Θυγάτηρ en de Nuloptie in de NBV: Naar aanleiding van Markus 5:34 parr.
De aanleiding
In het verhaal over de opwekking van het dochtertje van Jaïrus1 wordt ook verslag gedaan van de genezing van een ‘vrouw’. Deze vrouw wordt – zo vertellen ons de evangelieschrijvers – aangesproken als θυγάτηρ, ‘dochter’. In de fraaie ‘Nieuwe Vertaling’ wordt het Griekse woord echter niet vertaald. Dat verraste mij enigszins, en van mijn verwondering heb ik in ons kerkblad Present melding gemaakt.2 Mijn suggestie was om het Griekse woord hier met ‘meisje’ te vertalen. De NBV is, zo bleek mij, bij het vertalen van wat men ‘aanspreektermen’ noemt nogal karig. Men redeneert dat het in veel gevallen beter is om ze onvertaald te laten. Men wil wel trouw blijven aan de brontaal, maar tegelijk ook rekening houden met de doeltaal: ‘De Bijbel bestaat uit teksten uit een andere tijd, landstreek en cultuur en in een andere taal. Er moet veel overbrugd worden om een Griekse of Hebreeuwse tekst te vertalen in natuurlijk Nederlands’.3 Deze benadering is op zich zeker begrijpelijk, maar mijn vraag is of dat ook inhoudt dat bij dergelijke aanspreektermen de nuloptie altijd de beste oplossing is. Daarom wil ik in deze korte notitie opnieuw aandacht vragen voor mijn idee, dat men toch zou kunnen proberen naar een passend equivalent te zoeken.
Boaz en Ruth
In het mooie verhaal uit het boek ‘Ruth’, waarin Boaz voor het eerst in con- tact komt met Ruth, vraagt Boaz de voorman van zijn maaiers ’Bij wie hoort die jonge vrouw daar?’ (NBV).