Vruchten van wetenschappelijke studie 60 jaar Nederlands Theologisch Tijdschrift
Inleiding
De markt van Nederlandse theologische tijdschriften is voortdurend in beweging. Zo werd recentelijk het Gereformeerd Theologisch Tijdschrift(19002003) opgeheven en kregen de abonnees een presentexemplaar van Theologisch Debat toegezonden. Dit nieuwe tijdschrift is niet aan een bepaald kerkgenootschap gebonden en de redactie laat zich zeer kritisch uit over de heersende academische publicatiecultuur. Er zou weinig ruimte voor discussie zijn en met name met het oog op visitatiecommissies gepubliceerd worden.
[1]
Het is inderdaad een feit dat binnen de academische wereld steeds meer in termen van ‘productie’ wordt gesproken, waarbij publicaties in hoogwaardige ‘informatiedragers’ zoals wetenschappelijke tijdschriften het hoogst ‘scoren’. Het Nederlands Theologisch Tijdschrift (NTT) heeft altijd een hoogwaardig wetenschappelijk tijdschrift willen zijn en in die zin is het niet toevallig dat de redactie al in haar vergadering van 23 mei 1987 sprak over de wenselijkheid om externe referenten te betrekken bij de beoordeling van de aangeboden kopij. Weliswaar hadden ook de oprichters van het NTTde wetenschappelijkheid hoog in het vaandel, maar toch zou het voor hen ondenkbaar geweest zijn dat hun bijdragen door buitenstaanders beoordeeld zouden worden. Zo weerspiegelt de geschiedenis van het blad veranderingen in de naoorlogse Nederlandse wetenschapsbeoefening.
In dit artikel zal ik op verzoek van de redactie een poging wagen de geschiedenis van het NTT te relateren aan bredere ontwikkelingen op maatschappelijk, religieus en theologisch gebied. De insteek zal daarbij de geschiedenis van het tijdschrift en het beleid van de redactie zijn. Daartoe heb ik het NTT-archief geconsulteerd.
[2]
De belangrijkste bronnen zijn de correspondentie (van de successievelijke redactiesecretarissen) en de twee notulenboeken die lopen tot en met de 171e redactievergadering, gehouden te op 16 mei 1992.
[3]
Onder het redactiesecretariaat van K.A.D. Smelik (1990-1992) werden de verslagen van de vergaderingen voor eerst niet meer met de hand in het notulenboek ingeschreven, zoals nog wel gebeurde door zijn voorganger P.W. van der Horst. In een later stadium werden de getypte notulen ook niet meer ingeplakt. Deze bronnen bieden een fascinerend inkijkje in de werkwijze en gedachtenwereld van de verschillende redacties. Zo keurde men de titel ‘Luther op de divan’ af en verscheen H. Fabers artikel over Erik H. Eriksons controversiële studie Young Man Luther (1958) onder de meer ‘stijlvolle’ titel ‘Een psychoanalyticus over Luther’.
[4]
Een bijna compleet overzicht van de inhoud van alle jaargangen van het NTT is via de Nederlandse Centrale Catalogus (NCC) op te vragen.
[5]
Daarnaast is in het eerste nummer van de 26e jaargang een naar auteur geordend overzicht van de artikelen in de eerste 25 jaar verschenen (26 [1972], 1-13). Verder is rond het vijftigjarig jubileum van het tijdschrift een chronologisch overzicht van de tot dan toe verschenen bijdragen samengesteld, waarvan ik ook dankbaar gebruik heb gemaakt.
[6]
De beschrijving van de geschiedenis van het NTT is een lastige opgave. Dat hangt allereerst daarmee samen dat het een algemeen tijdschrift is, waarin de verschillende theologische disciplines vertegenwoordigd zijn. Een overzicht van de ontwikkeling van de verschillende deelgebieden en rubrieken valt buiten het bestek van dit artikel. Verder is het een pluriform tijdschrift in die zin dat het niet één bepaalde aanpak of richting vertegenwoordigt. De redactie bestaat uit een kleine kring van academische theologen die elkaar ook via andere kanalen kennen en in die zin wordt de geschiedenis van het NTT gekenmerkt door een hoge mate aan contingentie. Dat neemt niet weg dat er een aantal lijnen en tendensen te onderscheiden is. Aangezien het soms om nog altijd gevoelige zaken gaat, heb ik bij de bespreking van de verschillende discussies en controverses de nodige terughoudendheid betracht. Het accent zal op de vroegere geschiedenis van het NTT liggen en met name de laatste tien jaar zal ik grotendeels buiten beschouwing laten.
Positionering
Het eerste nummer van het Nederlandsch Theologisch Tijdschrift verscheen in het najaar van 1946. De jaargang liep van oktober tot oktober en telde zes afleveringen van vier vel druks, elk van zestien bladzijden. De abonnementsprijs bedroeg tien gulden per jaar en voor studenten acht gulden (franco per post). In de prospectus uit 1948 werd niet zonder trots aangekondigd dat de omvang uitgebreid werd tot 80 bladzijden per nummer. Zo hoopte men ‘de steeds wassende stroom van boekbesprekingen te kunnen verwerken’ en tevens ‘aan de vele vragen omtrent voorlichting nog beter tegemoet te [kunnen] komen dan tot nu toe’. De abonnementsprijs bleef gehandhaafd in de verwachting dat nog meer predikanten en studenten ‘tot de lezerskring zullen toetreden’. De werving van nieuwe abonnees was een constant punt van zorg voor de redactie en de uitgever H. Veenman & Zonen te Wageningen. Met ingang van jaargang 25 (1972) verscheen het NTT per kalenderjaar bij Boekencentrum te Den Haag in vier afleveringen van 120 pagina’s elk (januari, april, juli en oktober).
Het NTT – zo stond op het titelblad van de eerste aflevering te lezen – werd uitgegeven door de theologische faculteiten der Rijksuniversiteiten te , en en der Universiteit van Amsterdam. In de redactionele inleiding tot de eerste aflevering stond nog eens uitdrukkelijk dat de redactie door deze faculteiten benoemd werd. Tijdens de eerste vergadering op 1 maart de Utrechtse faculteitskamer waren vertegenwoordigers van de vier faculteiten aanwezig: de kerkhistoricus J.N. Bakhuizen van den Brink (Leiden), de nieuwtestamenticus J.N. Sevenster (Amsterdam), de godsdiensthistoricus H.W. Obbink (Utrecht) en de oudtestamenticus Th.C. Vriezen (Groningen). Men zocht tevens een goede spreiding over de verschillende theologische disciplines. L.J. van Holk (Leiden) werd voorgesteld als redacteur voor de systematische vakken, S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel (Utrecht) voor de praktische theologie en W.F. Dankbaar (Zen- dingshuis Oegstgeest) voor de Zendingswetenschap. Van Holk sloeg de uitnodiging af (in 1950 trad hij alsnog toe tot de redactie) en voor hem in de plaats werd W. Leendertz () gevraagd, die de uitnodiging wel aannam. Op de derde vergadering op donderdag 20 juni Krasnapolsky te was de voltallige redactie aanwezig. Hier werd de volgorde van de vakken in het tijdschrift bepaald: ‘Godsdienstgeschiedenis en Phaenome- nologie van den godsdienst,
[7]
Oude Testament, Nieuwe Testament, Kerk- en Dogmengeschiedenis, Zending, Oecumene, Systematische theologie, Practi- sche theologie’. Kerkelijke vakken hadden vanaf het begin een vanzelfsprekende plaats in het NTT. In de hantering van de namen was men in de praktijk flexibel. Zo sprak men al snel van Godsdienstwetenschap en was er een re- censierubriek Wijsbegeerte van de Godsdienst en Ethiek.
[8]
W.F. Dankbaar was de enige niet-hoogleraar en was ongetwijfeld door zijn promotor Bakhuizen benaderd voor de post van redactiesecretaris. Toen Dankbaar in 1953 J. Lindeboom als hoogleraar kerkgeschiedenis in Groningen opvolgde, nam E. Jansen Schoonhoven (1953-1964) het redactiesecretariaat over, die op zijn beurt weer door I.H. Enklaar (1964-1976) werd opgevolgd. Deze drie mannen waren allen verbonden aan ‘Oegstgeest’, het zendingscentrum van de Nederlandse Hervormde Kerk.
[9]
Met de benoeming van A. van den Beid tot redactiesecretaris (1976-1984) werd het zwaartepunt verlegd naar . De redactiesecretaris had zonder twijfel de zwaarste functie, mede omdat hij de’belangrijke recënsierubriek verzorgde. De nauwgezet bijgehouden schriftjes met opgave van schrijver, titel, uitgever, jaar van uitgave, aantal pagina’s, prijs, toegezonden aan, aangekondigd/besproken, getuigen daarvan. In 1969 was Enklaar bij nummer 6502 aangeland (wat neerkomt op gemiddeld ongeveer 280 titels per jaar). Onder het redactiesecretariaat van
P.W. van der Horst (1985-1989) werd voor het eerst een aparte functionaris (K.A.D. Smelik) voor het bibliografisch gedeelte aangesteld.
Uit alles blijkt dat het bibliografisch gedeelte voor het NTT van eminent belang was (en nog altijd is). Zeker na de Tweede Wereldoorlog voelde men een gemis op dit punt. In de redactionele inleiding werd uitdrukkelijk gesteld dat voldoende aandacht aan de bibliografie ‘in den uitgebreiden zin van het woord’ zal worden besteed, te weten ‘zoowel beredeneerde litteratuurover- zichten als recensies en eenvoudige lijsten van titels van binnen- en buiten- landsche publicaties, vaksgewijze gerangschikt’ (1 [1946-47], 1). In een brief van 13 april 1946 berichtte Obbink zijn collegae Bakhuizen en Vriezen dat hij er bij de uitgever op had aangedrongen dat er voldoende ruimte voor het bibliografisch gedeelte moest zijn. ‘Ik heb hem duidelyk gemaakt, dat het opbouwen van een bibliografie de noodige moeilykheden zal meebrengen, vooral in het begin. Zoodat wy aanvankelyk zeker de helft (twee vel per nummer) noodig zullen hebben voor de bibliografie. Hy had heelemaal geen bezwaar tegen een andere verhouding [sc. tussen de artikelen en de bibliografie]’. Het is nooit zover gekomen dat de helft van de ruimte erdoor in beslag genomen werd, maar een belangrijk onderdeel zijn de besprekingen altijd geweest.
In de eerste vergaderingen werd ook relatief veel aandacht aan de zogeheten ruilnummers besteed. Dat waren binnen- en buitenlandse tijdschriften die circuleerden onder de redactieleden en tevens een goede mogelijkheid boden de internationale contacten weer te herstellen.
[10]
In het archief is de nodige correspondentie met redacteuren van andere tijdschriften te vinden. Dit was een gedeeld belang. Zo wendde Kurt Aland zich in de zomer van 1947 tot de redactie met het verzoek afleveringen van het NTT aan zijn Berlijnse adres (Amerikaanse sector) te sturen, zodat deze in de Theologische Literaturzeitung besproken konden worden. In het contract met Veenman van 20 september 1947 werden – naast kosteloze abonnementen voor de redactieleden, een vergoeding van 1350 gulden voor redactiewerk en een vergoeding van 20 gulden per 16 bladzijden voor de auteurs – ook nog dertig abonnementen voor ruilnummers beschikbaar gesteld.
De situatie na de oorlog was onoverzichtelijk. Het was zaak eerst een uitgever te vinden die de nodige faciliteiten kon bieden (zoals het drukken van Hebreeuwse en Griekse tekens) en voldoende papier in voorraad had. Naast Veenman was er overleg met Daamen en Van Gorcum. Een groot voordeel van Veenman & Zonen was dat zij de Nieuwe Theologische Studiën(NTS)
[11]
hadden uitgegeven en zo gemakkelijk een ‘doorstart’ konden maken. Vandaar ook dat de redactionele inleiding in een bijzin gewag maakte van het feit dat in het NTT de NTS zijn opgenomen, zonder dat er voor het overige veel continuïteit lijkt te zijn. Het was in dé jaren 1945-46 onzeker welke theologische tijdschriften zouden blijven bestaan. Dat werd ook duidelijk uit de in de notulen van 20 juni 1946 genoemde lijst met tijdschriften die voor ruilnummers in aanmerking kwamen. Naast prestigieuze buitenlandse periodieken werden hier de volgende Nederlandse tijdschriften genoemd: Nieuw Theologisch Tijdschrift, Onder Eigen Vaandel, Gereformeerd Theologisch Tijdschrift, Bijdragen (van de theologische faculteit van Nederlandse Jezuïeten, Maastricht) en het Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, waarvan de eerste twee genoemde niet meer direct na de oorlog verschenen. Het Nieuw Theologisch Tijdschrift zou definitief ophouden te bestaan, en Onder Eigen Vaandel zou .in herziene vorm onder de minder militante naamKerk en Theologie verschijnen.
[12]
Voor de positionering van het NTT in het veld van Nederlandse theologische tijdschriften is de eerste alinea van het notulenboek van belang. Nog voor de verslaglegging van de constituerende vergadering schreef Bakhuizen van den Brink (die de eerste twee vergaderingen notuleerde) hier het volgende: ‘Op voorstel van de Leidsche Theologische Faculteit werd omstreeks het begin van 1946 besloten tot de oprichting van een algemeen Nederlandsch wetenschappelijk Theologisch Tijdschrift, onder redactie van de Faculteiten van Leiden, Utrecht, Groningen en Amsterdam. Na correspondentie en besprekingen bleek dat de Nieuwe Theologische Studiën in dit tijdschrift zouden willen opgaan; Theologie en Practijk en het Nieuw Theol. Tijdschrift echter niet, zoowel om hun doelstellingen als om hun specialen lezerskring; om overeenkomstigen redenen wilde ook de redactie van Onder Eigen Vaandel haar tijdschrift handhaven’. De oprichters waren duidelijk niet van plan het initiatief uit handen te geven.
In de al meermaals geciteerde redactionele inleiding stond ook uitdrukkelijk dat het tijdschrift ‘in dienst [staat] van de wetenschappelijke theologie.
Het is onafhankelijk wat theologische richting betreft en aan geen school gebonden om het vrije wetenschappelijke en methodische onderzoek en daardoor den opbouw van het theologisch leven in Nederland te kunnen dienen’ (1 [1946-47], 1). Het woord ‘wetenschappelijk’ zal nog regelmatig vallen tijdens de redactievergaderingen. Een wetenschappelijke theologie – als vertegenwoordigd aan de openbare instellingen voor hoger theologisch onderwijs – is van het grootste belang ‘voor het theologisch leven in ’. Maar wat werd daarmee concreet bedoeld? Toch in de eerste plaats het Hervormde theologische leven. Hier was men zich ook wel van bewust. Het besluit om de doopsgezinde Leenderts te vragen was mede ingegeven door de overweging dat hij ‘een andere dan de N. Herv. Kerk [doorgehaald: “een niet-Hervormde Kerk”] vertegenwoordigen’.
[13]
De Lutheranen, Remonstranten en Doopsgezinden mochten meedoen, maar de algehele oriëntatie bleef protestants- hervormd. Sommige bijdragen en kronieken waren zelfs speciaal gericht op de NHK.
[14]
Dit was misschien niet anders te verwachten, gelet op de voor de uitgave verantwoordelijke faculteiten. In 1992 werd de Protestantse Faculteit van Brussel voor het eerst als mede-uitgeefster genoemd (kort daarvoor was de toenmalige redactiesecretaris Smelik aan deze instelling benoemd). In 1993 trad A. Wessels als vertegenwoordiger van de Theologische Faculteit van de Vrije Universiteit toe tot de redactie en drie jaar later begroette men het eerste vrouwelijke redactielid in de persoon van de kerkhistorica J.W. Spaans.
Beleid
De besprekingen binnen de redactie betroffen vooral de planning van volgende nummers en – onvermijdelijk – de financiën. Met de uitgever werd regelmatig onderhandeld over de vergoeding voor redactionele werkzaamheden en de auteurs. Tot laat in de jaren tachtig kregen auteurs niet alleen overdrukken van hun bijdrage, maar ook een vergoeding per pagina. Verder was het aantal abonnementen een punt van aandacht en zorg. Het aantal abonnees wisselde nogal: van 1950 tot 1965 en 1969.
[15]
Deze stijging in de tweede helft van de zestiger jaren was echter niet voldoende om een crisis af te wenden. Veenman moest er teveel op toeleggen en tijdens de 122e vergadering op 23 januari hotel Terminus te Utrecht werd medegedeeld dat Boekencentrum de uitgave van NTT had overgenomen. Op dat moment bedroeg het exploitatietekort fl. 10.927,-. De Nederlandse organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek (Z.W.O. — de voorloper van het huidige N.W.O.) nam daarvan fl. 9200,- voor haar rekening. De redactie hoopte dat de nieuwe uitgever de ontbrekende fl. 1700,– zou kunnen bestrijden uit advertentieopbrengsten, verwachtte meer abonnees dan geraamd en streed tevens voor het behoud van de oude overdrukregeling (uiteindelijk vastgesteld op 15 stuks per artikel; vgl. not. 124-125). Er zijn in de volgende jaargangen wel enige advertenties opgenomen (o.a. van Wolters-Noordhoff, Wevers en niet te vergeten Boekencentrum zelf, dat ook de eigen uitgave Kerk en Theologie onder de aandacht van de NTT-lezers bracht), maar veel dit niet opgebracht hebben. Het tekort is – zo stel ik mij voor – met name door besparingen gereduceerd, onder meer door het terugbrengen van het aantal afleveringen van zes naar vier per jaar. Verder verstrekte Z.W.O. tot het midden van de tachtiger jaren soms omvangrijke subsidies. In 1987 werd een ledenwervingsactie gestart en de abonnementsprijs drastisch verlaagd, wat ertoe leidde dat in een jaar het aantal abonnees groeide van circa 450 tot circa 950 (not. 164).
De meeste tijd besteedde de redactie over het algemeen aan een korte bespreking van het afgelopen nummer en een vooruitblik op de komende afleveringen. Men wachtte niet alleen af wat er ingezonden werd, maar benaderde ook actief potentiële auteurs. Rubrieksredacteuren werden aangemoedigd artikelen in te winnen en ervoor te zorgen dat actuele literatuur besproken werd. Een zekere spreiding werd daarbij nagestreefd. P J. Roscam Abbing maakte in januari 1965 de volgende becijfering over de afgelopen tien jaar
[16]
: 24 godsdiensthistorische artikelen, 24 op het gebied van het Oude Testament, 36 op het gebied van Nieuwe Testament, 34 op het terrein van kerk- en dogmenge- schiedenis, 31 godsdienstwijsgerige bijdragen, 15 dogmatische, 4 ethische, 22 praktische theologische en respectievelijk 7 en 8 op het terrein van oecume- nica en zending. Met de komst van P.W. van der Horst in 1985 als redactiesecretaris werd Judaica een zelfstandige rubriek in het tijdschrift. In de negentiger jaren werden de sociale wetenschappen (met name godsdienstsociologie en godsdienstpsychologie) als zodanig gerubriceerd en door redacteuren vertegenwoordigd. Het aantal redactieleden werd in die tijd sterk uitgebreid. In 2000 telde de redactie 12 en in 2005 14 leden.
Al werd volgens sommigen de druk om artikelen (van collega’s) te accepteren af en toe wel heel groot, toch heeft de redactie zich altijd om de wetenschappelijke kwaliteit van de artikelen en besprekingen bekommerd. Met name sinds de zeventiger jaren werden er regelmatig artikelen geweigerd en suggesties gedaan om bijdragen te herzien. Als een stuk geplaatst was dat bij nader inzien door de redactie onder de maat bevonden werd, kon dat ertoe de auteur op een zwarte lijst belandde (evenals diegenen die een substantiële achterstand in hun recensieverplichtingen hadden opgelopen). Weigeringen tot plaatsing van ingezonden stukken en met name onwelwillende recensies leidden soms tot conflicten. Hierop kom ik nog terug.
Er was de redactie veel aan gelegen dat het blad attractief was voor de doelgroep, bestaande uit academisch werkzame theologen, theologiestudenten en predikanten. Daartoe werden er steeds opnieuw initiatieven genomen om overzichtsartikelen (Forschungsberichte) te plaatsen. ‘Artikelen die oriënteren omtrent publicaties, onderwerpen, visies en uitkomsten in een bepaald vakgebied gedurende b.v. de laatste 10 jaar, zijn bij lezers zeer geliefd, vanuit dezelfde interesse die hen de – overigens zeer brokkelige – recensie voorlichting doet waarderen. Echter: deze artikelen zijn moeilijk los te krijgen.’
[17]
Steeds doken weer lijsten op met rubrieken en beoogde auteurs, maar makkelijk te krijgen waren dit soort bijdragen inderdaad niet. Recentelijk verschijnen er ook stukken over de voor verschillende vakgebieden relevante sites op het World Wide Web.
[18]
Naast overzichtsartikelen werd ook gepoogd kronieken over het wel en wee van de betrokken faculteiten van de grond krijgen. Het bleek lastig de benodigde informatie bij elkaar te sprokkelen en vanaf 2000 lijken de pogingen in deze richting gestaakt. Ook verschijnen er geen necrologieën meer. De kroniek van de jaargang 1966-67 begon met een inleidend woord van de redactie, die opmerkte dat de verslagen ‘minder evenwichtig uitvielen dan gehoopt was. Toch beperkte de redactie zich tot het redigeren van ondergeschikte punten.’ (21 [1966-67], 226) Over dat laatste dacht de Groningse faculteit anders en dwong een rectificatie af, waarin onder andere op het onderzoek van drs. R. Steensma naar de inrichting van noordelijke kerkgebouwen geattendeerd werd.
In de al genoemde notitie van Roscam Abbing uit 1965 werd ook gesproken over een plan om Beihefte te gaan uitgeven en dat resulteerde in de serie Cahiers bij het Nederlands Theologisch Tijdschrift. De Cahiers werden aan- gekondigd in de 22e jaargang onder de noemer ‘Een nieuw verschijnsel bij ons Nederlands Theologisch Tijdschrift’ (22 [1967-68], 1-2). Het was de bedoeling niet alleen aan theologische onderwerpen, maar ook aan ‘vraagstukken van ethische, politieke, natuurwetenschappelijke, sociologische en psychologische aard’ aandacht te besteden. ‘Onderwerpen waar het geestelijk leven van onze tijd mee van doen heeft en waar de moderne theologie niet aan voorbij gaan. ’ Er werden vier titels genoemd en uiteindelijk verschenen in de jaren 1968-69 zes monografieën.
[19]
Men had grootse plannen
[20]
, maar vanwege de geringe afzet moest de serie stopgezet worden (not. 119). Een overweging bij dit alles was ook om het NTT een intemationaler karakter te geven. Men hoopte buitenlandstalige boeken in de serie op te nemen en speelde zelfs met de gedachte zo veel mogelijk bijdragen in het ‘Engels en Duits (en Frans)’ (not. 120) in het NTT te publiceren.
[21]
De heer Veenman was echter niet hoopvol gestemd dat dit beleid ook tot meer abonnementen zou .
Tegenover verzoeken speciale nummers ter gelegenheid van jubilea uit te brengen heeft de redactie zich over het algemeen terughoudend opgesteld. Het verzoek eind 1946 om een speciaal nummer aan de hoogleraar A.M. Brouwer te wijden, wees men af, onder meer omdat dit een precedent zou scheppen. In 1955 was men coulanter en werd een aflevering aan de nieuwtestamenticus J.Th. Ubbink gewijd (9 [1954-55], 321-372). In 1973 werd een voorstel afgewezen (not. 130), maar tien jaar later werd een Engelstalig nummer ter gelegenheid van het afscheid van de Utrechtse godsdiensthistoricus DJ. Hoens (redactielid 1964—1968) uitgebracht. Het aantal pagina’s van de aflevering werd uitgebreid, er werd een naamsregister toegevoegd en op de titelpagina stond te lezen: Analysis and Interpretation of Rites. Essays to D.J. Hoens, edited by J.G. Platvoet (37 [1983], 177-277). Meestal is het niet zo ostentatief duidelijk dat het om een feestnummer gaat. Zo verschenen in het aprilnummer van 1988 vijf bijdragen van Utrechtse auteurs, die allemaal aan Jannes Reiling waren opgedragen. Daarnaast zien met enige regelmaat thematische afleveringen het licht, zoals recentelijk nog de nummers gewijd aan het theodiceeprobleem en de Nieuwe Bijbelvertaling (58 [2004], 177-272 & 59 [2005], 273-342).
[22]
Vox Theologica
Voor een beter begrip van de positionering van het NTT is de relatie tot het ‘interacademiaal theologisch tijdschrift’ Vox Theologica (VT), het orgaan van de Vereeniging van Studenten in Theologische Faculteiten in Nederland, van eminent belang. Tijdens de tweede redactievergadering van het NTT op 23 maart 1946 was de heer Prakke van Van Gorcum aanwezig, die – als uitgever van VT – ‘eenig verband tusschen de Vox Theologica en het nieuwe tijdschrift [=NTT] wil maken’ (not. 2). Nog in hetzelfde jaar werd besloten dat Bakhuizen van den Brink met de hoofdredactie van VT zal bespreken, ‘dat dit blad een studentenblad zal worden, zoals ook de oorspronkelijk opzet was’ (not. 5). De hooggeleerde heren wensten geen concurrentie van afgestudeerde theologen en jonge doctores op het terrein dat zij als het hunne beschouwden.
In 1957 zocht de redactie van VT contact met het NTT. Bij monde van de hoofdredacteur J.M. Hoekstra en de redactiesecretaris J. Spema Weiland vroeg men zich af of de ‘huidige stand van zaken in de wereld van de Nederlandse theologische tijdschriften bevredigend genoemd mag worden’.
[23]
Zij onderscheidden twee functies van VT: ten eerste wilde men ruimte bieden voor de pennevruchten van aankomende theologen en ten tweede diende het blad ‘aan een brede kring van studenten en predikanten – deze laatste vormen een aanzienlijk deel van de abonnés – op gedegen niveau critisch-oriënterende artikelen te bieden betreffende actuele theologische onderwerpen ter geregelde informatie over de stand van de verschillende takken der theologische wetenschap’. Wat betreft het tweede punt constateerde men een ‘ernstige leemte’ en de vraag was hoe hier in te voorzien was. Aangezien het NTT het dichtst stond bij het beeld dat VT zich van het gewenste tijdschrift gevormd had, stelde men een gesprek voor. Hoe een en ander te realiseren zou zijn – door een nieuw tijdschrift, door reorganisatie van een bestaand tijdschrift of door fusie van enkele bestaande tijdschriften – liet men open.
Wel lichtten Hoekstra en Spema Weiland in precies gekozen bewoordingen hun voorstel toe. Op de allereerste plaats zou het gewenste tijdschrift ‘een informatief en stimulerend karakter dienen te dragen. Het zou op academisch niveau, breed en critisch, actuele theologische themata aan de orde dienen te stellen. Ons leek de wijze, waarop Vox Theologica dit heeft getracht te doen in zijn z.g. thema-nummers hiertoe een mogelijkheid. Hiermee zou het tijdschrift zich bewust plaatsen tussen de specialistisch-wetenschappelijke periodieken ter ene en de bijzondere tijdschriften van verschillende kerken, groeperingen en stromingen ter andere zijde’. Het is duidelijk dat men een breed tijdschrift wenste, dat zich – sterker dan NTT – met actuele, prangende theologische vragen bezighield. En lag daar niet de kracht van VT1 Daarnaast stelde men voor kronieken op te nemen met overzichten over de inhoud van specialistische tijdschriften en moderne theologische literatuur in het algemeen. Ten derde zou plaats ingeruimd kunnen worden voor ‘specialistische bijdragen en werkstukken van debutanten’ en ten vierde zou de aantrekkelijkheid verhoogd kunnen worden door beknopte en deskundige boekbesprekingen op te nemen. Niet specialistisch zo is de teneur, maar toch ook zeker van academisch niveau. De economische basis – zo heette het tot slot – van dit algemene tijdschrift zal solide kunnen zijn.
Wat dachten de redacteuren van het NTT van dit voorstel? Men voelde weinig voor een ‘informatie-tijdschrift’, maar achtte toch een gesprek zinvol en dat werd gehouden op zaterdag 11 mei, om negen uur ’s-ochtends, in de theologische faculteitskamer te Utrecht. Van de kant van het NTT waren W.F. Dankbaar (voorzitter), E. Jansen Schoonhoven, A.H. Edelkoort, J.A. Ooster- baan, P.A.H. de Boer en C.J. Bleeker aanwezig (Miskotte had zich afgemeld) en van de kant van VT G.W. de Jong, A.J. Nijk, J. Smit Sibinga en J. Spema Weiland. Op verzoek van de voorzitter zette Nijk nog eens het standpunt van VT uiteen en beklemtoonde dat het dikwijls moeilijk was voor de brede, oriënterende artikelen competente auteurs te vinden. Op vragen van de NTT- redactie deelde de VT-redactie mede dat tot dan toe geen besprekingen met het Gereformeerd Theologisch Tijdschrift en ook niet met de Studia Catholica gevoerd waren. In de volgende brede discussie kwamen aldus de notulist van het NTT (not. 64) de volgende punten naar voren. Zoals te verwachten, zette de NTT-redactie eerst haar standpunt uiteen dat VT een studentenblad was, waarop geantwoord werd dat VT altijd al meer dan een studentenblad wilde zijn en ook moest zijn om te overleven. Meer dan de helft van de ongeveer 1000 abonnees was predikant. Verder betwijfelde de NTT-redactie de wenselijkheid en mogelijkheid van een oriënterend theologisch tijdschrift. Men wilde oriënterende artikelen niet uitsluiten, maar was toch enigszins skeptisch over de wetenschappelijke waarde ervan. Het hoofddoel van hetNTT was de publicatie van ‘vruchten van wetenschappelijk studie’. Themanummers hebben wetenschappelijke waarde, maar deze – zo klonk het enigszins geforceerd – konden toch gemakkelijker door VT gegeven worden, gezien ‘haar bredere achtergrond, die ook de V.U., Kampen en omvat’. Tot slot verzocht Dankbaar de leden van de redactieleden van VT ‘de gemaakte opmerkingen over het karakter van de Vox Theo logica’ in eigen kring en met het bestuur van de Vereeniging van Studenten in Theologische Faculteiten in Nederland te bespreken. Daarmee konden de ‘studenten’ het doen.
In de zeventiger jaren lag de situatie anders en zocht het NTT naar uitwegen. Zo vond op 17 januari 1973 overleg met de redactie van Kerk en Theologie plaats (not. 129). Dit leverde niets anders op dan dat men opnieuw in de overtuiging bevestigd werd dat het NTT zelfstandig moest blijven. De publiciteit moest beter, het fonds ‘Ad Pias Causas’ werd benaderd en de 140 ringen van de Nederlandse Hervormde Kerk werden opgewekt het NTT voor de leesportefeuille aan te schaffen (not. 129). Steeds was VT in beeld en op donderdag 29 november 1973 werd er in Zwolle overlegd tussen beide redacties
[24]
, waarbij – afgaande op de notulen van de 131ste redactievergadering die uitsluitend gewijd zijn aan de eventuele fusie – met name de samenstelling van de nieuw te vormen redactieraad een punt van discussie was. Konden daar bijvoorbeeld ook niet-gepromoveerden deel vanuit maken?
Het volgende overleg hierover vond op 17 januari 1974 te plaats. Over deze bijeenkomst was men niet onverdeeld gelukkig. In de redactievergadering van 16 februari 1974 drong B. Hartmann erop aan dat de NTT-afgevaardigden in het vervolg ‘na voorafgaand beraad’ een zelfde standpunt zouden innemen en zich niet kritisch uit zouden laten over het wetenschappelijk niveau van VT. Ook tijdens de redactievergadering bestond er onenigheid. Het Amsterdamse redactielid K. Strijd meende dat het NTT een ‘gedeformeerd wetenschapsbegrip’ had, ‘aangezien de relatie tot de maat- schappijproblemen van vandaag ontbreekt’ (not. 132). Bredere geledingen, waaronder bijvoorbeeld ook begaafde studenten, moesten betrokken worden bij het tijdschrift. O.J. de Jong bracht daar tegenin dat de redactieleden eerst zelf iets gepresteerd dienden te hebben. Er dreigde een impasse te ontstaan en men besloot uiteindelijk een korte nota op te stellen. Deze ‘Nota over een eventuele fusie van NTT en Vox Theologica’ (23 februari 1974) werd verspreid onder de verschillende docentengeledingen.
In de 13 3ste redactievergadering van zaterdag 23 maart het Utrechtse academiegebouw werd verslag uitgebracht van de besprekingen aan de betrokken faculteiten en gepoogd tot een gezamenlijk standpunt te komen.
De notulen vermelden dat en zich niet onwelwillend toonden, zich positief over het samengaan van beide tijdschriften uitte en negatief adviseerde. Uit de schriftelijke reactie vanuit bleek echter ook dat men zich zorgen maakte over het peil van VT, dat ‘bedenkelijk’ gezakt zou zijn door ‘populaire kletsverhalen over gemeente- enquêtes of kerkelijke verhalen met een wetenschappelijk sausje’ (in de woorden van een van de faculteitsleden). Bij de beslissende vergadering waren niet alleen alle redactieleden (Bronkhorst, Enklaar, Hartmann, Hoenderdaal, Van der Woude, De Jong, Klijn en Strijd) aanwezig, maar ook de directeur van Boekencentrum, de heer J. Komen.
Na ampele bespreking stelde de redactie een aantal voorwaarden, waarvan de belangrijkste waren: (1) Alle elf theologische faculteiten en hogescholen in het Nederlandse taalgebied van Nederland en België participeren in het tijdschrift; waarbij gestipuleerd werd dat de vier openbare faculteiten de overhand hebben. ‘Gedacht wordt aan het volgende schema: a) een brede redactie, met 2 vertegenwoordigers der zojuist genoemde faculteiten [Leiden, Groningen, Utrecht en Amsterdam], en 1 van elk der andere deelnemers; b) een kernredactie met 60% der leden van genoemde universiteiten en 40% van de andere participanten tezamen.’ (2) Als regel zullen de redactieleden gepromoveerd moeten zijn (uitzonderingen zullen mogelijk zijn). (3) De naam van het tijdschrift moet NTT blijven, waarbij dan vermeld worden dat VT is opgenomen (dit in verband met het behoud van de subsidie van Z.W.O.). Deze voorwaarden bleken – zoals te verwachten – niet acceptabel voor de redactie vanVT (not. 134).
[25]
De onderhandelingen over de fusie leidden wel tot het besluit dat in de toekomst naast hoogleraren ook gepromoveerde docenten lid konden worden van de redactie en dat op de omslag aangegeven werd ‘uitgegeven door de docenten van de theologische faculteiten, etc.’. Verder zouden met het oog op mogelijke bijdragen ‘informele relaties’ met theologen van de VU en Kampen worden aangeknoopt (not. 134). Het taakgebied van Strijd werd nu omschreven als ‘Praktische theologie en maatschappelijke vakken’. Behoudens enige kleinere concessies hield het NTT vast aan de oude koers. De laatste vermelding van VT betrof de ontvangst van de brief met de mededeling dat VT is opgeheven. Tijdens de redactievergadering van 11 februari 1977 werd deze brief voor kennisgeving aangenomen – met de volgende toevoeging: ‘De redactie is niet ongenegen om plaatsing van stukken die vroeger aan de Vox zouden zijn aangeboden – doctoraalscripties b.v. – onder bepaalde voorwaarden serieus te overwegen.’ (not. 140)
Drie recensies
Over het algemeen beslaan recensies in het NTT niet veel meer dan twee pagina’s. Een enkele keer heeft een recensent meer ruimte nodig en dan is er meestal iets aan de hand. De drie gevallen die ik hier bespreek betreffen dissertaties. M. Bamard begon zijn zeer behoedzame bespreking van het proefschrift van D. van Arkel over de ontwikkelingen in de doopliturgie aan de hand van het zondvloedgebed met de opmerking dat de auteur op grond van dit boek de doctorstitel aan de VU verkregen heeft
[26]
. Na een aanloop van twee dichtbedrukte pagina’s, waarin de recensent bekende dat het moeite kostte de lijn van het betoog te reconstrueren, kwam hij te spreken over het feit dat Van Arkel delen van artikelen van anderen letterlijk of bijna letterlijk had overgeschreven zonder dit aan te geven of zelfs maar te verwijzen naar de betreffende stukken. Later was weliswaar een erratum toegevoegd, maar ook dat liet nog een aantal vragen onbeantwoord. De term plagiaat viel niet. Bamard liet het aan de lezer over om deze werkwijze te benoemen en te beoordelen.
[27]
Niet alle recensenten waren zo terughoudend in hun oordeel. In 1951 had W.C. van Unnik 27 pagina’s nodig voor zijn bespreking van E. van der Schoots dissertatie over de Hervormde Eredienst en kwam uiteindelijk tot de conclusie dat ‘dit proefschrift als wetenschappelijk werk en als bijdrage tot het liturgisch gesprek een mislukking is en dat zijn verschijning betreurd moet worden’.
[28]
En dan moet men zich realiseren dat de hooggeleerde recensent zijn bespreking op verzoek van de redactie ‘sterk beknot’ had (zoals hij in een voetnoot meedeelde). Evenals Bamard maakte Van Unnik de lezer erop attent dat de auteur op grond van dit werk de doctorstitel had verkregen en zette nog eens uiteen aan welke eisen een proefschrift dient te voldoen, waarbij beklemtoond werd dat er een onderscheid bestaat tussen wetenschappelijk en populariserend werk. Volgens Van Unnik had Van der Schoot zich een ontzaglijke, om niet te zeggen onmogelijke taak gesteld. Dat had ertoe geleid dat niets grondig behandeld was en begrippen onnauwkeurig geanalyseerd waren.
Zonder te willen overgaan tot het signaleren van drukfouten en weinigzeggende opmerkingen moest het Van Unnik toch van het hart dat – alle oordelen die waren uitgesproken ten spijt – een duidelijke maatstaf ontbrak en het ‘volslagen willekeurige’ wel heel sterk klemde bij de ‘hooghartige manier’, waarop over de ‘gangbare populaire critiek op de liturgische beweging’ gesproken werd.
[29]
Vervolgens stelde de recensent dat hele stukken niet meer zijn dan ‘weergave, referaat of uittreksel met enige verbindende tekst of losse opmerkingen’.
[30]
Ook werden allerlei omissies en fouten geconstateerd. Nieuwe gedachten bood het boek niet en historisch was het ‘volslagen tweede- of derdehands werk’. ‘[M]en vraagt zich af, waarom deze zaken in zoveel papier verpakt moesten worden’. Kapitale fouten, gebrek aan inzicht, een veel te omvangrijk onderwerp, oppervlakkig, gebrek aan kritische zin en een verkeerde drang naar actualiteit – zo luidde Van Unniks slotoordeel.
Dit artikel was een van de meest vernietigende besprekingen in de geschiedenis van het NTT.i2 Van Unnik had zeker een aantal zwakke punten te pakken, maar hij had – ondanks de gedwongen inkorting – toch wel heel veel uit de kast gehaald. In Kerk en Eredienst (tijdschrift van de Nederlandse Hervormde Kerk voor de studie dér liturgie) reageerden W. Aalders (redacteur) en H. van der Linde (lid van de commissie van redactie) gezamenlijk op het stuk van Van Unnik. Zij merkten op dat dit proefschrift ‘onder de moeilijkste omstandigheden geschreven is (Van der Schoot was ernstig ziek), dat het aanvaard was door de Groningse faculteit, dat het één van de laatste dissertaties uit de kring der leerlingen van Professor Van der Leeuw was en dat het boek zeker niet minder was dan verscheidene andere dissertaties.
[31]
Aalders en Van der Linde konden – zo bekenden ze – de indruk niet van zich af zetten dat in deze recensie ‘een affect afgereageerd is’. Had Van Unnik ook al niet buitenproportioneel gereageerd op een reisverslag van H.J. Deutscher over diens verblijf op Chateau de Bossey?
[32]
In zijn reactie werd een ‘luchtige boutade van een veel reizende predikant (…) met zware wetenschappelijke mokerslagen in gruizels geslagen’. In beide gevallen wilde Van Unnik huns inziens de liturgische beweging treffen. Van der Schoot reageerde veel later in een brief aan Van IJnnik (d.d. 19 mei 1953), die hij ook aan dé redactieleden van het NTT, de Raad voor de Eredienst en de hoogleraren van de theologische faculteiten te Groningen en Utrecht zond, waarin hij zich diep gegriefd toonde door zoals hij het zag – het tekort aan eerbied voor de persoon van een ander en voor wat die ander wil zeggen. Van der Schoot maakte later naam op het gebied van de pastorale psychologie.
Het laatste geval dat ik hier de revue wil laten passeren, leidde er zelfs toe dat het slachtoffer zich in een brief tot alle bij het NTT betrokken faculteiten wendde. Het betreft hier een bespreking die weliswaar wat korter is uitgevallen dan die van Van Unnik, maar toch nog een kleine 20 pagina’s omvatte. In het juni-nummer van 1965 plaatste de Groningse godsdienstwijsgeer H. de Vos enige ‘kritische aantekeningen’ bij de dissertatie van A.Th. van Leeuwen over het christendom in de wereldgeschiedenis.
[33]
Arend van Leeuwen had enige jaren in Indonesië als zendeling gewerkt en een gedwongen verlof gebruikt om dit boek te schrijven, waarop hij aan de Leidse faculteit gepromoveerd was. Zijn promotor Hendrik Kraemer – met wie hij een nauwe band had schreef een voorwoord, waarin hij het boek een ‘event’ noemde. Dat was niets te veel gezegd: het boek riep vele reacties en recensies op en er werd een heel ‘Horst-cahier’ aan gewijd. De betekenis van het boek lag volgens Kraemer niet zozeer ‘in de fascinerende en vaak provocerende manier, waarop het de grondtoon en de geest van alle grote culturen beschrijft tot op onze huidige tijd van revolutionaire confrontatie en onderlinge penetratie, maar in zijn analyse van de westerse beschaving als een uniek verschijnsel, wanneer men haar vergelijkt met de grote ‘ontocratische’ culturen, waartegenover zij zich scherp aftekent – een oorspronkelijkheid, die men slechts kan ophelderen vanuit de bijbels-profetische en de grieks-rationele trekken, welke er in doorwerken’.
[34]
Het is duidelijk dat Van Leeuwen een groots ontwerp had gepresenteerd en De Vos schreef zelfs dat een gedegen recensie al snel zou uitdijen tot een nieuw boek ‘en misschien zelfs wel meer dan een’ (343). Een groot deel van zijn kritiek bestond uit een lange opsomming van onjuistheden, niet- verifieerbare generalisaties en sweeping statements (waarbij de recensent aan de hand van het Prisma-woordenboekje Engels-Nederlands uitlegde dat ‘sweeping’ zoveel als ‘overweldigend, radicaal, (te) veelomvattend, (te) algemeen, kolossaal’ betekent). Daarbij werd de feitelijke geschiedenis volgens De Vos op een Procrustesbed gelegd: Van Leeuwen was niet in de geschiedenis van Israël geïnteresseerd, maar in de theologie van het Oude Testament.
Ook de stelling dat ‘in het communisme de geest van Israël een tweede oogst heeft binnengehaald’ achtte de recensent ‘zonder behoorlijke adstructie een slag in de lucht’ (354). Zowel qua wetenschappelijke methodiek als ook in politiek en religieus opzicht kon deze dissertatie De Vos duidelijk niet echt bekoren. Al was deze bespreking minder vernietigend dan die van Van Unnik, toch was zij uiterst kritisch: ‘Misschien een zendeling hiermee werken, ik dat als theoloog en Christen niet.’ (359)
In dit kader gaat het mij niet zozeer om een weging van deze bespreking, maar om het conflict dat ontstond en hoe de redactie een uitweg zocht. Hoe ontwikkelde zich deze affaire? Naar eigen zeggen had Van Leeuwen deze bespreking eerst ter zijde gelegd. Hij had gedacht op de kritiek van De Vos in een samenvattende discussie met recensenten en critici in te gaan, maar dat bleek uiteindelijk niet goed mogelijk en in de zomer van 1967 stuurde hij een repliek naar NTT. In de vergadering van 16 september besloot men dat Hoens in een gesprek met de auteur het standpunt van de redactie zou toelichten. Men stelde het volgende vast: 1) de auteur heeft recht op responsie, 2) de redactie meent in haar beleid niet te hebben gefaald, 3) het artikel zal erop winnen, indien de uitweiding tegen de redactie, de persoonlijke apologie ten aanzien van de eigen wetenschappelijke carrière en verschillende te scherp gestelde aanvallen op de persoon van de heer De Vos worden gemitigeerd of geschrapt (not.109). Na het gesprek met Hoens zond Van Leeuwen de redactie een omgewerkte en bekorte repliek. In zijn begeleidende brief (d.d. 5 oktober 1967) merkte Van Leeuwen nog op dat het gesprek met Hoens, waarin deze uitgelegd had dat het gewraakte artikel van De Vos de redactie niet voor publicatie gepasseerd was, voor hem veel verhelderd had. Hij toonde zich ook verheugd over Hoens toezegging zich in te inzetten voor de plaatsing van een inleidende verklaring, waarin de redactie zou meedelen in deze gang van zaken aanleiding te hebben gevonden haar beleid nader te bezien.
Maar toch bleken zo de bezwaren niet weggenomen te zijn. De repliek zou te zeer op de persoon en niet op de zakelijke kritiek van De Vos ingaan, en daarmee niet het vereiste niveau hebben. In de vergadering van 2 december rees het plan de repliek in ieder geval in deze vorm niet te plaatsen, maar E. Jansen Schoonhoven te vragen een stuk te schrijven naar aanleiding van de Nederlandse uitgave van het boek. Dit werd de auteur op17 januari 1968 medegedeeld,
[35]
waarop hij in een schrijven van 26 januari uiteenzette, waarom dit voorstel voor hem onacceptabel was. Deze brief ging naar alle betrokken faculteiten. Van Leeuwen stelde dat de bespreking een aaneenrijging van onjuistheden en wanbegrip is, terwijl geen inzicht geboden werd in de opzet, grote lijn en inhoud van het besproken werk. Dat laatste is – zeker vergeleken met bijvoorbeeld de bespreking in het Gereformeerd Theologisch Tijdschrift – het geval.
[36]
Vervolgens uitte de auteur nogmaals zijn verbazing over het feit dat artikelen ingezonden door hoogleraren van de faculteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitgave van het NTT ongezien werden opgenomen, terwijl hemzelf het recht op weerwoord onthouden werd. Was hij zelf lid van een van de faculteiten geweest, dan zou volgens dezelfde procedure de repliek eventueel zelfs ongezien gepubliceerd dienen te worden.
Daarop ging het overleg verder. De voorzitter, P.A.H. de Boer, beriep zich op het feit dat de zinsnede uit de notulen van 16 september 1967 waarin de plaatsing zou zijn toegezegd geschrapt was.
[37]
(Er is inderdaad een zin onleesbaar gemaakt.) In de vergadering van 17 februari 1968 was men het er over eens dat dit artikel het tijdschrift zal ontsieren, maar waren de meningen over plaatsing verdeeld. Een aantal redactieleden vond dat men nu niet meer terug kon en Hoens (die niet aanwezig was en de vergadering vergeten zou zijn)
[38]
anders in een heel lastige positie gebracht zou worden, maar de meerderheid meende dat de redactie het recht heeft ‘ethische maatstaven’ aan te leggen en het stuk te weigeren. Vervolgens heeft de voorzitter meerdere malen gepoogd een gesprek met de auteur te arrangeren, maar Van Leeuwen liet zich niet vermurwen en hield vast aan zijn droit de réponse. De faculteiten reageerden verschillend: stelde zich achter Van Leeuwen, stelde een commissie van goede diensten voor, sprak zich niet uit en liet niets van zich horen (not. 112). Daarmee werd de zaak Van Leeuwen ad acta gelegd en nog in hetzelfde jaar verscheen het stuk van de hand van Jansen Schoonhoven, waarin met geen woord afstand werd genomen van H. de Vos’ bespreking.
[39]
Hoens dreigde met aftreden, maar vond het bij nader inzien misschien niet nodig dit formeel door te zetten, aangezien zijn termijn in de zomer van 1968 afliep. Met een telegram, waarin hij wees op het feit dat de voorzitter hem gepasseerd had, meldde hij zich af voor de vergadering van 15 juni 1968 (not. 112). In de geest van NTT laat ik het oordeel over een en ander graag aan de lezer over.
Inhoud
Het grote gevaar van een bespreking van het NTT in relatie tot de maatschappelijke, religieuze en theologische ontwikkelingen is dat men deze laatste projecteert in de geschiedenis van het tijdschrift. Ik zal daar niet – geheel en al – aan kunnen ontkomen. Dit onderdeel van mijn bijdrage zal een exploratief- om niet te zeggen tentatief – karakter hebben. Een vruchtbare aanpak zou moeten beginnen bij min of meer vaste parameters in het NTT zelf. Daarvan zijn er weinig tot geen. Redactionele opmerkingen of commentaren zijn schaars, een systematisch gevoerde kroniek is er niet, het beleid wordt voor een niet onbelangrijk deel bepaald door de individuele voorkeuren en contacten van de steeds wisselende redactieleden en het is ook niet zo dat de redactiesecretaris een bepalende stem heeft.
Het enige inhoudelijk relevante redactionele commentaar dat ik gevonden heb, is een bericht ter gelegenheid van de 70e verjaardag van Karl Barth op 10 mei 1956. De auteur (waarschijnlijk K.H. Miskotte – not. 58) achtte het onmiskenbaar dat Barth de theologie van de laatste decennia beheerst en haar een nieuwe wending gegeven heeft. Opvallend is dan wel, zo werd hier verder opgemerkt, dat dit ‘voordurend bezig zijn met Barth’ niet terug te vinden is in het NTT. ‘Wij onthouden ons hier van een poging dit te verklaren.’ Wel ligt het in de bedoeling in een volgend nummer op de betekenis van deze ‘grote, oecumenische figuur’ terug te komen (10 [1956-57], 365-366). Het volgende nummer zou inderdaad openen met een ‘Barth-mozaïek’ van de hand van A.J. Bronkhorst (10 [1956-57], 369-395). Maar erg enthousiast klonk het redactionele commentaar niet. Toch waren in de eerste tien jaargangen van het NTT maar liefst vijf bijdragen expliciet aan Barth gewijd (tegen de volgende 40 jaargangen). Er was dus meer aandacht voor de Zwitserse theoloog dan hier werd suggereerd. Maar misschien voldeden deze bijdragen niet aan Miskotte’s verwachtingen. Vergeleken met Barth was er aanzienlijk minder aandacht voor het werk van Friedrich Schleiermacher, al is er in 1969 een aflevering aan hem gewijd en wordt de kritische uitgave van zijn werk door H.J. Adriaanse besproken
[40]
.
Het is buitengemeen lastig zwaartepunten in de geschiedenis van het tijdschrift vast te stellen. Toeval lijkt vaak een belangrijke rol te spelen. In de eerste 50 jaargangen telde ik negen bijdragen gewijd aan de joodse (gods- dienst)wijsgeer Emanuel Levinas, maar dat aantal is grotendeels terug te voeren op een themanummer (29 [1975], 201-297, met zeven stukken) ter gelegenheid van het feit dat de Leidse universiteit hem in 1975 een eredoctoraat verleende. Heidegger is met vier stukken in de eerste vijftig jaar ook relatief goed vertegenwoordigd, terwijl aan Wolfhart Pannenberg drie stukken gewijd zijn. Dit zijn indicaties, maar ook niet meer dan dat.
Binnen de systematische theologie zien we langzaam maar zeker de Angelsaksisch georiënteerde, analytische aanpak oprukken. Zo wijdde H.G. Hubbeling in het midden van de zestiger jaren een beschouwing aan het werk van W.F. Zuurdeeg, die zelf tien jaar daarvoor al de vraag ‘Wat kan de analytische philosophie voor de godsdienstphilosophie betekenen?’ in het NTT aan de orde had gesteld.
[41]
Op verzoek van Zuurdeeg werd er door de redactie aan zijn artikel een noot toegevoegd waarin een wetenschappelijke discussie over de analytische filosofie werd aangemoedigd. In de zeventiger jaren was er aandacht voor het kritisch rationalisme van Hans Albert
[42]
en een aantal jaren later verschenen er ook bijdragen over de wetenschappelijkheid van de theologie (in het bijzonder van de dogmatiek).
[43]
Het probleem van de duplex ordo en de relatie tussen theologie en godsdienstwetenschap was al eerder aanleiding tot een wat lastig twistgesprek tussen Th.P. van Baaren en H. Kraemer.
[44]
De wijsgerige en theologische actualiteit is in de vijftiger jaren duidelijk zichtbaar in bijdragen over Jean-PaulSartre en het existentialisme.
[45]
A. Szekeres wijdde maar liefst drie bijdragen aan Teilhard de Chardin, besprak de betekenis van Calvijn voor onze wereld ‘tussen materialisme en existentialisme’ en ging ook in op bisschop Robinsons Honest to God (1963).
[46]
J.M. Hasselaar besprak uitgebreid H. Berkhofs Christelijk Geloof (1973)
[47]
en Berkhof zelf ging in discussie met E. Schillebeeckx over diens Jezusboek.
[48]
Meer recent wordt er gediscussieerd over religieuze ervaring en geloofsver- antwoording (56 [2002], 199-215), religieuze kennistheorie en hersenactiviteit (56 [2002], 313-328) en ‘Synchronie Contingency in Reformed Scholasticism’ (57 [2003], 207-238). Voorzover ik het overzie, betreffen deze discussies vooral onderwerpen uit de systematische theologie en in veel mindere mate exegetische of historische thema’s. Er is sprake van discussie, van woord en weerwoord, maar zulke gedachtenwisselingen zijn toch uiteindelijk niet zeer talrijk. Het NTT is ook zeker niet modieus te noemen. Zo is het postmodernisme – of wat daarvoor doorgaat – maar spaarzaam vertegenwoordigd.
[49]
Dat betekent niet dat er geen algemene tendensen te constateren zijn. Direct na de oorlog is het evident dat zending en oecumene een belangrijke rol in het NTT spelen. Het is ook opvallend hoeveel bijdragen expliciet over de godsdienstfenomenologie handelen, totdat in 1976 een bericht over de bestrijding ervan verscheen (30 [1976], 177-181). Bijdragen over psychotherapie, zielzorg en pastorale psychologie – voornamelijk van de hand van H. Faber – zijn al vanaf het begin relatief sterk vertegenwoordigd. De (godsdienst) pedagogiek
[50]
en (godsdienst)sociologie hebben een minder duidelijke plaats. Na de bijdrage van J.P. Kruijt over ‘reliografie’ in de eerste jaargang (1 [1946/47], 164-183) duurde het tot 1968 tot de volgende godsdienstsocio- logische bijdrage zou verschijnen. Dit betrof een notitie van R.G. Scholten over buitenkerkelijkheid en onkerksheid in (23 [1968-69], 37-45; cf. 27 [1973], 71-77). De term secularisatie duikt voor het eerst op aan het einde van de tachtiger jaren in bijdragen van M.B. ter Borg.
[51]
[52]
Men niet zeggen dat er in het NTT veel aandacht is geschonken aan de belangrijkste recente ontwikkelingen in de geschiedenis van het Nederlandse christendom. Dat geldt ook voor de opkomst van de moslim-gemeenschappen in . Het ontbreekt niet aan historische beschouwingen over de Islam, maar bijdragen over actuele vraagstukken zijn schaars.
[53]
Epiloog
‘Het NTT behoort in de studiekamer van iedere theoloog’. Dat was de slogan van de in 1948 uitgegeven prospectus. Het tijdschrift was – zo werd verder gezegd – een onontbeerlijk hulpmiddel voor elke theoloog ‘die op de hoogte wil blijven van de tegenwoordige stand van zijn wetenschap’. Voor de nieuwe jaargang kondigde men onder meer artikelen aan over Psalm 8:2-3, het Romeins staatsburgerschap van Paulus en de kerkrechterlijke positie van de zendeling in een presbyteriale kerkorde. Het NTT werd opgericht vanuit de overtuiging dat er leiding gegeven diende te worden op (protestants) theologisch gebied en dit diende te geschieden vanuit de openbare instellingen voor theologisch onderwijs. Besprekingen en wetenschappelijke artikelen werden daartoe de geëigende middelen geacht. Regelmatig kwamen er brieven binnen bij de redactie, waarin men aandrong op meer relevante stukken. Op zich stond de redactie daar niet onwelwillend tegenover, maar dit mocht nooit en te nimmer ten koste gaan van de wetenschappelijke kwaliteit.
In de onderhandelingen met Vox Theologica over een mogelijke fusie werd nogmaals duidelijk dat men niets zag in oriënterende – laat staan populariserende – artikelen. Zeker in de begintijd diende het blad ook vooral als pu- blicatiemiddel voor de leden van de vier uitgevende faculteiten. Als er dan – na veel gedoe – een kroniek uitgebracht werd, dan ging deze uiteraard over de ontwikkelingen aan deze faculteiten en niet over kerkelijke en maatschappelijke zaken. Zeker in vergelijking met Kerk en Theologie is NTT altijd een zeer academisch tijdschrift gebleven. Bijdragen werden nooit geweigerd met het argument dat ze niet goed geschreven waren of niet geschikt voor een breder publiek. Wetenschappelijke kwaliteit, daar ging het om.
De academische standaards werden allereerst bewaakt door de redactie en in tweede instantie door de hoogleraren van de vier openbare faculteiten. Het NTT was naar hun mening het Nederlandse theologische wetenschappelijke tijdschrift bij uitstek, waaraan de andere Nederlandse periodieken toch nauwelijks konden tippen. Dit verklaart de scherpe toon waarop proefschriften soms werden aangepakt. ‘Bij een promotie is het toch niet de vraag, of men behoorlijk excerperen , doch of men zelfstandig wetenschappelijk werken!’ (W.C. van Unnik). Hoogleraren achtten zich in de positie kritiek op wetenschappelijk werk dat huns inziens onder de maat was scherp te formuleren. Dat leidde soms tot hevige conflicten, waarbij bijna altijd – alle wetenschappelijkheid ten spijt – ook ideologische verschillen een rol speelden. De oude hiërarchische verhoudingen raakten in de loop van de tijd wel geërodeerd en er verschenen ook steeds meer bijdragen van niet-gepromoveerden in het NTT. Na de opheffing van Fox Theologica in 1976 stelde de redactie uitdrukkelijk dat ook bewerkte doctoraalscripties serieus overwogen kunnen worden. En recentelijk werd een stuk van de hand van drie Groningse promovendi opgenomen, die concluderen dat de Groningse hoogleraar G.D.J. Dingemans in zijn enthousiasme te weinig afstand heeft genomen van zijn eigen positie, ‘zodat een kritische reflectie hiervan ontbreekt’.
[54]
The times they are changing.
In het moderne systeem van kwaliteitszorg en -bewaking spelen ‘peer- reviewed’ tijdschriften een belangrijke rol en het is evident dat het NTT een vooraanstaand theologisch wetenschappelijk tijdschrift wil zijn. Dat is de kracht, maar tevens ook de zwakte van het blad. Het is altijd een wat ‘academisch’ tijdschrift geweest en heeft afstand gehouden tot de ‘waan van de dag’, maar daarmee zijn ook essentiële ontwikkelingen (zoals de ontkerkelijking) niet of nauwelijks aan bod gekomen. Dat ligt vanzelfsprekend niet alleen aan het NTT, maar ook aan de samenstelling van de theologische faculteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitgave ervan. Daarover zou nog meer te zeggen zijn. Hier laat ik het bij de opmerking dat NTT nu al 60 jaar een belangrijk platvorm is voor de Nederlandse theologiebeoefening in haar volle disciplinaire breedte. De waarde van het tijdschrift ligt in mijn ogen niet alleen in de wetenschappelijke artikelen, maar vooral in de kritische bespreking van theologische literatuur. Daarbij is een enkele keer de grens van het betamelijke overschreden, maar dat onderbouwde kritiek een essentieel element in het Nederlands Theologisch Tijdschrift is, zal geen lezer willen ontkennen.