Menu

Premium

Aandacht, ontvankelijkheid en omzien naar

Bij Johannes 9,1-13(14-25)26-39

De Veertigdagentijd is een tijd van bezinning en inkeer. Naar rooms gebruik staan naast bidden het vasten en de naastenliefde centraal. Het vasten komt vaak tot uiting door verschillende vormen van onthouding, bijvoorbeeld door af te zien van alcohol, zoetigheid of televisie kijken. Bedoeling is het vanzelfsprekende te doorbreken, los te komen van het overbodige en te onderzoeken wat werkelijk van belang is, in onszelf en bij de ander. Bidden, vasten en naastenliefde zouden we kunnen vertalen met oefenen in aandacht, ontvankelijkheid en omzien naar.

Het eerste kernwoord in deze lezing van Johannes is ‘zien’ en het tegenovergestelde ‘niet zien’. Het verhaal begint ermee dat Jezus een man zag die al zijn hele leven blind was.[1] Jezus zag dat deze man ‘nietsziend’ door het leven ging. Zijn discipelen vragen Jezus: wiens schuld is dat? Zijn eigen of die van zijn ouders? Willen we het ‘niet zien’ niet letterlijk als een fysieke aandoening nemen, dan kunnen we de vraag van de discipelen als volgt verstaan: Leidt hij zelf zijn leven niet goed? Of is hij door zijn ouders niet goed opgevoed? Jezus antwoordt: Van schuld is geen sprake, in hem moeten Gods werken nog geopenbaard worden. Kijk niet analyserend achteruit, naar wat de oorzaak is van zijn blind door het leven gaan, maar kijk vooruit naar wat ons gegeven wordt, naar wat geopenbaard wordt.

Dag en nacht, aarde en spuug

Wat bedoelt Jezus wanneer Hij vervolgens zegt: ‘Wij moeten werken de werken desgenen, die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht waarin niemand werken kan’ (9,4 – NBG ’51)? Om die vraag te beantwoorden is het goed eerst nog een stukje verder te lezen. Want direct na dit gezegd te hebben spuugt Jezus op de grond, maakt slijk van de aarde en het speeksel, en smeert dit op de ogen van de blinde. Dan zegt Hij hem: Was dit slijk van je ogen in het water van Siloam. Vier nieuwe kernwoorden hebben zich hier aangediend: ‘dag’ en ‘nacht’, ‘aarde’ en ‘spuug’.

De aarde als symbool is een rijk woord. Het staat aan de ene kant tegenover de hemel. De verbondenheid, ook wel ervaren als gebondenheid aan het aardse bestaan, kent een natuurlijk verlangen naar de hemel, omdat een mens zowel lichaam als ziel is, stoffelijk en onstoffelijk. Aan de andere kant is de aarde die wij mogen bewonen, bevolken en bewerken, vruchtbaar en deelt gul in haar gaven. Deze dualiteit verklaard meteen het begrippenpaar ‘dag’ en ‘nacht’. In het licht van de dag zijn de gulle gaven te zien. Echter in de duistere gevoelens van dit niet te zien lijken we overgeleverd aan slechts het verlangen ernaar, dat maar geen dagelijkse werkelijkheid lijkt te willen worden. Daar heerst de nacht.

Rest ons nog een kernwoord: het spuug. Spugen is een krachtig gebaar. Daarmee wordt afwijzing uitgedrukt, verzet tegen iets waar je het ten stelligste niet mee eens bent. Als er naar je gespuugd wordt, is die afwijzing sterk te voelen. Bespuugd worden is beledigend. Maar – en daar komt de dualiteit weer om de hoek – aan speeksel wordt van oudsher ook een genezende kracht toegekend. Blijkbaar wil het krachtige gebaar ergens doorheen breken. Het wil ontvankelijk maken. Als een klap in het gezicht: en nu wordt het tijd om te luisteren!

Genezing door de nacht

Om terug te komen op de vraag hoe wij Jezus moeten verstaan als Hij zegt ‘Wij moeten werken de werken desgenen, die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht waarin niemand werken kan’: deze zin lijkt bomvol dualismen te zitten. Het is elke dag werken, soms ook ploeteren om in het licht van God te blijven. In dat licht is de dag, maar niet altijd lukt het om in dit aardse bestaan zicht te houden op dat licht, op het werk van God. Dan komt de nacht. En dat is wat Jezus bij de blinde doet. Hij spuugt op de aarde. Met dit mengsel legt hij de man de nacht op. Met een krachtig gebaar maakt hij de duisternis expliciet. En was die nu maar van je ogen. Daarna komt de man ziende terug.

Leven vanuit ontvankelijkheid

Saillant detail in dit verhaal is dat Jezus deze man geneest op de sabbat (9,14). De sabbat is de dag waarop het werk wordt neergelegd (Ex. 20,8-10). Op die dag wordt tijd ingeruimd voor bezinning, voor de wekelijkse oefening in ontvankelijkheid. Jezus wordt verweten dat Hij op de sabbat werk heeft verricht en gezondigd heeft. Is niet het doel van die ontvankelijkheid dat wij open gaan staan voor de openbaring van de werken Gods? De farizeeën herkennen niet dat Jezus’ werk ertoe heeft geleid dat de blinde man gaat zien. Dat hij met andere woorden vanuit zijn ontvankelijkheid is gaan leven. Ook de omstanders herkennen de man niet. In het tweede deel spuugt Jezus als het ware de farizeeën in het gezicht, niet om hen te beledigen, maar opdat zij zich laten aanspreken: wordt ontvankelijk voor het goede dat zich buiten je eigen regels, buiten je eigen kaders, buiten je eigen vanzelfsprekendheden bevindt.

In feite doet dit verhaal niets anders dan aantonen hoe moeilijk het is werkelijk te zien, om vanuit ontvankelijkheid te leven. Het is niet eenvoudig om in het aardse geploeter, dat er bij een ander weer anders uitziet dan bij jezelf, het werk van God te herkennen. Daarom is het goed onszelf in de Veertigdagentijd een tijd van bezinning en onthouding te gunnen, opdat wij ontvankelijk worden, in aandacht en nabijheid.

Wellicht ook interessant

None

Recensie van Matthijs Schuurman over het boek Drie-eenheid

In 2024 schreef Bram van de Beek een artikel voor een wetenschappelijke encyclopedie over hoe er in de Vroege Kerk werd gedacht over de drie-eenheid. Al vanaf de jaren-’80 is hij actief als hoogleraar. In 1981 volgende hij in Leiden prof. dr. H. Berkhof op als hoogleraar Dogmatiek. In 2000 verhuisde hij naar de Vrije Universiteit, waar hij Symboliek ging doceren. Bij symboliek gaat het om de inhoud van de geloofsbelijdenissen. Ook was Van de Beek bijzonder hoogleraar Systematische theologie aan de Universiteit van Stellenbosch in Zuid-Afrika.

None

Recensie van Matthijs Schuurman over het boek Inferno

Iedereen heeft misschien wel zijn eigen beeld van de hel. Persoonlijk vind ik de hel zelf veel moeilijker voor te stellen dan de hemel. Als ik de hel zou moeten verbeelden, dan zou ik kiezen voor een druk winkelcentrum waar ik eindeloos op en neer ga op de roltrap. Ik ben dan in een drukte van mensen waar ik niet verbonden mee kan raken, omdat die mensen op dat moment allemaal voor zichzelf leven. Een plek waar ik innerlijk alleen maar onrustig kan worden en onrustig zal blijven. Zo stel ik me de hel voor: als een plek waar ik in het leven hier op aarde al niet graag kom. Als ik over het beeld nadenk, ontbreekt een belangrijk element: God Die Zijn oordeel heeft uitgesproken over mijn leven. Dat ik niet zonder reden voor altijd op die roltrap op en neer zal gaan en ik innerlijk gek wordt van de steeds toenemende onrust.

Jan Luyken (1700), Origenes onderwijst zijn studenten.
Jan Luyken (1700), Origenes onderwijst zijn studenten.
Basis

Waarom ‘Eeuwig’ toch niet altijd een goed vertaalwoord is

Enkele publicaties vorig jaar, waaronder het boek “Het einde van de Hel” van Reinier Sonneveld, hebben de eeuwenoude discussie of God alle mensen uiteindelijk zal redden1 weer nieuw leven ingeblazen. Een belangrijk argument tegen de leer dat voor ongelovigen de hel de eindbestemming zou zijn, is dat de Hebreeuwse en Griekse woorden die meestal met “eeuwig” vertaald worden, niet de betekenis “eindeloos” hebben. Dat was aanleiding voor het blad Met Andere Woorden (MAW), een vakblad voor Bijbel en vertalen, om een themanummer uit te geven rondom dit woordje, “eeuwig” en “eeuwigheid”. En, hoewel vertalers zich het liefst op de tekst zelf focussen, ontkom je er niet aan keuzes te moeten maken die aan een dergelijke discussie raken.2 Zo moet een vertaler kiezen of hij meegaat in het zo bekende “eeuwig” en “eeuwigheid”, of in navolging van kritiek en diverse onderzoeken voor een andere weergave kiest. In het themanummer verdedigden enkele artikelen de keuze voor “eeuwig”. In de studievertaling waar ik aan mee mag werken, de Nieuwe Concordante Vertaling (NCV),3 is echter een andere keuze gemaakt. In dit artikel laat ik graag zien waarom “eeuwig” toch niet altijd een goed vertaalwoord is.

Nieuwe boeken