Werkt God als hechtingsfiguur?
Neurowetenschapper Jitse Amelink over geloof en gezondheid
Geloven raakt langzaam weer terug in de mode. Maar wat doet geloven met een mens, fysiek en mentaal? Neurowetenschapper Jitse Amelink geeft in deze reeks een inkijkje in de laatste wetenschappelijke inzichten. Dit keer: hoe bepaalt de hechting met onze ouders onze relatie met God?
Een favoriet alledaags moment in mijn leven is als ik mijn zoontje van twee op mijn schouders til en met hem van de parkeerplaats drie huizenblokken verderop naar de kerk loop. Het is dertien graden. Het zonnetje schijnt door de bladeren. Ik kan mijn jas net in de auto laten. De deurwacht moet glimlachen als die ons ziet aankomen. Hij roept iets als “zo die zit hoog en droog” of “wel even bukken”, voordat ik naar binnen ga voor de belofte van gemeenschap. De belofte van iets generatieoverstijgends.
Laatst zag een vrouw van halverwege de zestig dit tafereel en begon te vertellen over vroeger: “Ik was tweeënhalf en ik keek scheel. Ik moest worden geopereerd. Ik was tegen een lantaarnpaal gelopen. Ik kan me het moment herinneren dat mijn vader me op de schouders tilde en me meenam. Dat was het moment dat ik de liefde van God ervoer.” Het was een ontroerend moment en voor mij, de geseculariseerde millenial die ik ben, ook licht ongemakkelijk.
Toch raakt dit een snaar. Wordt onze relatie met God, en dus ons gebed, gevormd door onze hechting met onze ouders? En valt dit wetenschappelijk te testen?
Vier hechtingsstijlen
Allereerst: wat is hechting? Hechting is de band die een kind opbouwt met de hechtingsfiguur, meestal de ouders, op basis van de interacties met die persoon. Die band bepaalt in belangrijke mate het gevoel van emotionele veiligheid. Er zijn vier primaire hechtingsstijlen: veilige hechting, angstige hechting, vermijdende hechting en gedesoriënteerde hechting. Bij veilige hechting vindt een kind veiligheid en troost bij de ouder en daardoor later makkelijker bij zichzelf en anderen. Bij een angstige hechtingsstijl zoekt een kind constante bevestiging en is die erg van slag wanneer de ouder vertrekt. Bij een vermijdende hechtingsstijl kan en wil een kind zich niet meer veilig verbinden aan de ouder, omdat die te vaak teleurstelt. En bij een gedesoriënteerde stijl is de ouder de bron van onveiligheid, bijvoorbeeld bij misbruik, waardoor het kind klem zit. Die hechtingsstijlen bouw je op in je jeugd, maar kunnen nog wel enigszins veranderen als volwassene.
Er zijn vier primaire hechtingsstijlen: veilige hechting, angstige hechting, vermijdende hechting en gedesoriënteerde hechting
Gebed en hechting
Gebed kan ook worden bekeken vanuit een hechtingsperspectief. God kan dan optreden als mogelijke vervangende hechtingsfiguur. Dat kan op twee manieren: of de band met God kan werken als een vervanger, waarbij die als stand-in optreedt, of als iemand die correspondeert met de hechtingsfiguur, waarbij je de band met je ouders projecteert op God. Of een beetje van allebei.
Als dat zo is, zou je dat natuurlijk ook in de hersenen moeten kunnen zien. Een recent wetenschappelijk overzicht, geleid door Bart Haverkamp aan de Protestantse Theologische Universiteit Utrecht, laat zien dat de hersengebieden inderdaad voor een deel overlappen tussen hechting en christelijk gebed. Vanuit de cognitiewetenschap worden vier aspecten van hechting onderscheiden: mentaliseren, emotieregulatie en aantrekken en afstoten. Mentaliseren is het begrijpen van wat er omgaat in andere personen. Emotieregulatie gaat onder andere over jezelf kunnen kalmeren en aantrekken en afstoten gebeurt in relatie tot naasten.
De neurowetenschappelijke overlap tussen gebed en hechting gaat met name over mentaliseren, het begrijpen wat er omgaat in een ander persoon. Zowel de hersengebieden die sterk betrokken zijn bij sociale interacties als een deel van de gebieden van het standaardnetwerk (default mode network), de interne babbelbox van je brein, zijn betrokken bij mentaliseren én bij gebed. Dit geldt met name voor spontaan gebed en minder voor geritualiseerd gebed. Voor de andere drie hechtingsmodules is er een gedeeltelijke overlap tussen een aantal hersengebieden of is er nog te weinig onderzoek beschikbaar.
Nu moet er wel worden vermeld: die overlap is een aanwijzing, maar geen definitief bewijs, en onderzoek naar gebed is een stuk minder uitgebreid dan bijvoorbeeld naar geheugen of taal. Hersengebieden zijn vaak bij meerdere cognitieve functies betrokken, dus dat dezelfde hersengebieden worden aangesproken hoeft niet doorslaggevend te zijn voor een causaal verband tussen hechting en gebed.
De band met de vader blijkt gemiddeld een heel subtiele invloed te hebben op hoe vaak iemand bidt, maar dit verband werd eigenlijk alleen in Japan gevonden in een voornamelijk areligieus en boeddhistisch cohort. De enige echt goede voorspeller voor hoe vaak iemand bidt, is hoe vaak diegene vroeger naar de kerk ging. Dat zegt echter niets over de inhoud en beleving van dat gebed.
Gods liefde
Als gelovigen neem je dus ook je brein en je psychologische ervaringen mee in je geloofsbeleving. Mogelijk zou de relatie ook omgekeerd kunnen zijn, dus dat gebed en de relatie met God de hechtingsstijl van een persoon kan beïnvloeden.
In de evangelische kringen waarin ik opgroeide was die omgekeerde relatie al gemeengoed. In mijn middelbare schoolvakanties was ik de geluidsman van dienst bij bijbelstudieweken. Het emotionele hoogtepunt van die bijbelstudieweken was een avond die gericht was op het herstel van de liefde van God. Dit werd met een evangelische liturgie ingekleed. De mannen vroegen plaatsvervangend vergeving voor de afwezigheid en hardheid van de aardse vaders en gaven een hug aan het betreffende kind. Dat er tranen vloeiden was een understatement. Of dit dé manier is voor herstel van hechtingsstijl durf ik niet te zeggen, maar de intuïtie zit in dezelfde hoek. Het werd als fundament gezien voor de rest van de week, en dat is die goddelijke liefde ook voor het gelovige leven.

Jitse Amelink is onderzoeker in de neurogenetica van de taalgebieden in de hersenen bij het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen. Eerder was hij redacteur voor geloofenwetenschap.nl en was hij betrokken bij het Veritas Forum.
Wil je meer lezen over hechting en geloof?
Lees ook dit artikel over geloof en gezondheid:
Verantwoording door de auteur
Voor dit artikel heb ik met name gebruikgemaakt van drie wetenschappelijke overzichten:
Bradshaw, M., Counted, V., Lomas, T., Woodberry, R. D., VanderWeele, T. J., & Johnson, B. R. (2025). Childhood experiences and adult prayer or meditation in 22 countries around the world. Scientific Reports, 15(1), 15083. https://doi.org/10.1038/s41598-025-99796-x (voor de invloed van de relatie van de ouders en kerkgang op frequentie van gebed of meditatie)
Haverkamp, E., Olsman, E., Ćurčić-Blake, B., Vila Ramírez, V., Aleman, A., Ket, J. C. F., & Schaap-Jonker, H. (2025). The convergent neuroscience of Christian prayer and attachment relationships in the context of mental health: A systematic review. Frontiers in Psychology, 16. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2025.1569514 (belangrijkste overzichtsartikel voor dit stuk)
Schaap-Jonker, H. (2021). Godsrepresentaties en hechting: Een psychologische verkenning van de relationele dynamiek in geloven. Psyche & Geloof, 32(1). https://www.hannekeschaap.nl/media/PG_32_1_Hanneke%20Schaap-Jonker_1.pdf
Met dank aan Bart Haverkamp voor het meelezen op correctheid.