Verleidelijk
Bij Marcus 1:12-15
‘Kom,’ zei slang, ‘ik moet er weer eens vandoor. Het was mij zeer aangenaam, maar ik moet naar de woestijn en dat is nog een hele reis.’ ‘Is het druk in de woestijn?’ vroeg eekhoorn. ‘Niet bepaald,’ zei slang. ‘Het is er bepaald rustig. In de woestijn kun je heerlijk tot jezelf komen en nadenken.’ ‘Dat zou ik ook wel willen,’ zei eekhoorn. ‘Kan ik met je mee?’ ‘Ik houd je niet tegen,’ zei slang, ‘maar ik denk dat je het er niet lang uit zult houden. Het is er erg warm en er groeien bijna geen bomen en er is weinig te drinken. Denk eens aan alles wat je hier achterlaat. Je beukennoten, je vrienden, je boom, maar misschien krijg je er ook wel wat voor terug.’ Slang wrong zich in zoveel bochten, dat eekhoorn er duizelig van werd. ‘Als je naar de woestijn gaat, word je vast beroemd,’ siste slang listig, ‘dan ben je de eerste eekhoorn die in de woestijn is geweest en als je dan terug bent… Stel je eens voor!’
In trance liet eekhoorn de tak los, waar hij op zat en viel naar beneden in de zachte bladeren die er nog lagen van vóór de winter. Doodstil bleef hij liggen en probeerde zich de woestijn voor te stellen, maar het lukte niet erg. ‘Gaat het?’ vroeg kikker. ‘Je ligt er nogal raar bij.’ Voorzichtig sloeg eekhoorn zijn ogen op. ‘Ben ik niet in de woestijn?’ vroeg hij. ‘Je bent in de war,’ zei kikker. ‘Die slang heeft je helemaal van de wijs gebracht met zijn verhalen over de woestijn.’ Eekhoorn zuchtte diep. ‘Laat me niet los,’ zei hij tegen kikker, ‘jullie moeten me niet laten vallen.’ ‘Praat geen onzin,’ zei kikker, ‘we zijn er altijd om je op te vangen. Ik haal wat beukennootjes voor je.’