Menu

Premium

23. De stijl van Gods aanwezigheid

Zie ook

Zacharia 12:1-8

Heeft God een eigen plek in de wereld? Is het Mekka, Jeruzalem, Rome, of de dorpskerk van Jutphaas? Onze tijd wordt al huiverig bij de gedachte. Dat sommige gelovigen heilige plaatsen nodig hebben, nou vooruit, daar kunnen we mee leven, maar een plek voor God zelf? Is dat niet het einde van de moderne maatschappij? De actuele discussies gaan vooral over bevoegdheid: wie beslist er over de route van de samenleving? Godsdienst, de staat, de commercie? Maar als er niet een zichtbare plek is waar Gods rijk een kritische of een helende rol kan spelen, waar moet hij dan wonen? Tussen mijn oren? Alleen achter mijn voordeur? In onze goede ideeën?

Het Oude Testament is helder: Jeruzalem, daar woont de God van Israël (Psalm 20 en 76) Tegelijkertijd schakelen deze psalmen heel gemakkelijk tussen Sion en de hemel als Gods woonplaats. God is niet bij mensen in dienst. De kritische benadering van godsdienst die wij modern noemen kent de bijbel ook, bijvoorbeeld in Jeremia 7: mijn tempel is niet jullie verzekeringspolis. Maar, zeker voor de schrijvers van het Zachariaboek in de situatie van het bedreigde vroege Jodendom, bleef de vraag knellen: hoe gaat God verder? Is zijn plek nog bij ons?

1. Een Godsspraak. Het woord van JHWH over Israël.
Verklaring van JHWH, die de hemel uitspreidt, de aarde fundeert
en de levensgeest van de mens in hem vormt.

2. ‘Let op, ik zet Jeruzalem als een schaal met bedwelmende drank voor aan alle volken om haar heen.’ Ook over Juda gaat dit woord, bij de belegeringswal tegen Jeruzalem.

3. ‘Dan, op die dag presenteer ik Jeruzalem aan alle volken als een steen die niet te tillen is. Ieder die hem wil optillen, zal zich er lelijk aan bezeren.
Maar alle volken op aarde zullen een coalitie vormen tegen Jeruzalem.

4. Op die dag – verklaring van JHWH – sla ik elk paard met verbijstering en zijn berijder met waanzin.Over het huis Juda houd ik mijn ogen open, maar elk paard van de volkeren sla ik met blindheid.’

5. Dan zullen de stamhoofden van Juda bij zichzelf zeggen: ‘Ik merk wat de kracht is van de bewoners van Jeruzalem, door JHWH van de hemelse machten, hun God.’

6. ‘Op die dag zet ik de stamhoofden van Juda als een bekken met vuur tussen de bomen en als een brandende fakkel tussen de schoven, zodat ze links en rechts alle volkeren rondom zullen verteren, maar Jeruzalem zal gewoon op haar plaats blijven: in Jeruzalem.’

7. Dan zal JHWH allereerst de tenten van Juda redden, om te voorkomen dat het prestige van Davids huis en dat van de bewoners van Jeruzalem boven Juda uit gaat.

8. Op die dag zal JHWH een schild zijn voor de inwoners van Jeruzalem.

Zodat degene onder hen die wankelt, op die dag zal worden als David en Davids huis als God, als de gezant van JHWH voor hen.

Met hoofdstuk 12 begint een tweede uitbreiding aan het boek Zacharia waar, net als in hoofdstuk 9, boven staat: ‘Godsspraak’. Ook deze teksten gaan over de woelige tijden van de Perzische en Griekse overheersing. Maar er zijn te weinig gegevens om ze precies te plaatsen. De toon is stevig, we lezen hier verwachtingsvolle profetieën over de eindtijd met een antwoord op de vragen: is God nog bezig met de wereldgeschiedenis en heeft Jeruzalem nog een rol? Er zijn ‘ik’-stukken, waarin God aankondigt wat hij ‘op die dag’ van bevrijding gaat doen en daartussen stukken waarin óver God wordt gesproken; commentaar van de schrijvers.

God spreekt zich uit over Jeruzalem en hij doet dat als de schepper van hemel en aarde en van het menselijk leven. Hier spreekt daarom niet een religieuze winnaar met God aan zijn zijde. Maar ook niet God die werkt aan een eigen imperium. De schepper geeft zijn zichtbare aanwezigheid in zijn eigen schepping niet op, dat is iets heel anders. Dat brengt hem midden in een heel menselijke wereld.

Bijvoorbeeld, het contrast Jeruzalem en Juda. Het doet een beetje denken aan Amsterdammers die over de rest van Nederland praten als ‘de provincie’. Maar, ook Juda doet er toe, zegt de laatste zin van vers 2. Wat daar precies staat is een taalkundig raadsel, maar we zien wel steeds dat contrast terug in de tekst. Het lijkt alsof God zelf, in de lijn van Jeremia 7, Jeruzalem wel hoopvol wil maken, maar niet arrogant. ‘De volkeren zullen tevergeefs proberen Jeruzalem te veroveren, maar ook over Juda houd ik mijn ogen open’, zegt God in vers 4. ‘Jeruzalem staat toch wel heel sterk, dank zij JHWH, hun God’, denken de stamhoofden van Juda, vers 5. ‘Maar ik zet Juda als een brandende fakkel tussen de aanvallers’, zegt God. Dus, concluderen de schrijvers in vers 7, God gaat eerst Juda bevrijden, want het kan niet zo zijn dat het prestige van David en Jeruzalem groter wordt dan dat van Juda. De stad mag dan als traditionele woonplaats van God een grote naam hebben, God speelt het spel op zijn eigen manier.

Vers 8 laat zien wat de bedoeling is. God als een schild voor Jeruzalem, zodat de bewoners weer iets kunnen laten zien van Gods aanwezigheid. De kwetsbare krijgt een heldenstatus als David en de dynastie van David krijgt iets goddelijks: zij krijgt de rol van ‘Gods gezant’ voor de bewoners van de stad. Dat zijn grote woorden, die verder nergens in het boek Zacharia gebruikt worden. Alleen nog in hoofdstuk 13:1 gaat het over een bron die Jeruzalem en de dynastie van David moet reinigen. Dat klinkt een stuk bescheidener. Toch komt het wel voor dat een leider in Israël een rol krijgt “als God”. Dat geldt van Mozes (Exodus 4:16 en 7:1 tegenover Farao), maar ook David wordt in zijn rol van koning een paar keer als “een gezant van God” betiteld (2 Samuel 14:17 en 19:28).

We lezen hier profetische toekomstverwachtingen uit 400 voor Christus. Is het zo gegaan als hier staat? Ja en nee. Gods gevecht om onder ons aan het woord te blijven, verloopt vaak onverwacht anders, zelfs al in het boek Zacharia. Zeker voor wie doorleest in rabbijnse teksten of het Nieuwe Testament is dat zo. Maar van een God die zich niet uit zijn eigen schepping laat wegjagen, mag je dat verwachten. Profeten hebben recht van spreken.

Wellicht ook interessant

None

Preview: God. Naar een andere filosofie

We beginnen dus nu aan een boekje over denken over God, over de Naam. Goed, maar is dat nog wel nodig? Kan dat zelfs nog wel? Niet dat het taboe zou zijn, nee, merkwaardig genoeg loopt de boekenmarkt over van titels over God en godsdienst. Iedereen schrijft over God tegenwoordig. Sinds kort bestaat het prestigieuze Journal for Continental Philosophy of Religion (Brill). Dat betekent dat er in elk geval interesse wordt getoond in dat filosofische terrein. Theologen, natuurlijk, maar ook filosofen, wetenschappers, politici, kunstenaars en nog anderen kunnen er niet over zwijgen.

None

Nicea voor Nu; hoe een oude belijdenis ons vandaag kan helpen

Drie initiatiefnemers – Jelle Huismans, Margriet Westes en Arnold Smeets – hebben ervoor gezorgd dat 32 schrijvers samen 47 korte, puntige bijdragen schreven over de Geloofsbelijdenis van Nicea. Steeds namen de auteurs een paar woorden uit de belijdenis voor hun rekening, waarover zij twee à drie pagina’s schreven. Dat maakt het tot een zeer toegankelijk boek. Met dank daarvoor: ik heb het met plezier gelezen en hier en daar zinnen onderstreept en smileys of kruisjes gezet bij uitspraken die mij boeiden of juist tegenstonden.

Basis

Boekrecensie Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel door Ludy Fabriek

Het boek Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel is een geweldige uitdaging om je innerlijke relatie met God als je hemelse Vader meer en meer te verdiepen. Het beeld van de ziel als een burcht met zeven verblijven spreekt heel erg tot de verbeelding. Zeker om de ontwikkeling van je geestelijke leven te zien als een reis door die verblijven op weg naar het hart van de burcht: de troonzaal. Het uiteindelijke doel van een kind van God is om zó dicht bij Hem te zijn, dat we volkomen één met Hem zijn. Vandaar dat de subtitel van het boek ook treffend gekozen is: De innerlijke reis naar het hart van God.

Nieuwe boeken