet om die stad heen.
De tekst gaat verder: ‘Alle volkeren zullen erheen stromen en talloze naties erheen trekken.’ Mensen van allerlei slag en allerlei vroomheid (het begrip ‘naties’ is minder religieus geladen dan het begrip ‘volk’) worden verzameld rond die ene berg. Waarom?
Het antwoord komt – al doorlezend – overduidelijk: ‘Laat ons optrekken naar de berg van de Heer (…), Hij zal ons zijn wegen wijzen, wij zullen zijn paden bewandelen, want uit Sion komt de wet.’ Het woord ‘wet’ staat voor een heel programma van bevrijding en vernieuwing. Als wij het woord ‘wet’ horen, denken wij aan ‘in naam der wet’ of iets van dien aard. Om dat misverstand te voorkomen vertaalt Martin Buber in zijn Verdeutschung van de Bijbel het woord Tora niet met Gesetz (het Duitse woord voor ‘wet’), maar met Weisung. Te vertalen met ‘richtingwijzer, onderricht’.
De geboden
Als een wegwijzer staan daar de geboden. Niet om ons te hinderen maar om ons een bepaalde kant uit te leiden, een nieuwe toekomst tegemoet. Vandaar ook dat je in de synagoge een feest als ‘Vreugde der wet’ kunt vieren. Wanneer daar de laatste verzen hebben geklonken van het laatste boek van Mozes (Deuteronomium), begint men weer van voren af aan. En als dan na het verhaal van de dood van Mozes het eerste gedeelte van het boek Genesis gelezen is, worden de wetsrollen door de synagoge gedragen en wordt er met de wetsrollen gedanst. Het is een vreugde om met de wet te leven. Want wet staat in het Eerste Testament (een beter woord dan Oude Testament) voor heel die geschiedenis van God met de mensen, en wel te verstaan van een God die bevrijden wil en die zijn naam bekend maakte aan Mozes: IK ZAL ER ZIJN.
Profeten en Gods nieuwe wereld
Wat is het eigene van de verkondiging door een profeet? Een profeet is geen toekomstvoorspeller. Hij ziet wel waar het naartoe gaat als mensen doen zoals ze doen, maar is geen handlezer of astroloog. Hij waarschuwt. Is een profeet dan te vergelijken met een donderpredikant van vroeger dagen? Ja en nee. Ja, omdat de profeet duidelijk de feilen blootlegt van zijn hoorders en vaak onaangename dingen zegt. Nee, omdat er meer meeklinkt. Een profeet is geen duvelstoejager, maar een mens die geraakt is door Gods woord. Levend vanuit dat woord kijkt hij over het gewone leven heen. Hij werpt vensters open. Hij zegt: ‘Mensen, zeg niet: ‘het gaat mij niet aan’, ook niet: ‘het zal mijn tijd wel duren’.’ De profeet werpt de mensen terug op zichzelf: ‘Luister eerlijk naar wat er fout is, trek je conclusies en verander! Bekeer je, kun je ook zeggen. Verander en kies voor het leven.’
‘Wanneer, Heer, komt uw Koninkrijk?’ verzuchtte de oude rebbe in een chassidisch verhaal. Een van zijn leerlingen kwam binnen gehold en riep: ‘De sjofar (ramshoorn, bazuin) heeft geklonken op de berg Sion, de nieuwe wereld is gekomen!’ De rabbijn aarzelde, opende rustig het raam en keek naar buiten, zei: ‘Nog geen vernieuwing te zien’, en sloot het raam weer. Een idioot had op de sjofar geblazen, verder niets. Als wij voortdurend zeggen dat alles nieuw is geworden in Jezus, wat zeggen we dan? Aan wat voor wereld willen wij dan helpen meebouwen? Om daar achter te komen, luisteren we in de Adventstijd regelmatig naar de profeten. Jesaja en Johannes de Doper zullen ons inspireren.
Weest waakzaam
Matteüs 24 roept ons op tot nuchtere waakzaamheid. De vijgenboom wordt genoemd, joods symbool van de Tora. Zitten onder de vijgenboom betekent: de wet bestuderen. Vanuit die trouw aan de wet komt het uitzien naar de komst van de Heer en zijn Koninkrijk. God wil zijn Koninkrijk niet op een andere planeet, maar hier, waar het zo stinkt. God geeft geen onmiddellijke garantie op succes, maar wel een belofte van licht: dit is de weg van de verlossing. Als christenen schuiven we alles te gemakkelijk op Jezus onze Verlosser. Hij heeft het gedaan, wij hoeven niets meer te doen. Maar als Hij, in het voetspoor van Johannes de Doper, zegt: ‘Ik ben de weg’, betekent dat niets anders dan: verder gaan en doen zoals Ik het heb voorgedaan.
Onze weg
Wat moeten wij doen na Auschwitz? Het vergeten? Het zo vreselijk vinden dat het geen zin meer heeft om verder te leven? De halacha (de wet als leefregel voor iedere dag), leert: handel en leef opdat zoiets nooit meer gebeurt. Wat te doen na Hiroshima? Alles goedpraten (‘Toch nuttig dat die bom gevallen is’)? Of, geen kinderen meer op deze wereld zetten (‘We gaan toch allemaal ten onder’)? De halacha leert: kies, opdat zoiets nooit meer gebeurt. Zoek de oorzaken van het geweld op, handel, kies tegen het atoomgeweld, en leef. Alleen omdat mensen zijn blijven handelen en kiezen, is er hoop. Omdat er in Auschwitz gebeden is, kunnen wij ook nog bidden, en omdat daar geleefd werd tegen de dood in, kunnen wij verder leven. Wij zullen moeten leven en kiezen in deze onvolmaakte wereld, een andere wereld is er immers niet.
Advent vieren betekent: uitzien naar die toekomst en die hier stap voor stap voorbereiden. Zoals Israël de Messias verwacht, zo zien wij uit naar de (weder)komst van de Heer, zijn echte komst in de wereld.