‘Wanneer Christus, uw leven, verschijnt…’
Bij Kolossenzen 2,20-3,4
Wat in deze hele brief opvalt is de concentratie op Christus, de christo-centrische gerichtheid. Er is geen ontkomen aan. De hele schepping is ermee gemoeid. In alles is Christus de eerste (1,18). Ook de eerstgeborene van de doden.
Vandaar dat vanouds de epistellezing in de Paasnacht uit deze brief genomen was, en wel onze verzen (3,1-4). Sinds de vernieuwing van het Lectionarium (Tweede Vaticaans Concilie) is deze lectio verhuisd naar de Paasmorgen, elk jaar opnieuw. Wij horen nu dit gedeelte in de Epifanietijd. Ook een tijd van (Paas)verschijningen, verhelderingen, openbaringen van het geheim rond Christus Jezus, beter: het geheimenis dat Christus is.
Een paar regels maar, een korte lezing uit deze brief. Regels vol stralend en helder vuurwerk. Onbekommerd, klip en klaar legt de auteur zijn visie op tafel, in een strakke logica waar geen speld tussen te krijgen is. De redenering die al in het gedeelte van vorige week (2,6-19) is ingezet, wordt doorgezet, met nieuwe voorbeelden. Thema: ‘Je bent toch gestorven met Christus, dood voor de machten en de bedenksels van deze wereld? Laat je dan niet opnieuw een juk opleggen.’
Kernzaak
Alhoewel deze brief van een andere auteur blijkt te zijn, is de paulinische gedachtegang, die we ook tegenkomen in de Galatenbrief (5,1) en de Romeinenbrief (6), niet ver: ‘Christus heeft ons bevrijd, opdat wij in vrijheid zouden leven; (…) laat u dus niet opnieuw een slavenjuk opleggen.’ ‘Weet u dan niet dat u in Christus’ dood gedoopt bent (…) en dat we niet langer slaven van de zonde zijn?’ Deze kerngedachten van Paulus deden in de eerste christelijke gemeenschappen blijkbaar al de ronde. De gemeente van Kolosse, waar Paulus overigens nooit geweest is, was dan ook gesticht door een medegedetineerde van Paulus, Epafras (Kol. 1,7; 4,12-13). Ze zullen elkaar in de gevangenis ongetwijfeld bemoedigd hebben in Christus, waardoor hun verwoordingen van hun geloof zomaar overeenkomsten konden vertonen. Al heeft ook Epafras deze brief – afkomstig uit ‘de school van Paulus’ – waarschijnlijk niet geschreven.
De Happinez voorbij
De ‘vermaningen’ in deze brief, gericht aan mensen die een nieuwe levensoriëntatie gevonden hebben in Christus, zijn van alle tijden en plaatsen. Misschien oneerbiedig verwoord met het gezegde ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’. Ze zijn een nuchter hulpmiddel om je niet in te laten met allerlei ‘wind van leer’. Of mee te gaan in het gangbare discours, zoals dat tegenwoordig zo postmodern of up-to-date in het wetenschappelijk jargon heet, het filosofisch sociaal-mediaal na-praterige hype-wereldje van de spraakmakende gemeente, van voedselgoeroes tot mindfulness-gelovigen. De krant van 28 april 2014 – deze exegese moest rond die tijd ingeleverd worden – bericht over Friese heksen en andere gevoelige mensen… en over het toenemend geloof onder orthodox kerkelijke jongeren in hel en duivel. Was Karl Barth nog maar onder ons. Dat soort religie, dwaalleer zegt Paulus, of een schoolgenoot. Houd het toch bij Christus, de mens Jezus, in wie heel de godheid leeft. En jij met Hem. Wees bevrijd van de machten van de kosmos. En gedraag je dan ook als zodanig. Doe niet mee met die ratio, die overheersende mening die nu opgeld doet maar morgen wordt afgelegd. Dat wat ‘voor wijsheid moet doorgaan’ (2,23). Al die zelfbedachte en zelfgemaakte religieuze en spirituele smaakmakers. Ze zijn sleets (2,22), hun houdbaarheidsdatum is allang verstreken. Wanneer je met Christus bent opgewekt (en dat ben je toch! Daar ligt je vrijheid), dan is de new age (bestaat die beweging nog?) allang verschenen.
Is boven niet beneden?
‘Zoek dan wat boven is, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God’ (3,1). Is dit dan niet toch een aansporing tot wereldverzaking? Een uitspelen van de hemel tegen de aarde? Zoals altijd: het zijn geen lokaliteiten, geen plaatsaanduidingen, geografische of kosmologische termen. Het in, met en door Christus leven overstijgt al dit soort door ons menselijk denken aangebrachte compartimenten. Het slaat ons alles uit handen en geeft ons alles terug. De epifanie van Christus is onze epifanie. Zijn verschijnen is ons verschijnen (3,4). Hij is immers ons leven. Boven en beneden zijn niet tegen elkaar uit te spelen.
Luther zegt het in zijn ‘encycliek’ over de vrijheid van een christen als volgt: Een christen is in vrijheid heer van alle dingen en niemands onderdaan. Een christen is in dienstbaarheid knecht van alle dingen en ieders onderdaan. Om deze twee elkaar tegensprekende uitspraken te begrijpen, zegt Luther, moeten we bedenken dat elke christen een uiterlijke en een innerlijke mens heeft, een oude en een nieuwe mens, een geestelijke en lichamelijke mens. Maar die tegenstellingen zijn opgeheven door het evangelie, door Christus te vertrouwen (in geloof aan te nemen). Het evangelie is de enige ruimte waarin de ziel kan ademen en leven. Dat is een constant proces, in gang gezet door de ‘vrolijke ruil’ tussen Christus en de hele mens. Die juist vanuit hun grote eenheid en samenhang ons ‘binnen en buiten-denken’, ons ‘innerlijk en uiterlijk-denken’, ons ‘geestelijk en lichamelijk-denken’ overstijgt. Dat is nog eens een verschijning, een openbaring!
Doelgericht
Het lijkt me goed om in heel deze brief het doel van de auteur voor ogen te houden, zoals te lezen staat in 2,2-3: ‘Ik wil hen bemoedigen en hen in liefde bijeenhouden, opdat ze tot de volle rijkdom van allesomvattend inzicht komen, tot de kennis van Gods mysterie: Christus, in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen liggen.’ Zoals gezegd, het is eenvoudig vuurwerk. Stralend en helder. En aan heel de brief ligt de hymne uit hoofdstuk 1 ten grondslag, die in deze weken met lied 161 uit het Liedboek telkens gezongen kan worden: ‘Christus gaat voor alles uit en alles rust in Hem, Hij ons hoofd, en wij zijn lichaam.’