Wat de kinderen zagen
Bij Marcus 16,14-20
Een paar kinderen hoorden een groep mannen die druk aan het praten waren. Ze waren ook aan het eten. De kinderen dachten: Misschien krijgen wij ook wel wat, een stukje brood met saus. Een dadel of een vijg. Toen zei een van de mannen dat ze weg moesten gaan, omdat ze een ernstig gesprek hadden. Maar die kinderen bleven in een hoekje staan luisteren. De mannen hadden ruzie. Nee, geen ruzie, ze waren het niet met elkaar eens. Sommigen riepen dat ze zulke dingen niet konden geloven. Iemand die dood is, kan niet weer levend worden. Eén man bleef rustig en zei: ‘Hoe kun je dat nou niet geloven, Ik ben er toch! Vertel dat de mensen maar, overal.’
Kleine Marco zei: ‘Ik weet wel wie dat is. Dat is Jezus, de rabbi. Hij kan wonderen doen en Hij zegt dat je nergens bang voor hoeft te zijn.’ Toen begonnen een paar van de kinderen ook te protesteren dat ze dat niet geloofden. ‘Dat zeggen de mensen maar.’ ‘Ik ben bang voor spoken,’ zei de een. ‘Ik was erg ziek,’ zei een ander, ‘ik dacht dat ik doodging.’ De man die Jezus heette hoorde wat ze zeiden en Hij vertelde hun wat Hij had meegemaakt en wat Hij zelf had gedaan. ‘Ik heb mensen die ziek waren de handen opgelegd en ze zijn beter geworden. Jullie moeten vertrouwen hebben. Je moet het geloven.’
De kinderen kwamen naar voren en stonden in het midden. Ze wilden nog weleens precies weten hoe dat kon. ‘Hoe doet U dat?’ vroegen ze. De man die Jezus heette was er opeens niet meer. ‘Waar is Hij?’ vroegen ze. ‘Hij is een man van God,’ zei iemand, ‘Je weet het nooit met Hem.’ ‘Ik geloof Hem wel,’ zei kleine Marco. ‘Ik weet het nog niet,’ zei Tommie, ‘ik moet het eerst nog zien.’ ‘Ik ben niet bang,’ bibberde Andrea met een klein stemmetje. ‘Hij zal wel voor ons zorgen. Hij houdt van kinderen.’
De kinderen kregen nog wat lekkers te eten. Toen moesten ze weer naar huis. Wat zouden ze thuis gaan vertellen? Ze vertelden wat ze gehoord hadden. Maar ze hadden niet veel gezien. Behalve die grote mannen die zo druk aan het praten waren.