Menu

Premium

2 en 3 Johannes

INLEIDING

Aanhef en slot van deze beide brieven tonen sterke verwantschap met elkaar. Meestal neemt men aan, dat zij ook (bijna) tegelijkertijd geschreven zijn, niet zo lang na 1 Johannes.

Taal en stijl, woordkeus en inhoud laten verwantschap zien met 1 Johannes. De schrijver, die zich zonder meer ‘de oudste’ noemt en als zodanig ook bij de lezers bekend zal zijn geweest, is dezelfde als de schrijver van 1 Johannes en van het vierde evangelie, nl. Johannes, de zoon van Zebedeüs (zie ook de inleiding op 1 Johannes). Ten aanzien van 2 Johannes is veel te zeggen voor de gedachte, dat deze brief bekendheid veronderstelt met de inhoud van 1 Johannes, deze samenvat (vgl. vss 5, 7, 9) en vooral tot doel heeft de lezers in te scherpen hoe te handelen, wanneer de dwaalleraars zouden proberen in de gemeente(n) binnen te komen. 3 Johannes houdt zich bezig met het al dan niet gastvrijheid verlenen aan door ‘de oudste’ op weg gezonden zen-dings-predikers. Gajus wordt geprezen om zijn juiste optreden in deze, Diotrefes echter wenst niemand en niets van de kant van ‘de oudste’ te ontvangen. Als reden daarvoor wordt in de brief slechts aangegeven, dat hij ‘de eerste tracht te zijn’. Enige vorm van dwaalleer is (waarschijnlijk) niet in het geding.

Ook van 2 en 3 Johannes neemt men aan, dat zij geschreven zijn in Klein-Azië tegen het eind van de eerste eeuw (zie inleiding op 1 Johannes).

INHOUD 2 JOHANNES

Beginverzen 1-3

Het oude gebod om elkander lief te hebben 4-6

Blijven bij de leer van Christus 7-11

Slot van de brief 12, 13

VERKLARING

Beginverzen 1-3

Aan het begin van de brief dient de schrijver zich eenvoudigweg aan als ‘de oudste’. Ongetwijfeld kenden de ontvangers hem als zodanig en erkenden zij zijn gezag (vgl. vss 8, lOv). De brief is geschreven aan de ‘uitverkoren vrouwe’. Het meest ligt het voor de hand daarbij niet te denken aan een persoon, maar aan een gemeente (vgl. Ef. 5:23v; Op. 21:9, 22:17). Haar kinderen zijn dan de afzonderlijke leden van de gemeente. Het ‘uitverkoren’ zijn deelt zij met alle christen-gemeenten (vgl. vs 13 en 1 Petr. 1:1, 5:13) en laat zien dat zij haar bestaan dankt aan Gods genadige verkiezing. De schrijver heeft de gemeente in waarheid lief. Op zich kan dat nog betekenen, dat hij haar écht liefheeft. Het vervolg doet echter vermoeden, dat wij het woord ‘waarheid’ (ook hier) in zijn volle diepte moeten nemen. Dan is het nooit los te maken van Jezus Christus (Joh. 14:6) in wie God de ware werkelijkheid van zijn liefde en genade in deze wereld heeft geopenbaard. Allen die – door het geloof in Jezus Christus – deze waarheid hebben leren kennen, leven met elkaar uit die waarheid in de liefde tot elkaar. Vol belofte is de verzekering, dat die waarheid in hen blijft, zelfs tot in eeuwigheid. Opvallend is ook, dat de groet – met ‘genade, barmhartigheid en vrede’ niet zo gebruikelijk, zij het ook niet volstrekt ongebruikelijk, zie 1 en 2 Timoteüs – niet als een wens, maar als een stellige belofte gegeven wordt. Het volle heil wordt erin toegezegd. Gód is er de Gever van, in Jezus Christus. Hij wordt tegenover de dwaalleraars, uitdrukkelijk genoemd de Zoon des Va-deres (vgl. vs 9; 1 Joh. 2:22, 23). In waarheid en liefde werken genade, barmhartigheid en vrede onder en in christenen door. Tevens geeft de schrijver daarmee het thema van de volgende verzen aan.

Het oude gebod om elkander lief te hebben 4-6

Waar Paulus in zijn brieven meestal dank brengt aan God (vgl. Rom. 1:8; 1 Kor. 1:4; Filp. 1:3) betuigt de oudste hier dat hij zeer verblijd is. Reden daarvoor is dat hij – mogelijk tijdens bezoeken aan of van gemeenteleden – heeft ontdekt, dat er onder hen zijn die in de waarheid wandelen. Hun leven wordt bepaald door Gods openbaring in Jezus Christus. Zij leven vanuit de door God (in Christus) ontsloten levensbronnen. Dat houdt mede in: in broederliefde. Helaas geldt dat niet van allen. Vandaar ook het vermaan äan allen om toch vooral elkaar lief te hebben. Tegenover de nieuwlichterij (vgl. vs 9) van de dwaalleraars, die de onderlinge liefde als onbelangrijk verwierpen, grijpt de schrijver terug op het oude gebod, dat zij van den beginne hadden. Deze woorden doen sterk denken aan Joh. 13:14,15:17; 1 Joh. 2:7, 8 en vooral 3:11. Zie voor de verklaring aldaar.

Vs 6 lijkt aan het voorafgaande niets nieuws toe te voegen. De herhaling dient om het accent te versterken. Liefde en gebod(en) bepalen elkaar. Echte liefde richt zich op het doen van Gods concrete geboden. En: In het doen van de geboden gäät het om de liefde tot God en de naaste, Gods wil vanouds. Wellicht heeft het ‘wandelen’ in dit vers extra nadruk: Om het doen van de geboden in de praktijk gaat het.

Blijven bij de leer van Christus 7-11

7- bewoordingen die sterk doen denken aan 1 Joh. 2:22, 23, 4:2, 3 (zie ook de toelichting op die verzen), wordt aangegeven welk gevaar de gemeente bedreigt. In (de) vele(!) rondreizende predikers komt Christus’ grote tegenspeler-van-de-laatste-ure (1 Joh. 2:18) op hen af. Het gaat om dezelfde dwaalleer, die de komst van Jezus Christus in het vlees niet belijdt (zie op 1 Joh. 4:2 en 5:58). Misleiders worden de verbreiders ervan genoemd. Zij dwalen zelf en doen anderen dwalen. Men zij dus op zijn hoede. Het ontvangen van het (genade)/oon staat op het spel, het volle heil in de toekomst van Jezus Christus (vgl. Mat. 5:12; Mar. 9:41 ea.). Alles wat de oudste (en anderen) tot nu toe hadden gedaan om tot het geloof te brengen en aan verdere gemeente-opbouw – wat wij hebben verricht – zou dan verloren gaan. Een ieder die verder gaat…: Wellicht beweerden de dwaalleraars dat van zichzelf. Tegenover het vermaan van Johannes om te blijven bij de oorspronkelijke verkondiging (vgl. 1 Joh. l:lw, 2:7, 24, 3:11; ook 2 Joh. 5, 6!) reageerden zij met de oproep, dat de gelovigen verder moesten komen. Johannes ontmaskert dit streven. Het is een dwaalweg, waarop men de gemeenschap met God verliest. Alleen hij heeft zowel de Vader als de Zoon, die blijft in de leer van Christus. Daarmee wordt zowel bedoeld de leer welke Christus bracht (vgl. Joh. 7:16, 17) als de leer aangaande Christus. Daarbij is nog niet te denken aan een uitgebalanceerd leersysteem, doch (met name) aan wat de oudste schreef in vs 7. De hemelse Christus en de aardse Jezus zijn één en dezelfde.

10, 11. De voorgaande verzen brachten ten opzichte van 1 Johannes in hoofdzaak herhaling en samenvatting, geen nieuws. Nu geeft de schrijver aan hoe te handelen, wanneer een dwaalleraar de gemeente zou bezoeken. Wellicht is hierin het eigenlijke doel van déze brief te zien. Men moet hem niet ontvangen. De gastvrijheid, in het (oude) oosten vanzelfsprekend, binnen de christelijke gemeente ook gebóden (vgl. Rom. 12:13; Heb. 13:2) wordt hem ontzegd. Ook het begroeten blijft achterwege, want dat veronderstelt én sticht gemeenschap. Elke gemeenschap met hem en zijn boze werken is uitgesloten. Vanuit onze tijd vol tolerantie dringen zich bij deze woorden vragen op, bv.: Moet het altijd zo als de oudste hier voorschrijft? Waar blijft dan de (broeder)liefde, waarvan de brieven van Johannes zo vol zijn? Te bedenken valt hierbij wel, dat Johannes de kleine, geïsoleerde, gemeenten in dodelijk gevaar ziet verkeren. Verder ook, dat waar geloochend wordt wat deze dwaalleraars loochenen (vs 7) van ‘gemeenschap’ ook niet meer kan worden gesproken (vs 9).

Slot van de brief 12, 13

Slechts wat geen uitstel kon lijden, schreef de oudste alvast. Bij een komend bezoek kon hij een en ander breder uiteenzetten en zijn gezag (nog) directer doen gelden. Het ‘opdat onze blijdschap volkomen zij’ lijkt te maken te hebben met het elkaar ontmoeten. Stellig denkt de apostel ook aan het tijdens dat bezoek te constateren (en nader te bewerken?) blijven van de gemeente in de leer van Christus (vgl. vs 7, 9 en 1 Joh. 1:4, waar dezelfde uitdrukking voorkomt). De leden van de gemeente, van waaruit Johannes schrijft groeten de lezers (vgl. voor de beeldspraak bij vs 1).

Inhoud 3 Johannes

Beginvers van de brief 1

Wandelen in de waarheid 2-4

Blijf gastvrijheid betonen 5-8

Diotrefes en Demetrius 9-12

Slot van de brief 13-15

VERKLARING

Beginvers van de brief 1

De oudste (zie op 2 Joh. 1) schrijft aan iemand die een (ook in het Nieuwe Testament) veel voorkomende naam draagt. Deze goede en gegoede man kunnen wij niet verder identificeren. Tot vier maal toe wordt hij ‘geliefde’ genoemd, hetgeen nog een diepere inhoud krijgt door het erop volgende ‘die ik in waarheid liefheb’ (zie voor de betekenis op 2 Joh. 1).

Wandelen in de waarheid 2-4

De oudste bidt God, dat het Gajus in welvaart en gezondheid evenzo wèl gaat, als het zijn ziel wèl gaat. Met dit laatste is bedoeld zijn leven als christen, uit God en in gemeenschap met Hem. Meermalen gaven broeders, die bij hem op bezoek waren geweest, een goed getuigenis van zijn (wandelen in de) waarheid. Gods openbaring in de persoon, de woorden en de daden van Jezus Christus stempelde zijn leven. Zij straalt door in al Gajus’ handelen, met name ook in de liefdevolle gastvrijheid, welke hij biedt (vss 6, 7). Zulk een handel en wandel van ‘zijn kinderen’ is voor de oudste reden tot zeer grote vreugde. ‘Mijn kinderen’ hoeft niet te duiden op activiteit bij hun bekering (zo bv. wel in Gal. 4:19; Fil. 10). Eerder geeft het woord aan de relatie van vertrouwen, aanzien en (ambtelijk) gezag, waarin de oudste stond tot de gemeenten aan welke hij schreef.

Blijf gastvrijheid betonen 5-8

5, 6. Rondreizende (zendings)predikers hebben in het midden van de gemeente waartoe de oudste behoort, een goed getuigenis gegeven van de liefde van Gajus. Hij heeft onderdak verleend en van het nodige voor de verdere reis voorzien. Daarin handelt hij trouw, overeenkomstig zijn geloof. En dat nog wel aan vreemdelingen, mensen die hij voordien niet kende. De oudste wekt hem nu op – daarmee de direkte aanleiding tot het schrijven van deze brief aangevend – hiermee door te gaan. Gelijk het Gode waardig is: Wie God is toegedaan is ook de voortgang van diens zaak toegedaan. Hij zal dat ook laten blijken in de wijze waarop hij Gods dienaren tegemoet treedt (vgl. bv. Joh. 13:20).

7, 8. Een en ander wordt nu nader gefundeerd. Die predikers reizen immers rond terwille van de Naam (van Christus): Om Christus’ naam, zijn persoon en werk, inwelke alleen redding is (Hand. 4:12) te verkondigen. Al is de arbeider zijn loon waard (Mat. 10:10; 1 Kor. 9:14 ea.), van heidenen placht men niets aan te nemen. Dat zou nl. het misverstand (kunnen) wekken, dat men preekte om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien en om er geldelijk voordeel uit te halen (vgl. Mat. 10:8). De bestaande gemeenten (wij in vs 8) hebben dan ook de plicht zulke predikers van het nodige te voorzien. Zodoende wordt men medearbeider in (het verder verbreiden van) de waarheid, het evangelie van Jezus Christus.

Diotrefes en Demetrius 9-12

9, 10. Een eerste brief aan de gemeente, waartoe Gajus behoorde, had blijkbaar niet het gewenste resultaat gehad vanwege tegenstand van de kant van Diotrefes. Het ligt voor de hand hierbij te denken aan een aanbevelingsbrief ten behoeve van door de oudste op pad gezonden predikers (vgl. vss 5, 8; ook Hand. 18:27; 2 Kor. 3:1). Waarom wenste Diotrefes de oudste (en diens ‘gezanten’) niet te ontvangen? Opmerkelijk is dat geen van hen door de ander wordt beschuldigd van dwaalleer. Johannes zegt alleen maar: Hij wil de eerste zijn en blijven. Blijkbaar nam hij in de gemeente een (de?) eerste plaats in, was hij ambtsdrager(?), en verzette hij zich tegen (alles wat hij zag als) aantasting van zijn positie van de kant van de oudste. En dat op alle mogelijke manieren. Hij zwetst, beschuldigt de oudste van eer- en heerszucht, ontvangt door hem gezonden predikers niet, intimideert zelfs hen die anders handelen door hen uit de gemeente te werpen. Gajus zij dus voor hem op zijn hoede. De oudste stelt in het vooruitzicht, dat hij, zodra hij komt, dit alles zal herinneren. Hij zal het in het openbaar aan de orde stellen en daaraan dan de nodige consequenties verbinden.

11, 12. Het niet navolgen van het kwade, maar (wel) van het goede ziet in de eerste plaats op het niet volgen van de handelwijze van Diotrefes en het (dus) wel liefdevol ontvangen van Demetrius, maar is daartoe niet beperkt. Het al of niet doen van wat de oudste hem nu voorhoudt heeft weer alles te maken met (al of niet) ‘uit God zijn’ en ‘God (niet) gezien hebben’. Deze uitdrukkingen (vgl. op 1 Joh. 3:4-10, vooral 6 en 9) duiden op een leven uit God en in gemeenschap met Hem. VanDemetrius, waarschijnlijk de brenger van deze brief, is een goed getuigenis gegeven door de gemeente bij de oudste. Trouwens ook door de waarheid zelf . Heel zijn doen en laten, spreken en handelen, spreekt voor zijn leven uit en in het evangelie van Jezus Christus (vgl. vss 3, 4; 2 Joh. 4). De oudste onderschrijft dit getuigenis met het zijne dat – zo weet Gajus – betrouwbaar is (vgl. Joh. 21:24, waaraan de woorden herinneren). Gajus kan Demetrius met een gerust hart ontvangen!

Slot van de brief 13-15

Op een wijze die sterk overeenkomt met 2 Joh. 12 (zie daar) beëindigt de oudste de brief. Vrede zij u is de joodse vredesgroet, waarmee ook de opgestane Here Jezus in Joh. 20:19,21, 26 zijn discipelen begroet. Alle heil en zegen ligt erin besloten. De vrienden, die groeten en gegroet worden, zijn geloofsgenoten. Het voorafgaande laat vermoeden, dat de kring rondom Diotrefes buiten deze aanduiding valt. Stellig weet Gajus wie wel en wie niet (moeten) worden gegroet.

Wellicht ook interessant

Bernd Hirscheldt
Bernd Hirscheldt
Basis

Korte Metten: Wondertjes

Een van de mooiste kanten aan het vak van predikant is dat je nooit kan bepalen met wie je in contact zal komen. Dat klinkt misschien wat vreemd. Maar het is een voorrecht om met mensen te kunnen omgaan die je niet zelf hebt uitgekozen, omdat ze precies dezelfde interesses hebben of omdat ze het roerend met je eens zijn. Of omdat je een gemeenschappelijk verleden met elkaar deelt. Dat alles geeft een gevoel van vertrouwelijkheid, maar een nieuwe ontmoeting met een onbekende, iemand die in een heel andere wereld leeft, blijkt vaak veel boeiender te zijn.

Nieuwe boeken