Menu

Premium

2 Korinthiërs

INLEIDING

Naam

De naam van dit bijbelboek 2 Korintiërs is ontleend aan het adres van de brief, de gemeente van Korinte en geeft ook aan dat het de tweede brief is die voor ons is bewaard gebleven in het geheel van de Heilige Schrift.

Achtergrond, schrijver, lezers, datering

Op zijn tweede zendingsreis, eind 50, is Paulus in Korinte gekomen en heeft daar het evangelie gepredikt, Hand. 18:1-17. Er is een gemeente ontstaan. Hij was er anderhalf jaar werkzaam. Vóór deze brief heeft Paulus reeds drie brieven geschreven (zie 1 Korinte). De achtergrond van de brief is een ernstig conflict tussen de apostel en de gemeente. Verschillende pogingen om het op te lossen zijn mislukt. De aard van het conflict is moeilijk vast te stellen. Het kan te maken hebben met onzedelijk handelen van gemeenteleden, die niet werden veroordeeld. Ook heeft iemand Paulus persoonlijk in zijn waarde gekrenkt. Hij keert zich ook fel tegen de zgn. Christus-partij die judaïstisch van karakter is. Zij vernederen hem zeer. Zijn visioenen en ekstatische belevenissen vertrouwen ze niet, hij zou een bedrieger en tiran zonder liefde zijn. Een collecte zou bij hem dan ook zeker niet in goede handen zijn.

Na 1 Korinte heeft Paulus al een brief over deze zaken geschreven die niet bewaard is gebleven, naar 2 Kor. 2:3v de tranenbrief genoemd. Titus bracht die over en moest proberen de gemeente weer in het goede spoor te krijgen. Dat is hem inderdaad gelukt. Paulus is in Macedonië als hij Titus weer ontmoet en hoort dat alles ten goede is gekeerd. Hij stuurt Titus opnieuw om de voorgenomen collecte voor Jeruzalem te realiseren. Hij geeft 2 Kor. aan hem mee als voorbereiding op een persoonlijk bezoek. Hij vermaant hen alle onchristelijkheid, onvrede en kwaadheid weg te doen. Dan kan hij als een ware apostel werkelijk opbouwend werken, overeenkomstig de volmacht die hem is gegeven. Hij schrijft deze brief waarschijnlijk in de herfst van 57, vanuit Macedonië.

Leidende gedachten

Er kunnen drie delen in de brief worden onderscheiden: hstt 1-7, 8-9, 10- 1-7 vinden we de verdediging van het apostolische ambt en van de prediking van Paulus. De heerlijkheid van het ambt is dat het dienst is in het nieuwe verbond, dat zoveel heerlijker is dan het oude. In 8-9 ontwikkelt de apostel zijn gedachten over de praktische naastenliefde naar het voorbeeld van Christus. Het doel is de realisatie van een collecte voor de moedergemeente te Jeruzalem. In 10-13 verdedigt de apostel opnieuw de persoonlijke waarden tegenover verdachtmakingen van zijn tegenstanders; een gedeelte met diepe emoties.

Inhoud van de brief

Schrijver – lezers – groet 1:1-2

Dankzegging 1:3-11

Het verwijt van lichtvaardigheid 1:12-2:4

Vergiffenis van een schuldige 2:5-117

Het oude en nieuwe verbond 3:1-18

De schat in aarden vaten 4:1-15

Goede moed, ook bij het sterven 4:16-5:10

Het ambt der verzoening 5:11-21

Paulus in zijn dienstwerk 6:1-10

Geen heidense smetten 6:11-7:1

Blijdschap na droefheid 7:2-16

Opwekking tot offervaardigheid 8:1-15

Zending van Titus 8:16-24

De collecte voor Jeruzalem 9:1-15

Paulus’ optreden tegenover zijn tegenstanders 10:1-11

Het oordeel van Paulus over zichzelf 10:12-11:6

De belangeloosheid van Paulus 11:7-29

Stof tot roemen 11:30-12:10

De ongerustheid van Paulus 12:11-21

Laatste vermaningen – Groet 13:1-13

VERKLARING

Schrijver – lezers – groet 1:1-2

1.De wil van God: Paulus is Gods gevolmachtigde vertegenwoordiger. God heeft hem uitverkoren om door zijn dienst vele anderen te redden, Hand. 9:15. Dit heeft hier nadruk, omdat zijn ambt omstreden is. De brief moet dienen om de gemeente weer onder de heerschappij van Christus te brengen. Timoteüs is medeafzender (zie 1 en 2 Tim.). Hij heeft geen eigen ‘ambt’, maar wordt broeder genoemd. Dat geeft de onderlinge verhoudingen van de christenen weer. Gemeente Gods: Ekklesia, door God samengeroepenen; ze hebben alles aan Hem te danken. De apostel naar Gods wil en de gemeente Gods moeten toch op elkaar betrokken zijn. Achaje duidt heel Griekenland aan, het zendingsgebied van Paulus.Heiligen:Die God toebehoren. 2. De groet is een zegen. Genade de grond, vrede de atmosfeer van de gemeente. Genade en vrede geeft God in Jezus Christus, de Here.

Dankzegging 1:3-11

3.Geloofd: De Geest maakt de lof gaande. God: De God en Vader van onze Here Jezus Christus. Zo kent Paulus Hem na zijn bekering. Zo is God en zo predikt Paulus Hem. Als Messias is Jezus onder God. 4. Troost: Een troost die over heel-zijn-leven-nood ligt uitgebreid. Het komt vele anderen ten goede. Uiting van de gemeenschap der heiligen. 5. Lijden: Lett.: smarten. Christus lijdt in de zijnen tot het einde van de wereld, vgl. Rom. 8:17; 1 Petr. 4:13; Mat. 21:33-46. 6. Doorstaan: Geduldig volharden en volhardend dulden met het oog op de komende verlossing in de voleinding. Het lijden behoort tot de weg des heils, Rom. 5:3 v. 7. Hoop: Op de komst van Christus in vertrouwen op Gods beloften. Paulus begeert zeer de gemeente rein te bewaren als bruid van Christus die komt, vgl. 1 Tess. 3:13; 2:19.8. Verdrukking: Wsl. in Efeze, Hand. 19:23 vv of een lichamelijk lijden? Paulus begeerde het lijden niet, maar weet wat het uitwerkt, Rom. 5:3. 9. God, die de doden opwekt: Op Hem vertrouwt de christen bij de dreiging van de dood. God is machtiger dan de dood. 10. Verlost: Lett.: ontrukt. 11. Voorbede: De verlossing gaat niet buiten de gemeente om. Te hulp komen: Lett.: samen de schouders er onder zetten. Verlossing is verhoring. Mond: Lett.: aangezicht. Dit vers is hoogtepunt van dit gedeelte. Veelvuldig: Voortdurend danken velen mee voor geschonken genade. Voor ons: Tot ons heil. Gemeente is gemeenschap van voorbede en dankzegging.

Het verwijt van lichtvaardigheid 1:12-2:4

12. Begin van zijn verdediging. Roem: Dat waarom hij God prijst, vgl. Rom. 5:11; 2 Kor. 10:17; Filp. 3:3-7. Heiligheid: Van God. Reinheid: Lett.: tegen het zonlicht gehouden, volkomen zuiverheid. Vleselijk: Op zichzelf gericht. Door Gods genade is hij apostel. Zijn motieven zijn zuiver, vgl. 1 Tess. 2:5 v. 13. Schrijven: Zijn brieven worden verkeerd uitgelegd. Er staat echter wat er staat. Hij bedoelt niets anders. 14. Wij uw roem: Hij wil over hen roemen op de dag van Christus en mogen zij dan over hem roemen. 15. Voorgenomen: Hij had vanuit Efeze Korinte willen bezoeken en na een reis naar Macedonië opnieuw. Hij kwam niet omdat ze hem niet vertrouwden. Genadegift: Een bezoek van een apostel gold als een weldaad van God, vgl. 4:4. 17. Ja, ja – nee, nee: Semietische verdubbeling, versterking. De wijziging van het reisplan wordt tegen Paulus gebruikt. 18. Bij de trouw van God: Lett.: God is getrouw. Een eed. Zijn verkondiging staat op spel. 19. Gods Zoon: Hij is zijn apostel! Zo alleen nog in Gal. 2:20 en Ef. 4:13. Jezus Christus is Gods Zoon, dat is het meest betrouwbare dat bestaat. 20. Beloften: Het hele O.T. In Jezus is Gods heilsplan in de werkelijkheid getreden: Gods ja. Gevolgd door het Amen van de gemeente: Wat gezegd is, is vast, vgl. Op. 22:10. Ook dit amen is te danken aan Christus (door Hem). Door ons: Christenen. 21. Bevestigt in de Gezalfde: Gód heeft hen verbonden met Christus. Hij maakt ons met u: Getuigen en gemeente, volstrekt zeker van de vervulling van alle beloften. Gezalfde: Christus.

Gezalfd: Hij en zij hebben de zalving met de Heilige Geest ervaren, vgl. Rom. 8:15 v. 22. Zegel: Waarborg van zekerheid, vgl. Ef. 1:13, de gave van de Geest bevestigt de prediking. Onderpand: De gave van de Geest is ook het bewijs dat God al zijn beloften zal vervullen. De Geest die zij ontvingen bevestigt dat hij hen niet bedroog. 23. Sparen: Hij wil hen niet bedroeven, daarom moet eerst alles weer goed worden. God: God moge mijn leven mij ontnemen, indien… 24. Heerschappij: Hij wil zijn gezag niet laten verworden tot tirannie. Hij heeft hun vertrouwen nodig, niet hun vrees. Blijdschap: Kenmerk van het geloof, verrukking over wat God doet, wat ook in de eredienst uitkomt. Hij kan niet komen om hen verdrietig te maken, dan is uitstel beter. 2:1. Weder. Duidt op zijn vorig bezoek dat niet goed was verlopen. 2. Wie anders: De gemeente alleen kan zijn droefheid wegnemen. 3. Mijn schrijven: Zijn vorige brief bedoelde de grieven op te ruimen. 4. Tranen: Daarom wordt die brief ‘tranenbrief genoemd. Uit liefde schreef hij hen. Dat hadden ze niet ingezien.

Vergiffenis voor een schuldige 2:5-17

5.Iemand: Het voor ons onbekende gemeentelid dat blijkbaar de apostel in zijn waardigheid heeft aangetast. U allen: De man heeft de blijdschap van het evangelie van allen weggenomen. De kwestie raakte de gehele gemeente. 6. Berispt: Technische term voor het dreigen en schelden Gods. De ‘tranenbrief’ (zie 4) heeft uitwerking gehad. De gemeente heeft de man gezegd dat hij tegen God ingaat en zich moet herzien. 7. Overstelpt: De man zou in een zware depressie geraken. 8. Besluiten: Vergiffenis vordert een besluit van de gemeente, dat rechtskracht heeft. 9. Of ik op u rekenen kon: De vraag was aan welke kant de gemeente zou staan. Het ging er hem om haar aan de goede kant te krijgen. 10. Voor Christus: Met Christus als getuige. 11. Satan: Hij zit er achter. Av.: opdat wij door satan niet bedrogen worden. 12. Troas: Romeinse kolonie in N.W. van Klein-Azië. Een deur: De Here zegende zijn prediking, hij vond ingang. 13. Geen rust: Onrust over Korinte. Waar bleef Titus, zijn medewerker, die hij naar Korinte gestuurd had om aan de kwestie een goed einde te maken? Vgl. 1 Tess. 2: 19 v en 3:11 w. Over Titus: Zie Inleiding op de brief aan Titus. 14. Zegevieren: Naar Kol. 2:15 de onderworpen machten op zijn triomftocht meevoeren. Av.: die ons… meevoert. Hij weet zich overwonnen door God. God gaat zegevierend door de wereld. In Christus: Het verbonden worden met ‘ons’. Reuk: Als van een krachtige zalf. Kennis: Gnosis, God vervult de aarde met de kennis des Heren, Jes. 11:9; Luc. 1:77. Een wezenlijk kenmerk voor de laatste dagen. Het is de kennis van Gods liefde voor zondaren in Jezus Christus. Verspreidt: Lett.: openbaart. Allerwegen heeft nadruk. Dit gaat steeds door. 15. Voor God: Tot eer van God. Gered… verloren: Twee alles beheersende aspecten, onlosmakelijk verbonden met de verwachting van het einde. De scheiding is bezig zich te voltrekken. Hij weet zich daarbij instrument in Gods hand. Een geur van Christus zijn: Het evangelie van Christus prediken. 16. Ten dode: Het evangelie heeft een dubbele uitwerking, Rom. 9:18,22; Luc. 2:34; Joh. 3:20 w; Mat. 10:28. Het doel van het evangelie is redden. Lett.: uit (de) dood tot (de) dood, uit(het) leven tot (het) leven: een semietische spreekwijze om het onweerstaanbare ervan uit te drukken. Christus: Als zijn dienstknecht. Uit zuivere bedoelingen: Met reine motieven. Op gezag van God: Lett.: uit God. Voor Gods aangezicht: Onder zijn oog. Wij spreken, nl. Gods Woord.

Het oude en nieu we verbond 3:1-18

1.Aanbevelingsbrieven: Heeft hij niet nodig. God riep hem en gaf hem wat nodig was voor zijn ambt. Sommigen: Judaïsten. 2. Onze brief: Het bestaan van de gemeente door zijn werk geldt als de beste aanbeveling. Onze harten: In zijn hart is de gemeente aanwezig. Av.: uw harten. De gemeente is de legitimatie van het woord van de apostel. 3. Brief: Christus is afzender, Paulus de schrijver. Inkt: Deze brief is geschreven met de Geest van de levende God en is daarom vol tekenen van de Geest, vgl. 1 Kor. 12. Tafelen: Hij gaat nu de bijzondere plaats van zijn apostelschap in Gods werk met de mensen duidelijk aangeven, door het oude en nieuwe tegenover elkaar te stellen. Het nieuwe is dat het goddelijk schrift nu in de harten wordt geschreven. In de harten: Toelichting op de voorgaande woorden: tafelen van vlees, Ez. 36:26. 4. Vertrouwen: De zekerheid over zijn roeping. Zijn plaats is heel bijzonder en hangt samen met goddelijke grondslag van de gemeente. Wie zijn dienst aantast, tast de gemeente aan. 6. Bekwaam: Dienaar van God wordt men niet door eigen bekwaamheden, maar uitsluitend door de wil van God. Het N.T. gebruikt voor elke ambtsdrager het woord dienaar (diaken). God heeft hem rijk toegerust met gaven. Nieuw: Hij is dienaar van een nieuw verbond. Nieuw (kainos) wijst naar het oude dat verbeterd is, daarom nieuw is. Het oude is niet weggedaan, maar tot zijn oorspronkelijke bestemming gebracht. Verbond: Een rechts- en levensvorm van een relatie. De relatie is eerst. De relatie God-Israel sinds Sinaï. De twee stenen tafelen bevatten de beschrijving ervan. Als de letters meer worden dan de relatie is wetticisme het gevolg. In het nieuwe verbond brengt God de relatie tot zijn oorspronkelijke bestemming. Het nieuwe bestel stelt Gods liefde opnieuw en in een andere gestalte. Het oude is nu voorbij. Het nieuwe is openbaring van Gods heilsplan en daartegen mag men zich niet verzetten. Paulus is dienaar van het nieuwe verbond, gevolmachtigd vertegenwoordiger van God. Het ontstaan en bestaan van de gemeente is er het bewijs van, vrucht van de Geest. De Geest kenmerkt het nieuwe verbond en daarom: inspiratie, evangelie, vrijheid, leven, blijdschap, Gods gerechtigheid, genade, geloof. De letter van de wet omvat het tegenovergestelde van genoemde zaken. De Geest is daarom nog niet in strijd met elke geloofsformu-le. 7. Bediening: De oude bedeling had de dood ten gevolge, vgl. Gal. 3:10. Het volk had geen kracht de wet te doen. Het oude wordt gekenmerkt door de letter, niet door de Geest, door stenen tafelen, niet door het hart, vgl. 3. Heerlijkheid: Goddelijke heerlijkheid, voor een mens nauwelijks te kennen. Op de Sinaï kwam Mozes in de uitstraling van Gods heerlijkheid. Zijn gezicht gaat er van stralen, voor een tijd, vgl. Ex. 33:18 – 34:9. Dat tijdelijke heeft nadruk vanuit het blijvende karakter van Gods openbaring van het nieuwe, het heil van Christus. Wat er nü is, is het echte. Paulus staat in dienst daarvan en het echte van zijn apostelschap ligt in het werk van de Geest in hen die zijn evangelie horen. 8. Bediening van de Geest: Het apostelschap. 9. Veroordeling/rechtvaardigheid: Rechtstermen. De wet van Mozes veroordeelt, het evangelie van Paulus spreekt de zondaar vrij. De heerlijkheid daarvan is de gemeente, vgl. 1 Tess. 2:19 w. 10. Hetgeen verheerlijkt was: De mozaïsche bedeling. 11. Het verdwijnende: De mozaïsche bedeling. Paulus stelde zich boven Mozes, wat voor de Joden ongehoord was. Het gaat om de juiste erkenning van zijn apostelschap. Men kan geen christen zijn zonder de erkenning van zijn apostolaat. Zijn dienst heeft eeuwigheidsgehalte, het Rijk van God is gekomen. 12. Verwachting: Lett.: hoop ogv. zijn vertrouwen, vgl. vs 4. Vrijmoedigheid: Afgeleid van ‘alles zeggen’; hij verbergt niets van het heil dat met Christus is gekomen. Hij is juist aangesteld om het heel de wereld te verkondigen. 13. Einde: Volgens Paulus placht Mozes zijn gezicht te bedekken om ook het afnemen van de glans op zijn gelaat te verbergen. Men mocht het einde van de mozaïsche bedeling niet zien. Ze ontdekten het einde, het tijdelijke ervan ook niet. 14. Verhard: Reeds bij de Sinaï, door God. Ze kwamen niet tot het volle inzicht. Dat is pas mogelijk door Christus. Maar voor de Joden is het tijdelijke van Mozes nog steeds verborgen, bedekt. Oude Verbond: Gen. – Deut., hier voor het eerst zo aangegeven. Oud: Aftands vergeleken met het nieuwe. Maar het oude belicht ook het nieuwe. Door de apostel wordt Mozes verstaan, door de Geest de wet. 15. Harten: Hun hart is er voor gesloten. 16. Vgl. Ex. 34:34. Hij kan ook aan zijn eigen bekering hebben gedacht, Hand. 9. 17. Vgl. 3,6,8. De nieuwe bedeling is die van de Geest. Geest: Hij ervaart de Here als de Geest. Here en Geest zijn één. Vgl. Joh. 14:18. De Here werkt nu op de wijze van de Geest. Vrijheid: de Geest maakt vrij van zonde, wet en dood en herstelt het beeld van God, vgl. Rom. 6:15-23; 7:1-6. 18. Veranderen: Een metamorfose ondergaan, vgl. Mar. 9:2; 1 Kor. 15:51, innerlijk en uiterlijk. Paulus denkt aan het eschaton. Het slaafse verdwijnt, het leven krijgt glans van vrijheid. Weerspiegelen: alleen mogelijk door de ontmoeting met de Here. Het beeld van God krijgt weer gestalte. Van heerlijkheid tot: Sem. spr.wijze. Hoe langer hoe heerlijker. Immers: Zoals vanzelf spreekt. Door de Here: Hij zal het voleindigen.

De schat in aarden vaten 4:1-15

1.Deze bediening: Des Geestes.Barmhartigheid: Vgl. 1 Kor. 7:25 en 1 Tim. 1:15 v. Moed: Moed verliezen is in strijd met de bijzondere bediening, God is bezig met zijn definitieve reddingswerk. Lett.: zich slecht gedragen, zie volgende vers. 2. Praktijken: Worden hem wel verweten, vgl. 1:17. Sluwheid: Lett.: alles kunnen klaarspelen, zie ook 11:3. Vervalsen: Er sluw mee omgaan tot eigen voordeel. Waarheid: Gods heilshandelen. Hij houdt niets verborgen. Aanbeveling: 3:1-6. Geweten: Toen ook verstaan als orgaan om het doen en laten van anderen te meten, niet alleen dat van zichzelf. Paulus staat niet toe dat zijn werk wordt ondermijnd, vgl. 1 Tess. 2:5 v. 3. Vgl. Rom. 9-11; ook 2:15 v. 4. De god dezer eeuw: Machthebber, heerser van deze eeuw. Met deze eeuw wordt de tijd aangeduid waarin we leven voor de voleinding en wordt onderscheiden van de komende eeuw. Vgl.Ef. 2:2; Joh. 12:31; 14:30; 16:11; 1 Petr. 5:8; Kol. 2:15. Blindheid: Die op weg zijn verloren te gaan mogen het licht van de verlossing niet zien en worden daarom door de god van deze eeuw met blindheid geslagen. Dan werkt hun waarneming niet goed, hun ‘nous’: verstand waarmee zij overleggen, vgl. Luc. 24:45; Hand. 16:14. Zodat: Beter: opdat. Het is opzettelijke bedoeling. Heerlijkheid: Inhoud van de prediking van het evangelie. Beeld: Christus is Gods vertegenwoordiger, vgl. Gen. 1:26 v; zie ook 3:18. 5. Dienaren: Lett.: slaven. Jezus Christus als Here: In de LXX wordt God Here genoemd, in het evangelie Jezus Christus! Filp. 2:9. Here is de naam boven alle naam. Paulus is zijn slaaf! 6. Licht: Alle licht komt van God, vgl. Gen. 1:2 w, Ps. 111:4. Het is kenmerkend voor het rijk der heerlijkheid. Het scheppingswonder wordt herhaald. Zonder dat was ook Paulus duisternis. Al wat hij heeft is uit God. Hiermee weerlegt hij alle beschuldigingen. 7. Schat en vat vormen scherpe tegenstellingen. Vat is het beeld voor de hele mens. Zodat: Moet zijn: opdat. Kracht: Tot behoud, Rom. 1:16. 8-12 wordt het vat beschreven: a. Het bezwijkt bijna. b. Zo straalt Christus’ heerlijkheid juist uit. Om raad: Beter: In verlegenheid. 10. Het sterven van Jezus: Hij verkeert steeds in levensgevaar om Jezus’ wil. Alle verachting van Jezus is ook zijn deel. Het lijden van Christus duurt voort in de zijnen, vgl. Kol. 1:24. Lichaam: Het voltrekt zich aan het lichaam vooral. Dat kan echter niet verhinderen dat door hem zoveel reddende kracht openbaar wordt: Ook het leven van Jezus openbaart zich in zijn lichaam nl. ten gunste van vele anderen. De dood werkt in hem, het leven in de anderen. Hij aanvaardt het ten volle. Van zelfzucht is dus geen sprake. Hoe kunnen ze het denken! 13. Citaat van de LXX. Ps. 116:10. Hij heeft dezelfde Geest als de dichter van die Psalm. Spreken is inherent aan geloven. Wat hij gelooft staat in 14. 14. Weten: Geeft volkomen zekerheid weer. God zal hem doen delen in de opstanding van Christus, maar ook allen die door hem Jezus hebben leren kennen. Voor Zich: Voor de troon van God. De apostel zal met zijn gemeente verenigd zijn. 15. Genade: Av. zodat aan de genade… uitbundig dank gebracht zal worden… nl. op de dag van Christus.

Goede moed, ook bij het sterven 4:16 – 5:10

16. Onze uiterlijke mens: De mens zover hij vatbaar is voor ziekte, vervolging, dood. Nochtans: Gods heilswerk in hem begonnen, gaat door. Van dag tot dag: Er gaat geen dag voorbij zonder… 17. Lichte last: Gemeten met de maat van zijn toekomstverwachting. Gewicht: De heerlijkheid is een zaak van het grootste gewicht. Bewerkt: God bewerkt door de verdrukking de heerlijkheid van de zijnen, vgl. Hand. 14:22. 18. Daar: Beter: zodat. Zien op: Opzettelijk en nauwkeurig schouwen. Zichtbaar- onzichtbaar: Verdrukking – heerlijkheid. 5:1. Weten: 4:14. Tent: 4:16, betreft de hele aardse mens. Wij hebben: Kol. 3:3 v. Gebouw: Verschilt met tent naar oorsprong, plaats en kwaliteit. Voor het moment van wisseling zie 1 Kor. 15:50,52, dit wijst heen naar een eschatologische verklaring van dit gedeelte, het gaat om de laatste dingen. Bij Christus’ komst houdt het leven in de aardse tent op. 2. Zuchten: Sterk verlangen. Overkleed: Het beeld verschuift, vgl. 1 Kor. 15:53. Het nieuwe bestaan in het rijk van God is het nieuwe kleed. 3. Hij bedoelt te zeggen dat zijn mens-zijn volkomen hersteld zal zijn als de Here in heerlijkheid verschijnt. Hij kent geen naakte ziel zoals vele Grieken. 4. Zuchten: Onder het ‘nog niet’. Verslonden: Lett.: naar beneden drinken. Het sterfelijke zal niet worden gevonden. In dat licht ziet hij het sterven. Doden worden opgewekt, levenden veranderd, volle heerlijkheid is er voor beiden. 5. Onderpand: Zie 1:22. 7. Aanschouwen: Lett.: uiterlijk. Het heil heeft nog geen zichtbare gestalte. Hij kent het wel door het geloof. 9. Hem welgevallig: Zijn verwachting bepaalt zijn handelen, meer nog dan het heil dat God hem reeds heeft gegeven. Hij streeft naar het welgevallen van de Here in het grote eindgericht, vgl. 1 Kor. 4:4 v. Thuis/in den vreemde: Zie 6-8. De twee mogelijkheden bij Christus’ komst: gestorven en opgestaan, of nog levend, maar veranderd, 1 Kor. 15:52. 10. Openbaar worden: 1 Kor. 4:5. Wegdragen: Terugkrijgen; vgl. Kol. 3: 25 en Ef. 6:8.

Het ambt der verzoening 5:11-21

11. Weten: 4:14; 5:1. Vrezen: Schrikken voor de Here als Rechter. Hij wil zo apostel zijn dat hij niet behoeft te vrezen. Dat moet men in Korinte goed weten; hij wil hen overtuigen. Voor God is het echter al openbaar. Geweten: Zie 4:2. NBG vertaalt ten onrechte met enkelvoud.

12. Vgl. 3:1. Hij is nog steeds bezig zijn apostolaat tegen verdachtmakingen te verdedigen. Gelegenheid: Lett.: steunpunt, startplaats om iets te ondernemen. Uiterlijkheden: Tegenstanders willen roemen in uiterlijke begaafdheden, maar letten niet op het hart. Bij Paulus is het andersom, zie 1:17 en 4:7-12. het Grieks heel kort: in ekstase? gaat Gód aan; nuchter? voor ü! Vgl. 1 Kor. 12. De ekstase-mensen in Korinte kleineerden de apostel. Hij kent echter evenzeer geestvervoeringen, maar dat is een zaak tussen God en hem. Voor zijn apostolaat geldt alleen wat hij in nuchtere toestand tot hen spreekt. 14. Dringt: Neemt in beslag. Liefde van Christus: Zijn liefde is vooral dat Hij voor allen is gestorven en opgestaan, zie 15, ook Mar. 10:45; Joh. 13:1. De tegenstanders gaan om Golgotha heen met hun roemen. Allen: Christus is voor allen gestorven, alleen wie de verkondiging gelooft en in de doop een is geworden met zijn dood, is met Hem gestorven, Rom. 6:3 w. Wie zo gestorven is, zoekt zichzelf niet meer. 15. Niet meer voor zichzelf: Een leven van zelfverloochening in plaats van zelfhandhaving, vgl. Filp. 2:5 w. 16. Naar het vlees kennen: Men hield Paulus voor iemand die naar het vlees handelde, zichzelf zocht. Zijn werkelijke motief is de Uefde van Christus, vers 14. Hij wil daarom ieder kennen in het licht van Christus. Van nu aan: Sinds Christus gestorven is, sinds ik geloof. Christus naar het vlees kennen: Hij bekent hiermee Hem verkeerd te hebben beoordeeld. Christus: Door het geloof en door de doop. Nieuwe schepping: God is weer ten volle God en de mens is weer als beeld van God, Gods representant op aarde. Rabbijnen noemden een mens wiens zonden werden vergeven een nieuwe schepping, echt scheppingswerk Gods, vgl. 3:18. Het oude: De dingen van vroeger (archaia) zijn definitief voorbij. Daarnaar mag men hem niet meer beoordelen! 18. Verzoening: De nieuwe schepping is gefundeerd op de verzoening. Verzoening: katallagè, Rom.5:10 v, de prijs die betaald moet worden om iets te verkrijgen. De Zoon van God is de voor ons betaalde prijs. Plaatsvervanging is onmiskenbaar, vgl. 21. Uit God: Verzoening is geheel zijn initiatief en werk. Hij heeft de prijs betaald. Ons: Hem en alle gelovigen op Golgotha en in de doop. Bediening: Diakonia, dienen, in navolging van Christus. Het dienen van Christus wordt voortgezet in het apostolaat van Paulus. God gaf hem dat. 19. Welke… dat: Beter met SV: want. Dit vers onderstreept Góds werk. De wereld: In staat van verzoening gebracht. Gericht en toorn zijn in Christus opgeheven. Toerekenen: Tegenw. deelw.: op Golgotha en daarom nu. God rekende de zonde aan Christus toe. 21. Overtredingen: Zie ook Rom. 5:15-17. Door Paulus en anderen wordt de wereld op de hoogte gesteld van Gods werk, dat is Gods wil. Van hem mag niets anders verwacht worden. 20. Van Christus: SV: Christuswege, maar Góds gezanten. Gezant zijn: Eig. keizerlijk legaat in de provincie. Zo is hij gezant van Gód, die zijn Zoon gaf. Dit sluit ook ‘diplomatie’ in. Alsof: Beter: zodat. Vermanen: Roepend, vermanend, biddend spreken. God wil zijn liefde kenbaar maken. U: Ontbreekt in grondtekst. Hij smeekt de wereld! In naam van: Beter: Van Christuswege.Vragen: Te zwak, beter: smeken als om een gunst. U: Ontbreekt. Laat u…: Aanvaardt dankbaar de nieuwe situatie. Dit is de roep van het apostolaat aan de wereld, en aan wie nog van de wereld zijn in de gemeente. De Korintiërs kunnen weten dat hij zo tot hen is gekomen: Laat de vijandschap ten einde zijn. 21. Geen zonde: 1 Petr. 2:22; 1 Joh. 3:5; Heb. 4:15; 7:26; Joh. 8:46. Vgl. Rom. 8:3. God maakt Hem tot (drager van) de zonde, het Offerlam. Wij gerechtigheid Gods: Rechtvaardig voor God, vrijgesproken, vgl. Gal. 3:13.

Paulus in zijn dienstwerk 6:1-10

1.Tevergeefs: Dezelfde zorg ook in Gal. 2:2; 3:3; Filp. 2: 16 en 1 Tess. 3:5. De apostel is ook pastor. De tegenstanders zijn veel en fel, 1 Petr. 5:8; Op. 12:13 w; Ef. 6:1020. Roeping en verkiezing moeten vast gemaakt worden. De controverse met Paulus zou kunnen uitlopen op ontrouw van de gemeente. 2. Jes. 49:8 naar LXX. Zijn werk zal niet tevergeefs zijn, vgl. 1 Kor. 15:58. Welbehagen: In mensen. Paulus voert Gods heilswil uit en daarom mag hij vermanen. 3. Hier volgen merktekenen van zijn apostelschap. Aanstoot: Waardoor anderen vallen. Gesmaad: Een smet krijgen. Onze ontbreekt in vele teksten. alle omstandigheden gedraagt hij zich als dienaar van God. Voor wat volgt, zie 4:10. In 4 en 5 volgen vele moeiten. Dulden: Of volharden. Vgl. Kol. 1:24. De machten roeren zich. 5. Slagen: Hier volgt wat mensen hem aandoen, vgl. Hand. 13 en 14. 6. Gaven die hem in staat stelden de dienst te vervullen. Kennis: Van God, waaraan hij zich ten volle overgeeft. Zonder zulke kennis kan hij geen apostel zijn. Rechtschapenheid: Gemakkelijk in de omgang, vriendelijk is daarom een betere vertaling. 7. Waarheid: Te verstaan als het heil dat God in Christus bezig is te schenken. Kracht: Vgl. 1 Kor. 4:20. Zijn prediking droeg vrucht. Wapenen: Het zwaard rechts, het schild links; al wat hij nodig had om aan te vallen en te verdedigen. Gerechtigheid: Het geheel van Gods heilsdaden. 8. Eer: Doxa. Hier volgen de reacties van de mensen. 9. Niet bekend: Onbeduidend. Stervend:

Nu volgen eigen ervaringen van de apostel, alles in gemeenschap met Christus. Getuchtigd: Door God als kind, vgl. Heb. 12:4 w. 10. Dit vers eindigt met een juichkreet.

Geen heidense smetten 6:11-7:1

11. Hij heeft niets achter gehouden. Vgl. Ps. 119:32. God heeft dit bewerkt. 13. Ruimer worden: Wantrouwen laten varen, lett.: wordt ook gij ruim. Zie ook 7:2. 14. Ongelijk span: Vgl. Deut. 22:10. Een pleidooi voor een scherpe scheiding tussen de gemeente en de wereld. Vgl. echter ook 1 Kor. 5:10. Ongelovigen: Heidenen. Gerechtigheid parallel met licht, Christus, gelovige, tempel van God; wetteloosheid met duisternis, Belial, ongelovige, afgoden. Vgl. 1 Petr. 2:9; Kol. 1:13; Joh. 1:4 v. 15. Belial: Nietswaardigheid, satan. Overeenstemming: ‘Symphonèsis’. 16. Grondslag: Lett.: overeenstemming, compromis. Tempel: 1 Kor. 3:16; 6:19. Ik zal… wonen: Lev. 26:12; Ez. 37:27; Jer. 51:45. Sluit alle heil voor Israel in. 17. Jes. 52:11. Gaat uit geldt nu de christenen in Korinte. Vgl. Op. 18:4. 18. Aannemen: Sef. 3:20. Van een verstoten volk in de gemeenschap Gods. Vader/zonen, dochteren: 2 Sam. 7:14; Jes. 43:6; Jer. 31:9. Heil is adoptie. Almachtige: Zebaot. God heeft macht over alles tot heil van zijn volk. 7:1. Deze: Heeft nadruk. Reinigen: Rein in Christus, moeten ze in overeenstemming daarmee ook leven. Van het heidendom bevrijd, kan men niet als heiden blijven leven. Heiligheid: Van de tempel. Ze zijn heilig in Christus. Daaruit vloeit de opdracht voort. Volmaken: Tot zijn recht laten komen, telos.

Blijdschap na droefheid 7:2-16

2.Zie 6:12,13. Gunt ons plaats: Hij vraagt erkenning van zijn apostelschap, dus voor zijn boodschap. Vgl. 1 Kor. 9:14 v. 3. Sterven en leven: Hij begeert voor en na zijn dood met hen te zijn. 4. Die: Lett.: de. In vers 5 v maakt hij duidelijk wat de troost inhoudt. Hij maakt ze deelgenoot. Druk: Vgl. 4:8 vv; 4:17; 6:4 vv. 5. Hier knoopt Paulus weer aan bij wat we vinden in 2:13. Geen rust: Voordat hij wist van de goede afloop van het conflict met de gemeente van Korinte. Blijkbaar stond zijn apostelschap op het spel en daarmee het ware gemeentezijn. Strijd: Ook in Macedonië was blijkbaar de situatie heel moeilijk. Vrees: over de Korintiërs. 6. Nederigen: Het is Gods hart en wezen verdrukten te troosten. 7. Komst: Lett.: parousia, het woord voor de wederkomst. De waarde van het weerzien moeten we niet onderschatten. Het betekent voortgang in het heilswerk van God. Troost: Drukt uit hoe de uitkomst beleefd werd. Ze hebben hun verkeerde houding laten varen. Nog meer: Zijn blijdschap is groter dan zijn droefheid was. 9. Inkeer: Bekering (metanoia). Naar Gods wil: Lett.: volgens, in overeenstemming met God, door God gewerkt. De droefheid der wereld (10) leidt niet tot verandering en kan niet geloven in vergeving. 10. Heil: Behoud, redding, verlossing. Door hun bekering uit het heidendom zijn ze hiertoe gekomen, door hun bekering van hun verkeerde houding, zijn ze deelgenoot van het heil gebleven. Het tweede bewijst de waarachtigheid van het eerste. 11. De vruchten van de bekering. Meer nog: Beter: ‘ja méér nog’ en telkens tussen de woorden te herhalen. Het hoogtepunt is dan rechtsherstel, nl. bestraffing van hemdie Paulus onrecht in zijn ambt had gedaan. Verontschuldiging: Apologia. Vgl. 2:7! Stondt: Moet zijn: ‘staat’. 12. Geeft het doel van de brief aan, die hij voor deze had gestuurd, zie 2:4. Zorg: IJver. Hij wilde dat ze zelf de eenheid met hem ervoeren. Voor Gods aangezicht: Zijn tegenwoordigheid maakt het gebeuren definitief. 13. Blijdschap van Titus: Dat zijn zending gelukt is. Meer dan verblijd: Alle maten te boven gaande. 15. Vrezen en beven: Ze erkenden nu het gezag van de apostel. 16. Gerust: Lett.: goedsmoeds. Besluit van 1:12 – 7:16.

Opwekking tot offervaardigheid 8:1-15

1.Genade: De offervaardigheid van de gemeenten is een vrucht van Gods genade. Gemeenten: Filippi, Tessalonica, Berea. 2. Armoede: Armen gedenken armen! Verdrukking: 1 Tess. 1:6, 3:2 v. 4. Gunst: Lett.: genade, als grond en kracht van het nieuwe leven. Deelnemen: Lett.: gemeenschap. Elkaar laten delen in wat men heeft, Hand. 2:42! Dienstbetoon: Diakonia, vgl. Mar. 10:45. Heiligen: Door genade. 5. Aan de Here/aan ons: Sluit volledige erkenning van het apostelschap in, vgl. 1:1; Gal. 1:1-4. 6. Liefdewerk: Lett.: genade, vgl. vs 1. Het betreft de collecte voor Jeruzalem, vgl. 1 Kor. 16:1-3; Rom. 15:26 v; Hand. 24:17. 7. Van ons tot u: Av.: van u tot ons. 8. Anderen: Macedoniërs. Toetsen: Dit woord duidt op een gunstige uitslag. Dit vers onderstreept de vrijwilligheid van de collecte. 9. Kent: Zich verlaten op. Genade: Zie 6 en 7, grond en kracht van het liefdewerk van de Korintiërs. Hij was rijk: belijdenis van het voorbestaan van Christus, een vast punt in zijn verkondigen van het heil, vgl. Filp. 2:6 w. Arm: Niet uitsluitend maatschappelijk, ook de vloek van de wet, het kruis. Opdat gij…: Door geloof en in de doop, in volkomenheid bij zijn komst. 10. Mening: Advies, geen bevel. Het vorige jaar: Drie, maximaal achttien maanden geleden. Willen: Het belangrijkste. 11. Uit hetgeen ge hebt: Overeenkomstig uw bezit. Ze worden aangespoord het door hen zelf gestelde bedrag nu bijeen te brengen. 12. Welkom: Aangenaam, term uit offercultus. Wat God aangenaam is. Naar hetgeen zij heeft: Naar vermogen. 13. Av.: Want ter verlichting van anderen, moogt gij niet in nood geraken, maar er moet evenwicht ontstaan. 14. Uw gebrek: Dat zich voor kan doen. 15. Zie Ex. 16:18.

Zending van Titus 8:16-24

16. Voor u: Ten behoeve van u. 17. Vertrokken: Av.: op het punt staat te vertrekken. 18. Broeder: Een welbekende, ons onbekende. 19. Aangewezen: Door de gemeente met opsteken van handen. Was het Lucas? Verricht: Bediend. Oorspr.: diakonein, dienen. 21. Spr. 3:4 (LXX). 22. Onze broeder: Een door hem aangewezen. 23. Medestander: Iemand die deelt in alles. Afgevaardigden: Gevolmachtigde vertegenwoordigers.

De collecte voor Jeruzalem 9:1-15

2.Verleden jaar: Vgl. 8:10. 3. Ik zend: Vgl. 8:17. Als hier tegenwoordige tijd staat moet in 8:17 dezelfde tijd worden gebruikt. 5. Opwekken: Beter iets zwakker met ‘verzoeken’ weer te geven. Milde gave: Gr. eulogia: zegen. De collecte heette reeds liefdewerk, liefdedienst, nu zegen, vgl. 8:2,4,6,7,9,19. De Korintiërs moeten hun beloften nakomen, tot zegen voor Jeruzalem. Afgeperste gift: Lett.: gierigheid. 6. Bedenkt: Ontbreekt in het Gr. Zaaien/oogsten: Vgl. Spr. 11:24; 19:17. Mildelijk: Zie 5. Lett.: op grond van zegenbrengende gaven. Geven is een zaaien en heeft voor de gever gevolgen. Wie geeft investeert zijn bezit in anderen. 8. Tegenzin: Lett.: verdriet. God heeft… lief: Spr. 22:8. In zo’n gever herkent God Zichzelf, vgl. 8:9. 8. Alle genade: Jezus Christus en de gaven van de Geest, vgl. Gal. 5:22. Alles: Vijf maal in dit vers! Goed werk: Doel van de genadegaven. Naar het nieuwe leven ziet een christen uit. Paulus stelt het in het vooruitzicht als een gave van God aan een milde gemeente. 9. Citaat uit Ps. 112:9 (LXX). Gerechtigheid: Correspondeert met 8b; het is de gave van God waardoor men goed kan blijven doen. Hij: Nl. de gever die mild geeft. 10. Citaten uit Jes. 55:10 en Hos. 10. 12. Het gewas van uw gerechtigheid: Het goed zijn voor anderen. Het materiële bezit is bedoeld als zaad om overvloedig te zijn in alle goed werk. Het is alles Gods geschenk, maar vraagt ook volle inzet van de gemeente. 11. Terwijl: Av.: zodat. Onbekrompenheid: Lett.: eenvoud. Vgl. 8:2, waar het is weergegeven met ‘mildheid’. Het gaat om warme goedheid voor anderen. Dankzegging: Nl. van Jeruzalem. 12. Ondersteuning: Gr. liturgie. De dienst (diakonia) is liturgie, di. het bijeenbrengen van een bedrag ten behoeve van de gemeente van Jeruzalem. ‘De dienst der offerande’ is van meer dan gewoon belang voor het geestelijk leven van de gemeenten alom, gezien tegen het handelen van God, 8:9. Uw gehoorzaam belijden: In de vorm van de collecte (diakonaat). Prijzen: De joods-christelijke gemeente zal Gods werk in de heiden-christelijke gemeenten prijzen. Onbekrompen delen: Av.: gulle gemeenschap. 15. God zij’ dank: Hij begint al te danken. Gave: Het hele heilshandelen van God door Jezus Christus.

Paulus’ optreden tegenover zijn tegenstanders 10:1-11

Hstt. 10-13 worden wel gehouden voor een deel uit de tranenbrief, vgl. 2:4. 1. Ik: Met alle nadruk, vgl. SV. Zachtmoedigheid: Zie Mat. 21:5. Vriendelijkheid: Mildheid van een machtige, Ps. 86:5. Schuchter: Het gr. woord kan zachtmoedig betekenen. In vs 2 blijkt dat die zachtmoedigheid van Paulus verdacht gemaakt wordt, als zou hij naar het vlees en niet naar de Geest handelen. Dat ondermijnt het gezag van zijn schrijven. Daartegen is zijn bestrijding gericht. 4. Ten strijde: Nl. tegen de machten die ons knechten, vgl. 1 Kor. 15:26. Hij laat zich door de Geest leiden, vgl. voor vlees/Geest Gal. 5: 13-26; 1 Tess. 2:4-6. Het vleselijke mist de kracht van de opstanding, de Geest maakt levend, 3:6. Vgl. ook Ef. 6: 10-20. Redeneringen: Ideologie, filosofie of levensopvatting die Jezus niet erkent. Alleen het zwaard van de Geest kan de schansen neerhalen. 5. Kennis: Die in Christus is geschonken, liefde. Bedenksel: Synoniem van redeneringen in 4. De absolute betekenis van het evangelie is buiten kijf. 6. Straffen: Ook op geestelijke wijze met het doel te behouden. Volkomen: Zäl de collecte ((hstt. 8 en 9) hun gehoorzaamheid volkomen maken? 7. Van Christus zijn: Door Christus op een bijzondere plaats gesteld. Wij ook: De dienst van anderen kan niet ten koste gaan van de roeping van Paulus. Zijn roeping staat vast. 8. Bevoegdheid: (Exousia) volmacht. Opbouwen: Vgl. Jer. 1:10. Doel van het evangelie is opbouw. 9. Zie 1 en 2. 10. Persoonlijke verschijning: Lett.: aanwezigheid van zijn lichaam; er gaat weinig van hem uit! Wat hij wil zijn? zie 1 Tess. 2:7,11,12. Zijn tegenstanders verstaan dat niet.

Het oordeel van Paulus over zichzelf 10:12-11:6

12. Zonder… begrijpen: A v.: zij tonen hun onverstand.

13. Regel: Kanon, de resultaten van zijn arbeid, 3:2 w. Hij roemt in wat anderen door zijn dienst zijn geworden. Hij heeft ook hen bereikt met het evangelie. 14. Hij heeft de gemeente van K. van het begin af opgebouwd, zij is zijn aanbeveling. 15. De groei van het geloof van K. komt het verdere zendingswerk ten goede. 17. Jer. 9:22. De zegen des Heren over zijn werk is zijn aanbeveling. 11:1. Onverstand: Paulus spreekt ironisch, hij wil evenals zijn tegenstanders roemen. 2. IJver. Naijver. Hij was de bemiddelaar tussen de gemeente en Christus, vgl. voor de beeldspraak Ez. 16:23-33; Hos. 2:19 v en Ef. 5: 27. Trouw is nu het doel van het pastoraat, 1 Tess. 2:19.

3.Verleidde: Om niet genoeg te hebben aan het geloof, aan de belofte. Gedachten: Innerlijke gezindheid, hart. Eenvoudig: Uitsluitend. Louter. Ontbreekt in hss; beter: rein, vgl. 2. Afgetrokken: De oerverleiding sinds hét paradijs. 4. Eerste de beste: Lett.: de komende! Een andere Jezus: Met een andere hoedanigheid dan Paulus predikte, een Jezus zonder vernedering. Dan is er sprake van een andere geest en een ander evangelie. Een evangelie zonder kruis. Vgl. Gal. 1:6 w. Verdragen: Door het verdragen van deze schijnapostelen (vs 13) is de gemeente in groot gevaar. 5. Onvergelijkelijke apostelen: Wel weergegeven met: ‘Ueberaposteln’. Ze treden onder de naam apostel op zoals ooit de valse profeten optraden onder de naam profeet. 6. Onervaren: Hij was geen rhetor van beroep. Kennis: Nl. van God zoals Hij zich in Christus heeft geopenbaard. Vgl. 1 Kor. 1:18 – 2:16. Zijn bijzondere roeping is die kennis in de wereld overal en aan iedereen te verkondigen.

De belangeloosheid van Paulus 11:7-29

De roeping van Paulus is onlosmakelijk verbonden met lijden voor Christus en zijn gemeente. 7. Verkeerd: Lett.: heb ik zonde gedaan? Vernederde: Door handwerk te doen. Dat stond bij de Grieken niet in hoog aanzien. Geplunderd: Hij gebruikt meer oorlogstermen om zijn werk te duiden, vgl. 10:3-6. Lastig vallen: Lett.: verlammen, onder verlammende druk zetten. Broeders: Zie Hand. 18:5. 10. Zo zeker als…: Hij beroept zich op Christus, er staat veel op het spel: de ware Christus, vgl.4. 11. God weet het: Nl. dat hij hen liefheeft. 12. Av.: om aan hen, die een gelegenheid zoeken om door hun roemen te blijken tegen ons opgewassen te zijn, die gelegenheid te benemen. 13. Schijn-apostelen: Pseudo-apostelen, te vergelijken met de valse profeten in het O.T. De gemeente is reeds tot inzicht gekomen. Dit gedeelte (Hstt. 10-13) bevestigt krachtig de juistheid van dit inzicht. 14. Een engel des lichts: Deze voorstelling van satan was in de joodse literatuur bekend. Hij verbergt zijn duisternis. Zo ook de pseudo-apostelen. 15. Dienaar der gerechtigheid: Evangeliedienaar, zie 3:9. 16. Zie 1. Roemen: Zijn roem is evangelieprediking en doet Christus in geen opzicht te kort. Hij zal een ‘spelletje’ roemen meedoen! (vss 16-21). Het is onverstand, maar goed, hij doet er even aan mee. 18. Naar het vlees: Tot eigen eer.

19. Scherts: Het is gelukkig achter de rug. Ze laten zich nu niet meer verleiden. 20. Schijnapostelen heersen, de ware dienen. Opeten: Ze moesten voor het levensonderhoud van de verleiders zorgen. In het aangezicht slaan: Misschien moet dit wel letterlijk genomen worden. Het waren harde heren. 22. Wat volgt is volle ernst. Vgl. Rom. 2:17-20. De tegenstanders zijn Joden. Ze erkennen de Messias, maar niet de noodzaak van zijn lijden. Het kruis is een vergissing. Bekering hebben ze daarom niet nodig. 23. Veel vaker: Of: bovenmatig. Gevangenschap: Volgens Clemens zat Paulus zevenmaal gevangen. 24. Veertig-min-een: Deut. 25:1-3. 25. Roede: Romeinse straf. 27. Beslommering: Door problemen of door aanloop van broeders om raad. 28. Hij is zwak met de zwakken. 29. Aanstoot: Van buiten af door dwaalleraars. In brand: In vuur en vlam om ze bij te staan en te behouden.

Stof tot roemen 11:30-12:10

30. Zwakheid: Itt. de kracht en glorie van de schijnapostelen. 32. Aretas regeerde van 9-40. Vgl. Hand. 9:24 v. 12:1. Het dient tot niets: Het werkt niet gemeente-opbouwend. 2. Een mens: Hij bedoelt zichzelf, maar laat zich er niet op voorstaan, daarom: een mens. Veertien jaar. Hij weet het nog goed. Derde hemel/paradijsiA): Plaats van Gods gemeenschap met de rechtvaardigen. Zulke openbaringen kennen zijn tegenstanders niet. Weggevoerd: Av.: plotseling overgezet. 4. Onuitsprekelijk: Term bekend uit mysteriecultus. 5. Die persoon: Hij zelf, niet nu, maar toén. 6. Toekennen: Koopmansterm: Op zijn rekening bijschrijven. Zie ook SV. 7. Doorn: Beeld voor een ondragelijk lijden. Gegeven: Door God. God beschermt hem. De toelating van satan dient in Gods heilsplan. 8. Driemaal: Vgl. Nu. 6:24 w; Gen. 9:25 w; 1 Kon. 17:21; Ps. 55:18; Dan. 6:11. 9. Genade: Het apostelschap. Hij kan zo apostel zijn, het is voor de Here geen verhindering om zijn doel te bereiken. Zo is Gods regel. Kracht: Kracht ten leven. Zich… openbaren: Doel bereiken. Over mij kome: Woning bij mij make. 10. Daarom…: Zo kan hij apostel zijn.

De ongerustheid van Paulus 12:11-21

11. Genoodzaakt: Door de houding van de Korintiërs. Vgl. 11:5. 12. Teken: Vgl. Mat. 12:38; Joh. 2:18; 7:31. 13. Zie 18. 14. Lastig vallen: Lett.: uitbuiten. Sparen: schatten verzamelen. Voor vader-kind: 11:2; 6:13. 15. Offers brengen: Beter: alles uitgeven. 16. TA:’heeft grote nadruk. Sluw: Lett.: alles in het werk stellend, ook lage middelen. Gevangen: Om de collecte te houden. Men suggereert dat hij een deel voor zichzelf zal houden! 17. Bevoordeeld: Geld van hen loskrijgen. Zenden: Met volmacht. 18. Titus: 8:16 w en 22 w. Geest: De Heilige Geest. 19. Voor Gods aangezicht: 2:17. In Christus: Door zijn Geest. Opbouwing: daartoe was hij in dienst genomen. Vgl. Ef. 4:11 w. 20. Niet zó… ik wens: Nl. met bestraffingen. Hij wenst dat ze ‘geestelijk’ leven. Hij noemt viermaal twee ondeugden. Naijver: Het opzettelijk anderen benadelen. Zelfzucht: Beter: gekuip. Laster: Roddel. Oorblazerijen: Fluistercampagnes. Ongeregeldheden: Ordeverstoringen. 21. Ik vrees: Hij weet zich geheel verantwoordelijk. De toestand beschaamt hem, is een kastijding Gods voor hem. Treuren: Rouwen. Velenhielden nog vast aan typische zonden van het heidendom.

Laatste vermaningen – Groet 13:1-13

1.Drie getuigen: Deut. 19:15 (LXX). Bij de derde komst zal het tot een definitieve beslissing komen. Ze komen nu onder druk te staan. Hij zal nu optreden. Ze willen machtige dingen zien. Het zal zover komen. 4. Zwak in Hem… Als volgelingen van Christus. Voor u: U tot getuigenis. Zijn leven uit de kracht van Christus keert zich tegen hen. 5. Onderzoek u zelf: Zij moeten zichzelf aan een onderzoek onderwerpen: of ze wel zo geloven als ze mogen en moeten. Of zijt gij niet: Zie SV. Jezus Christus is toch in u? Te merken aan de strijd tussen Geest en vlees. Verwerpelijk: Gezakt. 7. Bidden: Voortdurend. 8. Vóór de waarheid: Vóór God, Gods heil. orde: Beter SV. Onberispelijk functionerend, goed (Gen. 1). Een eschatologisch heilsgoed. 11. Laat u terechtbrengen: Vgl. ‘in orde brengen’ in 9; SV: wordt volmaakt. God zal met u zijn: Zijn Uefde en vrede u schenken. 12. Heilige kus: Als teken van de gemeenschap der heiligen. 13. Omvat aUes wat God voor zijn gemeente is. Genade: Alle genadewerk omvattend. Liefde van God: Verklaart de achtergrond van de genade van Christus en is met die genade gegeven. Zo ook de gemeenschap van de H. Geest. Gemeenschap: Tussen christenen als vrucht van de Geest. Met u allen: Allen omvattend, ook degenen die hij hard heeft toegesproken.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken