Menu

Premium

2 Koningen

Vervolg van 1 Kon. 22:52-54. Achazja 1:1-18

De boeken Koningen zijn op een wonderlijke plaats, midden in het bericht over koning Achazja van Israel in tweeën gedeeld. Het is duidelijk dat de laatste drie verzen van 1 Kon. en het begin van 2 Kon. (tot en met de afsluitende formule in vs 18) bijeen behoren. Lazen wij in 1 Kon. 22:52-54 dat Achazja tijdens zijn korte regering (2 jaar) van meet af aan geheel leefde in de lijn van de eerste koning van het noordelijke rijk, Jerobeam I, die afgoderij met de stierbeeiden in Dan en Betel invoerde, en in de geest van zijn voorgangers uit de dynastie van Omri die de HERE tergden met hun Baäldienst, in 2 Kon. 1 lezen wij hoe deze zonden van Achazja op tweeërlei wijze gestraft worden.

De opstand van Moab 1:1

Moabs opstand is hier blijkbaar gezien als eerste straf op de zondige inzet van Achazja’s regering. Kort na de dood van Achab, toen Israel militair kennelijk verzwakt was door de slag tegen de Arameeërs (1 Kon. 22), zagen de Moabieten, die ten oosten van de Dode Zee woonden, de kans schoon aan hun vazalverhouding tot Israel een eind te maken en zich te bevrijden van het israelitische juk. Het korte bericht suggereert dat Achazja blijkbaar niet bij machte was iets tegen het rebellerende Moab te ondernemen om het opnieuw aan Israel te onderwerpen. Dat bleef aan zijn broer en opvolger Joram voorbehouden (zie 3:4 w).

Ziekte en dood van Achazja 1:2-18

Uitvoeriger wordt de straf over Achazja’s verering van Baäl verteld in het verhaal van zijn gedrag na de ernstige letsels die hij opliep (hij werd ziek is hier minder juist vertaald) bij een val uit een venster van de bovenverdieping van zijn paleis. Gedacht is blijkbaar aan het uit rasterwerk bestaande, opklapbare venster (zonder glas) dat licht en lucht moest binnenlaten. Zoals dat in noodsituaties gebruikelijk was (vgl. 1 Kon. 14:5) zond de koning zijn boden uit om door een goddelijk orakel te weten te komen of hij van zijn ernstige verwondingen nog kon genezen (vs 2). Zond zelfs Jerobeam I tijdens zijn ziekte zijn vrouw nog naar een profeet des HEREN om raad (1 Kon. 14:1 vv), Achazja zoekt het bij een heidense godheid, waarvan het heiligdom blijkbaar een grote faam bezat als orakelplaats in geval van ziekte en ongeval en bovendien in de noordelijkste filistijnse stad Ekron en dus vrij dicht bij Samaria lag. De god wordt hier Baäl-Zebub, di. ‘Vliegen-Baäl’ genoemd (omdat hij geacht werd vliegenplagen te zenden en te verdrijven of omdat hij uit het zoemen of vliegen van de dieren voorspellingen deed?). De naam is echter waarschijnlijk een opzettelijke ombuiging in denigrerende zin van een oorspronkelijk Baäl-Zebul, hetgeen op grond van het ugaritischezbl drieërlei zou kunnen betekenen: ‘Heer van de woning’ (in Mat. 10:25 voor de duivel) of ‘Vorst Baäl’ (een titel in Ugarit) of wel-in onze tekst zeer passend -Heer van de ziekte.

Intussen is de profeet Elia (vss 3 v) in opdracht van Gods zaakgelastigde, de bode des HEREN(‘engel’ en ‘bode’ is hetzelfde woord), de boden van de koning in het bergland van Samaria tegemoet gegaan om hun onder ogen te brengen dat zij met het gaan raadplegen van een heidens orakel de HERE minachten en daarmee op een zondige weg zijn. Ongevraagd moet Elia uit naam van de HERE het antwoord geven waarnaar de koning bij Baäl-Zebub had willen laten vragen. Vanwege het zondige raadplegen van een heidense Baäl heeft dat antwoord tegelijk het karakter van een oordeelsaankondiging: de koning zal ervaren dat niet Baäl, maar de HERE over dood en leven beschikt. Vandaar het begin met Daarom…, dat gewoonlijk de dreiging met Gods oordeel vertolkt. In de term gij zult de dood sterven komt het onherroepelijke van Gods oordeel tot uiting. Rekent men vs 4 nog tot de opdracht van de Engel (vs 3), dan betekenen de slotwoordenEn Elia ging: de profeet ging de opdracht uitvoeren (vgl. Hos. 1:3). Verhaalt vs 4 reeds de uitvoering van de opdracht, dan bedoelt het slot: Elia ging weer van de boden weg na het volbrengen van zijn taak. De boden keren blijkbaar direct naar Samaria terug (vs 5) en verhalen hun ontmoeting met een hun onbekende man, wiens woorden zij letterlijk aan de koning overbrengen (vs 6). Uit de beschrijving van het uiterlijk van de man, zijn harige mantel en lederen gordel (de sobere kleding uit de woestijntijd, wellicht bedoeld als protest tegen de weelde van de eigen tijd, vgl. Mat. 11:8) begrijpt de koning dat de man Elia, de Tisbiet (zie 1 Kon. 17:1) moet zijn geweest.

Terwijl in de geschiedenis van vss 2-8 alle nadruk ligt op de verkondiging dat er voor de Israëliet, de mens die leeft in de kring van Gods openbaring, maar één God bestaat tot wie hij zich mag wenden met zijn vragen en met zijn nood, vragen vs 9 vv daarnaast eerbied voor de profeet, de man die Gods boodschap heeft overgebracht. Na het bericht van de boden (vs 6) zendt de koning een hoofdman met vijftig militairen (van zijn lijfwacht?) om Elia bij hem te ontbieden. Waarom? Wilde hij de fatale boodschap (vs 6) uit Elia’s eigen mond bevestigd horen? Of dacht hij- veeleer het door de profeet uitgesproken oordeel onschadelijk te kunnen maken door de profeet zelf uit te schakelen? Als zij de profeet op een berg, blijkbaar in de buurt, gevonden hebben, brengen zij het bevel van de koning over: de man Gods moet naar het paleis komen. Elia reageert uiterst heftig. Voelde hij zijn leven opnieuw bedreigd (vgl. 1 Kon. 18:9; 19:2), of was het ergernis over de gebiedende toon namens een koning die jegens een man Gods nu eenmaal niets te bevelen had. Met een dubbele woordspelling tussen ‘daal af’ en'(vuur) dale af’ en tussen ‘man Gods’ en ‘vuur van de hemel’, in vs 12b zelfs ‘vuur Gods’ (in het Hebreeuws lijken de woorden voor ‘vuur’ en ‘man’ op elkaar) horen wij hoe de profeet hemelvuur inroept om de vijftig te verteren. Als de koning een tweede hoofdman met vijftig man stuurt en Elia nu zelfs haastig dwz. ‘onmiddellijk’ laat ontbieden (vs 11), treft hen dezelfde dood door vuur (vgl. het vuurmotief op de Karmel, 1 Kon. 18:23 vv en bij Elia’s hemelvaart, 2 Kon. 2:11). Hoewel Jezus zo’n straf door hemelvuur tijdens zijn reis afwijst (Luc. 9:52-56) hebben wij nog niet het recht het ook hier zonder meer te veroordelen. Hier gaat het om meer dan een tegenstelling tussen mensen. De groepen van vijftig vertegenwoordigen een macht die de HERE veracht en zijn oordeel tracht te weerstreven. De derde groep, die zich van die macht distantieert, wordt dan ook gespaard. De hoofdman van dit vijftigtal brengt niet het bevel van de koning over, maar knielt neer voor Elia en smeekt om behoud van zijn leven en dat van zijn mannen. De Engel (bode) des HEREN geeft de profeet voorts te kennen (vs 15) dat hij onbevreesd naar de koning moet gaan. Daar gekomen, herhaalt hij het vonnis (vs 16) dat de boden Achazja reeds hadden aangekondigd. Omdat een woord des HEREN (vs 17) zijn uitwerking niet mist (vgl. Jes. 55: 11), kan het gevolg ook hier niet anders zijn dan: zo stierf hij…. Daar Achazj a geen zoon had, werd hij opgevolgd door zijn broer Joram, zie 3:1 w.

Opneming van Elia. Opvolging door Elisa 2:1-18

Samen op weg 2:1-6

Terwijl vs 1 het thema van Elia’s opneming (vs 11) reeds aankondigt in een soort opschrift, bereiden de vss 2-6 de opvolging van Elia door Elisa (vs 15) in het profetische ambt voor. De stijlvorm van de drievoudige herhaling (vss 2, 4, 6), die (evenals het vijftigtal in vs 7) herinnert aan 1:9, 11, 13, werkt hier vertragend en voert de spanning van het verhaalde op. Driemaal weet Elia zich door de HERE gedreven op weg te gaan, van Gilgal naar Betel, van Betel naar Jericho, van Jericho naar de Jordaan. Driemaal wil Elia alleen gaan en zweert Elisa (‘God is redding’) hem niet te zullen verlaten. In Betel en Jericho kondigen leerlingen van profetenscholen Elisa het aan deze overigens reeds bekend feit aan dat de HERE zijn meester Eliavan boven zijn hoofd dwz. ‘naar de hemel’ zal wegnemen. Dit gebeurt echter noch in Betel, noch in Jericho. Daarom gingen zij beiden (vgl. Gen. 22:6, 8) nogmaals op weg, nu naar de Jordaan (vs 6). Een probleem is, welk Gilgal in vs 1 is bedoeld. Denkt men aan het bekende Gilgal bij de Jordaan (Z.O. van Jericho, Joz. 4:19), dan zou de tocht Gilgal-Betel-Jericho-Jordaan een zigzagroute zijn met een lengte van ca. , wat voor een dagtocht (heden, vs 3, 5) te voet erg veel is. Daarom denkt men wel aan de Gilgal (= ‘de steenring’) ten noorden van Betel, al is de afstand ook dan nog .

Bij de Jordaan 2:7-15

De vijftig profetenleerlingen (vs 7) fungeren op eerbiedige afstand als getuigen van het gebeuren bij de Jordaan om straks het overgaan van Elia’s geest op Elisa te kunnen bevestigen (vs 15). Bij de Jordaan baant Elia zoals

Mozes (Ex. 14) en Jozua (Joz. 3) weleer, een pad door het water door er met zijn opgerolde mantel op te slaan, evenals Mozes dat eens met zijn staf deed (Ex. 14:16, 21). Het gaat hierbij niet om de wondermacht van de mantel, maar om de Geest Gods die Godsmannen als Mozes, Jozua, Elia en straks Elisa (vs 14) tot zulke daden bekwaamt. De mantel is daarbij slechts instrument. Als Elisa aan de overkant van de Jordaan bij Elia een wens mag uitspreken, vraagt hij twee delen van Elia’s geest (vs 9 v). Daarin ligt niet zo zeer bescheidenheid (slechts 2/3), als wel de begeerte om Elia’s eerste geestelijke erfgenaam te mogen zijn, zoals de eerstgeborene in een gezin een dubbel aandeel in de erfenis kreeg (Deut. 21:17). Elia vindt die wens moeilijk, omdat niet hij als mens, maar alleen God over de gave van de Geest kan beschikken. Daarnaar verwijst hij met een teken: Indien de HERE Elisa vergunt met eigen ogen getuige te zijn van Elia’s opneming, zal Hij zijn wens in vervulling doen gaan. Terwijl zij op weg zijn, verschijnt er plotseling een vuurwagen met vuurpaarden, teken van Gods ingrijpen (vgl. vuur in theofanieën, Ex. 3:2; Ps. 50:3) en in een stormwind vaart Elia ten hemel (vgl. de HERE zelf in Ps. 18: 11; Zach. 9:14). Elisa ziet het en krijgt dus de gave van de Geest. Als teken van rouw over zijn geestelijke vader (vs 12) scheurt hij zijn mantel in tweeën. De achtergebleven mantel van Elia wordt nu definitief het ambtsgewaad van Elisa (vs 13; vgl. 1 Kon. 19:19-21), waarmee ook hij onder aanroepen van Gods macht de Jordaan kan klieven en een deel van de geest van Elia rust voortaan op Elisa, zoals de profetenleerlingen die het Jordaanwonder hebben aanschouwd, kunnen getuigen. Door hun eerbewijs (vs 15) erkennen zij Elisa als hun meester.

Op zoek naar Elia 2:16-18

De profetenleeringen van Jericho hebben Elia’s hemelvaart kennelijk niet gezien en laten nu, hoewel ze volgens vs 5 beter wisten, vijftig hunner – tegen het advies van Elisa in – een zoekactie ondernemen: Misschien heeft de HERE hem door een sterke wind (het hebreeuwse ruach is zowel ‘wind’ als ‘geest’) op een berg of in een dal doen belanden. Drie dagen zoeken levert niets op. Het negatieve advies van de profeet bleek juist te zijn geweest. De onuitgesproken conclusie kon slechts zijn: Elia is niet meer op aarde. De terugkeer van Elia is echter onderdeel van Israels geloofsgoed gebleven (Mal. 4:5; Sirach 48:10; Mar. 6:15; 9:11; enz.).

Elisa’s eerste wonderen 2:19-25

De bron te Jericho 2:19-22

Met de stad is, op grond van het juist voorafgaande (vs 18), blijkbaar Jericho bedoeld, een stad met een fraaie omgeving, maar met een slechte bron, waarvan het water, ook via de gewassen van het geïrrigeerde bouwland, miskramen veroorzaakte. Verband met de vloek van Jericho (Joz. 6:26; vgl. 1 Kon. 16:34) is onzeker. Recentelijk is ontdekt dat bronnen rond het oude Jericho radio-actief besmet zijn en reeds in de verre oudheid zaten er blijkbaar kwalijke stoffen in de grond. Met zout, bekend om zijn zuiverende werking, wordt het gif geneutraliseerd. Dat het zou gaan om magie van een wonderman wordt ontkend door het nadrukkelijkebericht dat de helende kracht van het woord des HEREN uitging (vs 21). Daarom moest de schaal ook nieuw zijn (vs 20). Wat voor of namens de HERE dienst doet, moet gaaf en nieuw zijn (vgl. 1 Sam. 6:7; 1 Kon. 11:30).

De spottende knapen 2:23-25

Lieten vss 19-22 zien hoe het profetische woord heil en zegen bewerkt, hier horen wij het contrast: het bewerkt ook onheil, ja dood. Op weg naar Betel komen er dicht bij de stad jongens op Elisa af die hem spottend uitschelden: Kaalkop (vanwege de tonsuur van de profeet?), kom op (=’kom naar de hoger gelegen stad’). Men is aan een profeet als man Gods echter eerbied verschuldigd (vgl. 1:9 vv). Achter het krenken van de profeet gaat smaad en verachting van de HERE zelf schuil. Daarom kijkt de profeet hen aan en spreekt hij, onder aanroeping van de naam des HEREN, een .vervloeking over hen uit. De vloek treedt in werking door twee berinnen die 42 (getal van doodsoordeel of van totaliteit? vgl. 10:14; Op. 11:2) jongens verscheuren.

Joram van Israel 3:1-27

Datering en typering 3:1-3

De datering is moeilijk te rijmen met 1:17 en 8:16, tenzij men aanneemt dat 1:17 de regering van Joram van Juda telt vanaf een (in de Bijbel niet genoemd) tijdstip waarop deze reeds voor Josafats dood namens (of samen met) zijn vader de regering behartigde, terwijl 8:16 dan zou spreken over het begin van zijn alleenregering. Joram (‘de HERE is verheven’) wordt in zoverre gunstiger beoordeeld dan zijn ouders, dat hij de Baäldienst, gesymboliseerd door de masseben (zie Hos. 3:4), tegenging (vgl. echter 9:22). Maar met alle koningen van Noord-Israel deelde hij de afval van de ene dienst des HEREN in Jeruzalem door het in stand houden van de verering van de gouden stierkalveren in Dan en Betel.

Expeditie tegen Mesa van Moab, 849 v.Chr. 3:4-9a

Koning Mesa was evenals Amos (1:1) en hoge functionarissen in Ugarit, di. ‘bezitter van grote kudden schapen’, die blijkbaar op het paleisdomein werden gehouden, en die – met hun wol – in enorme getallen als vazal-tribuut moesten worden geleverd aan Achab van Israel (vs 4). Na Achabs dood werpt Mesa het juk van Israel af (vgl. 1:1). Niet Achazja (1:1 w), maar pas Joram bond blijkbaar de strijd tegen Mesa aan. Het te dien dage (vs 6) moet dan ruim worden opgevat; in de periode van de rebellie van Mesa. Het bijbelse bericht wordt bevestigd door de beroemde stéle (nu in het Louvre) waarop koning Mesa vertelt dat de Moabieten door de toorn van hun god Kamos vele dagen door Omri en zijn zoon ( = Achab) vernederd waren.

Joram brengt het israelitische leger op de been en beweegt Josafat, de koning van Juda, mee te doen in zijn actie tegen Moab. Joram heeft Juda’s hulp nodig omdat hij door dat land en de woestijn van Edom heen (vs 8), dwz. van het zuidoosten uit, Moab wilde binnenvallen, wellicht omdat de oostjordaanse noordgrens van Moab met Israel door sterke vestigingen ondoordringbaar was. Josafat is graag bereid zo een afschrikkend voorbeeld te geven voor het aan Juda onderworpen Edom. De geijkte formulering (vs 7 slot; vgl. 1 Kon. 22:4) geeft weer wat verbondspartners van elkaar verwachten mochten. Opvallend zijn in het hele verhaal de parallellen met 1 Kon. 22. Ook de troepen van de van Juda afhankelijke ‘koning’ van Edom (vgl. 1 Kon. 22:48) worden ingeschakeld (vs 9).

Elisa redt het leger 3:9b-19

Na een tocht van rond zeven dagen krijgen leger en ‘vee’ (lastdieren + dieren voor de voedselvoorziening, vs 17) te kampen met watergebrek. Kennelijk had men gerekend op water in het dal (vgl. vs 16) van de wadi-el-hesa bij de z.o. grens van Moab, die nu echter bij uitzondering (?) droog stond. Joram ziet daarin een teken dat de HERE die hij tevoren kennelijk niet geraadpleegd had, de expeditie ongunstig gezind was en suggereert dat de HERE de oorzaak is van de dreigende slachting door de Moabieten (Ach, voorwaar…), hoewel hijzelf de onderneming op touw heeft gezet (vs 10). Josafat beseft dat het enig juiste in deze toestand is de wil des HEREN te raadplegen door een profeet (vss 11 v), zoals dat blijkbaar bij militaire operaties gebruikelijk was (vgl. 1 Kon. 22:7). Een hoveling van Joram weet dat Elisa (kennelijk door God gedreven) met het leger is meegetrokken. Die water goot, dat is ‘de vroegere dienaar van Elia’ (1 Kon. 19:21). Watergieten over iemands handen geldt voor oosterlingen nog steeds als eerbewijs. Josafat blijkt de profeet te kennen als betrouwbaar middelaar van de wil des HEREN. Werd Elia door Achab in zo’n situatie ‘ontboden’ (1 Kon. 22:13 w), nu het initiatief bij Josafat ligt die meer eerbied voor de HERE en zijn profeet heeft, dalen de koningen, wier kwartier kennelijk op een hoger gelegen punt lag, af naar Elisa. Bij Elisa gekomen, neemt Joram blijkbaar de leiding weer. Tot hem richt Elisa in elk geval zijn antwoord (vs 13). De profeet verwijst de halfslachtige koning sarcastisch naar de profeten van zijn ouders, die immers zijn vader Achab met hun valse heilsprofetie de dood hadden bezorgd (1 Kon. 22:6). Joram blijft echter pleiten op een godsspraak van de HERE, omdat die, zo zegt hij, de ramp bewerkt heeft, waarvan niet alleen hij, maar ook Josafat (de drie koningen, vs 13) de dupe dreigt te worden. Alleen terwille van Josafat, die de HERE trouw was gebleven, en jegens wie Elisa daarom gunstig gezind is (iemands ‘aangezicht verheffen’ – vgl. SV – is ‘hem gunstig zijn’), zo zweert Elisa met een plechtige eedformule (vgl. 1 Kon. 18:15; 17:1) wil hij helpen. Door citerspel (vgl. 1 Sam. 10:5) geraakt Elisa tot een geestesconcentratie, waarin de hand (= de macht) des HEREN hem in staat stelt in Gods naam (zo zegt de HERE) de raad te geven (vss 15 v) in het dal van de beek vele greppels te graven en de belofte dat die alle -zonder zichtbare regenval (vgl. vs 20) – zo vol water zullen lopen dat alle dorst gelest kan worden. Elisa vult Gods belofte (vs 17) aan met zijn verwachting dat de HERE nu ook wel de overwinning over Moab zal geven (vss 18 v): het innemen van Moabs vestingsteden en het -naar assyrisch gebruik – vellen van de vruchtbomen (het verbod van Deut. 20:19 v. gold blijkbaar niet voor de gehate Moabieten, Deut. 23:3-6; of stamt het verbod uit later tijd?), het dichtgooien van de bronnen (vgl. Gen 26: 18), het met stenen onbruikbaar maken van de akkers.

De strijd met Moab 3:20-27

‘s Morgens vroeg, tegen zonsopkomst, de tijd van het ochtendo/fer in Jeruzalem, gebeurt het wonder (voor het motief van Gods redding in de ochtend, vgl. 19:35; Jes. 17:14; Ps. 30:6). Wadi’s en greppels liepen in korte tijd over van de watermassa’s van een – daar vaker optredende – wolkbreuk ver in het bergland van Edom (Jose-fus, Antiquitates, 9,3,2: drie dagreizen ver, in elk geval in Moab niet waarneembaar, vs 17), die zich via de bergbeken in een vloedgolf noordwaarts stortten. De inmiddels in allerijl gerecruteerde en aan de grens geplaatste manschappen van Moab (vs 21) zien het onverwachts in de greppels gekomen water rood gekleurd door de opgaande zon – mede door het aangespoelde rode modderwater uit Edom (het ‘rode land’)? – voor bloed aan, denken dat de legers van de drie verbonden koningen elkaar hebben uitgemoord en gaan op buit uit (vs 22 v). Als de overmoedige (en lawaaierige, Jer. 48:45; Am. 2:2) Moabieten dichtbij het kamp van Israel komen, doen de verbonden legers plotseling een uitval, verslaan hen, jagen hen in paniek op de vlucht en brengen hun opnieuw slagen toe in hun eigen land, het land verwoestend volgens Elisa’s woorden van vs 19 (vss 24 v), totdat alleen Kir-Chareset nog over was (zo vs 25b te lezen). Deze hoofdstad, het huidige, hooggelegen Kerak, heette wellicht Kir-Chadeset, ‘Nieuwstad’, maar werd dan door de Israëlieten spottend Kir-Chareset, ‘Schervenstad’ genoemd. Door israelitischeslingeraars werd de stad (van de omringende bergtoppen af?) met stenen bestookt. In het nauw gedreven, poogt koning Mesa met 700 man een doorbraak te bewerken naar de edomitische legerflank (vs 26). Verwachtte hij van deze gedwongen bondgenoot van Israel de minste tegenstand of hoopte hij zelfs zich samen met de koning van Edom tegen Israel en Juda te kunnen keren? Als de doorbraak mislukt, ervaart hij de hachelijke situatie als aanwijzing van de toorn van de moabitische god Kamos over hem en zijn volk. In wanhoop slacht Mesa dan op de stadsmuur, voor vriend en vijand zichtbaar, zijn oudste zoon, ten brandoffer (zie Lev. 1) om Kamos’ toorn te stillen. De kroonprins zelf was kennelijk bereid zijn leven voor het vaderland op te offeren. Het doel wordt bereikt. Als een irrationele macht komt er een grote toorn over de Israëlieten, voor wie het mensenoffer een door de HERE afgewezen gruwel was (Mi. 6:7), en die dit offer nu wellicht ervaren als een door hun onbarmhartige verdelgingsoorlog veroorzaakte wanhoopsdaad van Mesa. Lamgeslagen door de vreselijke aanblik konden zij niet anders meer dan terugkeren naar hun land.

Elisa als weldoener 4:1 – 5:7

Olie voor een weduwe 4:1-7

Het lot van weduwen was in Israel miserabel. Zonder enig sociaal recht waren zij geheel afhankelijk van de hulp van God en de liefdadigheid van mensen. Vaak moesten zij schulden maken om wat voedsel te kunnen kopen. Konden zij niet op tijd terugbetalen, dan kon de schuldeiser de (half)wezen zes jaar lang als ‘schuldsla-ven’ (zie Ex. 21:1-11; Deut. 15:12-18; vgl. Am. 2:6; 8:6) in dienst nemen om de schuld te vereffenen. Dat dreigt voor de zonen van de weduwe van een godvrezend profeet des HEREN. De weduwe zou daarmee ook haar toekomstige kostwinners verliezen. De vrouw wendt zich tot Elisa (vs 1) als hoofd van de profetenschool, waartoe haar man had behoord, en daarmee als degene die zorgt draagt voor de leden van zijn school en hun nabestaanden. De situatie wordt gered door de aanwijzingen van Elisa, die leiden tot de wonderbaarlijke vermeerdering (vgl. Mat. 14:17-21; 15:34 w) van een kruikje olijfolie, waarmee zo veel vaten gevuld kunnen worden, dat met de opbrengst alle schuld ruimschoots vereffend en de toekomst voor de weduwe veilig gesteld kan worden (vgl. 1 Kon. 17:7-16).

De zoon van de Sunamitische 4:8-37

Ook hier wordt een vrouw in nood door de profeet geholpen. Elisa trok op zijn reizen vaak door (niet begaf zich naar) de oude stad Sunem (thans Solem) in het vruchtbare stamgebied van Issakar, N. van Jizreël, en at dan bij een welgestelde (‘grote’) vrouw. Omdat zij aanvoelt dat deze godsman niet alleen maar lid van een profetengilde, maar ook heilig, dwz. werkelijk aan God gewijd en daarom eerbiedwaardig is, laat zij, in overleg met haar man, een bovenkamer, een logeerkamer op het dak van het huis metselen en voor die tijd luxieus inrichten om de profeet op zijn reizen passend, met de nodige privacy te kunnen herbergen. Als Elisa er de eerste keer logeert wil hij uit dank voor haar goede zorgen (vs 13) graag wat voor de gastvrije vrouw doen. Hij laat haar door zijn knecht Gechazi, van wie we in vs 12 voor het eerst horen, vragen naar boven te komen. De vrouw komt naar boven en blijft op eerbiedige afstand voor de profeet staan (vs 12). Elisa heeft blijkbaar relaties in de hogere kringen en vraagt of hij bij de koning (in een rechtszaak of fiscaal?) of de legeroverste (voor het leveren van materiaal?) kan bemiddelen. Zij wijst dat af. Zonodig zou haar familie wel voor haar opkomen (vs 13). Weer alleen met Gechazi, wijst deze de profeet op het verdriet van haar kinderloosheid. Als zij, opnieuw geroepen, eerbiedig in de deuropening blijft staan, krijgt zij de belofte van een zoon, op deze zelfde tijd over een jaar (vs 16). Haar reactie lieg tegen uw dienstmaagd niet (SV) is geen uiting van spottende twijfel zoals bij Sara (Gen. 18:12) maar van vrees voor teleurstelling (vgl. vs 28). De teleurstelling komt. De zoon, het grootste geschenk voor oudisraelitische ouders, wordt wel geboren, maar wanneer hij later als jongen naar zijn vader en diens maaiers op het veld gaat, krijgt hij vreselijke hoofdpijn, blijkbaar door een zonnesteek (vss 18 v). Tegenover het laconieke gedrag van de vader, die de jongen alleen thuis laat brengen, valt de liefderijke voortvarendheid van de moeder te meer op, al horen wij niets over haar gevoelens. Zij neemt haar jongen op haar schoot, waar hij ‘s middags sterft. Dan legt zij hem op het bed van Elisa; ze doet diens kamer op slot en zegt niemand iets, want de jongen mag niet dood gevonden en dan begraven worden voordat zij de profeet geraadpleegd heeft, van wie zij kennelijk nog een wonder verwacht. Van haar man op de akker vraagt zij een ezelin met begeleider om naar Elisa te gaan. De man is verwonderd, omdat men blijkbaar alleen op de rustdagen, nieuwe maan en sabbat (Jes. 1:13 w; Am. 8:5) naar een profeet placht te gaan om hem te raadplegen of zich telaten onderwijzen. Op een rustdag kon de boer de knecht met de ezelin uiteraard ook beter missen. De vrouw snijdt de bezwaren van de man af met één woord: sjalom, dat zowel ‘het is wel goed’ als ‘gegroet’ betekent (vs 23). Als zij na een tocht van . Elisa’s woning op de Karmel nadert en deze haar ziet aankomen, stuurt hij Gechazi haar tegemoet om naar de welstand (driemaal sjalom) van haar en het gezin te informeren. Het antwoord is weer hetzelfde sjalom als in vs 23. Pas bij de profeet zelf grijpt zij als smekeling zijn voeten en uit zij haar verdriet, dat de HERE nog niet aan zijn profeet geopenbaard had (vs 27 to. Gen. 18:17; 1 Kon. 14:5; Am. 3:7), waarbij zij herinnert aan haar vrees voor teleurstelling destijds bij de belofte van de zoon (vs 16). Elisa zendt Gechazi met zijn staf (als representant van de profeet) om die over de hele voorkant (niet gelaat) van de gestorvene heen te leggen. Hij mag onderweg geen tijd verliezen aan langdurige oosterse begroetingen. De knecht gaat, maar moet onverrichter zake terugkeren (vs 29, 31). De vrouw had intussen Elisa bezworen zelf met haar mee te gaan (vs 30). In het huis gekomen strekt hij zich tweemaal (vss 34 v; Elia driemaal, 1 Kon. 17:21) over de jongen uit. Het gebeuren doet denken aan een mond-op-mond-beademing. Het vlees van de jongen wordt warm, dwz. zijn levenskracht keert terug, zoals blijkt als hij – na een tussenpoze en een tweede verwarming – zevenmaal niest (in Egypte teken van herstel) en de ogen opent. Elisa laat Gechazi, die bij de ontmoeting onderweg mee terug gegaan moet zijn, de moeder roepen en dan zegt de profeet alleen: Neem uw zoon op. Ontroerd en dankbaar valt zij aan Elisa’s voeten neer en heel sober eindigt de geschiedenis: Zij nam haar zoon op en ging naar buiten. Geen spoor van verheerlijking van de profeet; elke gedachte aan magie wordt afgeweerd door de nadruk op Elisa’s voorbede (vs 33, vgl. 1 Kon. 17:20 vv). Niet de profeet, nog minder zijn staf kon het leven hergeven: de HERE alleen heeft het gedaan.

De dood in de pot 4:38-41

In vs 38 is weer onduidelijk welk Gilgal bedoeld is (zie bij 2:1 vv). Wellicht speelt het verhaal in de grote hongersnood van 8:1 w. Elisa draagt als leider van de profetenschool zijn knecht op in de grootste pot een moes (vgl. Gen. 25:34: ‘moes van linzen’) te bereiden. Omdat de gewenste groente (kaasjeskruid?) in het veld blijkbaar niet te vinden was, werden stukjes vrucht van een slingerplant gebruikt, maar die maakten de moes oneetbaar. Men denkt meestal aan kolokwinten of sodomsappels, kleine bittere meloenen die braakneigingen opwekken. De leerlingen denken dat het moes vergiftigd is (de dood, vs 40). De profeet weet de juiste remedie (vgl. 2:19-22; Ex. 15:25): door meeltoe te voegen neutraliseert Elisa de bittere smaak en kan de door God geïnspireerde profeet de honger stillen.

Wonderbare spijziging 4:42-44

Ook hier is sprake van hongerige mensen (hier honderd) die rijkelijk te eten krijgen van weinig (20) gerstebroodjes en wat koren (vgl. Mar. 6:35-44, enz.), door iemand uit (Bet)Baäl-Salisa (nu Kfar Tilt, . ten Z.W. van Samaria) aan de godsman geschonken als attentie van de nieuwe oogst (officiële eerstelingen, bestemd voor de

HERE en af te dragen aan het heiligdom (Lev. 23:17 vv) zijn hier blijkbaar niet bedoeld). Nadrukkelijk wordt vermeld dat met aan de profeet het wonder te danken is -hij is slechts bemiddelaar van Gods openbaring – maar aan de HERE die ook hier door zijn woord met overvloed zegent (vgl. Ps. 23:5), zodat men verzadigd wordt en nog overhoudt (vgl. Ruth 2:14; 2 Kron. 31:10).

De genezing van Naüman 5:1-27

1.Een profeet in Israel (5:1-14). Dit meesterstuk van hebreeuwse vertelkunst speelt in een tijd, waarin Aram (= Syrië) en Israel eens niet met elkaar in oorlog waren (vgl. 1 Kon. 20; 22; 2 Kon. 6:24 vv). De anonieme koning van Aram had een legeroverste,Naäman (= ‘de vriendelijke’), hoog in aanzien door zijn roemruchte krijgsdaden voor Aram (tegen Assyrië in de slag bij Karkar, 854 v.Chr.?), daden die voor de verteller te danken zijn aan de HERE, die immers ook buiten Israel regeert (Am. 9:7). Deze man kreeg een ernstige ziekte (vs 1) die de huid op sneeuw liet lijken (vs 27), hetgeen volgens sommigen op de vlokkige witte schilvers van psoriasis zou wijzen en niet op echte melaatsheid, waarbij men in de oudheid gedoemd was buiten de samenleving te vertoeven (deze ziekte zou volgens enkele geleerden ook pas door Alexanders leger in de 4e eeuw v.Chr. uit India in Israel zijn geïmporteerd). Het slavinnetje van zijn vrouw, afkomstig van uit Israel geroofde meisjes, attendeert hem op de profeet in Samaria, die hem zou kunnen genezen (vs 3). Met een brief van zijn koning en een grote hoeveelheid zilver, goud en kostbare kleren (een talent was toen ca. ., een sikkel ca. 12 gr.) gaat Naäman naar de koning van Israel. Volgens oudoosterse etiquette schrijft de koning ook in zulke ‘medische’ kwesties aan zijn collega om via hem de genezer te benaderen. De koning van Israel vat de brief echter als oorlogsprovocatie op; hij meent dat van hem zelf genezende kracht verwacht wordt, zoals die in het Oude Oosten inderdaad aan koningen werd toegedacht, maar een Israelitische koning weet dat de macht over ziekte, over dood en leven niet bij hem ligt. Als teken van wanhoop scheurt de koning zijn kleren (vs 7). Elisa die blijkbaar met het wel en wee van de koning vertrouwd was, biedt vrijwillig zijn diensten aan. Naäman moet maar naar hem komen; dan zal hij ervaren dat er een profeet in Israel is (vs 8), zoals het slavinnetje hem had gezegd (vs 3). Bij het huis van Elisa gekomen, krijgt Naäman niet de persoonlijke behandeling (een ritueel onder aanroeping van de naam des HEREN) die hij verwacht had, maar tot zijn verontwaardiging alleen het advies via een bode om zich zeven maal (7 als getal van totaliteit) in de Jordaan te baden (vss 10 v). Naast de kwetsende bejegening voelt hij niets voor een bad in de modderige Jordaan. Dan liever in de schone rivieren van zijn eigen land, de Abana enParpar (resp. ontspringend in de Antilibanon en de Hermon). Slechts dank zij zijn dienaren die hem weten te overreden volgt hij Elisa’s raad toch op en wordt hij genezen.

2.Geen god dan in Israel (5:15-19): Naäman beseft dat hij zijn genezing uiteindelijk aan de God van Elisa te danken heeft. Dankbaar gaat hij naar het huis van de man Gods terug en legt hij een monotheïstisch klinkende belijdenis af. Voor hem bestaat voortaan geen andere God dan die van Israel. Als hij de profeet uit dankbaarheid een geschenk aanbiedt, weigert deze het (vgl. Mat. 10:8). Niet hij, maar de HERE heeft de genezing geschonken en Die geeft zijn heil en zegen gratis.

Naämans dienen van de HERE in Aram roept twee problemen op, waarmee proselieten door de eeuwen heen te maken kregen: le Vreemde grond gold voor de dienst des HEREN als onrein (Am. 7:17). Daarom vraagt Naäman aarde uit Israel te mogen meenemen om daarop een altaar voor de HERE te bouwen (vs 17). 2e In Aram zal Naäman uit hoofde van zijn functie (zie bij 7:2) regelmatig de koning (zijn heer) moeten begeleiden en mee zich neerbuigen als hij de syrische god Rimmon in diens tempel gaat vereren. Zal de HERE hem dat dan niet als zonde’aanrekenen? (vs 18). Van zielzorgelijk begrip voor de pasbekeerde getuigt Elisa’s antwoord: Ga in vrede, een formule die in andere oosterse teksten steeds een positieve reactie aanduidt.

Voor de prediking van de perikoop (5:1-19) ligt alle accent op de belijdenis van de HERE als enige God die helpen kan en wil (vs 15), mits men eigen weerstanden overwint en zich aan zijn woord toevertrouwt (vss 1014).

3.De hebzucht van Gechazi (5:20-27). Tegen Elisa’s weigering van enige beloning (vs 16) steekt de hebzucht van Gechazi schril af. Deze begrijpt niet dat zijn meester die Arameeër (denigrerende aanduiding voor de man die het door Israel gehate volk behoorde) niet het nodige afhandig heeft gemaakt en besluit met een eed dat verzuim gauw achter Elisa’s rug om in te halen (vs 20). Met de leugen, dat er twee (arme?) profeten bij Elisa op bezoek gekomen zijn, aan wie hij graag een talent zilver en kleren (vgl. bij vs 5) zou geven, troggelt hij dat van Naäman af. Deze is blij dat hij zijn dank toch nog kan tonen en geeft het dubbele van het gevraagde zilver. Thuis bergt Gechazi de geschenken op. Binnen bij Elisa, die in de geest alles heeft meegemaakt, ontmaskert deze de leugen van Gechazi (vss 25 v). Vs 26b dient men aldus te lezen: ‘Nu gij geld hebt aangenomen, wilt gij daarvoor zeker kleren, olijfbomen, wijngaarden, enz. aanschaffen?’In plaats daarvan krijgt hij als straf voor zijn misbruik van de profetische autoriteit en zijn hebzuchtig gedrag – in ruil voor Naämans zilver de ziekte (zie bij vs 1) van Naäman erfelijk in zijn familie.

De drijvende bijl 6:1-7

Het leerhuis, waar profetenleerlingen tegenover Elisa zitten (ipv. wonen) om zijn onderwijs te volgen, is te klein geworden voor het grote aantal leerlingen. Bij de bouw van een groter onderdak ergens bij de Jordaan valt het ijzeren blad van een geleende bijl in het water (speciale zorg voor iets dat niet van jezelf is!). De profeet komt te hulp door hout in het water te gooien. Naast het drijvende hout kwam ook het ijzeren bijlblad naar boven.

Elisa en de arameese oorlogen 6:8-7:20

Ook hier blijven de koningen anoniem (vgl. 5:1 w). Het gaat om de plaats van de profeet en daarmee van de HERE, ook in het politieke gebeuren zoals dat van de oorlogen met Syrië (eind 9e eeuw v. Chr.).

De Arameeërs misleid 6:8-23

Herhaaldelijk (vs 10 slot) maakte Elisa – uiteraard door goddelijke openbaring – aan Israels koning de geheime plaatsen bekend, waar de koning van Aram zijn legerkamp had opgeslagen om van daaruit het zwakkere leger van Israel te bestoken, wanneer het er voorbij zou trekken. Als gewaarschuwd man kan Israels koning telkens weer die gevaarlijke plaatsen met zijn leger uit de weg gaan (vs 10). De wanhopige koning van Aram denkt aan verraad in eigen kring, maar als een officier hem erop wijst dat Elisa alles, zelfs het in het grootste geheim besprokene weet en aan de koning van Israel doorgeeft (vss 11 v), wil hij de profeet, die in Dotan (ca. ten N. van Samaria) blijkt te zijn, laten arresteren. Beseffend dat een Godsman niet zomaar gevangen kan worden (vgl. 1:9 vv), laat hij een hele legerbende de stad ‘s nachts omsingelen. Elisa weet natuurlijk dat het op hem gemunt is, maar ziet zich van Godswege beschermd door een vurige legermacht (vgl. 2:12), sterker dan die van Aram (vs 13-17). Op Elisa’s bede worden ook de ogen van Elisa’s knecht ervoor geopend maar’ die van de Arameeërs met geestelijke blindheid geslagen, zodat deze zich laten misleiden door Elisa die hun zegt dat ze in een verkeerde stad zijn, maar dat hij hen wel naar Dotan en de gezochte profeet zal brengen. Na in Samaria gekomen, gaan hun ogen open voor het gebeurde. Als Israels koning de profeet met de gebruikelijke titel mijn vader (getuigend van respect voor de goddelijke autoriteit van de profeet) vraagt de Arameeërs te mogen doden (vs 21), wijst Elisa dat af. Zelfs krijgsgevangenen hebben recht op een goede behandeling. Het onthaal dat zij dan krijgen, werkt ontwapenend! (vs 22 v) en toont hun vooral een barmhartigheid, waar alleen de God van Israel de zijnen toe beweegt.

Het beleg van Samaria 6:24-7:20

Wij worden hier naar een veel latere tijd verplaatst: een nieuwe oorlog en een situatie waarin Elisa niet als ‘s konings vriend maar als staatsgevaarlijk vijand wordt beschouwd (vs 31 v), die niettemin het reddende woord des HEREN vertolkt (7:1).

1.Hongersnood (6:24-30). De arameese Benhadad (III?, dan na 797 v.Chr.) wil het moeilijk te veroveren Samaria (vgl. 17:5) door uithongering tot overgave dwingen. De honger wordt ondragelijk. Zelfs onreine dingen die normaal nooit gegeten werden, zoals de kop van een ezel (onrein op grond van Lev. 11: lvv), en een maat (1,5 ä 3,5 1.?) duivenmest werden als voedsel duur betaald (80, resp. 5 x 12 gr zilver). Zelfs kwam men van honger tot kannibalisme (vs 25; vgl. oa. Lev. 26:29; Deut. 28:53 vv; Jer. 19:9)’door het eten van eigen kinderen, zoals blijkt uit de kreet om hulp van een vrouw die recht zoekt tegenover een lotgenote, die haar zoon verborgen heeft, nadat die van eerstgenoemde is opgegeten. De roep, gericht tot de koning terwijl hij de stadsmuren inspecteerde, wordt door deze eerst verkeerd begrepen als een smeken om voedsel en daarin zou alleen de HERE kunnen helpen (vs 27). Daarna beseft de koning dat hij als hoogste rechter te hulp geroepen wordt en kan zij de gruwelijke zaak hem voorleggen (vs 28). Geschokt scheurt de koning zijn kleren en doet hij een harige zak om het lijf ten teken van rouw (vs 30) en deemoed in de hoop ophulp van de HERE. Tegelijk zoekt hij een zondebok.

2.De rol van Elisa (6:31-7:2). Gedachtig aan de hongersnood ten tijde van Elia (1 Kon. 17:1,18) krijgt Elisa van de ellende de schuld en de koning zweert (vgl. 1 Kon. 2: 23; 19:2; 20:10) de profeet te laten onthoofden (omdat Elisa had vermaand de stad niet over te geven?). Terwijl Elisa in zijn woning met de oudsten (de leidslieden) van de stad in beraad is, laat God hem in de geest zien (vgl. 5: 26) dat er een bode namens de koning naar hem op weg is om hem te doden en poogt Elisa met een retorische vraag ook het geestesoog van de oudsten te openen voor de nadering van de bode van de moordenaarszoon (niet letterlijk te verstaan als ‘zoon van een moordenaar’, bv. van Achab, maar gewoon als ‘moordenaar’, vgl. ‘adderengebroed’, Mat. 3:7) en van de koning daar achter aan (vs 32). Uit het in vss 32 v verhaalde, dat wat ingewikkeld lijkt, is wellicht het volgende af te leiden: Nadat de bode met zijn moordopdracht was uitgezonden, heeft de koning zich blijkbaar bedacht en is hij hem achterna gegaan om het moordplan te voorkomen en om juist de noodsituatie aan de profeet voor te leggen. Door Gods openbaring hiervan verwittigd, laat Elisa zijn deur sluiten voor de bode, maar laat hij de koning binnen (in vs 33 is wel ‘koning’ ipv. bode te lezen, in het Hebr. bijna hetzelfde woord), die Elisa erop wijst, dat de vreselijke noodsituatie alleen door de HERE gezonden kan zijn en dat daarom op een uitredding door Hem niet te hopen valt, dwz. dat overgave aan de vijand nog slechts overblijft. In Gods naam mag Elisa dan het einde van de misère aankondigen (7:1). De volgende dag zal er weer voedsel voor vrijwel de normale prijs te koop zijn (1 sea-maat is ca. 12 1., 1 sikkel 12 gr. zilver) bij de poort, het plein voor rechtshandelingen, maar ook voor de markt (vs 1). ‘s Konings adjudant, de man op wiens hand hij steunt (vgl. 5:18) uit spottend zijn ongeloof: Al zou de HERE vensters in de hemel maken, dan zou Hij daaruit hoogstens regen, maar geen voedsel kunnen laten vallen. De spot met de profeet en zijn goddelijk woord kost hem het leven (vs 17, vgl. 2:23 w).

3.De melaatsen en de bevrijding (7:3-20). Vier melaatsen, als zodanig gedoemd buiten de samenleving te bivakkeren (Lev. 13:46; Num. 5:3), krijgen door de hongersnood geen eten meer uit de stad en proberen tegen het donker (om door de Samariërs niet gezien te worden) hun heil bij de vijand te gaan zoeken. Daar vinden zij het kamp verlaten. De Arameeërs zijn gevlucht op een door de HERE ingegeven gerucht van de nadering van een grote legermacht tegen hen (voor Hethieten en Misraim, vgl. 1 Kon. 10:28). Het in de haast achtergelaten voedsel en bezit vormt een welkome buiten voor de melaatsen (vs 8). Daarna begint hun geweten te spreken. Ze voelen zich strafwaardig als zij het blijde nieuws van de bevrijding niet diezelfde nacht nog in de stad gaan melden. Als de koning het nieuws hoort, denkt hij aan een krijgslist van de Arameeërs: ‘zij hebben zich vast ergens verscholen om ons te verleiden de stad uit te komen, ons gevangen te nemen en de stad in te nemen’ (vs 12). Weer blijkt een ondergeschikte verstandiger op de situatie te reageren dan de superieur (vs 13, vgl. 5:13). Hij stelt vooreen stuk of vijf paarden die er nu nog zijn, maar die bij een voortduren van het beleg toch geslacht zouden worden, te gebruiken voor het verkennen van de situatie. Zo gaan twee wagens met paarden, uiteraard bestuurd door wagenmenners, het spoor van de gevluchte Arameeërs na tot aan de Jordaan. Overal vinden zij op de vlucht weggeworpen gerei. Als zij met goed bericht terugkeren, stroomt de stad leeg naar de legerplaats, waar oa. zoveel voedsel is, dat het woord des HEREN van vs vervulling gaat (vs 16). Maar ook de strafaankondiging van vs 2 gaat in vervulling (vs 17). Bij wijze van inclusie is het verhaal (door een latere redactor?) afgesloten met een teruggrijpen naar het begin van het profetische optreden van Elisa tijdens het beleg (vss 1-2).

De koning en de Sunamitische 8:1-6

Vs la legt verband met 4:8-37, waarop 8:lb-6 een later vervolg is. Het feit dat de koning niets van Elisa’s grote daden weet (vs 4) doet vermoeden dat Joram inmiddels is opgevolgd door Jehu. De gegoede vrouw gaat, gewaarschuwd door Elisa, met haar gezin zeven jaar als vreemdeling in het land der Filistijnen (het Z.W. kustgebied van Palestina) wonen om het Godsgericht van een hongersnood (door droogte?) te ontgaan (vgl. Gen. 12:10; 26:1; Ruth 1). Bij haar terugkeer is haar land bij anderen in gebruik. Was het door haar verpacht? Of vervielen verlaten landerijen na een tijd aan de kroondomeinen, zoals men wel meent? In elk geval was haar eigendomsrecht, dat in primitieve samenleving onafscheidelijk is van het feitelijk gebruik van de bodem, niet gegarandeerd. Vandaar haar juridisch beroep op de koning, dat succes heeft dank zij het verhaal van Gechazi en de ‘toevallige’ ontmoeting (vss 4 v).

Elisa in Damascus 8:7-15

Elisa is blijkbaar in de arameese hoofdstad met een politieke bedoeling, in het verlengde van Gods opdracht aan Elia om Hazaël tot koning te zalven als tuchtroede voor Israel (1 Kon. 19:15-17). Als de zieke koning Benhadad, Zoon van de stormgod Hadad’, (elders Adadidri ‘Hadad is mijn hulp’ genoemd) van Elisa’s aanwezigheid hoort, zendt hij zijn vertrouweling Hazaël (‘God ziet’) tot hem om via de profeet die sinds de genezing van Naäman (2 Kon. 5) een goede reputatie in Damascus had, de God van Israel te consulteren. Voor het consult krijgt hij zoveel kostbare geschenken uit het handelscentrum Damascus mee dat ze door 40 kamelen moesten worden vervoerd! Hazaël gaat voor Elisa staan (uiting van respect) en legt de vraag van de koning voor, die uw zoon wordt genoemd (ook uiting van eerbied voor de profeet die als zijn vader wordt aangesproken, 6:21). Een groot probleem is vs 10a. Door de in het Hebr. gelijkluidende woordjes voor ‘tot hem’ en ‘niet’ wordt het antwoord van Elisa tegengesteld vertaald. Luidde het ‘Ga heen en zeg: gij zult gewis niet herstellen’, dan loog Hazaël bij de koning (vs 14). Zei Elisa: ‘Ga en zeg tot hem: gij zult gewis herstellen’, dan hield Elisa de waarheid voor de koning verborgen, niet uit een soort pastorale zorg, waardoor hij de ernstige zieke in dit stadium het vonnis nog wilde besparen, maar veeleer als ingebouwd in Gods plan, hoe ethisch-aanstotelijk dat ook voor ons is (vgl. 1 Kon. 22:15). De volgens sommigen later toegevoegde vss 11-13, waarin de HERE aan de profeet in verbijsterendetrance de toekomstige wreedheden van Hazaël jegens Israel laat zien (vgl. 10:32 v; 13:3; Hos. 14:1; Am. 1:13) werken retarderend in het verhaal. Pas als Hazaël de aantijging afweert met zijn onmacht en nederige positie: uw knecht en een hond, termen die in het Oude Oosten vaak werden gebruikt als zelfvernedering tegenover een meerdere, maakt Elisa hem Gods openbaring aangaande zijn toekomstige koningschap (vs 13) bekend.

Hoe ook Elisa’s consult (vs 10) geluid heeft, Hazaël brengt het aan zijn heer over als belofte van herstel (vs14) , wellicht om zo te voorkomen dat de koning zijn erfopvolging zou gaan regelen. De volgende dag laat Hazaël de koning de verstikkingsdood sterven door een nat ‘net’ (het muggennet boven het bed, of een deken?) en trekt de moordenaar (zo Josephus, Ant. 9,4,6), in assyrische teksten ‘een zoon van niemand’ dwz. een usurpator genoemd, het koningschap aan zich (rond 843 v.Chr.).

Joram van Juda 8:16-24

Na de onderbreking door de verhalen over Elisa (2:1-8:

15) wordt de geschiedenis van de koningen nu voortgezet. Over de achtjarige regering van Joram (‘de HERE is verheven’), gehuwd met At al ja (vs 26) dochter van Achab van N-Israel, wordt weinig verteld, omdat hij niet ging in de voetsporen van zijn vader Josafat, een trouw dienaar des HEREN, maar in die van zijn goddeloze schoonouders, de baäldienaars Achab en Izebel (vgl. 2 Kron. 21). Toch hield de HERE het rijk van Juda en de dynastie nog in stand op grond van zijn belofte aan David de lamp van diens dynastie brandende te houden (1 Kon. 11:36; 15:4). Wel werd Gods oordeel voelbaar in de politieke verzwakking van Juda, waardoor Edom met zijn belangrijke handelsbasis voor Joram verloren ging. Joram poogt nog Edoms opstand te onderdrukken met zijn leger. Maar bij Saïr (ergens ten Z. van de Dode Zee?) wordt zijn leger door Edomieten omsingeld, ‘s Nachts weet het wel een aantal edomitische omsingelaars te doden en door de linies heen te breken, maar daarmee werd alleen de vlucht voor de Israëlieten mogelijk (zo is vs 21 waarschijnlijk te verstaan). Edom bleef onafhankelijk en de vestingstad Libna (vgl. 19:8) dichtbij het filistijnse gebied volgde met zijn opstand het voorbeeld van Edom.

Achazja van Juda 8:25-29

Van Achazja (‘de HERE heeft aangegrepen’), die nog geen jaar regeerde, geldt eenzelfde negatief oordeel als van zijn vader Joram, vanwege beider houding tegenover de dienst des HEREN. Die houding was te wijten aan de verzwagering met het huis van Achab. Bedoeld is dat zijn vader gehuwd was met Achabs dochter (hier ‘dochter’ = kleindochter van Omri, de stichter van de dynastie), die ondanks haar mooie naam Atalja (= de HERE is groot) slechte invloed uitoefende (2 Kron. 22:3). Verder lezen wij nog over Achazja in 8:29; 9:16 w. Zijn einde wordt verhaald in 9:27-29.

Jehu van Israel 8:28-10:36

Jehu is de bekendste in de reeks noordelijke koningen, die sinds Zimri (1 Kon. 16:8 vv) door moord op hun voorganger op de troon kwamen, zoals dat in de oudheid herhaaldelijk voorkwam (niet in Juda!).

De historische situatie 8:28 v.; 9:14b-15a

De situatieschets van 8:28 v wordt nagenoeg herhaald in 9:14b-15a, waardoor beide delen de inclusie vormen voor het bericht van Jehu’s aanwijzing tot koning (9:113). Joram van Israel heeft, blijkbaar geholpen door Achazja van Juda (8:28), met zijn leger de stad Ramot (Rama) in het overjordaanse Gilead betrokken om de bewegingen van het arameese leger onder koning Hazaël (vgl. 8:7 w) in de gaten te houden (9:14). In de slag die volgt raakt Joram, die als dappere, zelf meestrijdende koning (anders David, 2 Sam. 18:2-4) getekend wordt, gewond. Hij gaat ter genezing naar zijn buitenresidentie in Jizreeël, waar Achazja zijn gewonde oom komt bezoeken.

Jehu als koning aangewezen 9:1-13

Onder de strijders in Ramot bevindt zich Jehu, zoon van Josafat en (klein)zoon van Nimsi (vgl. 9:14, 20; 2 Kron. 22:7). Elia heeft zijn opdracht Jehu tot koning te zalven (1 Kon. 19:16 v) kennelijk doorgegeven aan zijn opvolger. Maar ook Elisa geeft de uitvoering over aan een lid van één zijner profetenscholen (vgl. 5:10), misschien omdat die gemakkelijker anoniem in Ramot kon doordringen. In het geheim, in een binnenste kamer van het huis waar het hoofdkwartier gevestigd was, zalft deze Jehu tot koning. Dat mag niet als een politieke zet van Elisa tegen Achabs dynastie worden verklaard; het gebeurt nadrukkelijk in opdracht van de HERE (vs 3,6), die uit zorg voor zijn volk (volk des HEREN, vs 6) dat onder de Omriden aan de Baäldienst ten prooi viel, een nieuwe koning aanstelt. Vs 7-10 wordt gewoonlijk beschouwd als latere toevoeging door redactoren die hier de vervulling van de strafaankondiging over Achabs huis (1 Kon. 21:21-23, zie daar) zagen naderen. De profeet vlucht na de zalving (vs 10b, 3) wellicht om nieuwsgierige vragen te ontwijken, te meer omdat een profeet blijkbaar als zodanig te herkennen was. De andere officieren noemen hem namelijk mesjokke ‘waanzinnig’, een woord, waarmee men een profeet blijkbaar op grond van zijn extatisch gedrag placht aan te duiden (Hos. 9:7). Zij stellen Jehu de vraag: ‘ls het (er) sjalom’ (vs 11, een woord dat hier en in vs 18 w als sleutelwoord fungeert en hier de zin heeft van: ‘Is er iets aan de hand?’). Jehu antwoordt ontwijkend: ‘Jullie kennen zulke profeten met hun vrome denken en praten’ (hetzelfde woord als overdenking in Ps. 119:97, 99). Op hun aandringen zegt Jehu de waarheid. De officieren blijken voor een staatsgreep tegen Joram te voelen (of denken zij dat de gewonde Joram spoedig zal sterven?) en proclameren en behandelen hem (vgl. Mat. 21:8) als koning (vs 12 v). De voorbereiding van de samenzwering tegen Joram werd vergemakkelijkt doordat deze niet meer in Ramot, maar in Jizreël was.

Joram en Achazja gedood 9:15b-29

Als Jehu de steun van zijn mede-officieren blijkt te hebben, is zijn eerste zorg met een groep soldaten en krijgs-wagens Joram in Jizreël uit de weg te gaan ruilen. Van dat plan mag Joram uiteraard niets weten (vs 15b). De wachter ziet van de wachttoren af in de verte de troep opdoemen, bericht het aan de koning, wiens paleis blijkbaar tegen stadsmuur en uitzichttoren aangebouwd was. De koning, uiteraard benieuwd naar de toestand van zijn leger in Ramot, zendt een ijlbode te paard uit met de vraag ‘Gaat het goed (met mijn leger)?’ (weer met het sleutelwoord sjalom, vs 11 en 7 maal in vss 19 w). Jehu antwoordt bars: ‘Daar heb je niets mee te maken’ en houdt de ruiter vast. Een tweede ruiter vergaat het precies zo. Inmiddels is de groep zo dichtbij gekomen dat de stadswachter aan de woeste manier van rijden ziet dat Jehu eraan komt. Als de hoge officier zelf komt, moet er in Ramot wel iets ernstigs gebeurd zijn, zo moet Joram gedacht hebben. Daarom rijdt hij argeloos, vergezeld van zijn neef Achazja, ondanks zijn wonden Jehu tegemoet. Ze treffen elkaar op de akker van Nabot (niet de ‘wijngaard’ van 1 Kon. 21). Als ook Joram Jehu belangstellend vraagt of het goed staat (weer: Ts het sjalom’), krijgt hij onverwachts het beschuldigende antwoord: ‘Hoe kan het goed gaan, zolang…’ (vs22). De hoererijen en toverijen van Izebel zijn niet letterlijk bedoeld, maar doelen op de door haar gepropageerde dienst aan de Baäls en Astartes, met zijn gewijde prostitutie en magische praktijken (vgl. Hos. 4:10 vv), waarmee zij haar zoon Joram geïnfecteerd had. Aan de barse toon van Jehu’s antwoord moet Joram de kwade bedoelingen van zijn officier gemerkt hebben. Hij poogt te vluchten onder het roepen van verraad (‘bedrog’), maar wordt door Jehu’s pijl dodelijk getroffen (vs 24).

Daarop vlucht Achazja in de richting van Bet-Haggan (‘Tuinhuize’ = En Gannim, ‘Tuinbron’, Joz. 19:21), ten Z. van Jizreël; voor die plaats, op een helling bij Jibleam wordt hij ingehaald en ook getroffen. Hij weet nog naar Megiddo (ca. ) te vluchten, maar sterft daar aan zijn verwondingen en wordt in zijn residentiestad begraven. (Volgens 2 Kron. 22:9 zou hij echter in Samaria door Jehu zelf zijn gedood. Is dat in tegenspraak met Kon. of is daar ‘het land Samaria’ bedoeld?). Men kan zich afvragen waarom ook Achazja gedood werd. Om te voorkomen dat hij het bloed van zijn oom zou wreken?

Intussen is volgens vss 25 v (veelal als latere toevoeging beschouwd) het lijk van Joram door Jehu’s adjudant Bidkar (eigennaam of ‘een lansknecht’?) op de akker van Nabot gegooid. Zo wil Jehu laten zien dat nu het vonnis over Achab en alle mannen van zijn geslacht – als straf over zijn moord op Nabot (hier: en zijn zonen) – definitief wordt voltrokken. De toen door Elia gesproken Godswoorden (1 Kon. 21:19 w), waar Jehu getuige van zegt te zijn geweest, worden door Jehu vrij geciteerd. Voor Achab zelf is Gods vonnis in 1 Kon. 22:38a vervuld (zij het op een andere plek), voor zijn zoon Joram gebeurt het hier.

Het verschil tussen 11 e jaar (vs 29) en 12e jaar van Joram (8:25) is misschien te verklaren door aan te nemen dat Joram net 11 jaar geregeerd had en aan zijn 12e zou beginnen, waarbij in het ene geval dan sprake is van ‘voordatering’.

Izebel gedood 9:30-37

Hoewel Jorams moeder Izebel weet van diens dood (vs 31) en kan bevroeden wat haar te wachten staat, wil zij niet als een treurige geslagen vrouw, maar in haar volle waardigheid geschminkt en gekapt, haar lot tegemoet gaan. Zo staat zij voor het staatsievenster als Jehu nadert. Ze begroet hem (weer met de sjalomvraag, vss 18 vv) sarcastisch als Zimri, de eerste van Israels koningsmoordenaars, die zelf slechts een paar dagen regeerde (1 Kon. 16:19 vv). Een paar hovelingen die voor Jehu kiezen, werpen haar op Jehu’s aanwijzing naar beneden, waar ‘paarden haar vertrapten’ (zo te lezen). Na een good-will maaltijd met de notabelen vindt Jehu dat de vervloekte als koningin toch wel begraven moet worden, maar dan is het te laat. De honden hebben haar verslonden, hetgeen Jehu duidt als vervulling van de – ruim geïnterpreteerde – voorzegging van Elia (1 Kon. 21:23).

De hele clan van Achab gedood 10:1-17

Hoewel heer en meester in Jizreël, had Jehu in de hoofdstad Samaria, waar nog 70 (rond getal voor het totaal) mannelijke zonen (= nazaten) van Achab verbleven, nog concurrentie te vrezen. Daar de sterke vestingstad Samaria nauwelijks te veroveren was, probeert Jehu met bluf de notabelen van de stad op zijn hand te krijgen. Hij stuurt brieven aan de leidslieden van land en stad (te lezen ‘van de stad’ ipv. Jizreël) en aan de opvoeders (de aanzienlijken in wier gezin één of meer prinsen werden verzorgd en opgevoed) en daagt hen uit de beste van Achabs nazaten als tegenkoning op de troon te brengen en dan tegen Jehu de strijd aan te binden. Gezien het gebeurde met Joram en Achazja zien zij elke strijd tegen Jehu als zinloos (vs 4) en, daarin voorgegaan door het hoofd van het paleis en de stadsprefect, onderwerpen zij zich geheel aan Jehu. Op diens bevel worden alle prinsen onthoofd en hun hoofden ‘s avonds naar Jizreël gebracht en daar – naar assyrisch voorbeeld – op twee hopen bij de stadsingang gelegd (vs 8) om de bewoners van de stad als zij ‘s morgens het lugubere schouwspel zien, schrik in te boezemen voor de nieuwe machthebber. Jehu stelt hen ‘s morgens gerust met de woorden: Jullie zijn onschuldig en hebben dus geen kwaad te vrezen. Voor de dood van Joram neemt hij zelf de verantwoordelijkheid op zich, maar voor de gedode prinsen stelt hij de vraag: wie heeft deze omgebracht? De bevelgever of de uitvoerders? Uiteindelijk, zo zegt Jehu, geen van beiden, maar de HERE, wiens door Elia gesproken woord (1 Kon. 21:21) hier vervuld wordt (vs 10), en daarvoor kan Gods volk immers slechts respect hebben? Met die uitspraak legitimeert hij tevens de moorden die hij nog gaat aanrichten onder allen die in Jizreël banden hadden met de dynastie van Achab en die wellicht nog een bedreiging voor Jehu zouden kunnen betekenen: hoge functionarissen, vrienden en priesters, zowel baälpries-ters van Izebel als de priesters van Joram, die in naam nog priesters van de HERE waren.

Op weg naar de hoofdstad Samaria treft hij nabij het herdersdorp Bet-Eked (‘Huis van Binding’, ligging onbekend) een groep familieleden van Achazja van Juda {broeders in ruime zin te nemen, vgl. 2 Kron. 22:8), die hun neefs en tante, de zoons en de gemalin van Joram in Jizreël een condoleance (?)-bezoek gaan brengen (vss 12 v). Of de Judeeërs wisten nog niet van de bloedbaden uitvs 1-11, óf het gebeurde uit vs 13 v had plaats vóór die slachtingen. Voor Jehu is hun sympathie met het noordelijke koningshuis, waarin een potentiële bedreiging voor hem zou kunnen liggen, reden genoeg om hen allen (42, zie 2 Kon. 2:24) te laten afslachten en in een waterput te gooien. Een volgende ontmoeting onderweg (vss 15 v), die in het verhaal, evenals vss 12-14, een retarderend element brengt, betreft die met Jonadab (‘de HERE heeft gestimuleerd’?), de stamvader van de Rek-kabieten (Jer. 35:6), sober, nomadisch leverde, bij het volk geëerde, trouwe aanhangers van de HERE. Ook hem weet Jehu voor zijn zaak te winnen op grond van zijn ijver, zijn fanatieke toewijding voor de dienst des HEREN, die door Jehu echter nog al eens werd misbruikt om zijn eigen politieke doeleinden te realiseren (vgl. bij vs 31). Zo wordt ook zijn uitroeien van de laatste resten van de aanhangers van Achab (en Joram) in Samaria gedekt met het woord des HEREN tot Elia (vgl. vss 10 v).

DeBaäldienst uitgeroeid 10:18-29

Na het uitroeien van mogelijke politieke rivalen rekent Jehu nu af met de Baäldienst, die in Samaria onder de Omriden, vooral door Izebel, de dienst des HEREN grotendeels verdrongen had. Onder de bedriegelijke voorspiegeling, als zou hem, Jehu, de Baäldienst minstens evenzeer ter harte gaan als Achab, die de baältempel in Samaria had laten bouwen (1 Kon. 16:32), organiseert hij een groots offerfeest voor Baäl en roept het gehele volk, dwz. ‘alle bewoners van Samaria’ op om alle baäl-profeten en -priesters van Samaria (die van Jizreël waren al omgebracht, vs 11) en alle baaidienaars van heel Israel bijeen te brengen in de tempel en een godsdienstige plechtigheid voor te bereiden, waarvoor de deelnemers zich moesten heiligen, di. ‘ritueel voorbereiden’ (vss 20 v, vgl. Joël 1:14; 2:15), o.a. door de eigen, profane kleren te verwisselen voor de speciale tempelkleding (vs 22). Tevens laat Jehu aanhangers van de dienst des HEREN (waarvan er blijkbaar in het syncretistische Israel ook wel in de baäldienst kwamen!) uit de tempel weren. Dan gaat Jehu, quasi als opperpriester, met zijn helpers uit de grote open voorhof, waar de menigte staat, naar de ernaast gelegen offerplaats (vs 24a). Na het offer beveelt hij zijn lijfwacht met de adjudanten, blijkbaar opgesteld tussen voorhof en offerplaats, de voorhof op te gaan en het beoogde bloedbad aan te richten (vs 25a). Wie poogde te ontvluchten werd buiten, voor de ingang van de voorhof, door de daar opgestelde 80 man (vs 24) neergeslagen. De lijken opzij gooiend banen Jehu’s mannen zich een weg, niet naar de stad(swijk) van de tempel – zij waren al in het tempeldomein -, maar naar het eigenlijke heiligdom (in Jeruzalem: ‘het allerheiligste’), waarin de godheid werd geacht te wonen. Daar halen zij het beeld van Baäl of de Asjera (houten symbool van de godin?) uit en verbranden het (stenen masseben kunnen niet worden verbrand; het woord uit vs 27 is wellicht per abuis ook in vs 26 geschreven). Voorts halen zij de massebe, het mannelijke vruchtbaarheidssymbool (zie Hos. 3:4) en het hele heiligdom neer en maken daar ‘latrines”van. Een grievender smaad is nauwelijks denkbaar. Vs 28 sluit met een positieve waardering (vgl. Deut. 12:2 vv), die in vs 29 echter wordt beperkt door Jehu’s voortgang met de dienst van de stierkalveren (vs 29).

Beoordeling van Jehu 10:30-36

De goedkeuring van Jehu’s bewind (vs 30) geldt toch niet volledig: 1. Ze is ingekaderd door de beschuldigende inclusie (vss 29, 31) van de kalverendienst van Jerobeam I. 2. De belofte aan de dynastie geldt slecht voor vier generaties (vgl. daarmee 1 Kon. 8:25). 3. Hij leefde niet met zijn gehele hart naar de aanwijzingen des HEREN (vs 31). Zijn ijveren voor de HERE gebruikte hij maar al te graag voor eigen politieke belangen, waardoor hij in zijn moorden veel te ver ging, zodat Hosea het ‘de bloedschuld van Jizreël’ noemt (Hos. 1:4). Vss 32 v tekent het verlies van Transjordanië als een oordeel des HEREN over Jehu’s ambivalentie tegenover de HERE en zijn dienst. Merkwaardigerwijs horen wij niets over Jehu’s onderwerping en tribuut aan de assyrische koning Salmanassar III, ca. 840 v.Chr.

Atalja en Joas in Juda 11:1-20

Na de dood van A chazja (9:27) neemt zijn moeder Atalja (dochter van Achab en de Tyrische Izebel?, vgl. 8:18) als koningin-moeder (een belangrijke figuur in Israel: ‘gebiedster’, 1 Kon. 15:13) de regering over Juda in handen. Deze fanatieke baäldienares versterkt haar eigen machtspositie door – wellicht gestimuleerd door de noordelijke moordpartijen van Jehu – alle nog resterende prinsjes (vgl. 10:17 v; 2 Kron. 21:1-4,16 v) en daarmee de hele davidische dynastie uit te moorden. Prins Joas, nog baby, wordt op tijd door zijn tante Jehoseba (‘de HERE heeft gezworen’) ontvoerd, tijdelijk met zijn voedster in de beddenkamer (=’slaapkamer’ of ‘bergplaats voor beddegoed’?) gebracht en vervolgens verborgen gehouden in het aan het paleis grenzende tempeldomein, waar haar man (hoge?)priester Jojada (vs. 4; 2 Kron. 22:11 v) een woning had.

Na zes jaar komt de staatsgreep, die hier uitgaat van de clerus. Priester Jojada (‘de HERE weet’) krijgt de officieren van de lijfwacht (‘Kariërs’, afkomstig uit Klein Azë = Kretl, ‘Kretenzen’, uit 1 Kon. 1:38?) en van de paleisgarde (vgl. 10:25; 1 Kon: 14:27) onder ede mee’ in een samenzwering tegen Atalja, die zich inmiddels ook bij hen gehaat heeft gemaakt. De vss 5b, 7,8 beschrijven het plan, de vss 9-12 de uitvoering (vs 6 is verklarende glosse, te lezen na vs 7). Het plan gaat uit van de driedeling van de genoemde wachten, waarvan op sabbat slechts 1/3 het paleis bewaakte (vs 5) en 2/3 uit hun verblijf op het paleisterrein ‘uitrukte’ (NBG vrijaf kregen is onjuist) om de tempel te bewaken, uiteraard vanwege de vele tempelbezoekers en met het oog op de koning (vs 7 slot), die bij zijn tempelbezoek extra met schilden (vs 10) bescherming kreeg (1 Kon. 14:27 v). Vs 6 preciseert dan waar twee van de drie delen op sabbat plachten te staan. In Jojoda’s plan moeten nu alle drie de geledingen een kordon rond de jonge Joas vormen, zowel wanneer hij de tempel uitkomt (vss 8,12) als wanneer hij later het paleis ingaat (vss 8,19). De bescherming met de speer en de schilden van David (vs 10; 2 Sam. 8:7, tijdens Rechabeam door nieuwe vervangen) bedoelt Joas als wettige koning uit de dynastie van David aan te wijzen. Buiten het tempelgebouw (vs 12) krijgt hij de tekenen van dekoninklijke waardigheid: de gouden ‘wijdingsdiadeem’ (geen kroon) en de getuigenis, waarbij men öf denkt aan een afschrift van de 10 geboden, die de koning moest handhaven, of aan een protocol (vgl. Ps. 132:12) waarin de verplichtingen van de koning tegenover de HERE zouden zijn vastgelegd. Op de investituur volgt de zalving evenals bij de hogepriester (Ex. 29:6 v; Lev. 8:9 w). De vss 13-16 (door velen als latere inlassing beschouwd) melden Atalja’s komst naar het tempeldomein op het horen van het feestgedruis van het toegestroomde volk des lands, di. de vrijgeboren pro-davidische burgers van Juda’s platteland. Daar ziet zij de koning nu bij de zuil aan de ingang van het tempelgebouw (of: ‘op het daarvoor bestemde podium’ om voor ieder zichtbaar te zijn, vgl. 23:3). Zij voelt zich verraden, wordt buiten het tempeldomein gevoerd om dat niet te verontreinigen met het bloed van de baäldienende moordenaars, en wordt dan gedood in de ‘paardenpoort’ (Jer. 31:40; Neh. 3:28), de gewone koninklijke uitgang uit het paleis. Het koning-sceremonieel wordt afgesloten (vs 17) met twee ver-bondssluitingen, waarin Jojada bemiddelt: één tussen de HERE enerzijds en koning en volk anderzijds, waarmee laatstgenoemden zich samen verplichten de HERE alleen te dienen (Ex. 20:3) en één tussen koning en volk, waarin wederzijdse verplichtingen worden vastgelegd (vgl. 2 Sam. 5:3). Religie en politiek zijn in Israel, zeker bij een Davidide, nauw met elkaar verbonden. Nadat Jojada voorts wachtposten voor de tempel heeft geplaatst (om tegenacties te voorkomen?) laat hij de zevenjarige Joas naar het paleis geleiden en plaats nemen op de troon (vs 19). Intussen had het volk des lands de consequentie getrokken uit de op zich genomen verplichting van trouw jegens de HERE (vs 17) en was het de, stellig dank zij Atalja gebouwde tempel van Baäl (de Tyrische Melkart) gaan afbreken (vs 18). Uit vs 20 blijkt dat de Davidide Joas aanhang vond op het platteland maar dat de bewoners van Jeruzalem, die veel meer open stonden voor buitenlandse invloeden, zich, zij het niet van harte, bij de feiten neerlegden.

Joas van Juda 11:21-12:21

Inleidingen beoordeling 11:21-12:3

De gebruikelijke gegevens noemen als naam van Joas moeder Sibja (‘gazelle’?). De beoordeling van Joas is gelijk aan die van Josafat, ook wat betreft de hoogten (1 Kon. 22:43 v). Tijdens Joas’ jeugd heeft Jojada het bewind gevoerd, maar later heeft Joas zich blijkbaar aan de priesterlijke invloed ontworsteld en zelfs Jojada’s zoon laten doden, waardoor 2 Kron. 24:17 w tot een negatieve beoordeling komt.

Tempelrestauratie 12:4-16

Ten tijde van Atalja was het onderhoud van de tempel waarschijnlijk verwaarloosd. Joas neemt nu een restauratie ter hand met behulp van de tempelpriesters, over wie de koning zeggenschap heeft. Men vertale vs 4: ‘Joas zei tot de priesters: Al het geld van de heilige afdrachten dat in het huis des HEREN gebracht wordt (gangbaar geld), het hoofdgeld waarvoor ieder aangeslagen is en al het geld dat ieder uit de drang van zijn hart naar het huis des HEREN brengt,…’ Twee bronnen boort Joas dus aan: hoofdelijke omslag en vrijwillige bijdragen. Bij de verplichte gewijde afdrachten valt te denken aan de tienden en aan de eerstelingen van de oogst (Deut. 12:17 vv; 26:1 w) en van dieren, en voorts aan dieren die in plaats van de menselijke eerstgeborenen traden (Ex. 13:12 w), welke in later tijd, althans gedeeltelijk, vervangen werden door een vastgesteld geldbedrag (Num. 3:44 vv, 18: 15 v). Tot de vrijwillige afdrachten behoren oa. de geschatte geldwaarde van een als gelofte aan de HERE gewijd persoon, dier of onroerend goed (Lev. 27). Dat de priesters dat geld in ontvangst moeten nemen, ieder van zijn bekenden, is waarschijnlijk niet bedoeld. Eerder: ‘ieder via zijn incasseerder’ of wel ‘ieder van zijn eigen parochianen’ (vs 5). De actie mislukt, doordat de priesters het geld in de gewone tempelkas deden, waardoor een groot deel aan de kosten van eredienst en levensonderhoud op ging. In zijn 23e regeringsjaar (juist toen Joachaz Jehu in opvolgde, 13:1) roept Joas Jojada met zijn priesters ter verantwoording voor hun wanbeleid en ontheft hen van hun functie betreffende de restauratie (vs 6-8). Een speciale groep priesters, de dorpelwachters, moet het gebrachte zilver wegen en deponeren in een voor dit doel gemaakt offerblok bij de tempelingang, rechts van het brandofferaltaar (vs 9). Als er veel geld in zit, komen ‘s konings secretaris en hogepriester Jojada het offerblok ledigen, de ringen zilver ‘aaneenrijgen’ of ‘in bundels binden’ en tellen (munten waren er nog niet) en laten zij de restauratiearbeiders en leveranciers van de materialen ermee betalen (vs 10-12). In vss 13-16 worden, getuige de andere werkwoordsvormen, geen feiten, maar nadere voorschriften gegeven in aanvulling op die van vs 7: Er mag voor het geld uit het offerblok vooralsnog (vgl. 2 Kron.24:14) geen kostbaar tempelgerei (vgl. daarvoor 1 Kon. 7:50) ter vervanging van het door Atalja’s zonen geroofde (1 Kron. 24:7) worden gekocht (vs 13); er behoeft geen verantwoording van de uitbetalers te worden verlangd, er wordt van uitgegaan dat zij in hun taak ‘betrouwbaar’ zijn (vss 14 v); de opbrengst van schuld- en zondoffers – die ter vereffening van bepaalde individuele overtredingen werden gebracht (Lev. 5) en waarvan soms 1/5 van de waarde in geld moest worden toegevoegd (Lev. 5:16) – blijft bestemd voor het levensonderhoud van de priesters (vgl. Lev. 7:7-10).

De verzen 9-15 hebben een opmerkelijke parallel in 22:4-7,9b.

Bedreiging door Hazaël van Aram 12:17-18

Jaren later (tegen het eind van Joas’ leven? vgl. 2 Kron. 24:25) stuurt Hazaël, zelf reeds op hoge leeftijd, zijn leger om het filistijnse Gat, de stad die de belangrijke karavaanverbinding van Egypte naar ( = Syrië) beheerste en die sinds Rechabeam in judese handen was, te veroveren. Bevreesd voor een aramees beleg van Jeruzalem biedt Joas Hazaël een grote afkoopsom om de dreiging af te wenden en gebruikt daarvoor het goud uit tempel en paleis en alle gouden wijgeschenken van zijn voorouders. Op dezelfde manier had Asa (1 Kon. 15:18) vroeger de hulp van gekocht.

Dood van Joas 12:19-21

Zelf door een samenzwering koning geworden, sterftJoas ook door een samenzwering van zijn dienaren (hovelingen of officieren?), volgens 2 Kron. 24:25 als wraak voor Joas’ moord op Jojada’s zoon Zekarja. Dat gebeurt in het huis Millo (=’de Millo’, door Salomo gebouwd als vestingwerk dat de kloof tussen tempelplateau en Davidsstad opvulde, 1 Kon. 9:15,24; 11:27). Dubieus is of ‘afdalend naar (het onbekende) Silla’ bij ‘Millo’ hoort (een bouwwerk op een helling?) of op Joas betrokken moet worden: ‘toen hij afdaalde naar Silla’ (in dat geval = Millo) om de vesting te inspecteren. In het laatste geval moet de moord op zijn bed (2 Kron. 24:25) worden opgevat als ‘op zijn draagstoel’. Joas wordt wel in de stad van David begraven, maar niet in de koningsgraven (2 Kron. 21:20; vgl. Joram, 2 Kon. 8:24). Zijn zoon volgt hem op. Anders dan in Noord-Israel blijft de dynastie voortbestaan.

Joachaz en Joas van Israel 13:1-25, 14:15-16

Hun regering 13:1-2, 8-9, 10-13

Het bekende ‘deuteronomistische’ kader geeft de zogenaamde synchronistische datering (naar Joas van Juda), hun directe afstamming van Jehu, het voortduren van Jerobeams dienst van de stierkalveren (voor Joachaz in vs. 6 zelfs: de cultus van de gewijde paal, de Asjera, symbool van de vrouwelijke vruchtbaarheid), hun begrafenis in Samaria. Joachaz regeerde ca. 814-798, Joas 798-782 v.Chr. De vss 12 v vormen een doublure van 14:15v en passen beter na 13:25.

Oorlog met Aram 13:3-7, 22-25

Onder Joachaz’ regering heeft Israel te lijden van de overheersing door Hazaël van Syrië (vgl. 8:7 w) en in later tijd van Benhadad III (= Hadadezer). Zoals steeds in Koningen wordt de politieke toestand godsdienstig verklaard, hier als gevolg van Gods toorn over Joachaz’ kalverendienst (vs 2 v). Hazaël had Israel zulke vernietigende nederlagen toegebracht, dat er slechts een schijntje van het leger overbleef. De rest van het leger was vertreden als het stof dat bij het dorsen van het graan wegwaait en ergens op de grond terechtkomt (vs 7). Ingeraamd door het bericht over Israels ontrouw en de arameese overheersing (vss 2v, 6 v), horen wij in vss 4 v dat Joachaz onder de beklemming van de arameese onderdrukking de HERE om genade smeekte en op dat gebed Israel toch weer gespaard en nog niet aan de ondergang prijsgegeven werd. Dat retarderende element in het voltrekken van het definitieve oordeel keert terug in vs 23 (waar Gods erbarming wordt gemotiveerd met zijn belofte aan de aartsvaders) en in 14:26 v. De HERE zendt nu nog een redder, zoals Hij dat telkens in de tijd van de Richteren deed. Wie daarmee bedoeld is, is onzeker. De assyrische koning Adadnirari III die in 805 v.Chr. Syrië bestookte, waardoor Hazaël tijdelijk zijn handen van Israel moest aftrekken? Maar toen werd ook Israel vazal van Assur. Is dan Joas of Jerobeam II bedoeld, die na Hazaëls dood grote gebieden op Aram heroverden (vs 23, 14:27 v)? Of wellicht de profeet Elisa die Joas tot zijn acties tegen Aram aanzette (vs 14 w)? In elk geval betekent de inkadering van de redding door de voortgaande ontrouw van Israel (vss 2, 6) dat het uitstel van de ondergang slechts tijdelijk kan zijn.

Joas en de stervende Elisa 13:14-21

Anders dan Elia (2:1 w) heeft Elisa een gewoon menselijk sterfbed. Op zijn sterfbed krijgt hij bezoek van de diepbedroefde koning Joas, die beseft niet alleen een ‘vader’ als hoofd van een profetenschool, maar vooral ook als toevlucht in nood, als vader van het vaderland te verliezen. Vandaar ook de erenaam die Joas Elisa geeft: (krijgs)wagen van Israel en zijn bestuurder (vgl. 2:12), waarmee hij uitdrukt: Elisa heeft door zijn hulp in krijg-snood (3:9 w, 6:8 w, 6:33 w) voor Israel evenveel betekend als een hele krijgsmacht. Ook nu mag Elisa nog eenmaal optreden als redder in nood (vss 15-17). Als teken van een komende overwinning op Aram moet hij door het open venster een pijl naar het oosten schieten (vgl. Joz. 8:18 w), een tekenhandeling die door het effectieve profetische woord dat een totale zege bij Afek belooft (vgl. 1 Kon. 20:26 w), begeleid wordt. Men spreekt hier wel van ‘imitatieve magie’, maar nadruk ligt op het feit dat de HERE de redding geeft: het gaat om ‘een reddingspijl van de HERE’ en het leggen van Elisa’s handen op die van de koning is teken van het overdragen van de kracht des HEREN voor de komende strijd.

Bij de volgende tekenhandeling (vss 18 v) is elke slag met de pijlen bedoeld als een slag toegebracht aan Aram. Is het slechts driemaal slaan een teken van laksheid en kleingeloof of juist van zelfoverschatting dat Joas aan drie overwinningen genoeg dacht te hebben? De totale vernietiging van Aram blijft in elk geval na drie overwinningen (vs 25) nog uit.

Als Elisa begraven is – waarschijnlijk bij zijn familie in Abel-Mechola, ten O. van Samaria bij de Jordaan -vindt in zijn graf een miraculeus gebeuren plaats. Bij een begrafenis rollen de grafdelvers – bij de nadering van een plunderende bende Moabieten – snel de sluitsteen van Elisa’s graf weg en werpen het lijk erin, dat door de aanraking van het gebeente van de profeet tot leven komt. Zelfs na zijn dood werkt de profetische kracht!

Amasja van Juda 14:1-14, 17-22

Inleiding; uit de judese annalen 14:1-7

De inleiding op Amasja (‘de HERE is sterk’) bevat alle gebruikelijke elementen: vaders naam, synchrone datering, leeftijd, regeerduur en moeders naam: Jehoaddan (‘de HERE geeft vreugde’). De beoordeling van hem is betrekkelijk positief, met ook hier als negatief punt het voortgaan van de offerdienst op de hoogten (vss 3 v). Als hij zijn koninklijke macht eenmaal gevestigd heeft, rekent Amasja af met de moordenaars van zijn vader (12:20 v). Dat hij hun kinderen spaart berust op godsdienstige overwegingen (Deut. 24:16), maar heeft misschien ook een politiek motief, de verloren gunst van de priesterpartij (2 Kron. 24:25) te herwinnen.

Vs 7 meldt Amasja’s overwinning op het 10000 man sterke leger van de Edomieten in het Zoutdal (waarschijnlijk in het grensgebied tussen Juda en Edom, ten Z. van de Dode Zee), wellicht in een poging om de handelsroute naar Elat aan de Rode Zee – ca. 850 v.Chr. verloren (8:20) – voor Juda te herwinnen (vs 22). De toen veroverde stad Sela (‘Rots’ = het latere Petra?) noemde hij Jokteël (‘God vernietigt’?).

Overwinning van Joas van Israel op Amasja 14:8-14

Dit gedeelte, waarschijnlijk afkomstig van een verslag uit Noord-Israel, verhaalt hoe Amasja, kennelijk overmoedig geworden door zijn overwinning op Edom (vs 10), Joas van Israel uitdaagt tot het meten van hun krachten in een veldslag. Of men op grond van vs 9 de aanleiding mag zoeken in een weigering van Joas zijn dochter aan Amasja’s zoon uit te huwelijken, is de vraag; vs 9 is beeldspraak. Veeleer gaat het om grensgeschillen (vgl. bij vs 11b). Volgens 2 Kron. 15:14 w is Amasja’s nederlaag gevolg van Gods besluit tot zijn ondergang vanwege zijn aanbidding van uit Edom (vs 7) meegebrachte afgodsbeelden en zijn onhebbelijk antwoord op de vermaning door Gods profeet. Anders dan in 3:7 is de verhouding tussen Noord- en Zuid-Israel in elk geval slecht.

Joas antwoordt op oosterse wijze, dwz. indirect en wel door een fabel (vgl. Ri. 9:8 vv), waarin de ceder beeld is voor het sterke Israel, de doornstruik voor het zwakke Juda dat vertrapt wordt. Amasja slaat Joas’ waarschuwing voor zijn eigen ondergang in de wind. (vss 9-1 la). Dan trekt Joas – waarschijnlijk door de kustvlakte -zuidwaarts, verslaat het judeese leger te Bet-Semes (ca. west van Jeruzalem in de Sefela, in Ri. 1:35; 1 Kon. 4:9 tot Noord-Israel, maar hier, in vs , tot Juda gerekend), voert Amasja als gevangene – voor ieder zichtbaar – naar diens eigen hoofdstad (een toppunt van smaad!), breekt Jeruzalems verdedigingskracht door van de noordelijke stadsmuur van oost naar west (Jer. 31:37; Neh. 3:1; 12:39) te laten slopen (vss 12-14), plundert uit paleis en tempel het zilver en goud, dat na het tribuut aan Hazaël (12:18) nog over was, en voert gijzelaars mee naar Samaria als borg voor Amasja’s naleven van hem opgelegde verplichtingen. Voor vss 15 v zie bij 13:12 v

Het einde van Amasja 14:17-22

Vs 17 meldt dat Amasja Joas 15 jaar overleefde (vgl. 14: 2, 23) en vormt zo de overgang naar de slotopmerkingen over Amasja. Voor een samenzwering gevlucht naar Juda’s tweede stad en sterke vesting Lakis (nu Teil ed-duwer, ten Z.W. van Jeruzalem) in de hoop bescherming bij zijn aanhangers te vinden, wordt hij er toch achtervolgd en gedood door de samenzweerders (militairen of priesters die Amasja het verloren gaan van de tempelschatten aanrekenden?). Ook nu duurt Gods trouw aan de dynastie (Ps. 89:30) nog voort. Het volk van Juda, te onderscheiden van de bevolking van Jeruzalem (zie bij 11:20), brengt Amasja’s zoon Azarja (‘de HERE helpt’) elders, als koning van Jeruzalem, Uzzia (‘mijn kracht is de HERE’) genoemd, op de troon, nadat deze reeds sinds zijn zestiende jaar coregent van zijn vader was geweest (vs 21). Het bericht van zijn herovering van Elat, dat men eerder in 15:1-6 zou verwachten, is blijkbaar hier geplaatst, omdat het de voortzetting betreft van de politiek van Azarja’s vader (zie bij vs 7).

Jerobeam II van Israel 14:23-29

Uit de dateringsgegevens (14:21,23, 15:1) zijn moeilijk de jaartallen van de genoemde koningen te berekenen, omdat wij niet weten in hoeverre regeerjaren elkaar overlapten, oa. door coregentschappen. Zo menen sommigen dat Jerobeam II zijn 41 regeerjaren begon met 12 jaren waarin hij naast zijn vader Joas regeerde. In elk geval was hij tot midden 8e eeuw v.Chr. aan het bewind. Zijn lange regering is gekenmerkt door militaire successen met daarna vrede en welvaart, althans voor de aanzienlijken, waarnaast de verarming van de lagere bevolking schril afstak (zie Amos). Van het godsdienstige standpunt van de schrijver uit krijgt Jerobeam II dezelfde negatieve beoordeling (vs 24) als alle noordelijke koningen. Toch gebruikte God ook zo’n koning om Israel van het juk van Aram te verlossen. Had Joas reeds de west-jordaanse gebieden op de Syriërs heroverd, Jerobeam II bevrijdt het oostjordaanse van Lebo-Hamat in het uiterste noorden tot de Zee van de Araba (Dode Zee) in het zuiden (vgl. Am. 6:14), waarmee de grenzen van het Salomonische rijk (1 Kon. 8:65), zij het nu in twee rijken gesplitst, weer werden bereikt. De bevrijding is toegeschreven aan het Godswoord tot Jerobeam door de profeetJona (‘duif’) uitGat-Hachefer (vgl. Joz. 19:13; thans Mèsjed) dichtbij Nazaret (vs 25), omdat de HERE in zijn erbarmen Israel nog voor de ondergang bewaarde (vs 26 v), mede doordat Arams kracht gebroken werd onder de dreiging van het assyrische wereldrijk.

De slotformule (vss 28 v) geeft problemen. Damascus en Hamat zijn waarschijnlijk nooit israelitisch bezit geweest. Misschien is bedoeld dat de gelijknamige provincies onder Israels invloedssfeer werden gebracht, nadat zij tevoren hadden gestaan onder die van Juda, waarmee hier niet het rijk rond Jeruzalem wordt bedoeld, maar een noordsyrische staat ‘Jaudi’ (misschien ook in Hand. 2:9). Dat Jerobeam blijkbaar een gewoon sterfbed had (vs 29) is niet in strijd met Am. 7:10 w (zie daar).

Azarja van Juda, 15:1-7 (zie ook 14:21 v)

Van de lange regering van Azarja (of Uzzia) rond het midden van de 8e eeuw v.Chr. heeft deze vorst betrekkelijk kort zelfstandig geregeerd. Eerst was hij (gedurende ca. 25 jaar?) coregent naast Amasja, tijdens zijn ziekte wordt de regering waargenomen door zijn zoon Jotam (vs 5).

Dat Azarja melaats werd, waardoor hij geïsoleerd moest leven en in elk geval van alle sacrale plechtigheden van het koningschap uitgesloten was, wordt in vs verband gebracht met Gods straf over het ook onder zijn bewind voortduren van de «oogrendienst (vs 4; vgl. echter 2 Kron. 26:16 w). Tijdens zijn ziekte woont hij in een ‘huis der vrijheid’, waarschijnlijk eufemistisch voor ‘huis van onvrijheid’, een geïsoleerd paleis buiten de stad (volgens anderen: huis, waarin hij was ‘vrijgesteld’ van zijn ambtsplichten). Overigens is de beoordeling van Azarja even gunstig als die van de meeste judeese koningen (vs 3). Voor Juda was deze periode, evenals voor Israel (vs 23 w) een tijd van politieke en economische voorspoed en van militaire overwinningen (2 Kron. 26). De naam van zijn moeder Jecholja betekent ‘de HERE overwint’. Na zijn dood werd hij begraven op het terrein van de koninklijke graven (vs 6), maar niet in het koninklijke graf, omdat hij melaats was geweest (2 Kron. 26: 23). Later werd het gebeente blijkbaar naar eldersgebracht, gezien het opschrift op een steen die in een Jeruzalems museum ontdekt werd: ‘Hierheen zijn gebracht de beenderen van Uzzia, koning van Juda; niet openen’.

Van Zekarja tot Pekach van Israel 15:8-31

Inleiding

Van de vijf hier genoemde koningen, die allen begonnen tijdens Azarja van Juda is Menachem de enige die niet door zijn opvolger is vermoord, maar door zijn eigen zoon werd opgevolgd. Van dynastievorming kon in deze woelige tijd van paleisrevoluties en korte regeerperioden (Zekarja 6 maanden, Sallum 1 maand, Pekachja 2 jaar) geen sprake meer zijn. De snelle troonwisselingen (vgl. Hos. 8:4; 13:11) hangen samen met de wisselende instelling tegenover het steeds sterker opdringen van het assyrische rijk. Naast dit schematische, synchronistische overzicht over de koningen en de duur van hun regeringen zijn de verdere gegevens uiterst beknopt.

Zekarja 15:8-12

Na synchronistische datering, afstamming (zoon van Jerobeam) en regeringsduur volgt de gebruikelijke negatieve beoordeling van de noordelijke koningen. Zekarja (‘de HERE gedenkt’) wordt na een half jaar regeren reeds het slachtoffer van een samenzwering, geleid door Sallum (zie vs 13). De uitdrukking, door NBG vertaald met ten aanschouwen van het volk, is onzeker, zowel wat betekenis als wat tekstoverlevering betreft. Een grieks handschrift heeft ‘in Jibleam’. Dan zou de laatste vorst van de dynastie van Jehu zijn omgebracht in dezelfde plaats, waarbij Jehu een eeuw eerder Achazja van Juda dodelijk liet slaan (9:27). De ondergang van Jehu’s dynastie in het vierde geslacht wordt beschreven als Gods staven van zijn profetisch woord uit 10:30.

Sallum 15:13-16

Gezien zijn korte regering (één maand) wordt van hem niet veel meer gemeld dan dat hij een zoon van Jabes was, waarbij het een vraag is of Jabes als naam van zijn vader of van zijn clan of van zijn plaats van herkomst is bedoeld. Verder horen wij alleen dat de usurpator Sallum (‘vergoldene’?) op zijn beurt werd vermoord door Menachem (vss 17 w) die uit de oude koningsstad Tirsa (1 Kon. 15:21, 33; 16:17), ten N.O. van Samaria, met volgelingen naar Samaria was opgetrokken. De stad Tif-sach (bedoeld is waarschijnlijk Tappuach, ten Z. van Sichern, op de grens van de rivaliserende stammen Efraïm en Manasse), die zich niet aan Menachem overgaf, werd wreed afgestraft; voor het openrijten van zwangere vrouwen, vgl. 8:12; Hos. 14:1; Am. 1:13.

Menachem 15:17-22, vgl. vss 14, 16

Afgezien van de gebruikelijke inleidings- en slotformule-ring (vs 17v, 21v) en het reeds in vs 14 en 16 gemelde optreden bij zijn troonsbestijging, horen wij van Menachem (‘trooster’) alleen dat hij vazal werd van de assyrische koning Pul (= Tiglatpileser III, 745-726 v.Chr.). Het enorme tribuut (1 talent was ca. , 1 sikkel ca. 11Vi gr) dat Menachem betaalde door middel van een belastingheffing van de draagkrachtigen, was blijkbaar niet alleen bedoeld om een inval van het opdringende assyrische leger in Israel af te kopen, maar tevens om zich van de hulp van Assur te verzekeren bij eventuele interne of externe (arameese) bedreiging van zijn koningschap. Sinds de tributen van Jehu en Joas, waarover de Bijbel zwijgt, heeft Israel weinig van de assyrische expansiezucht te lijden gehad, doordat Assur toen zelf bedreigd werd door het machtige rijk van de Urarteeën, ten N. van Assur. Tiglatpileser III hervatte de expedities naar West-Azië. Hij meldt in zijn annalen van 738 v.Chr.: ‘”Menachem overweldigde ik als een sneeuwstorm en hij vloog als een vogel, alleen, en viel neer aan mijn voeten. Ik herstelde hem in zijn positie en legde hem een tribuut op: goud, zilver, linnen gewaden met veelkleurige versieringen…, het land van Omri… alle inwoners (en) hun bezittingen deporteerde ik naar Assur”. De laatste zinsnede (‘alle inwoners’) is uiteraard sterk overdreven.

Pekachja 15:23-26

Ook de tweejarige regering van Pekachja (‘de HERE heeft (de moederschoot) geopend), de zoon van Menachem, valt onder het odium van de noordelijke koningen. Hij wordt vermoord door zijn eigen ‘adjudant’ (vgl. 7:2) en wel in de burcht, het sterkst verdedigbare deel van het paleis. Dat deze vertrouweling van de koning 50 oostjordaanse mannen als medestanders had, zou erop kunnen wijzen dat de oude vete tussen de stammen Efraïm en Manasse de achtergrond van de staatsgreep vormde, waarbij de Manassers dan blijkbaar meer een syrisch- en de Efraïmieten een assyrisch-gezinde politiek voorstonden. De namen Argob en Arje (vs 25) zijn moeilijk thuis te brengen.

Pekach 15:27-31

De 20 regeerjaren die aan Pekach (‘Hij heeft geopend’) zijn toegemeten, moeten op een verschrijving berusten, tenzij men aanneemt dat hij vóór de staatsgreep reeds lang over Gilead regeerde. Over heel Noord-Israel kan hij hoogstens tien jaar, maar waarschijnlijk nog korter -tot 731 v.Chr. – hebben geregeerd. Sommigen zien in de 20 jaar een kunstmatig getal met het doel voor Israel totaal tot 240 jaar te komen (tegenover het dubbele voor Juda: 480 jaar van tempelbouw tot terugkeer uit de ballingschap). Pekach heeft kennelijk de vazalverhouding tot en de tribuutbetaling aan Assur beëindigd en zich met Syrië verbonden in een opstand tegen de assyrische opperheerschappij (vgl. 16:5 w). Tiglatpileser III beantwoordt die rebellie met strafexpedities naar het westen. Bij dè eerste, in 734 v.Chr., die tot het gebied der Filistijnen doordrong, vielen waarschijnlijk de in vs 29 genoemde plaatsen. Deze lagen, van Ijjon (ca. n.w. van Dan) totHasor (vgl. Joz. 11:11; Ri. 4:12) aan een weg van noord naar zuid, waarlangs de legers van Assur oprukten, een weg die enkele km ten W. van Jordaan en Meer van Galilea liep. De vervolgens genoemde gebieden werden waarschijnlijk bij de tegen Damascus gerichte expedities in 733 en 732 veroverd (vgl. Jes. 8:23) en tot assyrische provincies gemaakt, waarvan de bevolking werd gedeporteerd en volgens de gangbare assyrische methode vervangen door kolonisten uit andere door Assur veroverde landen.

Het falen van de anti-assyrische politiek van Pekach leidde tot een nieuwe staatsgreep, nu van een zekere Hosea die met hulp van Assur de troon van Israel bemachtigde (vs 30). Een inscriptie van Tiglatpileser zegt: “Pekach, hun koning, brachten zij ten val. Hosea stelde ik over hen aan, 10 talenten goud en 100 talenten zilver ontving ik van hen als jaarlijks tribuut.” Het eerste tribuut van de nieuwe vazalkoning Hosea is blijkbaar gebracht naar Babylonië, waar Tiglatpileser in 731 verbleef. Het bericht over het twintigste jaar van Jotam in vs 30 is moeilijk te rijmen met vs 33. Wellicht is een vergissing of tekstbederf in het spel.

Jotam van Juda 15:32-38

Van de in 33 genoemde zestien jaar, regeerde Jotam (‘de HERE is volmaakt’) het grootste deel als coregent van zijn zieke vader Azarja-Uzzia (15:1 w). Zelfstandig regeerde hij ca. 739-733 v.Chr. Zijn moeder Jerusa (‘de verworvene’?) behoorde tot de bekende priesterfamilie van Sadok (vs 33). Zijn beoordeling is als die van de meeste judeese koningen: positief, afgezien van de voortgaande cultus op de hoogten (vss 34 v). Voor de tempel bouwde hij de Bovenpoort of wel de Hoge poort (in Jer. 20:2 = de ‘Benjaminpoort’). Voor zijn verdere activiteit op bouwkundig en militair-politiek gebied, zie 2 Kron. 27:3-4. Tijdens Jotams regering bleef Juda nog lange tijd gespaard voor de assyrische dreiging. De welvaart en vrede uit de dagen van Uzzia duurden voort tot de allerlaatste periode van Jotam, toen de HERE de arameese koning Resin en Pekach van Israel op Juda begon los te laten (vs 37). De zgn. Syro-efraïmitische oorlog, waar pas Jotams zoon Achaz concreet mee werd geconfronteerd (16:5 w), wordt daarmee als oordeel des HEREN over Juda getekend.

Achaz van Juda 16:1-20

Datering en beoordeling 16:1-4

De chronologische gegevens uit deze periode zijn zo verward, dat het onmogelijk is daar met enige zekerheid de data voor de desbetreffende koningen uit af te leiden. Zo variëren de berekeningen van de regeerjaren van Achaz (‘(de HERE) heeft gegrepen’) tussen 741-725, 734-715 en 735-727. De eerste twee rekenen met een langdurig core-gentschap naast Jotam. De beoordeling over Achaz is zeer negatief. Evenals de noordelijke koningen bevorderde hij de Baäldienst op de hoogten (vgl. 2 Kron. 28:2). Op heidense wijze deed hij bovendien zijn zoon door het vuur gaan (vgl. bij 23:10), een gebruik dat stamt uit de cultus van de ammonitische god Milkom (1 Kon. 11:33), door de Masoreten Molek genoemd (met de klinkers van het hebreeuwse woord voor ‘schande’). Gewoonlijk denkt men bij ‘zijn kinderen wijden aan Moloch’ (Lev. 18:21) aan kinderoffers. Achaz zou zijn zoon dan hebben geofferd in een kritiek stadium (vgl. 3:27) van de Syro-efraïmitische oorlog (vs 5 w). Anderen menen dat het om een louteringsrite gaat, waarbij een jongen of meisje tussen twee vuren door liep om tot tempelpros-titué(e) te worden gewijd. Vs 4 zegt dat Achaz zelf meedeed aan de Baäldienst op kunstmatig aangelegde offerplaatsen (hoogten) of natuurlijke offerplaatsen (heuvels) en onder elke groene boom, een staande uitdrukking (17: 10; Deut. 12:2; Jer. 2:20; 3:6; 17:2) voor de in Kanaän schaarse schaduwrijke plaatsen (vgl. Hos. 4:13), waar de vruchtbaarheidscultus bedreven werd.

De Syro-efraïmitische oorlog 16:5-9

Het begin is vrijwel gelijk aan Jes. 7:1. Aanleiding tot de strijd tussen Aram en Israel enerzijds en Juda anderzijds was blijkbaar het feit dat Achaz weigerde mee te doen in een coalitie van de vazalstaten Aram en Israel die beoogde zich van het juk van Assur te ontdoen. De coalitiepartners willen Achaz vervangen door een gewillig bondgenoot (Jes. 7:6). Als vs dit verband oorspronkelijk is, moet de actie van de arameese koning ter bevrijding van Elat uit judeese handen worden gezien als poging om de Edomieten aan zijn zijde te krijgen en zo Juda ook van het zuiden uit te doen bestoken (vgl. 2 Kron. 28:17 v, dat hetzelfde meldt aangaande de Filistijnen). In de benarde omstandigheden zag Achaz, ondanks Jesaja’s aandringen op Gods vertrouwen (Jes. 7:4,9), geen andere uitweg dan de machtige koning van Assur te hulp te roepen. Met de zelfbetiteling uw knecht en uw zoon onderwerpt Achaz zich als vazal aan Assur (vs 7), al komt de term ‘uw zoon’ in dat verband verder niet zo voor. Op een vazalrelatie wijst echter ook het tribuut dat Achaz aan Tiglatpileser III afdraagt (vs 8). Door het ingrijpen van Assur werd Jeruzalem kennelijk niet ingenomen. Zelfs de ondergang van Damascus en de deportatie van de arameese bevolking wordt in vs 9 getekend als gevolg van de reactie van Tiglatpileser op Achaz’ verzoek om hulp. De theologische kritiek van Jes. 7 op Achaz’ steun zoeken bij Assur komt hier niet tot uiting. Met de deportatie naar Kir gaan de Arameeërs terug naar hun oorspronkelijke stamland (zie bij Am. 1: 5; 9:7).

Het damaskeense altaar 16:10-18

De gang van Achaz naar Damascus waar de assyrische koning gelegerd was, betreft geen beleefdheidsbezoek, maar zijn formele onderwerping als vazal door de voeten van de assyrische koning te kussen. Een vazalstatus had gewoonlijk ook godsdienstige consequenties: het dienen van assyrische goden naast de eigen god. Daarmee heeft wellicht het vervolg te maken. Het gaat in vs 10b niet zo zeer om een verplaatsbaar assyrischlegtraltaar (dat was te klein voor het in vss 12 w berichte), alswel om het hoofdaltaar van de syrische god Rimmon of Ramman die ook in Assyrië als stormgod vereerd werd. Daarvan zendt Achaz tekening (of ‘maten’?) en model en laat de priester Uria (vgl. Jes. 8:2) daarnaar een (stenen?) altaar bouwen (vss 10 v) op de centrale plaats van het koperen altaar, dat noordwaarts verplaatst werd (vs 14). Het is opvallend dat Achaz voortaan dat nieuwe altaar (naar ‘heidens’ model) gebruikt voor de dienst van de HERE, terwijl hij het oude, koperen altaar bestemt om te onderzoeken (vs 15). Betekent dat dat hij wilde ‘overwegen’ (Spr. 20:25) waarvoor men het zou gaan gebruiken? Of slaat het ‘onderzoeken’ op de in Assyrië gebruikelijke offerschouw, waarbij men uit de lever of ingewanden van een offerdier voorspellingen deëd? In dat geval is Achaz wel zeer diplomatiek te werk gegaan: met het fraaie nieuwe altaar voor de HERE wil hij voor het volk een goede dienaar van de HERE lijken, met het kleinerealtaar bewijst hij zijn loyaliteit jegens de assyrische opperheer. Terug uit Damascus treedt de koning bij het nieuwe altaar op als heer en meester ook op het gebied van cultus en priesterschap. Hij zelf ontsteekt de eerste offers van allerlei aard op het nieuwe altaar: een brandoffer, een dier dat geheel werd verbrand; een spijsoffer van meel en/of honing; een plengoffer van water, wijn of olie; hij plengt het bloed van de vredeoffers, die evenals de slachtoffers (vs 15) als maaltijd werden gegeten (zie verder bij Lev. 1-3; 6:8 w; 7:11 vv).

Verder liet Achaz de ketelwagens (1 Kon. 7:27-29) ontluisteren en het kunstig bewerkte onderstel (de 12 koperen runderen) van de koperen zee (1 Kon 7:23-26) weghalen, wellicht om het koper te gebruiken als tribuut voor Assur (vgl. vs 18 slot). Vs 18 is raadselachtig, omdat wij niet weten wat het met deksel des sabbats of sabbatsgalerij vertaalde woord betekent. Een troonpodium of een hek of een overdekking, bestemd voor de koning als hij op sabbat de tempel bezocht? En wat is de buitenste ingang voor de koning! Een directe verbinding tussen paleis en tempel? Werden zulke privileges van de koning op last van de assyrische koning opgeheven? Of werden ook deze bouwsels ontluisterd om de versiersels als tribuut voor Assurs koning te gebruiken? Ondanks zijn negatieve beoordeling, krijgt Achaz na zijn dood een rustplaats in de koninklijke graven van de Davidsstad (vs 20).

Het einde van Israel 17:1-41

Hosea, de laatste koning 17:1-6

Hosea (‘de HERE redt’) regeerde 731-722 v.Chr. De beoordeling van Hosea (vs 2) is iets minder slecht dan die van zijn voorgangers, misschien omdat hij de moed had zich tegen Assyrië te verzetten (vgl. Hizkia en Josia in Juda). Dat deed hij waarschijnlijk al in 727, toen in Assur een nieuwe koning,Salmanassar V (727-722), aan de macht kwam. Deze opstand werd neergeslagen en Hosea werd weer schatplichtig (vs 3). Even later zocht hij steun bijSo (eigennaam: Sib’e, of titel: ‘vizier’?) van de koning van Egypte voor een nieuwe rebellie tegen Assur en staakte de tribuutbetaling aan Assur (vs 4). Bij vss 3-6 is het de vraag of vss 3 v (koning gevangen) de geschiedenis uit een eerder stadium bericht dan vss 5 v (Samaria’s val) of dat het gaat om parallelle berichten (gezien vanuit verschillende interesses: resp. koning en stad, en verschillende bron: noordelijk en judees, vgl. 18:9-11). Waarschijnlijk het laatste. Salmanassar ontdekte de samenzwering van Hosea en trok met zijn leger naar Samaria. Zijn beleg van de sterke vesting kostte bijna drie jaar (vs 5). In 722 v.Chr. toen Salmanassar inmiddels was vermoord en opgevolgd door Sargon II, viel de stad en werd Hosea gevangen genomen (vs 4). De bovenlaag van de bevolking (Sargon noemt 27290 personen) werd volgens de assyrische methode familiegewijs gedeporteerd naar Chalak in het gebied van Gozan in n.w. Mesopotamië en naar de steden van Medië ten z. van het Urmiameer, beide bij de noordgrens van Assur met het urarteese rijk. De rest van de bevolking, versterkt met andere kolonisten (vs 30), kwam onder een assyrische stadhouder.

De ondergang als oordeel des HEREN 17:7-23

Verschillende deuteronomistische predikers geven hier een theologische terugblik op de ondergang van Israel. De oudste is wel in vss 21-23 aan het woord. Hij tekent het einde van Noord-Israel als oordeel over het zondige begin: de kalverendienst, door Jerobeam I in Betel en Dan ingevoerd (1 Kon. 12:25 w), bij al zijn opvolgers als zonde gesignaleerd en door de bevolking nagevolgd. Omdat de Israëlieten in zonden wandelden, heeft de HERE hen – na waarschuwing door zijn profeten – van zijn aangezicht verwijderd, dwz. hun zijn gunst onttrokken en hen naar Assur doen voeren, waar zij nog verbleven ten tijde van deze prediker (vs 23). Een latere prediker (vs 7-20) gaf een evaluatie van de verwerping van het hele geslacht van Israel (vs 20), zowel van het noordelijke rijk als van Juda. De grote zonden die in beide rijken gepleegd werden, waren die van de ondankbaarheid jegens de HERE, die hen uit Egypte had doen optrekken naar het beloofde land (vs 7; vgl. Am. 2:10; 3: 1; Ex. 20:2), en van de afgodendienst: het dienen van de goden van Kanaänieten en Assyriers-Babyloniërs (vs 16). Naast de aparte dienst van vreemde goden hadden de Israëlieten ook ‘de HERE dingen toegedicht die niet recht waren’ (vs 9), dwz. in een syncretistische religie de HERE naast de baäls (vgl. Ex. 20:3) willen dienen op een manier die met zijn wezen en gebod in strijd was, nl. met gebruiken die zij overnamen van de eerdere bewoners van het land: de hoogten (cultusplaatsen) overal in de steden (vs 9, zie 18:8), de masseben en asjera’s (symbolen van mannelijke en vrouwelijke vruchtbaarheid) op heuvels en onder groene bomen (vgl. 16:4). Met de heidense gebruiken rond het ‘in rook doen opgaan’ van hun offers hebben zij de HERE bitter gekrenkt, de specifieke term (vs 11) waarmee de deuteronomistische predikers de afgodische ontrouw jegens de HERE betitelen. Vs 12 spitst de ontrouw toe op overtreding van het tweede gebod. (Ex. 20:4 v): het dienen van afgodsbeelden, hier net als bij Ezechiel aangeduid als drekgoden. De waarschuwing die de HERE hun door zijn tot bekering roepende profeten gezonden had, zijn geboden en zijn verbond hebben zij net als hun hardleerse voorvaderen geminacht (vss 13-15a). Het thema van de afgoden wordt in vs 15b hervat, nu met de benaming ijdelheden voor de afgoden, aanduiding van machteloosheid om te helpen. Wie bij zulke machteloze en zinloze goden hulp zoekt, maakt zichzelf zinloos, ijdel, dwz. gaat er naar ziel en lichaam aan ten onder (vgl. Jer. 2:5). De Israëlieten hebben de HERE verlaten (vs 16) en gegoten beelden (d.i. metalen of met metaal beklede beelden; de twee kalveren zijn hier wellicht ter completering naar vss 21-23 toegevoegd) en gewijde palen (asjera’s, zie vs 10) gediend. Naast deze kanaänitische afgoden lieten zij zich sinds de 8e eeuw v.Chr. ook in met de assyrische sterregoden: het heir des hemels (vgl. 21:5) èn lieten zij hun kinderen door het vuur gaan (vs 17, zie bij 16:3). Met zulke praktijken en allerlei vormen van waarzeggerij (in strijd met Lev. 19:26; Deut. 18:10) hebben zij zichzelf uitgeleverd aan het doen van het kwade en hebben zij de HERE gekrenkt (vgl. vs 11). In toorn daarover heeft de HERE eerst Israel (722 v.Chr.) en later ook Juda (586 v.Chr.) van voor zijn aangezicht verwijderd (vs 18, zie boven bij vs 23). Vs 20 zegt samenvattend voor beide rijken: ‘Zo verwierp de HERE het hele nageslacht van Israel, vernederde hen (door vijanden), gaf hen over in de macht van plunderaars (vgl. Ri. 2:14), di. de Babyloniërs (Jer. 30:16; 50:11), en wierp hen tenslotte geheel weg van zijn aangezicht, di. verbrak de band met zijn volk.’ Inhoudelijk vertoont de perikoop 17:7-20 een concentrische structuur met in het midden de profetische waarschuwing (vs 13), daaromheen de teksten over het krenken des HEREN door afgoderij (vss 8-12, 14-17), in de buitenste rand die over Gods redding en verwerping van Israel (vss 7, 18-20).

De Samaritanen 17:24-41

Na de deportatie van vele inwoners van Noord-Israel (17:6) bracht de assyrische koning Sargon 11 een langdurig proces op gang, waarin de verlaten woonplaatsen werden herbevolkt door bewoners van andere door Assur onderworpen gebieden: die van het in 689 door Sanherib verwoeste Babel, van Kuta (thans teil ibrahim), ten N.O. van Babel, van Awwa, waarschijnlijk evenals de volgende plaatsen in Syrië gelegen (vgl. 18:34; 19:13), van Hamat aan de Orontes, in 720 tot assyrische provincie gemaakt, en van Sefarwaim (=’Sibraïm’ tussen Damascus en Hamat, Ez. 47:16?). Uit vermenging van deze vreemdelingen met de overgebleven Israëlieten ontstonden de Samaritanen. Naar oudoosterse overtuiging behoorde men in een vreemd land de god(en) van dat land te dienen (1 Sam. 26:19). In vss 25-28 lezen wij dat een leeuwenplaag onder de kolonisten in Israel wordt ervaren als straf van de HERE voor het feit dat zij Hem, de God van het land niet dienden. Zij konden dat ook niet, daar de priesters des HEREN waren gedeporteerd. De koning van Assur stuurt één van hen terug en die onderricht hen in Betel in de eredienst van de HERE. De beschrijving verraadt een verachtelijke visie op de sama-ritaanse eredienst: die was geleerd door een priester van de om zijn kalverendienst versmade tempel van Betel en werd beoefend door heidenen die naast de HERE ook hun eigen goden bleven dienen (vss 29 w). Achter Suk-kot-Benot zou volgens velen het babylonische godenechtpaar Marduk-Sarpanitu schuilgaan (of is Sakkut, epitheton van Ninurta, de god van oorlog en jacht bedoeld? vgl. Am. 5:26) Kuta was beroemd om zijn verering van Nergal, de god van zonnehitte, pest, oorlog en jacht, onderwereld en akkers. Asima van Hamat is niet bekend, evenmin als Nibchaz (een elamitische god?). Met Tartak is wel Atargate bedoeld, syrische vorm van de vruchtbaarheidsgodin Astarte (de vrouw van de onweersgod Hadad), berucht om haar orgiastische cultus. De cultus van het godenpaar Adrammelek (= Hadad-Melek, ‘koning Hadad’) en Anammelek ( = Anat van de Melek) kende blijkbaar kinderoffers door verbranding (vgl. 16:3). Tot drie keer onderstrepen de latere schrijvers dat de godsdienst van de etnisch gemengde Samaritanen een mengsel van heidendom en dienst des HEREN is (vss 28-33, 34, 41) en daarom overtreding van zijn geboden, met name van het eerste en tweede gebod (3x in vss 36-38) en schromelijke veronachtzaming van Gods verbond met Jakob-Israel (vss 35, 38) en van zijn heilsgeschiedenis met Israel (vs 36). Deze tekening neemt niet weg dat er met name onder de eenvoudige bevolking van Israel die niet gedeporteerd was, echte dienaren des HEREN zijn overgebleven, die trouw bleven aan de tora (de samaritaanse pentateuch).

Derde hoofddeel

Juda na Israels ondergang (2 Kon. 18-25)

Koning Hizkia 18:1-20:21

Inleiding; beoordeling van Hizkia’s regering 18:1-8

Hizkia (‘de HERE is mijn sterkte’), zoon van Achaz en Abi (‘mijn vader is de HERE’) en kleinzoon van een Zekarja (‘de HERE gedenkt’) regeerde volgens de aangegeven jaren ca. 727-697 v.Chr. Het bericht over hem is zeer uitvoerig en bijzonder gunstig, omdat hij – evenals Asa en Josia (1 Kon. 15; 2 Kon. 22 v) – door cultusrefor-maties de dienst des HEREN van vreemde smetten zuiverde, wellicht onder invloed van profeten als Jesaja en vooral onder de indruk van de ondergang van Noord-Israel die als oordeel des HEREN over afgoderij en syncretisme werd ervaren (17:7 w). Naast de offerhoogten met hun masseben en asjera’s (vgl. 17:10) vernietigde hij ook de koperen slang uit de tijd van Mozes (Num. 21: 4-9), kennelijk omdat daar in Hizkia’s tijd afgoderij mee werd bedreven (vs 4). Hier uitroeiing van een assyrisch slangembleem te veronderstellen en de cultusreformatie te interpreteren als anti-assyrische onderneming, is in strijd met de tekst. Anders dan Josia (23:4 w) heeft Hizkia zich blijkbaar juist beperkt tot het uitroeien van kanaänitische en intern-afgodische insluipsels; zo horen wij niets van het damaskeense altaar van Achaz (16:10 vv). Hizkia wordt bovendien als voorbeeld gesteld van persoonlijke vroomheid, die gepaard ging met Gods zegen over zijn regering (vss 5 vv). Toch had Hizkia ook zijn menselijk-zwakke kanten (Jes. 30-31) en zijn politieke succes was evenmin ongebreideld (zie vss 13-16). Over de expeditie tegenGaza weten wij niets naders; van de wachttoren tot de versterkte stad is blijkbaar een staande uitdrukking (vgl. 17:9) om ‘de hele stad’ aan te duiden.

De val van Samaria 18:9-12

Deze verzen herhalen het bericht van 17:5 v en geven een kortere theologische interpretatie van die val (vs 12) dan 17:21-23 en 17:7-20.

Jeruzalem bedreigd door Assyrië 18:13-19:37

Het hier verhaalde heeft parallellen in Jes. 36-37 en het kortere 2 Kron. 32; in beide ontbreekt echter het in 18: 14-16 gemelde. Historisch en literair gezien staan wij voor een groot probleem betreffende de relatie tussen de drie berichten: A. Hizkia’s onderwerping en tribuut aan Assur (18:13-16); B. Jeruzalems belegering en de nadering van een egyptisch leger (18:17-19:9); C. Jeruzalems beleg gebroken door de ‘Engel des HEREN’ (19:9b-36). Zijn A, B en C berichten van opeenvolgende stadia uit Sanheribs optreden tegen Jeruzalem in 701 v.Chr.? Of zijn het parallelle berichten van hetzelfde gebeuren in 701, waarbij A dan historisch en B + C of C alleen als legendarisch worden beschouwd? Of moet men met twee verschillende expedities van Sanherib rekenen, waarbij B en/of C worden toegewezen aan een latere belegeringvan Jeruzalem tijdens een tocht van Sanherib tegen noordarabische stammen bij Syrië. Van zo’n latere belegering is in assyrische bronnen echter nergens sprake. Te overwegen is of men op grond van de datering in het 14e jaar van Hizkia (vs 13), dwz. in 713 v.Chr. het bericht A (18:13-16) niet op een eerder gebeuren moet betrekken, te weten op Assurs antwoord op een anti-assyrische opstand van het filistijnse Asdod, gevoed door de ethiopische dynastie in Egypte, waartegen Jesaja waarschuwt door in die jaren (714-712 v.Chr.) naakt in Jeruzalem te lopen ten teken van de komende straf van Assur (Jes. 20, vgl. Jes. 18). Volgens een assyrisch bericht van Sargon II namen ook Juda, Edom en Moab aan de samenzwering tegen Assur deel. Dateert men 18:13-16 echter in 713/ 712, dan is de assyrische koning in vs 13 Sargon II (722705 v.Chr.) geweest, wiens naam dan later is verward met de in vs 17 bedoelde Sanherib (705-681), misschien doordat de naam Sargon in een bepaald handschrift was afgekort tot S. In elk geval zijn de gegevens van 18:13-16 niet te rijmen met het bericht van Sanherib zelf (het Taylorprisma, nu in het Brits Museum) over 701 v.Chr. Van 200150 judeese gedeporteerden (Sanherib) is in de Bijbel geen sprake. Duidt Sanheribs bericht op een belegering van Jeruzalem (‘Ik heb hem – Hizkia – opgesloten in zijn residentie Jeruzalem als een vogel in een kooi’), volgens 18:14 onderwierp Hizkia zich (Ik heb gezondigd, nl. door rebellie tegen het vazalverdrag), voordat het tot een belegering kwam. Het tribuut, volgens de Bijbel 30 talenten (30 x ) goud en 300 talenten zilver, bedroeg volgens Sanherib 30 talenten goud en 800 talenten zilver + allerlei kostbaarheden, paleisdames en zanger(e)s(sen) en werd volgens Sanherib als verhoging van het reeds bestaande tribuut niet in Lakis, maar in Nineve afgedragen. Al met al pleit veel voor de onderstelling dat 18:1316 niet over Sanheribs expeditie van 701 v.Chr. spreekt, waarbij Jeruzalem werd belegerd, maar over die van Sargon in 713/12, waarbij Hizkia de assyrische dreiging afkocht met een fors tribuut.

In vs 17 beginnen dan de berichten uit de ‘Jesaja-cyclus’ die, evenals Sanheribs inscriptie over 701 v.Chr. gewagen van een belegering welke echter niet tot verovering van Jeruzalem leidde. De meningen lopen sterk uiteen over de vraag of de berichten B (mondelinge onderhandelingen van Rabsake) en C (brief van Rabsake) achtereenvolgende fasen van het beleg dan wel twee versies van hetzelfde gebeuren verhalen (2 Kron. 32 meldt slechts één gezantschap van Assur) of wel als louter profetenlegenden met het historisch gebeuren niets te maken hebben. Uitgaande van de eerstgenoemde opvatting, is de volgende reconstructie denkbaar: Terwijl Sanherib de sterke vesting Lakis belegert (vgl. het bekende bas-reliëf in het Brits Museum), bereidt Hizkia de verdediging van Jeruzalem voor (2 Kron. 32:1-8) en zendt Sanherib drie hoge functionarissen met een legerafdeling om Jeruzalem tot overgave te bewegen. Bemoedigd door de profeet Jesaja zwicht de judeese delegatie niet voor de assyrische afgezanten, die onverrichterzake naar Sanherib terugkeren. Deze is niet meer in het inmiddels veroverde Lakis, maar bij het dan belegerde Libna (19:8). Na bij Elteke een Juda te hulp komend egyptisch leger te heben verslagen, doet Sanherib een tweede poging – nu door boden met een brief – om Hizkia tot overgave te brengen. De toen gevoerde onderhandelingen levérden blijkbaar wel een tribuut voor Sanherib op (Taylorprisma), maar tot gevangennemen van Hizkia of verovering van Jeruzalem kwam het niet, doordat het assyrische leger door een onverwachte gebeurtenis Juda moest verlaten (19:35 v). Men dient uiteraard te bedenken dat de deuteronomistische auteurs het gebeurde van hun theologische visie uit hebben beschreven.

De eerste delegatie van Sanherib (vs 17) bestaat uit de Tartan, de ‘tweede’ na de koning, meestal ook de opperbevelhebber (Jes. 20.T), de Rabsaris (vgl. Jer. 39:3,13; Dan. 1:3), de ‘opperkamenier’, en de Rabsake, de ‘opperschenker’, hier fungerend als legeraanvoerder. Zij nemen plaats bij het als waterleiding dienende kanaal van de Bovenvijver, ten N. van Jeruzalem, waar de vollers hun bedrijf (het met water en andere middelen bruikbaar maken van wollen stoffen) uitoefenden (vgl. Jes. 7: 3). De judeese delegatie (vs 18) die naar hen toegaat, bestaat ook uit drie personen: Eljakim (‘God doet opstaan’), zoon van Hilkia (‘de HERE is mijn deel’), de hofmaarschalk, die ‘de sleutel van het huis van David’ droeg (Jes. 22:22), Sebna de staatssecretaris, en Joach (‘de HERE is broeder’), de mazkier, di. de informant en woordvoerder van de koning. De Rabsake neemt het woord en poogt in een sarcastische toespraak (vss 19-25) als bode van zijn heer (‘zo zegt de grote koning van Assur’) Hizkia’s vertrouwen (7x in zijn woorden), hetzij op Egypte, hetzij op de HERE (vs 22), hetzij op eigen militaire macht (vs 23), als zinloos te ondermijnen. Er is geen uitweg dan onderwerping aan Assur. In vs 20 is onduidelijk of de lippentaal slaat op mondelinge beloftes of op Hizkia’s eigen woorden tot het volk (2 Kron. 32:7). Het geknakte riet dat door iemands hand heensteekt (vs 21) is een treffend beeld (vgl. Ez. 29:6 vv) voor de machteloosheid van (het rietrijke) Egypte (vgl. Jes. 30-31) om te helpen tegen Assur. Volgens vs 22 hoeft Hizkia in Rabsake’s ogen geen hulp van de HERE te verwachten, omdat hij de (in heidense ogen) Gode-vijandige afbraak van zijn cultusplaatsen en beperking van Zijn dienst tot Jeruzalem op zijn geweten heeft. Volgens vs 25 heeft Sanherib de pretentie gevoerd dat hij de roede in de hand des HEREN was (zoals Assur in Jes. 10:5) om Juda te straffen. De afloop (19:36) zou deze aanmatiging echter logenstraffen.

Tevergeefs poogt de judeese delegatie de Rabsake, die merkwaardigerwijs judees sprak, te bewegen over te gaan in de toenmalige diplomatentaal, het Aramees. Deze wil echter juist zijn kennis van het judees zo uitbuiten dat ook de gewone mensen hem verstaan en ontmoedigd raken bij het vooruitzicht van een lang beleg met als gevolg zo’n honger en dorst in de stad, dat men zijn éigen faecaliën en urine zal verorberen (vs 27). Lijnrecht tegen het verzoek van Eljakim in richt de Rabsake zich nu – opnieuw in bodestijl namens Sanherib – direct tot het volk: noch Hizkia noch de HERE zou hen kunnen redden uit de hand van Sanherib (vss 26-30). Alleen door vrede te sluiten zou hun een rustig leven volgens oudoos-ters ideaal wachten (vs 31). Zelfs als de assyrische koning tot deportatie zou overgaan, zou het hun in het nieuwe land aan niets ontbreken (vs 32). Hadden de woorden van vss 28v misschien resultaat bij de huursoldaten, de elitetroepen, voor wie de poging om een wig te drijventussen hen en Hizkia allereerst bedoeld was – het San-heribprisma zegt: ‘zij weigerden hem de dienst’ -, de woorden tot de in de stad verblijvende agrariërs (vs 31 v) vinden als antwoord slechts zwijgende afwijzing (vs 36). Die reactie was niet alleen door Hizkia bevolen (vs 36), maar waarschijnlijk mede veroorzaakt door de tactloosheid van de Rabsake om de HERE op één lijn te stellen met de machteloze goden van andere volken (vss 33-35). Dat was honen van de levende God (19:4). Overigens maakt de Rabsake in deze beschrijving de historische fout de val van Samaria (vs 34) te wijten aan de machteloosheid van de goden van immigranten die pas na de val van die stad Israel kwamen bevolken (zie 17:24, 30 v). Hena is onbekend; Iwwa- Awwa; Arpad was een sterke vesting in N. Syrië veroverd door Tiglatpileser.

Met gescheurde kleren ten teken van haar ontzetting en verslagenheid brengt de judeese delegatie Hizkia officieel verslag uit (vs 37), die op zijn beurt in rouw naar de tempel gaat (19.T) en de delegatie (18:18, 37), nu met vervanging van Joach door de hoofden van de priesterfamilies, naar Jesaja om raad zendt. Uit de boodschap die zij de profeet namens Hizkia moeten voorleggen, spreken gevoelens van uiterste nood, kastijding en smaad. Het beeld van vs 3b duidt op een uiterst kritieke situatie: het gaat om sterven of overleven, erop of eronder. De woorden wellicht zal de HERE horen… (vs 4) hebben hier de zin van: ‘misschien zal de HERE (straffend) reageren op de hoon Hem, de levende God, aangedaan’ (18:33-35, vgl. 1 Sam. 17:26,36; voor levende God, zie Hos. 1:10). Men vraagt Jesaja’s voorbede voor de rest van Judeeërs die Sargon en Sanherib na hun deportaties nog in Juda hebben achtergelaten. In de gang van het verhaal dient men vss 5 v aldus te vertalen: ‘Toen zo de dienaren van…Hizkia tot Jesaja gekomen waren, zei Jesaja tot hen…’ Jesaja speelt in zijn in Gods naam gegeven antwoord in op de hoon van vs 4, maar spreekt zelf van het God ‘lasteren’ door de ‘jongens’, di. de dienaren van de koning van Assur. De HERE zal redding zenden door in Sanherib een geest van verblinding en dwaling te leggen (vs 7) zoals eens in Achab (1 Kon. 22:21 v). De vervulling van de belofte van Sanheribs aftocht en dood volgt in de huidige tekstcompositie pas in 19:36 v. Aanhangers van de stelling dat 18:7 – 19:9a en 19:9b-37 twee versies omtrent eenzelfde gebeuren vertegenwoordigen, zien echter in Sanheribs ‘horen’ (zelfde hebr. woordstam als in ‘gerucht’ en ‘horen’ van vs 7) van de nadering van het egyptische leger van Tirhaka de vervulling, en vertalen vs 9a dan: ‘Toen hij (Sanherib) aangaande Tirhaka …hoorde: zie, hij is opgetrokken om keerde hij terug’. Met vs 9b begint dan de tweede versie: ‘Hij zond boden tot Hizkia…’ Vs 9a zou dan de menselijke factor die Sanherib tot de aftocht noopte (het egyptische leger) beschrijven en vs 36 de goddelijke achtergrond ervan; uiteindelijk was het de Engel des HEREN die door het egyptische leger de Assyriers neersloeg. Sanherib zelf vertelt echter dat hij het egyptische leger versloeg bij Elteke. In de huidige tekstcompositie is 19:9b-37 trouwens ook kennelijk niet bedoeld als parallel van 18:7-19:9a, maar als vervolg erop (met nieuwe elementen als de briefen Hizkia’s gebed, vss 14-19), zodat men in vs 9 niet vertaalt keerde hij terug, maar ‘zond hij wederom…’ (beide vertalingen van het Hebr. zijn mogelijk).

Het beleg van Libna (vs 8) heeft Sanherib dan blijkbaar onderbroken om het naderende egyptische leger te verslaan. De naam Tirhaka levert problemen. Deze farao ( = Taharqa) van de 25e, de zgn. ethiopische dynastie, regeerde 689-664 v.Chr. over Egypte en was in 701 pas 9 (of 16?) jaar oud. Misschien is de naam, stammend uit een latere veldslag, abusievelijk met die van verband gebracht. Vss 9 vv gewaagt in elk geval van een tweede assyrisch gezantschap naar Hizkia na de confrontatie met het egyptische leger. In vss 10-13 wordt opnieuw gepoogd het godsvertrouwen van Hizkia te ondermijnen (vgl. 18:22) met dezelfde argumentatie als in 18:33 v; alleen worden nu naast de goden (vs 12) ook de koningen (vs 13) om hun machteloosheid gesmaad. Voor Gozan (vs 12), zie bij 17:6; , Gen. 11:26 vv; was een aramees rijk aan de Midden-Eufraat (vgl. Am. 1:5). Al die landen hebben de Assyriërs met de ban geslagen, di. ‘verwoest, vernietigd’ (vs 11). De boodschap, door de gezanten namens Sanherib mondeling overgebracht (vss 10-13) was ook vastgelegd in een -waarschijnlijk in de diplomatentaal, het Aramees geschreven – brief, die zij Hizkia overhandigen. De koning legt de brief in de tempel aan de HERE voor. Zijn macht is immers in het geding en Hizkia bidt dat Hij die macht over zijn koninkrijken ook wil tonen door Jeruzalem te redden uit de macht van Assur. Afgoden, stomme beelden door mensen gemaakt (Deut. 4:28, 28: 36; Jes. 40:20; Ps. 115:4, 135:15 vv) zijn machteloos (vs 19v); de HERE moet door alle koninkrijken erkend worden als de enige, machtige God (Jes. 43:10 vv). Het eigenlijke antwoord des HEREN, door Jesaja’s bemiddeling overgebracht, staat in vs 20 en 32-34: De HERE heeft het gebed gehoord (in de zin van ‘verhoord’). Afgezien van de blokkade van de stad, zal Sanherib in Jeruzalem geen enkel leed kunnen aanrichten, haar zelfs niet betreden en onverrichterzake naar Assur terugkeren. Want de HERE zelf treedt beschermend voor Jeruzalem in (vgl. Ps. 46), niet om enige verdienste van de Judeeërs, maar om zijnentwil, dwz. opdat zijn naam niet langer gehoond wordt (vgl. 18:30 w; 19:10) en vanwege Gods trouw aan zijn belofte aanDavid (2 Sam. 7; Ps. 89; vgl. 8:19; 1 Kon. 11:12 v, 36). De belofte, geopend met de bodeformule (vs 20), wordt in vs 33 bezegeld met de godsspraakformule: luidt het woord des HEREN. Tussen vs 20 en 32-34 wordt in vss 21-28 een spotlied (vgl. Jes. 14) op Sanherib aangeheven in de stijl en het metrum van een klaagzang over een dode (vgl. Am. 5:13). Jeruzalem-Sion, gepersonifieerd als maagd en jonge dochter, schudt meewarig spottend het hoofd over de grote Sanherib, die in vermetelheid dacht de Heilige (geliefde titel bij Jesaja) ongestraft te kunnen honen en lasteren. Vss 23 v beschrijft de overmoed van de vijand met diens eigen woorden uit zijn annalen: als in Palestina, rivieren als de Nijl vormden voor zijn strijdwagens geen belemmeringen. De prachtige Libanon liet hij op grote schaal ontbossen door het kappen van ceders en cypressen die hij is Assyrië als timmerhout gebruikte. Waar waterbronnen voor hem waren dichtgestopt, wist hij er weer aan te boren. In zulk een hybris openbaart zich de oerzonde als God te willen zijn (Gen. 3). In vss 25-28 volgt Gods antwoord op die vermetelheid. Tegenover de grote Schepper van oudsherheeft Sanherib slechts korte tijd als tuchtroede in Gods hand kunnen fungeren (vs 25 v, vgl. Jes. 10:5 w, 15). De overmoedige koning die dacht eigen wegen te kunnen gaan, moet beseffen dat Hij niets vermag zonder de kennis en toelating des HEREN (vs 27). En omdat hij als een dier tegen de HERE geraasd heeft, zal de HERE met hem doen zoals men met een wild dier deed en zoals de koningen van Assur hun overwonnen vijanden barbaars behandelden: met een haak door zijn neus zal de HERE hem aan een touw terugvoeren naar zijn eigen land (vs 28, vgl. bij Am. 4:2; Ez. 19:4; 38:4).

Was in vss 21-28 Sanherib de aangesprokene, in vss 29-31 is het weer Hizkia, die een belofte voor Juda krijgt. Vs 29 fungeert blijkbaar als spreekwoord: Na jaren van nood (door een oorlog als men het land niet kan bebouwen), waarin men het het eerste jaar moet doen met het nage was van de vorige oogst en het volgende jaar met wat in het wild opgroeit, komt weer een normale tijd van zaaien, oogsten en eten. Dit ‘spreekwoord’ mag voor de overgebleven Judeeërs een bemoediging zijn dat zij na de benarde tijd weer een toekomst krijgen van herstel en nieuwe welvaart. Dat is geen mensenwerk, maar is alleen te danken aan de ijver, de hartstochtelijke liefde, van de HERE voor zijn volk (vgl. Jes. 9:6). In vs 35-36 lezen wij hoe Gods beloften van vss 32-34 werden vervuld door het ingrijpen van de Engel des HEREN, wiens ‘slaan’ bij de uittocht de egyptische eerstgeborenen doodde (Ex. 12: 29) en in Davids tijd dood en verderf bracht door een pestepidemie (2 Sam. 24:15 v). Wat in 701 ook precies gebeurd mag zijn, het wonder van Jeruzalems bevrijding is hier beleden als een wonder van Gods engel (vgl. de geest in 19:7). Waar het de schrijver om gaat is te laten zien dat de HERE, in onderscheid van alle andere goden, macht heeft om te redden, de enige God op wie men kan vertrouwen en die daarom de God van alle volken is (vgl. vs 15). De belofte van de gewelddadige dood van Sanherib (19:7) ging pas 20 jaar later in vervulling, toen hij door zijn zoons vermoord werd (volgens de babylonische kroniek door één zoon). Een god Nisrok is onbekend. Is de naam een verbastering van de babylonische god Mar-duk, wiens beeld in 689 v.Chr. van Babel werd overgebracht naar Assur, waar Sanherib dan werd gedood en begraven? Onvermeld zijn in de assyrische bronnen de namen van de zoons: Adrammelek (‘Hadad is koning?’, vgl. 17:31) en Sareser (waarschijnlijk afkorting van Nabu-sjar-usur, ‘Nabu, bescherm de koning’). Zij vluchtten naar Ararat of wel Urartu (ten N. van Assyrië), het huidige Armenië.

Hizkia’s ziekte genezen 20:1-11

Deze overlevering, in Jes. 38 uitvoeriger, in 2 Kron. 32: 24 kort samengevat, begint met de tijdsaanduiding in die dagen, die in heel ruime zin moet worden opgevat. Als Hizkia (727-697) na zijn ziekte nog 15 jaar leefde, moet die ziekte ca. 712 worden gedateerd, dus lang voor het in het voorafgaande verhaalde over 701 v.Chr. (vgl. ook bij vs 12). Gezien de ernst van de ziekte (een zwerende tumor? vs 7) raadt Jesaja Hizkia in Gods naam aan beschikkingen te treffen (vs 1), dwz. zijn testament te maken betreffende zijn opvolging en de verdeling van de boedel. Hizkia wendt zijn gelaat dan af om – alleen met God – te bidden. In het gebed klinkt het menselijke waarom van de vrome die de HERE in zijn leven met heel zijn hart heeft willen dienen en nu verdrietig worstelt met het probleem van een vroegtijdige dood (vgl. verder Jes. 38:10 vv). Nog op de middelste hof van het paleiscomplex krijgt Jesaja een nieuwe openbaring van de HERE, die zich heeft laten verbidden (vgl. Jes. 30:19) en Hizkia, de vorst van mijn volk (titel als van Saul en David, 1 Sam. 9:16,13:14) genezing wil schenken. Jesaja mag hem aankondigen dat hij op de derde dag, di. ‘overmorgen’, naar de tempel zal kunnen gaan om God voor zijn genezing te danken (vs 5) en nog vijftien jaar mag leven (vs 6). Als vs 6b ook in dit kader (vgl. 19:34) thuishoort, heeft het hier niet betrekking op de bedreiging van Jeruzalem in 701, maar in 713/12 (zie 20:12, 18:13). De in het Oosten gebruikelijke therapie met de vijgekoek (vs 7 dat overigens ontbreekt in de Jesajarol van Qumran) behoeft niet af te doen van het feit dat de genezing uiteindelijk een zaak van gebedsverhoring en een geschenk is van de HERE die aan het middel zijn zegen verbindt. Op zijn vraag (vs 8) krijgt Hizkia een teken. Bij de tien treden, die de schaduw naar Hizkia’s keuze voor- of achteruit zou gaan (vss 9-11), denkt men meestal aan een zonnewijzer in de vorm van een trap, waarop een soort zuil zijn schaduw liet vallen. Anderen denken echter aan een schrijn op het dak van een der paleisgebouwen, waar men sinds Achaz de assyrische sterregoden vereerde. Het teruggaan van de schaduw op de zonnewijzer (door het breken van de zonnestralen?) is in elk geval een mooi beeld voor de verlenging van Hizkia’s leven, waardoor de schaduw van de dood wordt uitgesteld.

Het gezantschap uit Babel 20:12-21

Berodak (of Merodak)-Baladan (Marduk-apal-idinna, ‘Marduk heeft een erfzoon gegeven’) was koning van Babel in 721-710 en later nog negen maanden tot zijn dood in 710 werd hij door Sargon II van Assyrië afgezet en vluchtte hij tot 703 naar Zuid-Mesopotamië. Zijn bezoek aan Hizkia moet dus voor Sanheribs beleg van Jeruzalem in 701 hebben plaatsgevonden, hetzij in 703 toen Hizkia een anti-assyrische coalitie organiseerde, hetzij in 713/12 tijdens een soortgelijke coalitievorming van Asdod uit (zie bij vs 1 en bij 18:13-16). Als wij 18:1316 ca. 712 dateren (die daar), dan moet 20:12 vv uit de tijd voor het daar bedoelde tribuut aan Sargon stammen. Daarna had Hizkia niet veel schatten (vs 13) meer over om op de Babyloniërs indruk te maken. De genezing van Hizkia moge de aanleiding tot Merodaks bezoek zijn geweest, de reden was zijn streven naar een gezamenlijke opstand tegen Assur. Zijn speciale belangstelling zal dan ook zijn uitgegaan naar Hizkia’s tuighuis (vs 13), dwz. zijn wapenarsenaal, waarmee de koning zich een waardevol coalitiegenoot tegen Sargon II toonde. Als Hizkia op Jesaja’s vragen (vss 14 v) argeloos van het babylonische bezoek vertelt, kondigt Jesaja in Gods naam het oordeel aan (vss 16-18). Hizkia heeft er met zijn verhaal zelf de motivering voor aangereikt. Verlossing van het assyrische juk mocht immers niet worden verwacht van eigen kracht of van opstand en politieke coalities, maar alleen van de HERE en zijn ingrijpen. Daarop moest Juda’s koning vertrouwend wachten (Jes. 30:15). Hetzelfde Babel waarop Hizkia nu zijn hoop vestigt, zal het land worden waarheen de door Merodak bewonderdeschatten zullen worden weggevoerd samen met Hizkia’s eigen nakomelingen (vss 17 v). De voorzegging van een wegvoering naar Babel doet vreemd aan in deze tijd waarin het assyrische rijk de heerschappij nog geheel in handen had. De vervulling van de profetie kwam dan ook pas ruim een eeuw later (24:13 vv), maar toen waren Hizkia’s lijfelijke zonen (vs 18) al lang gestorven. Sommigen denken daarom liever aan een uitwisseling van gedeporteerden door Assur: zoals onderworpen Babylo-niërs naar Israel waren gedeporteerd, zo Judeeërs enige tijd later naar Babel. Gegevens daarover ontbreken echter. Het antwoord van Hizkia is enerzijds berustend: wat God doet dat is welgedaan (vs 19a; vgl. 1 Sam. 3:18). Anderzijds doet de (latere?) motivering (in elk geval bestendig voorspoed zolang Hizkia zelf nog leeft, vs 19b) wat egocentrisch aan.

Slotformule 20:20-21

Vs 20 (vgl. 2 Kron. 32:30) noemt Hizkia’s aanleg van een beroemd nieuw waterbekken (vijver), waarheen via een ca. . lange tunnel (zoals ook in Gezer en Megiddo) water liep uit de Gichonbron (later Mariabron), waardoor de stad ook tijdens een belegering van drinkwater verzekerd was. In 1880 werd bij de uitgang van de tunnel in het bekken een inscriptie gevonden (nu in het museum van Istanbul), die het moment verhaalt waarop de twee groepen die elk aan een uiteinde van de tunnel waren begonnen te hakken elkaar troffen.

Anders dan bij de overige koningen wordt de plaats van Hizkia’s begrafenis hier niet vermeld (zie echter 2 Kron. 32:33).

Manasse van Juda 21:1-18

Manasse (‘Hij doet vergeten’, vgl. Gen. 41:51) regeerde het langst van alle koningen (697-642), en wel in een tijd waarin Assyrië – onder Esarhaddon en Assurbanipal -zijn expansie tot in Egypte had uitgestrekt. De assyrische koningen melden dat de vazal Manasse hun tribuutplich-tig was, bouwmateriaal voor paleisbouw naar Nineve moest brengen en met troepen moest helpen tegen Egypte. De naam van zijn moeder,Chefsiba betekent ‘Ik heb mijn welgevallen in haar’.

Godsdienstig was Manasse het tegenbeeld van zijn vader. Hij deed niet onder voor de noordelijke koning Achab in het plegen van de gruwelen (Deut. 18:9) van de Kanaänieten, de baäldienst (zie 1 Kon. 16:31-33). Daarnaast voerde hij – onder drang van de assyrische overheersers? – de assyrisch-babylonische aanbidding van sterregoden (het heir des hemels, vss 3 w, vgl. 17:16) in en bouwde daarvoor altaren in de grote en in de binnenste voorhof van de tempel, waar – naar het geliefde thema van de deuteronomistische geschiedschrijver -alleen de ene Naam des HEREN behoorde te worden aangeroepen en vereerd (Deut. 12:4; enz.). Hij liet -evenals Achaz – zoons door het vuur gaan (zie bij 16:3), en liet zich in met allerlei vormen van toverij en waarzeggerij (o.a. het raadplegen van dodengeesten en waarzeggende geesten (vs 6, vgl. Jes. 8:19; 1 Sam. 28:13), letterlijke overtredingen van Deut. 18:10 v, zoals trouwens ook de voorgaande zonden alle in Deut. (4:19, 7:5, 12:3, 17:3) verboden werden. Met al dat kwaad krenkteManasse de HERE (zie 17:11, 17). Dat deed hij met name ook (vs 7) door in de tempel, waar de HERE zijn naam voor eeuwig gevestigd had (letterlijk ‘zette’, vgl. vs 4), een beeld van de kanaänitische godin Asjera (zie bij 17:10, 16) te zetten (hetzelfde woord als bij Gods naam!), ook dit in strijd met Deut. (7:5, 12:3, 16:21).

De prediking die volgt (vs 8=15) tekent de ballingschap als oordeel over de zonden van Juda met name die waartoe zij zich door de goddeloze Manasse hadden laten verleiden, in strijd met de tora van Mozes. Door hun ongehoorzaamheid hadden zij het blijvende wonen in Kanaän, dat de HERE in zijn verbond had beloofd, verspeeld (vs 8 v). Omdat hun afgodische gruwelen (vgl. vs 2) nog erger waren dan die van de Amorieten (hier verzamelnaam voor de pre-israelitische bewoners van Kanaän), zal het Jeruzalem vergaan als Samaria in 722 v.Chr. Met meetsnoer en paslood, beelden uit de bouwwereld, wordt Jeruzalem als het ware gemeten, beoordeeld en schuldig bevonden en voorts door Gods oordeel gereinigd, ‘schoongeveegd’ als een schaal, dwz.: totaal verwoest en ‘ondersteboven gekeerd’ (vs 13).

Vs. 14 v maakt duidelijk dat de rest van Gods erfdeel, di. de Judeeërs na 722 v.Chr., niet alleen door de verleiding van Manasse, maar al van de uittocht uit Egypte, dus van het begin af de HERE zo hebben gekrenkt dat het uiteindelijk wel op het oordeel, voltrokken door de vijanden, moest uitlopen.

De slotbeschouwing (vss 16-18) completeert Manasses zondenregister (vss 2-7) met het vergieten van onschuldig bloed (vgl. Deut. 19:10), waarbij men zich kan afvragen of dat doelt op het uit de weg ruimen van politieke tegenstanders dan wel van sociaal zwakkeren (om zich zelf te bevoordelen, zoals Achab bij Nabot in 1 Kon. 21; vgl. Jer. 22:17). De legende van de wrede dood van Jesaja door Manasse (in stukken gezaagd) heeft echter nauwelijks historische betekenis. De negatieve beoordeling van Manasse wordt in vs 17 nog eens uitzonderlijk geaccentueerd door de samenvatting de zonde die hij bedreven heeft. Manasse werd niet begraven bij zijn voorvaderen in het Dal der koningen (was daar geen plaats meer?) maar in zijn paleistuin, in een gedeelte dat van een zekere Uzza was gekocht en als nieuwe necropolis diende (aan de voet van de Olijfberg?).

Anion van Juda 21:19-26

De moeder van Arnon was blijkbaar van arabische of edomitische afkomst. Jotba (thans at-taba) lag ca. ten n. van Akaba. Na een korte regering (642-640), gekenmerkt door de voortzetting van de afgoderijen van zijn vader Manasse (vss 19-22), viel Amon ten offer aan een samenzwering van zijn eigen personeel. Naar de achtergrond is slechts te gissen: was het een anti-assyrische of een anti-davidische groepering of een groep trouwe priesters van de HERE die Amon doodde? In elk geval zorgde het pro-davidische volk des lands, de judeese landadel (zie 11:14) voor een nieuwe Davidide op de troon, de achtjarige Josia (vs 24, 26).

Josia van Juda 22:1-30

Inleiding 22:1-2

De gebruikelijke formulering noemt ook voor Josia (‘de HERE helpt’) leeftijd: 8 jaar (in de griekse vertaling 18 jaar), regeerjaren (640-609) en naam van zijn moeder: Jedida (‘lieveling’) dochter van Adaja (‘de HERE is een sieraad’), uit Boskat in het judeese land (bij Lakis?), zodat de judeese landadel blijkbaar in Josia een prins van een vrouw van hun eigen bloed op de troon bracht en in de koningin-moeder, de ‘gebiedster’ genoemd, een invloedrijke bepleitster van hun ideeën en belangen kreeg. Josia wordt zeer positief beoordeeld en in godsdienstig opzicht vergeleken met David (vgl. 23:25).

Het wetboek 22:3-11

In het 18e jaar van zijn regering neemt Josia de restauratie van de tempel ter hand. In dat verband stuurt hij de staatssecretaris Safan (‘klipdas’) naar de hogepriester Hilkia (‘de HERE is mijn deel’) om die al het geld van deurcollecten (offerblokken?) te laten tellen en te bestemmen voor de restauratie (vss 3-7; vgl. 12:1-16; voor vs 7 zie 12:15), hetgeen zo geschiedde (vs 9). Bij het te voorschijn halen van het geld in de tempel vond Hilkia het wetboek, volgens 2 Kron 34:14 ‘het boek van de wet des HEREN, gegeven door Mozes’. Op grond van de uit deze ‘wet’ voortvloeiende hervormingen (23:1 w) meent men meestal dat het gevonden boek de wetten uit Deut. (hst. 12-26) heeft bevat (zie echter bij 23:9), die dan onder Manasse of reeds eerder op schrift waren gesteld in een boekrol, die onder Manasse (21:1 vv) om veiligheidsredenen was verstopt, maar nu door Hilkia teruggevonden werd. In elk geval was de gevonden rol van zo geringe omvang dat zij in korte tijd door Safan kon worden gelezen en voorgelezen (vs 8,10). De koning is door de discrepantie tussen het wetboek en het (godsdienstig) leven van de vaderen zo geschokt (vs 13) dat hij boetvaardig zijn kleren scheurt in de overtuiging dat Gods toorn over Juda verdiend is; hij zendt vertrouwelingen er op uit om in deze situatie Gods stem te raadplegen: naast Hilkia en Safan zijn het Achikam (‘mijn broer verhief zich’) die Jeremia eens beschermde (Jer. 26:24), Akbor (‘muis’; vgl. Jer. 26:22) en Asaja (‘de HERE heeft het gedaan’) die het ambt van dienaar van de koning bekleedde (vs 12).

Chulda, de profetes 22:14-20

Blijkt degene te zijn door wier bemiddeling het vijftal (vs 12) de HERE gaat raadplegen (vs 14). Zij was de vrouw van Sallum (‘vergelding’ of ‘vergoldene’?), de kleder-bewaarder (van het paleis of van de tempel?), zoon van Tikwa (‘hoop’). Waarom hebben zij niet de bekende profeten Jerema of Sefanja geraadpleegd? Waren die toen niet in Jeruzalem? Of verwachtten zij van een vrouw een mildere bejegening? Hoe dan ook, in haar antwoord is Chulda (‘mol’) verre van vleiend voor de koning, de man die u tot mij gezonden heeft. De boodschap, die tweemaal nadrukkelijk als woord des HEREN wordt gekenmerkt, kondigt Gods oordeel aan over Jeruzalem (deuteronomistisch deze plaats genoemd, vss 16,17), alle oordeelsdreigingen die vervat zijn in het wetboek over ontrouw jegens de HERE door offers aan andere goden en het dienen van afgodsbeelden (maaksel van hun handen), waarmee zij de HERE ‘gekrenkt’ hebben (vgl. Jer. 25:6-7; 7:20). Omdat Josia zich voor de HERE verootmoedigd heeft, zal het voltrekken van Gods oordeel over Jeruzalem echter nog worden uitgesteld tot na zijn dood (vgl. 1 Kon. 21:27-29) en in zoverre zal hij in vrede mogen sterven, al zou hij wel in een strijd tegen Egypte sneuvelen (23:29 v).

Josia ‘s hervormingen 23:1-27

Naast oordeelsaankondigingen (22:16) bevatte het gevonden boek, nu het boek des verbonds genoemd (vs2) , ook allerlei geboden en voorschriften des HEREN (vs3) . Josia, zelf diep getroffen door de inhoud van het boek (22:11), wil heel Juda en Jeruzalem ermee bekend maken. Hij ontbiedt alle familieoudsten als vertegenwoordigers van het volk en leest hun en de profeten en priesters en allen die maar naar de tempel waren gestroomd, de gevonden boekrol voor. Dan neemt hij plaats bij de zuil of wel ‘op het koninklijke podium’ (vgl. 11:14) en sluit daar in deuteronomische termen (vgl. Deut. 6:5 v, 17) het verbond voor het aangezicht des HEREN, dwz. verplicht zich met heel zijn hart de voorschriften des HEREN uit de boekrol te houden. De koning functioneert hier als verbondsmiddelaar (vgl. Mozes en Jozua, Ex. 24 en Joz. 24) die het voorbeeld geeft dat door het volk wordt gevolgd: het gehele volk ‘gingstaan in’ het verbond (vs 3), een uitzonderlijke uitdrukking, die verder niet voorkomt (Deut. 29:11 heeft ‘toegetreden tot’ of ‘overgaan in’ het verbond).

Met het gevonden wetboek als richtsnoer laat Josia de hoge clerus, waartoe naast de hogepriester en zijn waarnemer ook de (drie) dorpelwachters behoorden (12:9; 25: 18), een reformatie van de eredienst uitvoeren, waarbij de deuteronomische leuzen ‘zuiverheid en eenheid van eredienst’ uitgangspunten zijn: de zgn. deuteronomische cultuscentralisatie in Jeruzalem. Duidelijker dan bij Hizkia (18:4) heeft Josia’s reformatie naast een godsdienstige ook een politieke kant. Het uitroeien van de assyrische afgoderij, waarop veel nadruk ligt (vss 4, 5, 11 v) staat in het kader van Josia’s afzweren van de assyrische opperheerschappij, hetgeen hem werd vergemakkelijkt doordat in zijn dagen het assyrische rijk reeds sterk was verzwakt en zijn ondergang (met de val van Nineve in 612 v.Chr.) tegemoet ging.

Allereerst worden alle voorwerpen zowel van de kanaänitische vruchtbaarheidscultus (Baäl en Asjera, vgl. 17:10, 18:4) als van de assyrisch-babylonische sterrego-den (21:3) uit de tempel gehaald en verbrand bij de ‘terrassen’ (?, NBG en SV: velden) van het Kidrondal (vs 4) tussen stad en Olijfberg, vanouds een begraafplaats en daarom onrein, een plek waar de onreine voorwerpen van de afgoderij thuishoren. De overblijvende as wordt voorts – zo is toegevoegd – noordwaarts naar Betel met zijn verfoeilijke heiligdom (1 Kon. 12:25-32) gebracht. Vervolgens worden de afgodspriesters (van vreemde herkomst?), die de nu uitgeroeide cultusvoor-werpen bedienden, ‘afgezet’ (of ‘gedood’?). Vs 6 noemt na de voorwerpen van de afgoden (vs 4) nog speciaal de Asjera (gewijde paal) zelf, het grote symbool van vrouwelijke vruchtbaarheid, dat door Manasse in de tempel was gezet (21:7) en dat nu het lot van de voorwerpen uitvs 4 deelt (vgl. 2 Kron. 34:4). De bij de vruchtbaarheid-scultus behorende ‘gewijde prostitutie’ (zowel mannelijke als vrouwelijke) waarmee men de vruchtbaarheid op magische wijze meende te bevorderen (vgl. Hos. 4:13 v) wordt eveneens aangepakt. Afgebroken worden de vertrekken van hun ‘bedrijf’, waar de vrouwen hoezen (of ‘gewaden’?, minder waarschijnlijk: ‘huisjes’ SV) weefden voor Asjera (vs 7). De zin van de uitdrukking is onduidelijk. Gaat het om een eufemisme voor de geslachtelijke omgang of om sieromhulsels voor de Asjera? In het hele rijk van Geba in het uiterste N. van Benjamins stamgebied tot Berseba in het Z. (vs 8), laat hij voorts alle offerhoogten, de cultusplaatsen buiten de tempel van Jeruzalem, verontreinigen (di. waarschijnlijk: de heilige voorwerpen vernietigen) om ze onbruikbaar te maken (één hoogte, blijkbaar een beruchte, wordt in vs 8b speciaal aangeduid); de priesters ervan die nu brodeloos werden, haalt hij naar Jeruzalem, waar ze wel het noodzakelijkste voedsel (ongezuurde broden) krijgen, maar – anders dan de Levieten in Deut. 18:6-8 -geen dienst mogen doen in de tempel (vs 9). Natuurlijk werd ook de Tofet, de beruchte plaats in het Dal van (de zonen van) Hinnom (ge hinnom, waarvan later gehenna, ‘hel’, werd afgeleid), waar – in strijd met Deut. 18:10 -kinderen aan de Molek werden geofferd of gewijd (zie 16:3, 17:17, 21:6; Jer. 7:13 v, 19:6, 11 w), verontreinigd om aan dat afschuwelijke gebruik een eind te maken (vs 10), evenals aan de assyrische verering van Sjamasj, de zonnegod, wiens dagelijkse ommegang langs de hemel door een zonnewagen, getrokken door paarden (beelden of echte?) werd gesymboliseerd( vs 11). Onduidelijk is wat precies is bedoeld met de plaatsaanduiding van de ingang van de tempel ‘tot het vertrek’ (?) van de hofbeambte Natan-melek (‘de Koning heeft gegeven’), in de bijgebouwen (of: ‘in de paviljoenen’?), die volgens 1 Kron. 26:18 ten W. van het tempelplein lagen. Ook de altaren op het dak en in de voorhoven, bestemd voor de verering van de sterregoden, liet Josia aan puin slaan (vs 12; vgl. 21:3 w). Voor vs 13, vgl. 1 Kon. 11:7; met de berg van het Verderf is wellicht de Olijfberg bedoeld; die is dan zo genoemd naar de gruwelijke afgoderij die daar bedreven werd. Voor vs 14, zie 1 Kon. 14:23; 2 Kon. 17: 10, 18:4; door het volgooien met mensenbeenderen werden de plaatsen voor goed ontwijd en nutteloos voor elk cultisch gebruik (vgl. vs 16, 20; Num. 19:16).

Zelfs tot in het vroegere Noord-Israel strekte Josia zijn hervormingen uit (vss 15 w) door de offerhoogte van Jerobeam te Betel (1 Kon. 12:25-32), met al het toebehoren af te breken. Na vs 15 laste de schrijver een profeten-geschiedenis in (vss 16-18) die over het altaar van Betel ging, maar vóór de verwoesting van dat altaar (vs 15) moet hebben plaats gehad, omdat vs 16 spreekt van een ontwijding van het altaar door er mensenbeenderen op te verbranden, waarmee de profetie van de judeese man Gods uit de tijd van Jerobeam I (1 Kon. 13:1 v) in vervulling ging. Ook het sparen van het graf van die man Gods en van de profeet uit Samaria (dat is hier: uit de provincie Samaria, de profeet kwam uit Betel, (1 Kon. 13:11) heeft zijn achtergrond in 1 Kon. 13 :29-32.

Hetzelfde geldt van het afbreken van alle hoogteheiligdommen in Noord-Israel en van het wrede lot van de daar dienstdoende priesters (1 Kon. 13:2, 32) wat kennelijk de enige mogelijkheid was om aan het taaie syncretisme een eind te maken. Het ‘terugkeren’ van Josia naar Jeruzalem (vs 20) suggereert dat de koning persoonlijk bij de acties in Noord-Israel betrokken was geweest.

Het bericht over de Paasviering (vss 21-23) is alleen begrijpelijk tegen de achtergrond van de voorschriften uit Deut. 16:1-8. Werd aanvankelijk Pesach in de eigen familiekring gevierd (Ex. 12), sinds Deuteronomium zijn huiselijke en plaatselijke vieringen verboden (uit vrees voor syncretistische invloeden?) en moet ieder het feest in de tempel te Jeruzalem komen vieren (Deut. 16:5 vv). Dat was vóór Josia nog niet gebeurd. Hij liet het voor het eerst vieren overeenkomstig het boek des verbonds, dwz. de deuteronomische bepalingen inzake de cultuscentrali-satie. 2 Kron. 35 geeft nadere bijzonderheden over de viering, o.a. Josia’s royaal schenken van offervee voor het gewone volk.

Vs 24 vult elementen aan die nog niet bij Josia’s hervormingen ter sprake kwamen, vormen van afgoderij en mantiek die in de privé-sfeer van het familieleven werden bedreven. In dat kader valt blijkbaar het uitroeien van de raadplegers van ‘dodengeesten en waarzeggende geesten’ (vgl. 21:6), de terafim (de huisgoden, zie bij Hos. 3:4) en de afgodsbeelden, hier ‘drekgoden’ en ‘gruwelen’ genoemd.

De lof die Josia in vs 25 krijgt (vgl. Hizkia in 18:5 v) plaatst zijn cultusreformatie tegen de achtergrond van zijn terugkeer tot het dienen van de HERE op de wijze van Deut. 6:5. Wordt Josia hier geprezen om zijn gehoorzaamheid aan de HERE in cultische zaken, in Jer. 22:15 v gebeurt dat om zijn speciale gerechtigheid, zijn opkomen voor armen en verdrukten. De goede houding van deze koning vermocht echter niet de geestelijke schade weg te nemen voor de Judeeërs die in het voetspoor van Manasse waren getreden, en daarmee evenmin de toorn des HEREN waardoor het lot van Juda en Jeruzalem zou uitlopen op de ondergang van 587/86 (vss 26 v; vgl. 21:11-15; 22:15-19).

Slotwoorden 23:28-30

Uiterst beknopt verhaalt vs 29 de dood van Josia. Uit Josephus (ant. X, 5, 1) en de Babylonische Kroniek weten wij iets meer van de achtergronden. De egyptische farao Neko II (609-593 v.Chr.) trok in 609 als vazal van Assyrië naar Haran om zijn opperheer die daar door Babyloniërs en Meden bedreigd werd, met zijn troepen te hulp te snellen. De anti-assyrisch gezinde Josia wilde dat blijkbaar trachten te verijdelen. Voor Neko’s pogen Josia daarvan te weerhouden, zie 2 Kron. 35:20-25. Josia’s leger kwam tot een treffen met dat van Neko in de vlakte van Jizreël bij Megiddo, waar hij zodra Neko hem zag (‘zien’ is hier en in 14:8 ‘zich meten met’, ‘de strijd beginnen’) gewond werd en later stierf (vss 29 v). In elk geval kwam – misschien mede vanwege het door Josia veroorzaakte oponthoud – de hulp van Egypte in Haran te laat. De rol van Assyrië was nu uitgespeeld. Egypte en Babylonië zouden voorlopig het politieke toneel in West-Azië beheersen.

Zoals ook eerder in bewogen tijden het geval was, heeft het volk des lands (di. de volle burgers van het judeese land, vgl. 11:4-18) beslissende invloed op de opvolging van Josia. Het passeert de oudste zoon Jojakim enbrengt de twee jaar jongere Joachaz op de troon (vs 30) misschien omdat diens moeder uit dat ‘volk des lands’, uit Libna (vs 31) afkomstig was.

Onder egyptische heerschappij 23:31-24:7

Joachaz 23:31-35

Joachaz (‘de HERE grijpt vast’) regeerde slechts drie maanden in 609 v.Chr. Zijn moeder (tevens die van Sedekia, 24:18) heette Chamutal (‘de familiegod is dauw’?), zijn grootvader Jirmeja(hu) (‘de HERE sticht’?). Zij kwamen uit Libna (vgl. 19:8) dat zich onder Joram van Juda had losgemaakt (8:22), maar later blijkbaar weer judees was geworden (zie bij vs 30). Het oordeel over Joachaz (vs 32) is even ongunstig als dat over zijn voorvaderen, waarbij Asa, Hizkia en Josia uiteraard moeten worden uitgezonderd. Blijkbaar heeft hij geweigerd zich te gedragen als vazal van de egyptische farao Neko, die zijn vader had gedood. Daarom werd hij wellicht ontboden naar Ribla aan de Orontes, halverwege tussen Damascus en Hamat, waar Neko zijn hoofdkwartier had (vgl. 25:6, 20). Deze neemt Joachaz gevangen, zet hem af als koning en neemt hem later mee naar Egypte, waar hij sterft (vss 33 v; vgl. Jer. 22:10-12). Intussen heeft de farao Eljakim (‘God richt op’) op de troon van Juda gebracht, waarschijnlijk omdat hij van hem vazaltrouw verwachtte, en zijn naam veranderd in Jojakim (‘de HERE richt op’), wellicht om bij de Judeeërs de indruk te wekken dat de nieuwe koning door hun eigen God, de HERE, op de troon was gebracht (vss 33 v). Het tribuut dat Juda aan Egypte als boete moet betalen – 100 talenten (= ca. ) zilver en één talent (ca. ) goud – bracht Jojakim bijeen door het volk des lands, de judeese burgers met grondbezit, naar geschatte draagkracht aan te slaan (vs 35).

Jojakim 23:36-24:7

Deze koning (609-598 v.Chr.), zoon van Josia en Zebida (of Zebudda, ‘de geschonkene’) uit Ruma in midden-Galilea (of Duma in Z- Juda?) krijgt eenzelfde ongunstige beoordeling als zijn broer (vs 37, vgl. 32). Vooral Jeremia laakt hem om de sociale uitbuiting voor zijn hovaardige paleisbouw en om zijn moord op de profeet Uria (Jer. 22.13-19; 26:20-24). In 24:1 is de politieke verandering verondersteld, die pas in 24:7 gemeld wordt. De egyptische macht, die Jojakim op de troon bracht (23:33 v), was sinds 605 v.Chr. bij de slag bij Karkemis gebroken, en de Egyptenaren waren verdreven door de nieuw-Babyloniërs, die nu voor ongeveer 70 jaar (Jer. 25:11, 29:10) het politieke toneel zouden beheersen van de Eufraat tot het egyptische grensgebied. Hun koning Nebukadnessar of Nebukadressar (= Nabu-kudurri-usur, ‘o Nebo, bescherm de grens’) trok in 603 (?) op tegen Jeruzalem en maakte Jojakim tot zijn vazal. Toen de Babyloniërs in een veldtocht tegen Egypte in 601 met grote verliezen werden teruggeslagen, achtte Jojakim zijn tijd gekomen om het vazaljuk af te werpen. Nebukadnessar, wiens eigen leger nu verzwakt is, zendt dan Chaldeese roofbenden, ondersteund door benden van zijn trouwe vazallen: Arameeërs (volgens enkele teksten Edomieten), Moabieten en Ammonieten. De schrijver ziet daarachter de hand des HEREN die Juda straft voor de zonden van Manasse (vss 3 v; 21:10-16, 23:26 v), die door het volk maar al te graag werd nagevolgd (21:16) en die moesten uitlopen op de ondergang van het volk. Een eerste belegering van Jeruzalem kwam echter pas onder Jojakin (24:8 vv). In de slotformule (vss 5-7) wordt voor het laatst verwezen naar de judeese annalen (vs 5) en ontbreekt de plaats waar Jojakim is begraven (vs 6). Hangt dat samen met de ‘ezelsbegrafenis’ die over hem voorzegd was (Jer. 22:18 v) of met zijn deportatie naar Babel (2 Kron. 36:6) of met beide? Voor vs 7, zie bij vs 1.

Onder de macht van Babylonië 24:8-25:30

Jojakin 24:8-17

Jojakin (‘de HERE bevestige’), in Jeremia (Je)-konja genoemd (Jer. 22:24, 24:1), was de zoon van Jojakim en Nechusta (‘de koperen’ of ‘de weelderige’?) dochter van Elnatan (‘God heeft gegeven’; Jer. 26:22, 36:12, 25) dwz. uit een vooraanstaande jeruzalemse familie. Ook zijn korte regering (in 598/97) krijgt het bekende negatieve verdict. Alleen wordt zijn kwaad niet gezet in de lijn van zijn vaderen, maar alleen van zijn vader, blijkbaar ter onderscheiding van die van zijn grootvader Josia (vs 9). Rond de troonwisseling in Juda zendt Nebukadnessar het babylonische leger (volgens de Babyl. Kroniek in dec. 598 – jan. 97) naar Jeruzalem (ca. ) om af te rekenen met de onder Jojakim begonnen ontrouw jegensBabel. Tijdens de belegering van de stad komt Nebukadnessar persoonlijk (vs 10 v). Dan capituleert Jojakin. Samen met de koningin-moeder (de gebira, steeds als invloedrijke figuur getekend), staatsdienaren, hoogwaardigheidsbekleders en hofbeambten biedt hij buiten de stad zijn onderwerping aan (vs 12), kennelijk in de hoop daarmee erger te voorkomen (vgl. Hizkia in 18:14). Maar Nebukadnessar neemt de 18-jarige koning gevangen, neemt de stad in (volgens de Babyl. Kroniek op 16 maart 597 v.Chr.), en neemt (vs 13) de kostbaarheden van paleis en tempel mee naar Babel, met name wat er aan goud te vinden was (al de schatten is wat te sterk; in 25:13 v is bv. het koper er nog). Vs 14 maakt de indruk van een latere doublure (vgl. vs 16 en 25:11 v). In elk geval wordt de hele aristocratie van de stad (vs 15, vgl. vs 12) naar Babel gedeporteerd (vgl. Ez. 17:11-13). Naast de politieke en geestelijke leiders, o.a. de profeet Ezechiël (Ez. 1:1-3), werden ook een ‘groot aantal’ (dat is met de ronde getallen bedoeld; Jer. 52:28 noemt 3023 Judeeërs!) weerbare mannen, handwerkslieden en smeden gedeporteerd, die men in Babylonië goed gebruiken kon. Door die wegvoering werd de potentiële mankracht voor een leger in Juda gebroken, al zal men ook in vs 16 de woorden heel de (weerbare manschap) moeten opvatten als ‘zeer velen’, aangezien de nieuwe koning van Juda kennelijk nog genoeg mannen had om een nieuwe opstand tegen Babel te riskeren en omdat er in 587/6 nog een groot aantal voor deportatie in aanmerking komt (25:11). De nieuwe koningMattanja (vs 17; ‘geschenk des HEREN’), oom van Jojakin, was door Nebukadnessar als zijn vazal op de troon gebracht en kreeg daarbij de naam Sedekia (‘de HERE is mijn gerechtigheid/heil’). Wilde Nebukadnessar met zo’n typische hebreeuwse naam bij de Judeeërs in het gevlei komen (vgl. 23:34) of duidt de naam op deeed (vgl. Ez. 17:12 vv) die de nieuwe koning bij de HERE (en de babylonische goden?) moest zweren om zijn trouw als vazal te betuigen?.

Sedekia 24:18-25:7

Evenals zijn broer Joachaz was Sedekia (597-587/6; vgl. 24:17) een zoon van Josia en Chamutal (zie bij 23:31), de koningin-moeder die ook nu weer grote invloed op de onverstandige politiek van haar zoon had (Ez. 19:2-5). Onder het bewind van Sedekia, die in 24:19 even ongunstig wordt beoordeeld (vgl. Jeremia’s beschaamde verwachting over hem, Jer. 23:5-8; 24:8 v, en Ez. 8-11) als zijn halfbroer Jojakim, wordt het oordeel des HEREN over Juda’s ontrouw definitief voltrokken. Dat geschiedde door de koning van Babel, tegen wie Sedekia in 589 – tegen Nebukadnessars verwachting in (vgl. 24: 17) – in opstand kwam. Uit Jer. 27:2 w blijkt dat in 594 naburige koningen nog vergeefs poogden Sedekia in een coalitie tegen Babel te betrekken. Maar in 589 waagde hij de opstand, wellicht gesterkt door egyptische successen in West-Azië. Onzekerheid bestaat over de vraag of met het 9e jaar (25:1) van Sedekia 588 of 587 is bedoeld. In elk geval begon de belegering in de 10e maand (gerekend van de maand Nisan, ca. ons ‘maart’) dus ongeveer in januari. Nebukadnessar zelf vestigde zijn hoofdkwartier in Ribla en liet de belegering van Jeruzalem aan zijn generaals over (Jer. 38:17). Na 1Vi jaar (vss 2 v), ongeveer in juli 587 (of 586?), toen de honger in de stad nijpend was geworden, sloegen de Babyloniërs een bres in de (noordelijke?) stadsmuur en drongen de stad binnen. Aan de tegenoverliggende kant van de stad vluchtten ‘s nachts de soldaten (vs 4; vgl. Jer. 52:7), blijkbaar met de koning (vs 5) door een stadspoort aan de zuidzijde in de richting van de Araba (de Vlakte) dus zuidwaarts, en vervolgens in de richting van de Jordaanvlakte bijJericho. Daar overmeesteren de babyloniërs Sedekia en brengen hem dan naar de grote koning in Ribla aan de Orontes (vgl. 23:33). Een wrede straf wacht hem daar voor het breken van zijn vazaleed: zijn zoons worden voor zijn ogen afgeslacht (met de judeese hoogwaardigheidsbekleders? vgl. Jer. 52:10), dan worden hem zelf de ogen uitgestoken en wordt hij geboeid naar Babel gebracht, waar hij in de gevangenis op zijn dood wacht (Jer. 52:11; Ez. 12:13). Merkwaardigerwijs horen wij niets van het lot van andere vestingsteden zoals Lakis (waar ostraca van vertellen, vgl. Jer. 34:7) of van de tijdelijke onderbreking van Jeruzalems beleg door een ingrijpen van Egypte (Jer. 37), of van Jeremia’s advies tot overgave (Jer. 38:17 w).

Jeruzalem verwoest; inwoners gedeporteerd 25:8-21

Een maand na de vlucht van Sedekia, in augustus 587 (of 586), komt Nebuzaradan (‘Nabu heeft nageslacht gegeven’) als commandant van Nebukadnessar om tempel, paleis en huizen van aanzienlijken te verbranden (vss 8 v), de stadsmuren te slopen (vs 10) en de belangrijke personen, die na de deportatie van 597 (24:15 v) en de vlucht (25:4) nog over waren, naar Babel weg te voeren. Zelfs de overlopers, die reeds tijdens de belegering de zijde van Babel hadden gekozen (Jer. 38:19) werden gedeporteerd, omdat zij kennelijk toch niet voldoende door de Babyloniërs vertrouwd werden. Alleen van de arme plattelanders, die blijkbaar bij de babylonische dreiging een toevlucht in de stad hadden gevonden, ontkomen er volgens vs 12 aan deportatie. Zij krijgen van Nebuzaradan de wijngronden en akkers van de gedeporteerde eigenaars in bezit (Jer. 39:10) om die voortaan te bewerken. Hoewel de tekstgegevens een andere indruk zouden kunnen geven, moet het getal van de in Juda achtergeblevenen toch aanzienlijk zijn geweest, wellicht zelfs groter dan dat van de gedeporteerden.

Waardevolle cultusvoorwerpen en tempelgerei gaan als buit naar Babel (vss 13-17, vgl. Jer. 52:20-23; Ezra 1:710). De grote koperen voorwerpen (zie 1 Kon. 7:13 vv) worden aan stukken geslagen om in Babel voor nieuwe doeleinden te worden gebruikt. De kleine blijven als trofeeën intact. Het wegvoeren van deze voorwerpen vond uiteraard plaats vóór het verbranden van de tempel (vs 8).

Tenslotte voert de commandant de hoogwaardigheidsbekleders (vss 18-21) naar Ribla, waar zij door Nebukadnessar worden terechtgesteld, blijkbaar omdat zij de koning in zijn verzet hadden gesteund. Van de hoge clerus waren het de opperpriester (= ‘Hogepriester’) Seraja (‘de HERE strijdt’?), zijn plaatsvervanger Sefanja (‘de HERE verbergt, bewaart’) en de drie dorpelwachters (vgl. 23:4); van de rijksgroten: een hofbeambte die het opzicht had over de krijgsmacht (vs 19), vijf vertrouwelingen van de koning, de secretaris van de legeroverste die recruten moest werven uit het volk des lands, de volle burgers van het land, een soort ‘landadel’ waaruit nu ook het stad verblijvende mannen in Ribla werden gedood.

De concluderende slotzin van vs 21, die herinnert aan 17: 23b, wekt de indruk van een totale deportatie van Juda. Wij zagen reeds (vs 12) dat het in feite alleen om de sociale bovenlaag ging (vgl. Jer. 52:29).

Stadhouder Gedalja 25:22-26

Over de in Juda achtergebleven bevolking stelt Nebukadnessar Gedalja (‘de HERE is groot’) als stadhouder aan, een afstammeling van een bekende beambtenfamilie (zie 22:12), die een goede verhouding met de profeet Jeremia had (vgl. het uitvoerige Jer. 40:7-43:7). Van zijn residentie in Mispa uit ( ten N. van Jeruzalem) poogt hij rust en welvaart in het land te herstellen. Als de oversten van de judeese heerban, die zich tijdens de oorlogshandelingen wellicht verborgen hadden gehouden, na Gedal-ja’s aanstelling naar Mispa komen (vgl. Jer. 52:7 vv), stelt deze hen onder ede gerust: ze hebben van de chal-deese (= babylonische) bezettende macht niets te vrezen (vs 24); als zij de wapens maar neerleggen, kunnen zij rustig in het land blijven en zich weer wijden aan hun boerenbestaan. Maar als één hunner, Jismaël (‘God hoort’), een Davidide, in de zevende maand (sept.-okt.) weer in Mispa op bezoek is, nu met tien anderen, vermoordt hij op lafhartige wijze (uit naijver op de regering of uit haat tegen Babel?), volgens Jer. 41:1 vv tijdens de maaltijd, de stadhouder samen met de bij hem aanwezige Judeeërs en Babyloniërs (vs 25). De moord brengt onder het volk zo’n angst voor wraak van de Babyloniërs te weeg, dat zij – tegen Jeremia’s advies in – in groten getale naar Egypte vluchten (vs 26) en Jeremia meeslepen (Jer. 43).

Begenadiging van Jojakin 25:27-30

De toevoeging aan het slot van het boek geeft bericht over het lot van de reeds in 598/7 gedeporteerde koning (24:12 v). Het betreft zijn ‘vrijlating’ 37 jaar later, toen Nebukadnessar gestorven was en werd opgevolgd door Ewil-Merodak (561 v.Chr.). Was Jojakin tevoren samen met zijn familie gevangen, volgens babylonische gegevens in een ruimte onder de citadel, door de nieuwe koning wordt hem (in het kader van een amnestie bij de troonsbestijging?) een grote mate van vrijheid vergund. Wel moest hij in Babel blijven, maar werd bij feestelijke gelegenheden als gast aan de tafel van Ewil-Merodak genodigd, waar hij zelfs een ereplaats kreeg (vs 28), zodat hij zich in elk geval in zijn koninklijke waardigheid erkend voelde. Met de begenadiging van de dan 55-jarige gedeporteerde Davidide laat de schrijver aan het slot van het boek Koningen een glimp van hoop over. Zou Gods trouw aan Davids huis toch nog de weg naar een nieuwe toekomst open laten?

Regeerjaren van de koningen van Juda en Israel (bij benadering)
Juda Israel Juda Israel
Rechabeam 931-914
Jerobeam I 931-910
Abia 914-911
Asa 911-870
Nadab 910-909
Basa 909-886
Ela 886-885
Zimri 885
Omri 885-874
Achab 874-853(?)
Josafat 870-848
Achazja 853-852
Joram 852-841
Joram 848-841
Achazja 841
Jehu 841-814
Atalja 841-835
Joas 835-796
Joachaz 814-798
Joas 798-783
Amasja 796-767
Jerobeam II 783-752*
Azarja/Uzzia 767-739*
Zekarja 752-751
Sallum 751
Menachem 751-741
Pekachja 741-740
Pekach 740-731 (?)
Jotam 739-735*
Achaz 735-727 (?)
Hosea 731-722
Hizkia 727-697
Manasse 697-642
Amon 642-640
Josia 640-609
Joachaz 609
Jojakim 609-598
Jojakin 598-597
Sedekia 597-587/6

*voorafgegaan door een tijd van mederegeren naast zijn voorganger

Koning Josia

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken