Menu

Premium

2 Tessalonicenzen

Voor algemene informatie omtrent de stad Tessalonica, de christelijke gemeente ter stede en Paulus’ contacten met haar klik hier.

Inhoud van de brief

Aanhef 1:1-2

Dankzegging en gebed 1:3-12

De wederkomst des Heren 2:1-17

Bidden en werken 3:1-15

Groet 3:16-18

VERKLARING

Aanhef 1:1-2

Behoudens enkele toevoegingen die van ondergeschikt belang zijn is de aanhef dezelfde als die in 1 Tess. 1:1. Zie de uitleg ter plaatse.

Dankzegging en gebed 1:3-12

De brief zet, evenals 1 Tess. 1:2vv, in met een dankzegging. Denken aan de gemeente betekent voor de apostel blijkbaar bovenal danken voor de gemeente, die gave van God is.

Wij behoren God te danken (3). Dezelfde formulering keert in 2:13 terug. In het licht van God is deze dank te allen tijde op zijn plaats, want Hij is de Bron van het geloof en de liefde. Deze twee worden vaker in één adem genoemd (1 Tess. 3:6; Gal. 5:6; Kol. 1:4). Het toenemen van het geloof kwam eerder ter sprake in 1 Tess. 1:8, 3: 2vv, evenals het sterker worden van de liefde in 1 Tess. 3: 12.

Het roemen (4) komt met zoveel woorden naar voren in 2 Kor. 8:lw. De volharding, ook genoemd in 1 Tess. 1:3, en het geloof (hier vooral in de zin van: trouw) gaan vaker samen, omdat de tegenwerkende krachten, vervolgingen en verdrukkingen (zie ook 1 Tess. 1:6, 3:3, 7) sterk zijn. Deze situatie is ondanks alles tekenend voor de grootse verbanden waarin de gemeente is gesteld. Een bewijs van het rechtvaardige oordeel Gods (5): Iets soortgelijks lezen we in Filp. 1:28. Dit bewijs.dit teken wordt herkend door de lezers van de brief. Het behelst een waardig geacht zijn (zie Luc. 10:35; Hand. 5:41) van Godswege voor zijn Koninkrijk (1 Tess. 2:12). Het lijden van nu en de heerlijkheid straks liggen in eikaars verlengde (zie Luc. 6:20-26; Mat. 5:10-12; Hand. 14:22; Rom. 8: 17; 2 Tim. 2:llv: 1 Petr. 1:6 enz.).

Het vergelden (6), de straf aan de verdrukkers (zie Rom. 2:6-8, 12:19) wordt niet in details beschreven. Dat is ook niet de bedoeling van de apostel. Het gaat hem om de zekerheid dat een bepaalde weg onvermijdelijk tot een overeenkomstig einde leidt. De verkwikking wordt in 1 Tess. 4:17 beschreven als: met de Here zijn; anders gezegd (vs 5): uit genade burger zijn van het Koninkrijk.

De openbaring van de Here Jezus (7): Deze onthulling, met alles wat daarmee samenhangt, komt in het volgende hoofdstuk (zie vooral 2:3, 6, 8) indringend aan de orde. Dat zijn komst op handen is, is alom bekend in de gemeente (zie bv. 1 Tess. 2:19, 3:13, 4:15, 5:23). Het komen ten oordeel is diep verankerd in de Schrift (zie o.a. Jes. 64:1; Ps. 18:9vv). De engelen, in het gevolg van de Here verschijnend, zijn ook genoemd in 1 Tess. 4:16. Het vuur is een verschijnsel dat de komst, de presentie des Heren begeleidt (zie oa. Ex. 3:2, 19:18; Deut. 5:4; Jes. 55:16).

Het oordeel, in vs 5 toegeschreven aan God, wordt in vs 8 verbonden met de Here Jezus. Een dergelijke wisseling komt zeer vaak voor. Zie voor dit oordeel ook 1 Tess. 4: 6; 2 Kor. 5:10 en het volgende hoofdstuk van onze brief, 2:8. Zij die God niet kennen (8) werden eerder genoemd in 1 Tess. 4:5. Dat dit kennen meer is dan een verstandelijk weten blijkt oa. uit Tit. 1:16. Wat de gehoorzaamheidbetreft zie men 3:14; Rom. 15:18, 16:19. De formulering van dit vers is nauw verwant met Jes. 66:4, 15. De uitwerking, het gevolg van de straf wordt aangeduid als: eeuwig verderf (9). Dit huiveringwekkend woord lezen we oa. in 1 Tess. 5:3; 1 Kor. 5:5; 1 Tim. 6:9. Verderf betekent op de genoemde plaatsen niet vernietiging, maar het ondergaan van straf. Het woordje eeuwig onderstreept de ernst. Of onze notie van tijd-loosheid, altijddurend de boventoon voert is zeer de vraag. In het voetspoor van de Schrift, met name Jes. 2:10, 19, 21, verwoordt de apostel de ontzettende mogelijkheid, de duistere werkelijkheid om buiten de lichtkring, de heerlijkheid (1 Tess. 2:12) des Heren te verkeren.

Verheerlijkt worden in zijn heiligen (10): Deze formulering stoelt wellicht op Ps. 89:8. De heiligen zijn blijkens het vervolg de gelovigen. De verbazing kan verweven zijn met een ander Psalmwoord (68:36). Het getuigenis is het evangelie dat Paulus bracht (2:14, zie ook 1 Tess. 1:5). De dankzegging gaat in de vss 11-12 over in een gebed. De gelovigen zijn immers nog onderweg. De hulp, de bijstand van God, die ons geroepen (zie ook 1 Tess. 2:12,4: 7, 5:24) heeft, is broodnodig. De mogelijkheid om afgewezen te worden, buiten de lichtkring van God te raken, laat de apostel open, zowel voor zichzelf (1 Kor. 9:27; Filp. 3:9vv) als voor anderen (Gal. 5:4; 2 Kor. 6:1; Filp. 2:12); wat de Tessalonicenzen betreft leze men in dit verband 1 Tess. 3:5, 5:8-11. Verschillende woorden in vs 11 zijn al genoemd in de eerste brief: behalve roeping (zie boven); kracht (1 Tess. 1:5), werk des geloofs (1 Tess. 1: 3), het goede (1 Tess. 5:15).

Blijkbaar heeft de apostel al schrijvend (of dikterend) vooral Jes. gedachten. In vs 8 ontdekten we een verbindingslijn. Dat geldt ook voor dit laatste vers, met name het woordje verheerlijkt worden (12). Men leze Jes. 66:5. In de gelovigen wordt de naam van de Here Jezus verheerlijkt, nl. dat Hij de Kurios, de Here is (Filp. 2:9-11). En de gelovigen mogen delen in Zijn heerlijkheid, in Zijn heilzame heerschappij, die spoedig volkomen onthuld zal worden (Rom. 8:18; Ko. 3:4; Filp. 3: 21). Deze grond, dit uitzicht is niet hun verdienste, maar de genade van God en van (de) Here Jezus Christus. Opnieuw worden God en Jezus naast elkaar gesteld, nu als bron van de genade.

De wederkomst des Heren 2:1-17

In de eerste brief is over deze komst al uitvoerig geschreven. Wat een baken van hoop, die leven doet, diende te zijn, was onder invloed van allerlei stemmen en stromingen verworden tot een bron van verwarring. Daarom gaat de apostel zorgvuldig in op een en ander.

Wij vragen u (1): Dit vragen heeft het karakter van een vermanen (zie ook 1 Tess. 4:1, 5:12). De komst van de Here Jezus is in de eerste brief al telkens genoemd (2:19, 3:13, 4:15, 5:23), maar komt in dit hoofdstuk, gezien en gehoord de problemen in de gemeente, opnieuw aan de orde. Onze vereniging met Hem, dwz. het vergaderen van de verstrooiden (Mat. 24:31; Mar. 13:27).

De onrust in de gemeente wordt gevoed door een geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief(2) . Wat het eerstgenoemde betreft: de profetie stond hoog aangeschreven (zie 1 Tess. 5:19); het tweede is vrij algemeen geformuleerd; de vermeende brief kan slaan op 1 Tess., waaruit bepaalde passages zo werden uitgelegd dat de apostel ten onrechte allerlei werd toegeschreven; mogelijk is ook dat een valse brief, volstrekt vreemd aan de apostel in omloop was. Blijkbaar weet Paulus zelf niet uit welke bron geput wordt; daarom noemt hij drie mogelijkheden. Hoe dan ook, er wordt gesuggereerd dat de dag des Heren al is aangebroken. Wellicht gaan er soortgelijke stemmen op als in Mar. 13:6 verwoord worden. Er is niet alleen misverstand, maar erger nog: misleading (3) in het spel (zie ook Mar. 13:5). De afval, uitdrukkelijk met een lidwoord, is blijkbaar een bekend verschijnsel in de gemeente. Aan de hand van de teksten – zie Joz. 22:22; Jer. 2:19; Hand. 19:9; 1 Tim. 4:1; Hebr. 3:12 -proberen wij ons een beeld te vormen. De geschriften, met name uit apocalytische kringen, maken in elk geval duidelijk dat het einde vooraf gegaan wordt door een periode van extreme spanning, een concentratie van het kwaad, de boze. De afval krijgt een zichtbare vorm in een gestalte die op drieërlei wijzen beschreven wordt.

De mens der wetteloosheid (3), een semitische uitdrukking met de betekenis: een wezen dat een en al wetteloosheid is, tegen de wet van God ingaat (zie Mat. 24:12; 1 Joh. 3:4). Met het oog op vs 9 is hij ondergeschikt aan, een werktuig van de satan; gezien de volgende aanduidingen is hij een meer-dan-menselijke gestalte. Er is sprake van een openbaren. Waar is hij tevoren? Het is beter om eerst verder te luisteren: de zoon des verderfs, opnieuw een semitische uitdrukking (zie bv. Jes. 57:4). Het verderf is het tegendeel van het heil, het behoud (1 Kor. 1:18; 2 Kor. 3:15; Filp. 1:28). De tegenstander km de satan zijn (Zach. 3:1), maar is hier, blijkens het verband, toch aan hem onderworpen. Hij wordt nader bepaald als: degene die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet (4), dwz. al wat heilig is wordt door hem in zijn grootheidswaan (zie Dan. 11:36) bestreden. Met de tempel Gods is wellicht de heilige plaats in Jeruzalem bedoeld. Dat hij zich daar zetelt is het summum van ontheiliging (zie Dan. 9:27, 11:31, 12: 11; Mar. 13:14).

Het is moeilijk om deze uitdrukkingen van de apostel, na zoveel jaren, duidelijk te herkennen, qua achtergrond, inhoud en strekking recht te doen. Misschien ligt dit ook in de aard der zaak: wat hier aan de orde is gaat onze macht te boven. We kunnen er slechts aanduidenderwijs over spreken. Dat bepaalde passages uit het Oude Testament, met name handelend over de ontheiliging van de tempel (zie Dan. 11; Ez. 28:2, 6, 9; Jes. 14:13v) een rol spelen is duidelijk. Na verloop van tijd, aan het eind van de eerste eeuw, komt de gestalte van de antichrist uitdrukkelijk ter sprake (zie 1 Joh. 2:18, 4:3; 2 Joh. 7). De woorden van de apostel tenderen in deze richting, maar zijn enigszins diffuus. Wie de geestelijke atmosfeer van een en ander van binnen uit wil leren kennen leze bv. een hoofdstuk als Mar. 13.

Wat hem weerhoudt (6) is een uitdrukking, die toentertijd blijkbaar bekend was – de apostel weidt er verder niet over uit – maar die ons veel hoofdbrekens kost. Hem is betrokken op de gestalte, beschreven in vss 3-4. Het weerhouden komt in vs 7 terug, persoonlijk geduid als: degene, die weerhoudt. Het ligt voor de hand om de beide werkwoordsvormen toch zeer nauw op elkaar te betrekken. De weerhouder is aldus een figuur die persoonlijke trekken heeft alsook een stroming, een beweging, een gebeuren. Wie, wat is daarmee bedoeld? In de loop der eeuwen zijn allerlei antwoorden gegeven, variërend van de satan tot God. Wij willen niet wijzer zijn dan de kerkvader Augustinus, die in arren moede uitsprak: ik weet het niet; maar wij pogen, in verbondenheid met anderen, een vermoeden uit te spreken. Daartoe noemen we eerst het geheimenis der wetteloosheid, dat volgens de apostel al in werking is. De dingen die staan te gebeuren zijn dus niet alleen toekomstig, maar zijn nu al bespeurbaar, zij het ook op de wijze van een geheimenis. Dit laatste woord gebruikt de apostel vaker: in verband met God (1 Kor. 4:1; Kol. 2:2; Op. 10:7), met Christus (Ef. 3:4; Kol. 4:3), met het Koninkrijk (Mare. 4:11), met het Evangelie (Ef. 6:19). De goede verstaanders hebben er weet van, ook van deze werkzame wetteloosheid. Deze zal uitlopen op een laatste climax, die tevens het einde is van de boze machten, geconcentreerd in de wetteloze (vs 9), die zozeer de trekken van de satan draagt dat hij met hem vereenzelvigd kan worden. Deze laatste ontknoping wordt opgehouden, staat nog uit. Wij veronderstellendat hiermee de prediking van het Evangelie, in wezen God zelf, wordt bedoeld.

De wetteloze (8) is een voortzetting, maar ook een verdichting, een nog verdergaande concentratie van de mens der wetteloosheid. De laatste strijd – een bekend gegeven in het Nieuwe Testament (zie bv. 1 Kor. 15:24-28; Op. 12vv) – wordt getekend met woorden, ontleend aan Jes. 11:4 (zie ook Ps. 33:6). De adem van Gods, c.q. des Heren mond is uiterst effektief, een zwaard gelijk: zie Jes. 30:27v; Op. 2:16, 19:15. De verschijning, dwz. Zijn komst, is een zegetocht, de Koning waardig (zie 1 Tim. 6: 14; 2 Tim. 1:10, 4:1, 8; Tit. 2:13). De komst van de wetteloze daarentegen is vol van de werking van desatan (9), die de apostel in de weg treedt (1 Tess. 2:18) en de drijfveer van het geheimenis der wetteloosheid. Door zijn invloed komen krachten naar voren, tekenen en bedrieglijke wonderen (zie Mar. 13:22; Mat. 24:24), wellicht in de vorm van genezingen.

Met allerlei verlokkende ongerechtigheid (10), waarvoor zij die verloren gaan ontvankelijk zijn. De reden van het verloren gaan wordt nader gemotiveerd: omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben. In de eerste brief is sprake van: het woord aanvaarden (1 Tess. 1:6, 2:13). De formulering ‘liefde tot de waarheid’ staat in contrast met de verlokkende ongerechtigheid. Op de weg van de gehoorzaamheid hadden zij behouden kunnen worden (zie 1 Tess. 2:16; voorts 1 Tess. 5:8v en in ons hst. vs 13).

En daarom (11): Eenzelfde formulering lezen we in 1 Tess. 2:13. Het kwaad heeft een satanische lading, maar achter de satan verschijnt de gestalte van God, die het kwade niet bewerkt, wèl beheerst. In laatste instantie is de satan onderworpen aan God. Deze uitspraak is niet bedoeld om de oorsprong van het kwaad te verklaren, maar dient als tijding van troost en hoop gehoord te worden: Eén is de machtige, van wiens liefde niets ons kan scheiden. Het woord dwaling is ook in 1 Tess. 2:3 genoemd. Wat de inhoud betreft lezen we overeenkomstige uitspraken in Ps. 81:llw; Ez. 14:9; 1 Kon. 22:23; Rom. 1:24, 26, 28. De leugen (12) (zie ook Rom. 1:25) staat tegenover de in vs 10 genoemde liefde tot de waarheid (zie ook het slot van vs 12). Het welgevallen hebben onderstreept de vrijwillige toestemming.

Opvallend is, dat de apostel twee maal het woordje werking gebruikt: die van de satan (vs 9) en die van God (vs 11). Hij probeert het ene gebeuren van uit een verschillende gezichtshoek te benaderen. Enerzijds staan mensen onder invloed van de satan, maar anderzijds is de satan geen zelfstandige macht, waarover God geen zeggenschap zou hebben.

Maar wij behoren God te allen tijde om u te danken (13): De formulering van 1:3 keert terug; daar viel het accent op hun wijze van leven, hier op alles wat God gedaan heeft. Door de Here geliefde broeders doet denken aan 1 Tess. 1:4: door God geliefde broeders. De Here (Jezus) en God zijn op het nauwst met elkaar verweven, zoals we straks, in vs 16, opnieuw zien.

Als eersteling verkoren: Waar Paulus het woordje eersteling gebruikt is het meestal met het oog op de te verwachten oogst (Rom. 8:23, 11:16, 16:5; 1 Kor. 15:20, 23, 16: 15). Dat is hier niet het geval, althans niet met zoveel woorden. Het geliefd en verkoren zijn lezen we ook in één adem in 1 Tess. 1:4. Tot behoudenis: zie 1 Tess. 1:10, 2:16, 5:8; 2 Tess. 2:10; in heiliging door de Geest: Zie 1 Petr. 1:2, verder ook: 1 Tess. 4:7v; Rom. 15:16; 1 Kor. 6:lv. Het geloof in de waarheid (zie ook vs 12) is hier identiek met het geloof in het evangelie. De roeping van God (14) (zie ook 1 Tess. 4:7, 5:24; 2 Tess. 1:11), hoorbaar geworden door de evangelieprediking van Paulus, is gericht op het verkrijgen (zie 1 Tess. 5:9) van de heerlijkheid (:9, 10, 12; zie ook 1 Tess. 2:12).

Vast staan (15), eerder genoemd in 1 Tess. 3:8, veronderstelt de mogelijkheid van uitglijden, blijkens vs 2 brandend actueel in de gemeente.

De overleveringen (zie bv. 1 Kor. 11:2, 15:lv) kunnen korte geloofsbelijdenissen bevatten (1 Kor. 15:3-5), liturgisch materiaal (1 Kor. 11:23-25) of ethische vermaningen (1 Tess. 4:lv, 5:12vv; 2 Tess. 3:6, 10; Rom. 12:9vv). Hier zijn zij vooral betrokken op de evangelieverkondiging (1 Tess. 2:13), waarin een duidelijke, verantwoorde weg is aangegeven.

De bede in vss 16-17, die doet denken aan een vergelijkbaar slot in 1 Tess. 3:11-13, noemt zowel onze Here Jezus Christus als God, onze Vader, als onderwerp van de werkwoorden liefhebben en verlenen. Het woordje troost – voor eeuwig zie 1:9 – en het woordje vermaning worden in de griekse taal door één woord weergegeven, zodat beide elementen elkaar doordringen (bv. 1 Tess. 2:

12, 3:2,4:1). De hoop is aan het begin van de eerste brief met nadruk genoemd (1:3) en is, vooral in deze brief, zeer betrokken op de laatste dagen (zie 1 Tess. 2:19, 4:

13, 5:8). Troosten en versterken (zie ook 1 Tess. 3:13; 2 Tess. 3:3) worden ook samen genoemd in 1 Tess. 3:2.

Bidden en werken 3:1-15; groet 3:16-18

Aan het einde van zijn brief vat de apostel nog enkele kernpunten samen. Al doende weidt hij hier en daar nog even uit omdat de zaken die in het geding waren en zijn, bijzondere aandacht verdienen. Daarna wordt de brief met een groet, die vanwege de moeilijke situatie een bijzondere klem heeft, besloten.

Bidt voor ons (1): Aan het slot van de eerste brief, 1 Tess. 5:25, heeft Paulus de voorbede al gevraagd. Deze wordt betrokken op de voortgang van het woord des Heren, op de verbreiding van het Evangelie dus, en op de bescherming van de apostel en de zijnen tegen de wargeesten en slechte mensen (2). Het lidwoord veronderstelt dat de apostel bepaalde kringen op het oog heeft, die voor de gemeente van Tessalonica herkenbaar zijn. Wij proberen ons een beeld te vormen aan de hand van de woorden die Paulus in zijn beide brieven aan de spanningen en problemen wijdt. Trouw is hier de geloofstrouw tov. het Evangelie.

Wèl getrouw is de Here (3): Elders lezen we meermalen dat God getrouw is (zie behalve 1 Tess. 5:24 ook 1 Kor. 1:9, 10:13; 2 Kor. 1:18).

Sterken is al vermeld bij 2:17. De boze: Grammaticaal kan men ook vertalen het boze. Een soortgelijke kwestie is aan de orde in Mat. 5:37 en 6:13 (bede Onze Vader). Gezien het feit dat de duivel in onze brieven als een aktie-ve macht wordt voorgesteld, met ‘persoonlijke’ trekken (zie 1 Tess. 2:18, 3:5; 2 Tess. 2:9), lijkt het aannemelijk om te vertalen: de boze (zie ook Ef. 6:16; Mat. 13:19, 38;1 Joh. 2:13v, 5:18v).

Wij vertrouwen in de Here (4) – voor de uitdrukking zie men Rom. 14:14; Gal. 5:10; Filp. 2:24 – dat debevelen, in de zin van vermaningen (het werkwoord keert terug in vss 6, 10, 12; zie ook 1 Tess. 4:2, 11), ter harte genomen worden, nu en straks (zie ook 1 Tess. 4:1, 10; 2 Kor. 1: 10, 13v). Opnieuw (zie 1 Tess. 3:11-13, 5:23; 2 Tess. 2: 16vv, 3:16) gaat het spreken, schrijven over in bidden: de Here neige uw harten (5). Het doel is de liefde Gods, primair de liefde die van God uitgaat (zie bv. Rom. 5:5, 8: 39; 2 Kor. 13:13) en de volharding van Christus. Zijn volharding is voor de gelovigen een bron van voortgaande trouw (zie 1 Tess. 1:3; 2 Tess. 1:4).

In de volgende verzen is de toon scherper dan in 1 Tess. 4:llv en 5:14vv. Sinds het schrijven van de eerste brief heeft de apostel wellicht nieuwe berichten (zie vs 11) gehoord, waardoor hij de zaak aanscherpt. Broeders is de aanduiding die meermalen voorkomt (2:1, zie ook 1 Tess. 2:17, 4:10, 5:1, 12). De naam van de Here Jezus Christus doet denken aan 1:12 (zie ook 1 Kor. 6:11; Ef. 5:20; Kol. 3:17). Opvallend is voorts dat de apostel niet adviseert om de dwarsliggers uit te stoten of te excommuniceren (zie 1 Kor. 5:3-13). Men denke aan vs 15: terechtwijzen als een broeder! Het zich onttrekken, zich afzijdig houden, snijdt de broederband niet door. Wie zich ongeregeld gedraagt dient op deze wijze behandeld te worden (men denke aan 1 Tess. 5:14). Het ongeregeld wordt nader bepaald: in strijd met de overlevering (zie bij 2:15).

Gij weet (7): Zoals we eerder gezien hebben (1 Tess. 2:1, 3:3, 4:2, 5:2) wordt hier telkens een beroep op gedaan. Een voorbeeld, waard om na te volgen kwamen we al tegen in 1 Tess. 1:6, 2:14. Hier onderstreept de apostel nogmaals (zie 1 Tess. 2:9) dat hij in het huis van Jason (Hand. 17:7) in geen enkel opzicht van anderen geprofiteerd heeft.

Bevoegdheid hebben (9): Op een dergelijk recht heeft Paulus eerder in 1 Tess. 2:6v, gezinspeeld. In dit verband leze men ook 1 Kor. 4:9vv. Later is het een algemeen recht geworden dat sommigen vrijgesteld zijn voor de verbreiding en verwerking van het Evangelie, waarbij het voorbeeldig leven gehandhaafd blijft (zie o.a. 1 Petr. 5: 2v).

Toen wij bij u waren (10): Zie in dit verband 1 Tess. 3:4; 2 Tess. 2:5. Wat Paulus schrijft over het verband tussen (niet) werken en (niet) eten heeft de klank van een spreuk, waarvan we de oorsprong niet kennen. Qua inhoud komt Spr. 10:4 er wel dicht bij.

Wij horen (11): Het is niet duidelijk hoe de apostel op de hoogte is gesteld – schriftelijk? mondeling? – van het feit dat sommigen, ondanks de indringende vermaningen in de eerste brief, hun gewone doen veronachtzamen. Tegenover hen gebruikt Paulus de geladen woorden: wij bevelen en vermanen in de Here Jezus Christus. Voor het eerste werkwoord verwijzen we naar vs 4, voor het andere naar 1 Tess. 4:1.

Wordt niet moede te doen wat goed is (13): Het werkwoord lezen we ook in Gal. 6:9; 2 Kor. 4:1, 16; Ef. 3:13. Voor het goede zij verwezen naar 1 Tess. 5:15.

De moeilijkheden, genoemd in vs 6 en vs 11, worden opnieuw aangeduid omdat Paulus aanspoort degene die hieraan meewerkt, te tekenen en niet met hem om te gaan (14). Er zal hier wel geen officiële procedure verondersteld zijn, maar een spontane reactie. Qua inhoud kunnen we denken aan Mat. 18:17; 1 Tim. 5:20. In ieder geval is de intentie hem als broeder terug te winnen, thuis te brengen in de kring van de gemeente.

De Here des vredes geve u vrede (16): In 1 Tess. 5:23 is sprake van: de God des vredes (zie ook Rom. 15:33, 16: 20; 2 Kor. 13:11; Filp. 4:7, 9; Kol. 3:15).

Een eigenhandige groet (17): Het is mogelijk dat het voorgaande door een secretaris is geschreven (zie Rom. 16:22; 1 Kor. 16:21; Gal. 6:11; Kol. 4:18). Bovendien speelt een rol dat blijkens 2:2 valse berichten in omloop zijn en veel kwaad hebben gesticht.

De genade van onze Here Jezus Christus zij met u allen (18): Vergeleken met 1 Tess. 5:28 wordt allen toegevoegd.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken