Amos
INLEIDING
I. Naam en schrijver
Het boekje Amos draagt, evenals de boeken van de andere schriftprofeten, de naam van zijn schrijver. Arnos was de eerste profeet, wiens woorden schriftelijk bewaard zijn gebleven. Hij was afkomstig uit het zuidelijke rijk Juda, en wel uit Tekoa, een plaats gelegen op ca. hoogte, ongeveer ten zuiden van Betlehem, in een streek die de overgang vormt tussen het judese bergland en het woestijngebied ten oosten daarvan. Arnos was daar agrariër van beroep. Hij bezat er kudden schapen (1:1), maar ook rundvee (7:14), en kweekte bovendien moerbeivijgen, vruchten die als veevoeder, maar ook wel als voedsel voor – met name arme – mensen werden gebruikt. Bezig in zijn beroep, werd Amos door de HERE geroepen, genomen achter de schapen vandaan (7:15) om te gaan profeteren tegen Israel, het noordelijke rijk, dat zich na de dood van koning Salomo in de 10e eeuw v.Chr. van het davidische koningshuis had losgemaakt.
II. Achtergrond
Het opschrift (1:1) meldt dat Arnos profeteerde ten tijde van koning Uzzia van Juda en Jerobeam II van Noord-Israel. De noordelijke koning regeerde van ca. 783-752 v.Chr. Deze lange regeerperiode betekende voor Israel een periode van grote bloei. In politiek opzicht wist Jerobeam de grenzen van zijn rijk te verwijden tot een omvang die die van het rijk van David en Salomo haast evenaarde. Zijn voorganger Joas had reeds de gebieden ten westen van de Jordaan die in de vorige eeuw door de Arameeërs (= Syriërs) op Israel veroverd waren, heroverd en hijzelf heroverde de gebieden ten oosten van de Jordaan en drong zelfs door tot ver in het aramese gebied (2 Kon. 14:28). Die politieke verordeningen verschaften vele Israëlieten een niet geringe mate van trots en zelfverzekerdheid (6:13).
Ook in economisch opzicht was het een bloeitijd. Onder de leidende kringen heerste grote welvaart. De aanzienlijken hielden er aparte zomer- en winterverblijven op na (3:15), waar zowel de dames (4:1-3) als de heren een gemakzuchtig leventje leidden met allerlei luxe geneugten (3:12, 6:1-6). Die welvaart stak schrijnend af tegen de grote armoede waarin de minder bedeelden gedompeld waren. Zij woonden vaak in krotten en raakten door belastingen aan het hof en door uitbuiting van de kant van de rijke boeren dikwijls zo in het nauw, dat zij hun grond moesten afstaan of zichzelf of hun kinderen als schuld-slaaf aan de grote heren moesten verkopen (2:6, 8:6). Sociale gerechtigheid was in Israels samenleving ver te zoeken. Wel probeerde het ‘godsrecht’ (de wetten die deHERE aan zijn volk gegeven had, bv. Ex. 21-23; Deut. 15) een dam op te werpen tegen de uitbuiting van de armen en tegen de verpaupering die daarvan het gevolg was, maar die heilige wetten des HEREN werden met voeten getreden (5:7). De arme die in zijn nood recht zocht bij de ‘oudsten in de poort’, die recht hadden te spreken bij onderlinge geschillen, stuitte op een muur van liefdeloosheid, op een heulen van de rechters met de bezitters, ja zelfs op een corrupte rechtspraak, doordat degenen die het recht moesten handhaven in Israel, toegankelijk bleken voor steekpenningen (5:10, 12). Dat onrecht en het geheel ontbreken van enig gevoel van deernis of bezorgdheid over het leed van zovele gebrokenen in Israel (vgl. 6:6) demonstreerden op schrille wijze hoezeer de toonaangevende kringen in Israel met God en zijn gebod hadden afgerekend en zijn heilige naam met hun levenshouding ontheiligden (2:7). O zeker, uiterlijk was er nog een bloeiende eredienst, waarin men de HERE ijverig diende met offers en gezang (5:21 w), maar uiteindelijk ging het de offeraars meer om de eer die zij zelf inlegden met al hun cultische ijver (4:4-5) dan om de eer van God. De eredienst die bedoeld was om er regelmatig de verbondenheid met de HERE God door te versterken, voerde in wezen het hart steeds verder van Hem af. Deze eredienst versterkte slechts het oppervlakkig verbondsge-loof van velen, dat zij met hun cultische ijver Gods bescherming wel verdiend hadden, dat de HERE wel met hen moest zijn (5:14) en dat hun daarom geen onheil kon overkomen (9:10). Even meedogenloos als de Israëlieten zich in hun leven jegens hun naasten opstelden, slaat de profeet zijn hoorders de basis van hun valse rust en vertrouwen uit handen: de HERE haat en verafschuwt hun eredienst (5:21 vv). Daarom roept Hij de Israëlieten door de mond van zijn profeet ook op om het leven niet langer te zoeken in zulk een eredienst in de vanouds gewijde heiligdommen Betel, Gilgal en Berseba, maar het te zoeken bij Hem zelf (4:4-6), die zijn woord aan zijn volk had gegeven opdat zij daarin het leven zouden vinden en behouden. Dat gold zowel de proclamatie van zijn reddende handelen bij de uitleiding uit de slavernij van Egypte (2:10,3:1,9:7) als zijn geboden, die de Israëlieten, in hun leven met Hem en met elkaar, de weg moesten wijzen om het goede te zoeken en lief te hebben, en het kwade te haten (5:14).
Herhaaldelijk had de HERE God in de achter hen liggende jaren geprobeerd de Israëlieten door allerlei beproevingen in het natuurlijke leven tot inkeer en terugkeer tot Hem te bewegen, maar alle roepstemmen waren afgestuit op de onbekeerlijkheid van hun hart: ‘Gij hebt u niet tot Mij bekeerd’ (4:6-11). Zo blijft er slechts één weg over: dat de HERE, de Almachtige Schepper, aan wie alle machten in hemel en op aarde ter beschikking staan, alsheilige Rechter het oordeel over zijn volk zal voltrekken (4:13, 5:9); door een zware aardbeving (1:1,2:13-16, 8:8, 9:1, 5), door de wapens van de vijanden (3:11, 9:4), misschien ook door epidemieën (6:9 v) zal Israel als staat een gewisse ondergang tegemoet gaan (9:8). Door de oordelen heen, waarin de zondaars omkomen (9:10) zal de HERE echter een rest van Jozef genadig zijn (5:15) om daarmee een nieuw begin te maken en straks een heilstijd te doen aanbreken (9:11-15).
III. Datering
Onder I vonden wij reeds een globale tijdsaanduiding voor het optreden van Arnos als profeet van de HERE: de regeerperiode van Jerobeam II. Tussen 786 en 746 v.Chr. moet Arnos dus zijn profetieën tegen het noordelijke rijk hebben uitgesproken. Het feit dat de politieke en economische bloei voor de bovenlaag reeds overal zijn sporen in het boek Arnos doet zien, wettigt de veronderstelling dat Jerobeam II zijn grootste veroveringen al achter de rug heeft en dus al de nodige jaren het bewind moet hebben gevoerd. Voor een wat nadere datering kan de tweede tijdsaanduiding uit 1:1, twee jaar voor de aardbeving, ons behulpzaam zijn. Uit gegevens van verschillende opgravingen hebben archeologen kunnen concluderen dat er tegen het eind van de eerste helft van de 8e eeuw v.Chr. een verschrikkelijke aardbeving in het Palestijnse land moet hebben plaatsgevonden. Gewoonlijk dateert men Arnos’ profetische werkzaamheid dan ook rond het jaar 760 v.Chr. Als het totaal van die werkzaamheid kan worden aangeduid met de tijdsbepaling ‘twee jaar voor de aardbeving’ sluit dat in, dat voor het profetisch spreken van Amos in Noord-Israel eerder in termen van enkele weken, hoogstens maanden, moet worden gedacht dan in jaren.
Vooral op Arnos’ hoorders moet het intreden van een vreselijke aardbeving, twee jaar nadat de profeet die had aangekondigd (zie onder II), een diepe indruk hebben gemaakt. Door het ‘uitkomen’ van deze profetie werd de betrouwbaarheid van Arnos’ woorden uiteraard bij zijn hoorders bevestigd. Misschien werden mede daardoor de woorden van deze profeet zorgvuldig bewaard en overgeleverd om ook voor komende geslachten ter waarschuwing te kunnen dienen. Uit de profetie van Zacharia (14: 5) blijkt in elk geval dat in de tijd van deze profeet de herinnering aan de grote aardbeving onder koning Uzzia van Juda nog leefde.
IV. Belangrijkste motieven
a. Noord-Israel is een deel van het ene volk des HEREN dat Hij eens uit Egypte heeft doen optrekken (2:10, 9:7), als daad van zijn verkiezende liefde (3:lv).
b. Israels verkiezing is geen reden tot een eigengereide en overmoedige heilszekerheid in de sfeer van: ‘ons kan niets gebeuren’ (9:10, vgl. 5:14). Integendeel: juist het feit dat de HERE Israel kent, dwz. met Israel een heel bijzondere relatie heeft, brengt mee dat Hij de overtredingen, het onrecht in dat volk, ook extra zwaar moet toerekenen en straffen (3:2).
c. De Dag des HEREN als de komende tijd van het oordeel, waarin de HERE de volken zal straffen voor hun wreedheden, met name tegen zijn volk Israel (1:3 w), maar waarin hij vooral de Judeeërs zal straffen omdat zij de HERE ontrouw zijn geworden en leugengoden hebben gediend en zijn woord, de inzettingen van zijn Tora, niet hebben onderhouden (2:4-5), en Noord-Israel omdat de bewoners van dat rijk door schandelijke daden van sociaal onrecht de heilige naam des HEREN hebben ontheiligd (2:6-8).
d. De profeet die het oordeel aanzegt, doet dat niet op eigen gezag, maar als een heilig, goddelijk moeten (3:8), waartoe hij zich door de HERE zelf geroepen weet. Daarom kan hij het grootste deel van zijn woorden inleiden met de woorden ‘Zo spreekt de HERE’, of kan hij ze aanduiden als ‘uitspraak des HEREN’ (ne’oem jhwh). De eerste formulering noemt men bodeformule, omdat met zulke woorden een bode die de boodschap van zijn heer overbracht, zijn ‘brief’ bij het voorlezen begon (2 Kon. 18:29). Beide formuleringen markeren het goddelijk gezag van de woorden van de profeet.
e. De boodschappen van de profeet gaan terug op goddelijke openbaring (3:7). In vijf visioenen maakt de HERE bekend dat het oordeel over Israel komen moet (7:1-7, 8: 1-3,9:1-6).
ƒ. Het oordeel moet komen 1. vanwege de overtredingen van het aloude ‘godsrecht’, waarbij bij Arnos veel nadruk ligt op het onrecht dat armen en verdrukten in de hele samenleving wordt aangedaan door uitbuiting (2:68), in de handel (8:4-6) en zelfs bij de rechtspraak (5:10, 12); 2. vanwege de weelde waarin de aanzienlijken zich baadden (3:12, 15; 5:11), onbekommerd om de nood van het volk (6:3-7); 3. vanwege de hoogmoed, waarmee men prat ging op zijn militaire overwinningen (6:13) en zijn trotse bouwwerken (6:8).
g. De HERE haat een eredienst, waarin niet zijn eer maar die van de mens centraal staat (4:4-5), een religie van mensen bij wie recht en gerechtigheid ver te zoeken zijn, een godsdienst die de mens misbruikt om in valse heilszekerheid het geweten te sussen (5:14b; 8:10b).
h. De profeet doet voorbede voor zijn volk (7:2, 5). De strenge oordeelsprediker heeft tegelijk een bewogen hart over zijn volk en is ook daarmee vertegenwoordiger van zijn God, de HERE, die eveneens – temidden van de oordelen die Hij moet laten aankondigen – over Israel blijft spreken als ‘mijn volk’, een volk dat Hij in het verleden zowel door zijn weldaden (2:9-10) als door zijn beproevingen (4:6-11) aan zich heeft willen binden.
i. Het oordeel heeft niet het laatste woord. De overmoedige zondaren in het volk gaan weliswaar de ondergang tegemoet (8:10), maar er zal een rest overblijven (5:15), waarvoor de HERE – door de oordelen heen – de weg zal banen naar een nieuwe heilstijd (9:11-15).
V. Korte inhoud
HET OPSCHRIFT 1:1
ISRAEL MET DE ANDERE VOLKEN GESTRAFT 1:2-3:8
Profetieën tegen de omwonende volken 1:2-2:5
Aanklacht en straf (aardbeving) over Israel 2:6-16
Amos antwoordt op tegenwerpingen 3:1-8
EEN VIJAND ZAL DE ONDERDRUKKERS IN SAMARIA STRAFFEN 3:9-4:3
De ‘paleizen’ van de onderdrukkers geplunderd en vernietigd 3:9-15
De onderdrukkende dames gedeporteerd 4:1-3
ISRAELS EREDIENST ONTMASKERD 4:4-5:27
Gods gericht over een egocentrische godsdienstigheid en harde onbekeerlijkheid 4:4-13
Leven en dood, recht en onrecht, goed en kwaad 5:1-17 gegroepeerd om het centrum: de HERE als Schepper en verwoestend Rechter 5:8, 9
De Dag des HEREN 5:18-20
Eredienst zonder gerechtigheid 5:21-24
Afgoderij leidt tot ballingschap 5:25-27
DE ZORGELOZE HOOGMOED IN SAMARIA GESTRAFT 6:1-14
Zorgeloosheid en weelde brengen in ballingschap 6:1-7
Hoogmoed brengt dood en ondergang 6:8-11
Het recht vérkracht 6:12
Politieke hoogmoed komt voor de val 6:13-14
DRIE VISIOENEN EN EEN CONFLICT 7:1-1-7
De visioenen van sprinkhanen, vuur en tin 7:1-9
Het conflict met priester Amasja 7:10-17
HET VIERDE VISIOEN EN ZIJN CONSEQUENTIES8:1-14
Het visioen van de zomervruchten 8:1-3
Onrecht en uitbuiting met ballingschap bestraft 8:4-8
Duisternis en rouw op komst 8:9-10
Wanhoop, godverlatenheid en val 8:11-14
HET VIJFDE VISIOEN MET WAT ER OP VOLGT9:1-10
Het visioen van het altaar: de onontkoombare ondergang 9:1-4
Hymne op de HERE als Schepper die het oordeel brengt 9:5-6
Israel en de volken 9:7
Een scheiding door Israel 9:8-10
HEILSBELOFTEN 9:11-15
Herstel van de davidische dynastie 9:11-12
De zegeningen van de heilstijd 9:13-15
VERKLARING
Het opschrift 1:1
Woorden doelt op de woorden van Arnos (zo met SV) maar ook op de gebeurtenissen die hij geschouwd heeft (nl. in zijn visioenen, Arnos 7-9). De naam Amos is waarschijnlijk een afkorting van Amasja en betekent dan ‘de HERE draagt’. Schapenfokkers: het hebreeuwse noqed, dat in het Oude Testament alleen nog van koning Mesa van Moab gebezigd wordt (2 Kon. 3:4), wijst er op dat Arnos niet een klein schaapherdertje was, maar een bezitter van grote kudden, evanals de nqdm in Oegarit die belangrijke beheersfuncties aan paleis en tempel bekleedden. Voor de aardbeving en de koningen Uzzia en Jerobeam II, zie de Inleiding. De judese redactor van het boek Arnos noemt eerst de koning van Juda, hoewel Arnos profeteerde in Noord-Israel.
Israel met de andere volken gestraft 1:2-3:8
1.Profetieën tegen de omwonende volken 1:2-2:5
Zoals dat blijkbaar gebruikelijk was (vgl. Joël 3:16), worden de profetieën tegen de volken – één van de thema’s van het Loofhuttenfeest in de herfst – ingeleid door: De HERE brult uit Sion, enz. Sion, de tempelberg in Jeruzalem, was voor Arnos de Judeeër de enige wettige plaats waar de HERE woonde temidden van zijn volk. Dat de HERE brult en zijn stem verheft als een leeuw (vgl. 3:8, dat met hetzelfde beeld het geheel van 1:2-3:8 omraamt) is aanduiding van zijn openbaring in een onweer. De stem des HEREN symboliseert de donder (Ps. 29), zoals het vuur in het vervolg (vss 3, 7, 10, enz.) staat voor de bliksem. Als de HERE verschijnt om zijn oordelen te voltrekken (een ‘epifanie’) heeft dat repercussies in de natuur (vgl. Ps. 68:9), hier in haar treuren of verdrogen. De weiden der herders doelen wellicht op de judese gebieden, die Arnos als veehouder zo goed kende; de top van de Karmel, het luisterrijke gebergte tussen Samaria en Galilea, wijst naar Noord-Israel. Verhuld is hier dan aangeduid dat de oordeelsaankondiging aan de volken (vs 2a) die de Israëlieten zo graag hoorden uitspreken, uiteindelijk ook henzelf zou treffen (vs 2b), zoals dat ih het vervolg wordt duidelijk gemaakt. Over zeven volken wordt daar Gods oordeel aangekondigd (1:3-2:5). Als Arnos het zevende vonnis heeft doen horen en de hoorders denken dat de profeet nu uitgesproken is (7 als getal van de volheid), blijkt het eigenlijke oordeel nog pas te komen: dat tegen Israel zelf. De volken “worden gestraft vanwege drie en vier, dat is totaal zeven overtredingen [pèsja is eerder ‘overtreding’ dan ‘rebellie’, zoals ten onrechte vaak als eigenlijke betekenis wordt genoemd). Opnieuw 7 als getal van de volheid: de maat van de schuld is vol. Van elk volk wordt echter slechts één gruweldaad genoemd. Van de vreemde volken zijn het wreedheden, gepleegd tijdens oorlogen of strooptochten. Het betreft vrijwel steeds wreedheden jegens Gods volk Israel (behalve 2:1?), waarvoor de volken die alle eens onderworpen waren aan het rijk van David en Salomo (Tyrus door bondgenootschap er mee verbonden) door de HERE verantwoordelijk worden gesteld. De volgorde van de volken is door Arnoszo gekozen dat eerst de aartsvijanden waarmee Israel voortdurend op voet van oorlog verkeerde, de Arameeërs (of Syriërs) in het noordoosten en de Filistijnen in het zuiden worden genoemd, dan volgt Fe-nicië (Tyrus) in het noordwesten, waarmee sedert de dagen van koning Salomo een bondgenootschap bestond (met Hiram, 1 Kon. 5:12, vgl. het begin onder David, 2 Sam. 5:11). Daarop worden de overjordaanse volken genoemd die door bloedverwantschap met Israel verbonden waren, de Edomieten als nakomelingen van Jakobs broer Esau, de Ammonieten en Moabieten als nakomelingen van Abrahams neef Lot (Gen. 19:30-38). Ten slotte volgt het broedervolk Juda. Zo wordt de ring van Gods oordeel steeds strakker om de Israëlieten zelf heen gehaald. Eerst zijn de volken die het verst van hen afstonden, hun vijanden, aan de beurt, dan het door bondgenootschap verbonden volk, dan de verre bloedverwanten. Als aan het slot van de reeks het meest verwante volk Juda Gods oordeel te horen heeft gekregen, richthet vonnis zich onverwacht, als achtste, buiten de gewone reeks van zeven om, nog tegen de Israëlieten zelf (2:68).
Het eerst aan de beurt was Damascus (vs 3), de hoofdstad van Syrië, het rijk van de Arameeërs. In oorlogshandelingen (in het kader van Jerobeams heroverings-oorlogen, of daarna?) hebben zij Gilead, het oost-jordaanse bergland op wrede wijze bewerkt met ijzeren dorssleden, dwz. houten sleden waaronder ijzeren (of stenen) punten waren bevestigd, blijkbaar een van de onvoorstelbare wreedheden (2 Kon. 8:12; 2 Sam. 12:31), waarmee de antieke oorlogvoering gepaard ging. Vanwege zulk wreed gedrag kan God het, di. het in het vervolg gepreciseerde oordeel, niet herroepen. Het oordeel bestaat uit het bliksemvuur van Gods toorn (vs 4), symbool voor de brandstichting en het oorlogsgeweld, waarmee God zijn vonnis zal laten voltrekken (door het weer in opkomst zijnde, machtige rijk van Assyrië?). Dat vuur zal de HERE doen neerkomen in het huis, dwz. de koninklijke woning, zoals ook het erop volgende burcht (SV paleis) van de koningen van de Arameeërs, waarvan er verscheidenen de naam Hazaël (‘God schouwt’) of Benhadad (‘de zoon van Hadad’, de baäl van het onweer) droegen. In het oorlogsgeweld zal de HERE de grendel van Damascus, de houten of metalen balk, waarmee de stadspoortdeuren werden gesloten, doen verbreken, zodat de vijand zijn vernietigend werk in de stad kan verrichten. Door diezelfde vijand zal God de regeerder (josjeb-is naast ‘scepterdrager’ eerder ‘hij die zetelt’ dan ‘inwoner(s)’) van Bikat-Awen en de scepterdrager (= de vorst) van Bet-Eden uitroeien. Met Bikat-Awen (vertaald ‘zondedal’) is waarschijnlijk ‘el biq’a, de vlakte tussen Libanon en Antilibanon in het westen van het aramese rijk bedoeld, met Bet-Eden (vertaald ‘lusthuis’) een voormalig aramees rijkje aan de Midden-Eufraat, dus het uiterste oosten van het gebied van de Arameeërs. De gewone bevolking van het aramese rijk zal worden gedeporteerd naar haar oorspronkelijke stamland Kir (vgl. 9: 7), waarvan de ligging onzeker is (men denkt aan Ur in het Eufraatdal ofwel aan een plaats in noordoostelijk Klein-Azië).
Gaza, Asdod, Askelon en Ekron (vss 6-8) zijn vier van de vijf steden van de Filistijnen (vgl. 1 Sam. 4-6). Alleen Gat ontbreekt, misschien omdat de stad niet meer meetelde daar de judeese koning Uzzia haar van haar muren had beroofd (2 Kron. 26:6). Volgens anderen wordt Gat bedoeld met de rest van de Filistijnen (vs 8). De Filistijnen worden gestraft, omdat zij hele bevolkingsgroepen (van Israëlieten) op hun strooptochten (2 Kron. 21:16) hebben gedeporteerd om ze vervolgens uit te leveren aan de Edomieten, die ze dan als slaven in de oude wereld verkochten (vgl. Joël 3:6). Werden de Arameeërs gestraft om hun minachting van het menselijk leven, de Filistijnen om hun minachting van de menselijke waardigheid die tot koopwaar wordt vernederd. Het vuur van het oordeel komt nu niet in een koninklijk paleis, maar, algemener, binnen de stadsmuren van de steden terecht. In” de oordeelsaankondiging zijn de straffen wel over de verschillende steden verdeeld, maar dat is alleen een retorisch stijlmiddel. Bedoeling is dat alle straffen – oorlogsvuur, uitroeiing van de vorsten, het tegen hen keren van Gods hand (= Gods macht), het omkomen van de overige bewoners – voor alle steden gelden.
Tyrus (vss 9-10), de hoofdstad van Fenicië, krijgt een soortgelijk verwijt van meewerken aan de slavenhandel te horen (vs 9) als de Filistijnen. Alleen het gevangen nemen van mensen ontbreekt. Maar de overtreding van de Feniciërs is zwaarder, omdat zij met hun wandaden het al een paar eeuwen bestaande verbond tussen Israel en Fenicië (1 Kon. 5:12) schonden en het schenden van zo’n verbond tussen partijen, die elkaar na zo’n verbond ‘broeders’ noemden (1 Kon. 9:13), gold in het oude Oosten als een ernstig misdrijf.
Aan Edom wordt verweten (vss 11-12) dat het het broedervolk Israel met het zwaard heeft vervolgd en daarmee zijn medelijden (rahamim, eigenlijk ‘de gevoelens die broeders die uit een zelfde moederschoot voortkomen voor elkaar behoren te hebben’) heeft verstikt. Van de dagen van Jakob af heeft Ezau/Edom zijn broer Jakob/ Israel bedreigd (Gen. 27:40 v; vgl. bij de intocht Num. 20:18), en blijkbaar was het zo dat in de dagen van Arnos de haat, de toorn van Edom nog steeds poogde Israel te verscheuren, en dat hij zijn woede nog altijd bleef koesteren. Het vijandelijke vuur komt hier in Teman, de noordwestelijke streek van het bergland Edom, waarvan Bosra (Gen. 36:33) de hoofdstad was.
De Ammonieten hebben weer een wreedheid op hun geweten (vss 13 v), die lijkt op die van de Arameeërs (vs 3). Zij hebben tijdens of na de oorlogvoering met Israël in het oostjordaanse gebied zwangere vrouwen opengereten. Die wandaad was niet alleen een vorm van sadisme, maar vooral een poging om zo het nageslacht, en dus het voortbestaan van het vijandelijke volk, uit te roeien. Als straf zal de HERE het vijandelijk vuur ontsteken (bij de andere volken: ‘zenden’) binnen de muren van de hoofdstad Rabba (= ‘de Grote Stad’), het huidige Amman. Zoals ook wel elders (Ps. 83:16; Jes. 5:28; 28:2) is het motief van het oorlogsvuur hier verbonden met dat van een storm ten dage van een orkaan. De koning en zijn hoogwaardigheidsbekleders die het grondgebied van Israel hadden willen annexeren, gaan nu in ballingschap, weg van hun eigen grond.
Het verwijt aan de Moabieten (2:1) is het enige dat niet duidelijk een vergrijp jegens Israëlieten betreft. Zij hebben de beenderen (SV) van de koning van Edom tot kalk verbrand. Het vergrijp is in elk geval lijkschennis en het gebruiken van menselijke beenderen voor de kalkindustrie, ten behoeve van het pleisteren van muren. Waarom is hier de koning van Edom genoemd? Een uiting van het universele ingrijpen van de HERE bij onrecht tussen de volken? Of omdat Edom als broeder van Israel gold (vgl. hun gezamenlijke strijd van 2 Kon. 3)? Of zijn ook hier beenderen van Israëlieten bedoeld, zodat ‘beenderen van de koning van Edom’ zou moeten worden opgevat als: beenderen (van Israëlieten) die de koning van Edom op het slagveld had achtergelaten? De straf (vss 2-3) is: vuur in Moab (vs 2), dat de paleizen in de belangrijke stad Ke-riot bij de Arnon zal verteren. Evenals in 1:14 wordt het vuur geïnterpreteerd als een oorlog, waarin de leidslieden van Moab de dood zullen vinden.
De beschuldiging van Juda (2:4) dat als deel van Israel Gods openbaring had ontvangen, richt zich niet tegen aanwijsbare daden van onmenselijkheid, maar stoot door tot de bron, waaruit het handelen in Gods volkmoest opkomen. De Judeeërs hebben Gods wet, zijn Tora, geminacht. Dat bleek daaruit, dat zij zijn inzettingen, de geboden uit die wet, niet onderhouden hebben en dat zij zich hebben laten misleiden door valse goden die geen hulp kunnen bieden, een kwaad waaraan de voorvaderen zich reeds schuldig maakten (Hos. 9:10), zodat de zonde tegen het eerste gebod een diep ingewortelde zonde blijkt te zijn.
Tot zover hadden de noordelijke Israëlieten met instemming geluisterd. Maar als zeven oordeelsaankondigingen hebben geklonken en de hoorders menen dat de profeet is uitgesproken, komt juist de felste aanklacht en de ernstigste straf aankondiging:
De aanklacht en straf over Israel 2:6-15
Met de profetie tegenIsrael (2:6-8) bereikt de reeks oordeelsaankondigingen zijn spits en eigenlijke doel. Werd bij de andere volken van de zeven overtredingen er slechts één genoemd, bij Israel stapelen de verwijten zich op tot het volle zevental van wandaden, die alle op het interne, sociaal-ethische vlak liggen: uitbuiting en onderdrukking van de zwakken in de samenleving. In vs 6b gaat het over de schuldslavernij. Door misoogst, oorlog en uitbuiting waren vele kleine boertjes zo in de ellende geraakt, dat zij zelf of hun kinderen tot slavernij vervielen. Zelfs als een behoeftige in Israel een geringe schuld als een paar schoenen (= sandalen) had, die hij niet op tijd kon teruggeven of betalen, kon hij door zijn schuldeiser van zijn vrijheid worden beroofd en tot slaafse herendiensten worden gedwongen (vgl. Ex. 21; Deut. 15). Vervolgens konden^zulke arme rechtvaardigen, dwz. onschuldige mensen, tot koopwaar worden verlaagd en worden versjacherd voor.geld (vgl. 8:6). Dit euvel is dus het gevolg van wat in vs 6aan het slot staat. Het derde kwaad (vs 7) is volgens de vertaling van NBG en SV dat zij er naar snakken dat stof der aarde zij op het hoofd der geringen. Dat kan betekenen dat zij graag zien dat de armen zo in leed en rouw terechtkomen, dat deze stof en as – als teken van rouw – op hun hoofd moeten strooien. De oude vertalingen wijzen echter de weg naar een andere verklaring voor vs 7a, nl. Zij trappen op het hoofd der geringen, terwijl die op het stof der aarde, dwz. op de grond liggen (indien deze laatste woorden tot het grond-bestand van de tekst behoren, hetgeen niet zeker is). Dat zij de weg der weerlozen ombuigen (het vierde verwijt), betekent dat zij de weerloze armen opzij duwen, als deze hun weg kruisen en niet onmiddellijk ruim baan voor hen maken. Een vijfde wandaad: vader en zoon misbruiken eenzelfde meisje (vgl. Lev. 20:11; 19:20) dat als ‘gedienstige’ (ncfare) zich niet kan verweren. Zo’n vergrijp is niet slechts een intermenselijke zaak. Het is een smaad voor God: zijn heilige Naam wordt ontheiligd, als zulke dingen in zijn volk gebeuren. Ten zesde (vs 8): zij gaan (‘s nachts) liggen op kleren die zij als pand hebben genomen van arme mensen die bij hen wat eten kwamen lenen om hun gezin in leven te houden. Zo’n kledingstuk, blijkbaar de mantel, moest voor de nachtelijke kou aan de arme, die het als deken moest gebruiken, worden teruggegeven, maar Israels rijken overtreden die wet (Ex. 22:26 v; Deut. 24:12 v), ja zij hebben zelfs de brutaliteit zulke meedogenloze daden te begaan naast elk altaar, op de heilige plaatsen waar zij in schijnvroomheid de HERE kwamen dienen. Datzelfde geldt voor de zevende en laatste beschuldiging, dat zij in hun godshuizen de wijn der beboeten drinken, dat is wijn die zij de armen hebben afgedwongen als boete in natura (in strijd met Ex. 22:25) wanneer deze niet in staat bleken hun leningen van de eerste levensbehoeften op tijd terug te geven.
De harteloze handelwijze van deze Israëlieten steekt schril af tegen wat de HERE voor hen in het verleden heeft gedaan (vss 9-11). Hij heeft de sterke, in de ogen van de Israëlieten reusachtig grote Amorieten, de oude bewoners van Kanaän, met wortel en tak verdelgd om hun land aan Israel te geven. Hij heeft hen (vs 10) uit Egypte, uit de slavendienst bevrijd, en nu behandelen zij hun eigen volksgenoten als slaven. Hij had hun veertig jaar lang in de woestijn zijn zorgzame geleide gegeven, maar zij hebben geen enkele zorg voor arme medemensen. Hij heeft hun profeten en nazireeërs gegeven (vs 11) om door hun woorden, resp. hun voorbeeld (Num. 6; 1 Sam. 1:11, 28) zijn heilige wil in Israel levend te houden, maar zij hebben zijn geboden met voeten getreden, door zelfs (vs 12) nazireeërs van hun gelofte (Num. 6:3) af te brengen en hun wijn te drinken te geven, en profeten de mond te snoeren, zoals de hogepriester Amasja dat met Arnos zelf deed (7:12, 13).
Als straf (vss 13-15) voor alle harteloosheid en overtreding van Gods geboden zal de HERE een aardbeving zenden. De aankondiging daarvan geschiedt met het beeld van een boerenwagen boordevol garven die ‘waggelt’ (zo in plaats van kraakt, NBG of drukt SV) over de in oogsttijd keiharde, hobbelige zandpaden van Palestina. Zo’n aardbeving kan niemand, hoe snel of sterk hij ook is, ontvluchten. Zeven (!) voorbeelden – desnelle, de sterke, de krijgsheld, de boogschutter, de hardloper, de berijder van een krijgswagen, de dapperste – moeten dat illustreren. Zelfs de dapperste soldaat die in een oorlog met zijn kracht, snelheid of moed zijn leven nog zou kunnen redden, kan tegen een erge aardbeving niets beginnen. ‘Reddeloos verloren’ geldt dan zelfs voor hem. Het hebreeuwse rokeb hassoes is niet ‘ruiter’ (zo NBG) of die te paard rijdt (SV), maar iemand die een met paar-d(en) bespannen krijgswagen bestuurt. Paardrijden deed men in oud Israel niet.
Arnos antwoordt op tegenwerpingen 3:1-8
Toen Arnos na zijn reeks onheilsprofetieën de zwaarste beschuldigingen en de ergste straf over Israel zelf had uitgesproken, hebben zijn hoorders blijkbaar geërgerd gereageerd: God kon toch zijn eigen volk niet zo zwaar straffen! Israel was immers het uitverkoren volk, waarmee de HERE in een zeer bijzondere relatie leefde? Arnos antwoordt eerst op het beroep van zijn hoorders op Israels verkiezing, Israels bijzondere positie temidden van de volken. Hij ontkent dat bijzondere van Israel niet: de HERE heeft eens het gehele geslacht, de hele familie van Israel, de nakomelingen van vader Jakob, uit Egypte doen optrekken (vs 1) en hen gebracht in Kanaän (vgl. 2:10). En zeker, Israel is temidden vanalle andere geslachten van het aardrijk (zinspeling op de roeping van Abraham Gen. 12:3), als enig volk door God gekend, waarbij ‘kennen’ een zeer speciale, intieme verbondenheid aanduidt, zo intiem dat zelfs de intiemste verbondenheid in het huwelijk ermee kan worden benoemd(vgl. ‘bekennen’ in SV, Gen. 4:1). Maar, en dat vergaten de Israëlieten, die bijzondere band betekent niet alleen een bijzonder voorrecht, maar ook een bijzondere verantwoordelijkheid. Juist als leden van het verkoren volk zal God hun ongerechtigheden des te zwaarder aanrekenen en straffen.
In de vss 3-8 gaat Arnos blijkbaar in op de tegenwerping dat de HERE toch geen onheil over zijn volk kon brengen en dat Arnos niet het recht had hun zulk naar onheil aan te kondigen. In zijn antwoord geeft Arnos een reeks voorbeelden uit het dagelijkse leven, waarin hij met retorische vragen laat zien dat er niets in de natuur of in de mensenwereld gebeurt, of het is de consequentie van iets dat er aan vooraf is gegaan. Het eerste (vs 3) en het laatste voorbeeld (vs 6a) zijn uit het mensenleven, daar tussen in staan vier voorbeelden uit de dierenwereld. Bij de eerste vijf wordt eerst de consequentie genoemd en daarna wat vooraf gegaan moet zijn, in vs 6 is het omgekeerd, le. Twee mensen kunnen alleen samen op weg gaan als zij elkaar eerst ergens ontmoet hebben (het eens geworden zijn – NBG – is niet nodig om samen te reizen). 2e. Een leeuw brult alleen in de struiken als hij een prooi voor zich ziet die hij met zijn gebrul wil verlammen. 3e. Een jonge leeuw gromt alleen in zijn hol, als hij zijn gevangen buit aan net verorberen is. 4e. Een vogel strijkt alleen neer in een val als daar een lokaas voor hem is neergelegd. 5e. Een klapnet klapt alleen dicht als er een vogel in terecht gekomen is. In vs 6 staat eerst wat voorafgaat, het alarm blazen op de ramshoorn, en dan het gevolg: de schrik die dat alarm bij de bewoners van de stad teweegbrengt. Door de andere volgorde wil Arnos blijkbaar aangeven dat de eigenlijke bedoeling van zijn betoog nadert. Dat komt in het Hebreeuws ook uit in een andere vraagvorm dan die van de vragen waarmee de vijf vorige voorbeelden werden gegeven. In vs 6b (de zevende casus!) concludeert Amos dan tot dat waar het hem in eerste instantie om gaat: Er geschiedt geen onheil in een stad, zonder dat de HERE dat heeft bewerkt. In de situatie, waarin Arnos hier antwoordt op tegenwerpingen tegen zijn onheilsprediking, betekent dat concreet: als straks het aangekondigde onheil, de aardbeving, plaatsvindt, dan zullen de Israëlieten dienen te weten dat de HERE hun daarmee zijn straffend oordeel zendt. Maar (vs 7) dat oordeel komt niet onvoorbereid, want de HERE doet niets zonder dat Hij zijn verborgen planhen eerst aan zijn knechten, de profeten, heeft onthuld. Dat de titel, ‘mijn knechten, de profeten’ geliefd is in de zogenaamde deuteronomi(sti)sche literatuur (bv. 2 Kon. 9: 7) en bij Jeremia (bv. 7:25; vgl. Jes. 42:1, enz.), is geen reden vs 7 als latere toevoeging aan Arnos te ontzeggen. Het vormt de onmisbare schakel naar vs 8, waarin Arnos ingaat op het laatste facet van de tegenwerping van zijn hoorders, nl. de vraag, waar hij, de boer uit Juda, het recht vandaan meende te halen om hun Gods oordeel aan te kondigen. Welnu, zo wil Arnos zeggen, ik ben één van die profeten (vs 7) aan wie God zijn gerichtsplan heeft onthuld, en die dat nu ook als profeet, als spreker namens God aan het volk moet overbrengen. Dat profeteren is niet door Arnos zelf geambieerd (vgl. 7:14, 15). Het is een heilig, goddelijk moeten. Zoals een mens onherroepelijk bang wordt, als hij een leeuw in zijn nabijheid hoort brullen, zo moest Arnos als een onontkoombare opdracht gaan profeteren, toen de HERE tot hem gesproken had.
Een vijand zal de onderdrukkers in Samaria straffen 3:9-4:3
De paleizen van de onderdrukkers geplunderd 3:9-15
In vs 9 zendt Arnos denkbeeldige herauten uit om de aanzienlijken, bewoners van burchten (of liever ‘paleizen’, SV), in het filistijnse Asdod en in Egypte op te roepen naar Israel te komen en zich daar te verzamelen op de bergen die Samaria omgeven, om vandaar uit – als getuigen in Gods rechtszaak tegen Samaria – de sociale terreur en verdrukking te constateren die in de stad heersen. De buitenlandse aanzienlijken die in hun eigen omgeving aan heel wat sociaal onrecht gewend waren, moeten constateren dat de hooggeplaatsten in Samaria in sociaal-ethisch opzicht zo diep zijn gezonken dat zij zelfs niet meer weten wat recht doen is (vs 10). Zij hebben hun riante huizen, htm paleizen, volgestouwd met goederen die zij zich door geweld en beroving van de armen hebben toegeëigend. Gods straf is adequaat: een vijand (Assur?) zal de trotse stad omsingelen, de vestingwerken (de sterkte) van de stad neerhalen en de paleizen, vol geroofde goederen, leegplunderen (vs 11). De weelderig levende stadsbewoners (vs 12), die lui op hun rustbedden en op de leunkussens van hun divans liggen, zullen zo worden uitgeroeid, dat er net zo weinig van hen overblijft als van een schaap dat door een leeuw is verscheurd en waarvan de herder naar oud-israelitisch recht de resten, de pootjes en een stukje van een oor, aan de eigenaar moest tonen ten bewijze dat het dier verscheurd en niet door hem verkwanseld was (Ex. 22:10 w). Ook htm paleizen (vs 15), waarin zij – voor die tijd een ongekende weelde – er aparte zomer- en w/ntervertrekken op na hielden (vgl. Ri. 3: 20) of zelfs twee huizen op verschillende plaatsen (1 Kon. 20:1 v; 21:1), zullen door de vijand worden neergeslagen. Zo komt er een eind aan hun ivoren huizen, hun huizen waarvan de vertrekken en meubels versierd waren met ivoren inlegwerk, vaak emblemen van dieren, vooral leeuwen, die niet alleen als versiering, maar ook als afgodisch afschrikmotief dienden.
In de tijd dat de HERE zo de zonden van het huis van Jakob, dat is hier: van de noordelijke afstammelingen van Jakob, zal bezoeken, zal Hij ook (vs 14) de stierhorens die aan de bovenhoeken van het altaar van Betel waren aangebracht, symbolen van Gods heilige kracht, afhouwen. Als die horens – waarbij iemand die ongewild een doodslag beging, zijn’leven kon redden voor de bloedwraak (Ex. 21:13 v; 1 Kon. 1:50 v) en waaraan door de priester het offerbloed der verzoening werd gestreken (Lev. 4:7, 18, 30) – ter aarde vallen, heeft het altaar zijn waarde verloren en is er geen toevlucht en geen verzoening meer voor Israel. De strafaankondiging wordt hier (vs 13) voor het eerst aangeduid als uitspraak van de HERE, de God der heerscharen, dwz. van de God aan wie alle machten in hemel en op aarde ten dienste staan om zijn oordelen te voltrekken.
De onderdrukkende dames gedeporteerd 4:1-3
Nu worden speciaal de rijke dames, die het op een berg gelegen Samaria bewonen, aangesproken. Arnos noemtze om hun weelderige leefwijze koeien van Basan, naar het ‘stamboekvee’ dat op de vette weiden van het oost-jordaanse bergland Basan graasde. De dames doen voor de heren niet onder in het verdrukken en uitbuiten van geringen en het vertrappen van behoeftigen. Zij zetten hun mannen zelfs aan om te zorgen dat zij steeds genoeg drank hebben om hun parties op te vrolijken. Met een plechtige eed (vs 2) bij zijn eigen heilig wezen (bij wie zou God anders en hoger kunnen zweren?) kondigt de HERE de komende straf ook over deze dames aan. Als de vijand (3:11) komt, zal die ze wegslepen met touwen, die met haken (NBG ‘angels’) aan neus of lip werden vastgemaakt, en wie van hen overblijven met haken die normaal in de visserij werden gebruikt. De vreemde uitdrukking wie… overblijven is een stijlvorm die Arnos ook elders bezigt, een stijlvorm die eerst het lot van het geheel schildert en dan toch nog spreekt van een verondersteld overblijfsel, dat vervolgens echter eenzelfde of soortgelijke straf ondergaat (vgl. 9:1). De stijlvorm bedoelt het alomvattende van het oordeel onder woorden te brengen. De straf duidt op de oudoosterse gewoonte om krijgsgevangenen in grote stoeten aan touwen te deporteren naar vreemde landen. Zo zullen de dames uit de stad worden weggesleept door de bressen van de door de vijanden verwoeste muren heen, recht voor zich uit, het tegendeel van het ‘recht voor zich uit binnentrekken’ in Jericho volgens Joz. 6:20. De deportatie zal gaan in de richting van Haharmon, een onbekende geografische aanduiding, waarmee wellicht de berg Hermon is bedoeld in het noordoosten van Israel. Dat was in elk geval de richting (via Syrië) naar Assyrië, het land dat Arnos met ‘de vijand’ (3:11) blijkbaar op het oog heeft.
Israels eredienst ontmaskerd 4:4-5:27
Gods gericht over een egocentrische godsdienstigheid en harde onbekeerlijkheid 4:4-13
In vs 4 doet Amos net alsof hij de Israëlieten aanspoort naar de beroemde tempels in Betel en Gilgal te gaan. Dat die aansporing ironisch bedoeld is, blijkt uit het woord pèsja’, ‘overtreding van Gods wil’ (eerder dan ‘afval’), waarmee hij het gebeuren aan die heiligdommen typeert. Vervolgens (vs 4b) schildert de profeet blijkbaar de gang van zaken van een gebruikelijk driedaags bezoek aan het heiligdom ter gelegenheid van één der grote feesten (vgl. Ex. 19:10 v; Neh. 2:11): le dag: aankomst, 2e dag: ‘s morgens het brengen van slachtoffers, waarvan de offeraars een deel in een offermaal aten, 3e dag: het afdragen van de tienden (10%) van de opbrengst van het agrarisch bedrijf. Aan cultische ijver ontbrak het de Israëlieten niet. Naast slachtoffers en tienden deden zij ook lof- of dankoffers in rook opgaan (vs 5). Dat zij daarvoor gezuurde (di. gegiste) broodkoeken gebruikten, wijst er op dat aan de noordelijke tempels blijkbaar andere voorschriften golden dan in Jeruzalem (vgl. Lev. 2:11 v, dat gezuurd brood op het altaar verbiedt). Zij deden cultisch zelfs meer dan voorgeschreven was: ze brachten ook nog vrijwillige offers, maar wel zo dat ze dat luid rondbazuinden, opdat ieder zou weten hoe veel zij voor de dienst des HEREN over hadden. Zo wilden zij het graag, dat hun eer en aanzien door hun offers zou stijgen. Maar daarmee gingen zij aan de bedoeling van de eredienst voorbij: de lof en eer van God en het betuigen van eigen afhankelijkheid van de HERE. Het was hun eredienst geworden in plaats van de eredienst van de HERE.
Om hen weer op de juiste plaats tegenover Hem te brengen had de HERE allerlei beproevingen gezonden (vs 6), die hen hun afhankelijkheid van Hem bewust hadden moeten maken. Op allerlei manieren had God dat geprobeerd. Hij had hun reinheid van tanden gegeven, dwz. ontbering van eten, waardoor de tanden schoon bleven. Hij had van de maand maart af, drie maanden voor de oogst, juist in de kritieke fase voor het rijpen van het graan, hun de regen onthouden (vs 7) zodat de oogst mislukte. Zijn goddelijke vrijmacht had Hij getoond door het op de ene plaats wel, maar op de andere niet te laten regenen, zodat “(de bewoners van) twee, drie steden wankelend en smachtend van dorst naar een stad trokken waar nog wat water was, maar niet genoeg om aller dorst te lessen (vs 8). Hij had ziekten in het koren, droogten in de wijngaarden gezonden en een sprinkhanenplaag, waardoor alle olijfbomen en wijnstokken waren kaalgevreten (vs 9). Hij had zélfs een pest doen uitbreken zoals eens in Egypte, toen alle eerstgeborenen daar stierven (vs 10). Hij had in de oorlog de jonge mannen doen sneuvelen, de paarden door de vijand buit laten maken en de stank van de lijken van de gesneuvelden uit de legerkampen doen opstijgen tot in hun neus. Hij had een omkering (een aardbeving?) aangericht (vs 11) zoals Hij eens Sodom en Gomorra had omgekeerd; bij die omkering hadden zij maar op het nippertje het leven kunnen redden, zoals een stuk brandhout nog net uit het vuur wordt gerukt voordat het geheel zou verbranden. Al die beproevingen bleven zonder resultaat. De Israëlieten zijn er niet door tot inkeer gekomen. Daarom (vs 12) blijft er maar één ding over: directe ontmoeting met de straffende God zelf. Dat oordeel wordt eerst met zo zal Ik met u doen vaag aangeduid (vgl. het vage ‘het’ in 1:3, 6, 9, enz.) en vervolgens met de oproep zich op de ontmoeting voor te bereiden expliciet gemaakt. De God die Israel op zijn weg zal vinden is (vs 13) de machtige Schepper van de hoge bergen en de ongrijpbare wind (roeach is tegelijk: de geest van de mens), de God die het overleg van de mens, alles wat innerlijk in hem leeft, kent en aan het licht brengt, maar ook de straffende Rechter die het licht van vreugde in het donker van het oordeel kan veranderen en die treedt op de hoogten der aarde. Laatstgenoemde uitdrukking duidt op de macht van de God die verschijnt om gericht te oefenen over zijn vijanden (vgl. Deut. 33:29; Mi. 1:3 v). Vs 13 is één van de hymnische strofen in Amos (met 5:8 v; 9:5v), die niet later, als lofprijzingen voor het liturgisch gebruik, zijn toegevoegd, maar die ten doel hebben het recht en de macht van de HERE om gericht te oefenen te benadrukken (vgl. de oproep tot zulk prijzen van God tot de ter dood veroordeelde Achan in Joz. 7:19).
Leven en dood, recht en onrecht, goed en kwaad 5:1-17
De perikoop 5:1-17 is kunstig symmetrisch opgebouwd: rond het centrum HERE is zijn naam staat een hymne op de HERE als Schepper en straffende God (vss 8-9). Daar omheen staan de verzen die spreken over recht en onrecht (vss 7, 10-12 (13)), in een volgende ring staat de oproep om de HERE, resp. het goede te zoeken en zo het leven te behouden (vss 4-6; 14-15); het geheel wordt omsloten door de rouwklacht over het als een dode getekende Israel (1-3; 16-17).
In vs I heft Arnos een klaaglied, een dodenklacht over Israel aan, alsof reeds de ondergang door Gods oordelen voltrokken was. Hij vergelijkt Israel met een maagd, geknakt in de bloei van haar leven, uitgestrekt nederlig-gend, nedergeworpen op haar eigen grond. Vs 3 geeft de oorzaak van de komende, in vs 2 als reeds voltrokken geschilderde ondergang: een tiende deel van Israels leger zal slechts uit de strijd tegen de vijand terugkeren en dat betekent de ondergang voor het hele huis van Israel, het noordelijke rijk (vs 3). Dat er een tiende deel overblijft suggereert de gedachte aan een rest, die de oordelen kan overleven. De vss 4-6 gaan in op de vraag, wie het leven zullen mogen behouden en hoe dat kan geschieden. Dat kan alleen door de HERE te zoeken. In Zoekt Mij en leeft (vs 4) is de tweede gebiedende wijs bedoeld als gevolg van de eerste: ‘Als gij Mij zoekt, moogt gij in leven blijven’. De HERE zoeken is echter niet (vs 5) hetzelfde als het bezoeken van de bekende heiligdommen in Israel, het oude Betel, waar de HERE reeds aan Jakob verscheen (Gen. 28:10 w) maar waar Jerobeam de kalveren-dienst invoerde (1 Kon. 12:26 w), of Gilgal (de ‘Stenenkring’) tussen Jericho en de Jordaan, of zelfs het door Juda heentrekken naar het zuidelijke Berseba, waar Abraham en Isaak zo vaak verbleven en waarheen de noordelijke stammen blijkbaar ook pelgrimages ondernamen (vgl. 8:14). Het afwijzen van een bezoek aan twee van de beroemde heiligdommen wordt in een woordspeling met de namen gemotiveerd. Gilgal zal vast en zeker in ballingschap gaan (hebr. galo jiglè) en Betel (‘Huis Gods’ of ‘Huis van Kracht’) zal worden tot ‘Awèn’, dat tegelijk ‘onheil’, ‘bedrog’ en ‘niets’ betekent (in Hos. 4: 15; 5:8 vooral ‘zonde’). Wat ‘de HERE zoeken’ dan wel is horen wij in de symmetrische pendant van de perikoop, vss 14 v (zie daar). Het woord des HEREN (vss 45) wordt in vs 6 door de profeet met eigen woorden herhaald, nu vergezeld van de waarschuwing: opdat niet het – te weten: het vuur (zo dient men te vertalen) – in het huis van Jozef binnendringe en het vertere. Evenals in 1: 3-2:5 is het vuur beeld voor een dreigend oorlogsgeweld. Dat het vuur onuitblusbaar wordt genoemd is aanduiding van het onontkoombare van het oordeel dat zal komen, indien de Israëlieten de HERE niet op de juiste wijze zullen zoeken.
In vs 7 spreekt Arnos zijn ‘wee’ (zo aan het begin aan te vullen als in 5:18) uit over de Israëlieten die het tegendeel doen van de HERE zoeken. Zij veranderen het recht in alsem (= vermout), een bitter smakende plant, dwz. zij vergiftigen met hun gedrag de rechtsorde die de HERE met zijn geboden in Israel heeft vastgesteld en werpen de gerechtigheid die de zwakken beschermt, ter aarde. Hoe dat gebeurt horen wij in vss 10-12.
In vs 8 volgt een loflied (vgl. 4:13) op de Schepper die de grote sterrenbeelden (Plejaden en Orion) gemaakt heeft, die in zijn onderhouding van de schepping zorgt voor de wisseling van dag en nacht, en die het water van de zee roept en als regen uitgiet over de aarde, maar ook – en daarop zinspeelt vs 8 wellicht eveneens – dat water eens als oordeel over ongerechtigheid (vgl vs 7) in de zondvloed over de aarde heeft uitgegoten. Die machtige Schepper is de HERE, die ook in zijn gerichten als Verbondsgod met Israel handelt, zelfs als Hij (vs 9) een gewelddadige verwoesting gaat brengen over de sterken in Israel die zelf zoveel verwoestend geweld op hun geweten hadden f3:10), en over hun met vestingwerken versterkte steden waarin zij zich zo veilig waanden (vgl. 4:1; 6:1). In vs 10 komt Arnos terug op het maatschappelijk onrecht (vs 7), nu met name het onrecht dat geschiedt in de ruimte bij de stadspoort, waar de rechtspraak in Israel plaats vond, en waar soms ook de uitgebuite armen poogden recht te zoeken. Arnos constateert daar hoe de onderdrukkers en hun handlangers hun haat tonen jegens de getuigen die opkomen voor het recht en die de waarheid aan het licht willen brengen. Vanwege al zulk onrecht zullen de onderdrukkers en hun vrienden niet genieten (vs 11) van de kostbare gebouwen en wijngaarden die zij hebben aangelegd over de ruggen van de arme verdrukten heen door die te vertrappen en hoge renten (geen ‘geschenken’, contra NBG) in de vorm van koren van hen te heffen (in strijd met Ex. 22:21 w; Deut. 23:20). Door die straf zal op alle handelingen van de verdrukkers de vloek van de zinloosheid rusten. In vs 12 zet Arnos de overtredingen van Gods wet bij de rechtspraak op een rij: het vijandig bejegenen en in het nauw drijven van de rechtvaardige, degene die het recht aan zijn kant heeft, het opzij dringen van de behoeftige (corresponderend met de rechtvaardige) die zijn recht kwam zoeken, en daar tussenin het ergste: het aannemen van steekpenningen (die zijn hier met losgeld bedoeld), waardoor corrupte rechters zich – in strijd met Ex. 23:6-8; Deut. 16: 18-20 – laten omkopen door de rijken om zo de zwakken hun recht te onthouden. Zo is het recht in Israel vergiftigd (vs 7). De toestand is zo erg dat een verstandig mens, die over de dingen nadenkt, met stomheid geslagen wordt, constateert een latere uitgever van het boekje Amos in vs 13.
In vss 14 v komt in de symmetrische opbouw van 5:1-17 het thema van het zoeken weer terug. De HERE zoeken (vss 4-6) wordt nu uitgelegd als: het goede zoeken, het betrachten van Gods wil, het goede dat Hij zijn volk in zijn geboden heeft voorgehouden. Met de HERE en zijn geopenbaarde wil leven, dat is hier heel concreet: het goede liefhebben en het kwade haten (vs 15), en het vertrapte recht (vss 7, 10-12) weer tot ere brengen bij de rechtspraak. Alleen als de Israëlieten zo (NBG ‘aldus’) de HERE zoeken, zal Hij ook met hen zijn, maar niet op grond van een lichtvaardig verbondsvertrouwen, waarmee de Israëlieten ondanks al hun overtredingen van Gods geboden alle onheil dachten te ontgaan (vgl. 9:10). Alleen zo is er ook nog een weg tot behoud voor een rest van Jozef (vs 15), die de oordelen misschien zou overleven. Het misschien onderstreept dat die rest daar geen rechten of aanspraken op kan laten gelden, maar dat het behoud alleen afhangt van Gods vrijmachtige genade. Met vs 16 komt Arnos weer tot het thema van de buitenste ring: dood en rouw (vgl. vss 1-3). Door Gods oordelen zullen er in de steden zoveel doden te betreuren zijn dat overal op pleinen en in straten rouwmisbaar bedreven wordt en de dodenklacht ach ach (Hebr. ho ho) wordt gehoord. Maar ook op het platteland zullen er slachtoffers te betreuren zijn. Men vertale het slot van vs16 aldus: De boeren doen tot het plegen van rouwbetoon en rouw-misbaar een beroep op hen die deskundig zijn in het klagen, de rouwklagers van beroep (Pred. 12:5). Zo zal allerwege dood en rouw zijn als de HERE met zijn oordelen door zijn volk heen trekt (vs 17).
De Dag des HEREN 5:18-20
Blijkbaar hebben Arnos’ hoorders met hun oppervlakkig chauvinistische geloofsvoorstellingen de profeet na zijn aankondiging van dood en ondergang voorgehouden dat de Dag des HEREN, di. Gods uiteindelij k ingrij pen in de geschiedenis, wel dood en ondergang voor de heidenvolken zou brengen (vgl. 1:2 w) maar voor Israel, het volk van God, alleen maar heil kon betekenen. Zulk een verwachting slaat Amos in zijn antwoord (vss 18-20) de bodem in door zijn wee aan te heffen over hen die op die wijze verlangend uitzien naar de Dag des HEREN. Wee (vgl. vs 7; 6:1) is van huis uit de klacht die werd aangeheven over een gestorven geliefde. Als de profeten het voor Israel gebruiken, geven zij daarmee te kennen dat zij Israel als een reeds ten dode opgeschrevene beschouwen. Verwachtten de Israëlieten van Gods ingrijpen licht, di. heil, Arnos kondigt het tegendeel aan: dikke duisternis, vreselijk onheil zal de Dag des HEREN voor Israel brengen (vss 18, 20), een onheil dat men ook niet zal kunnen ontvluchten, zoals Amos in vs 19 duidelijk maakt met het beeld van een man die wilde dieren probeert te ontvluchten, maar in zijn eigen huis de dood vindt door een slangebeet. Zie over de ‘Dag des HEREN’ verder Joël 2: 1,11,28 w; Sef. 1:7 w.
Eredienst zonder gerechtigheid 5:21-24
Wellicht hebben de hoorders na de onheilswoorden van vss 18-20 opnieuw geprotesteerd door te wijzen op hun ijverig vieren van de feesten des HEREN en de daarmee verbonden eredienst, de offers en tempelzangen. Arnos brengt hun Gods boodschap over: Ik haat uw feesten,… Ik kan uw vierdagen (liever dan samenkomsten) niet luchten. Van brandoffers die geheel voor de HERE werden verbrand, van plantaardige offers en van vredeoffers die voor een deel in een gezamenlijke maaltijd werden genuttigd, zegt God: Ik kan ze niet zien (of wil ze niet aanzien). De tempelzang noemt Hij getier, het begeleidend getokkel op de lier (niet ‘harp’) kan Hij niet aanhoren. Is de eredienst dan op zichzelf verkeerd? Nee, maar wel een eredienst, waarmee de levenspraktijk, het omgaan met de naaste, in flagrante strijd is. Echte liefde tot God heeft als keerzijde de liefde tot de naaste (vgl. 1 Joh. 3:17), gerechtigheid in de samenleving. Daarom roept Amos in vs 24 daar nadrukkelijk toe op: Laat het recht als water golven, en gerechtigheid als een immer vloeiende beek. De meeste (berg)beken in Israel hebben alleen water als er regen gevallen is. Beken die door een bron gevoed worden en altijd water bevatten zijn schaars. Maar als zó’n beek moet de gerechtigheid werken, niet af en toe in een opwelling, maar voortdurend de samenleving beheersend.
Afgoderij leidt tot ballingschap 5:25-27
De eigenlijke vraag die door het hebreeuwse vraagwoordje ha wordt ingeleid, begint in vs 26. Men vertale daarom: Toen gij Mij slachtoffers en spijsoffers bracht
in de woestijn, veertig jaar lang, huis Israels, hebt gij toen Sakkut, uw koning, (rond)gedragen en Kewan,… enz. De profeet idealiseert hier de woestijntijd als de periode waarin Israel nog alleen met de HERE leefde en nog geen afgoden diende (vgl. Hos. 2:13) en stelt daartegenover zijn eigen tijd, waarin de beelden van assyrische afgoden door Israëlieten in processie werden rondgedragen (vgl. Jes. 46). Hoewel zulke afgoderij pas na de val van het noordelijke rijk gemeld wordt (2 Kon. 17:29 w), is het niet uitgesloten dat die afgoden reeds eerder door diplomatiek of handelsverkeer in Israel waren binnengeslopen. Sakkut en Kewan (in het Hebreeuws gespeld als sikkoet en kijjoen, met de klinkers van het woord sjiq-qoets, ‘gruwel(god)’) waren assyrische sterregoden. Sakkut was een epitheton van Ninurta, god van oorlog en jacht, die als koning werd vereerd, Kewan een planeet van Ninurta, door de Romeinen Saturnus genoemd. De woorden uw sterregoden zijn blijkbaar in de tekst toegevoegd om de woorden Sikkut en Kiyyun te verklaren. Bijzonder passend is de straf (vs 27) die de afgodendienaars te wachten staat: zij zullen worden gedeporteerd voorbij Damascus, dwz. in de richting van Assur, het land waar hun afgoden vandaan kwamen. Zo sprak de God wiens naam is HERE, de God der heerscharen (zie bij 4:13).
De zorgeloze hoogmoed in Samaria gestraft 6:1-14
Zorgeloosheid en weelde brengen in ballingschap 6:1-7
De profeet spreekt zijn weewoord (zie bij 5:18) uit over de leidslieden – zowel die in Juda als die in Noord-Israel – die op de bergen waarop hun hoofdsteden gelegen zijn, resp. de Sion (Jeruzalem) en de berg van Samaria, zorgeloos voortleven, omdat zij zich veilig wanen in hun ‘onaantastbare’ vestingsteden. Ironisch noemt Arnos de zelfverzekerde upperten van die steden zoals ze zichzelf voelden: de uitgelezenen van de keur der volken, degenen tot wie het huis Israels, de gewone Israëlieten, zich wendde om rechtsbijstand en raad. Als de aanzienlijken zich de leiders van de keur der volken voelen, gaan zij blijkbaar prat op de bijzondere positie die Israel in de wereld inneemt dankzij Gods verkiezing en verbond (Ex. 19:5), maar zij vergeten dat die positie ook een bijzondere verantwoordelijkheid meebrengt. In vs 2 roept de profeet de zelfverzekerde trotsaards op om eens een kijkje te gaan nemen in Kalne in Noord-Syrië (vgl. Gen. 10:10; het huidige Kullan-Köy?), in Hamat, ook in Syrië, aan de Orontes, en voorts in het füistijnse Gat (zie bij 1:6-8), eens grote bloeiende steden, maar in Arnos’ dagen blijkbaar reeds zo in verval geraakt (al werden Kalne en Hamat pas later door de Assyriërs definitief veroverd, Jes. 10:9), dat zij in aanzien en omvang ver beneden het niveau van steden als Jeruzalem en Samaria en van de beide koninkrijken Juda en Noord-Israel waren gedaald. Aan die steden kunnen de hooggeplaatsten zien, hoe een grote welvaart als zijzelf toen beleefden, in korte tijd kan verdwijnen, zodat er geen enkele reden is om zich zorgeloos en hoogmoedig op te stellen. Hun zorgeloosheid wordt in vs 3 w nader geïllustreerd: zij dringen de gedachte aan een mogelijk komende dag van onheil ver uit hun denkwereld weg. De betekenis van vs 3 is niet duidelijk. Men kan vertalen: die de zetel van het geweld nabij brengen, waarbij ‘zetel’ (hebr. sjèbèt) dan als symbool van het gericht kan worden opgevat: met hun zorgeloze levenshouding halen zij Gods oordeel (door vijandelijk geweld voltrokken) steeds dichter naar zich toe. Men kan sjèbèt echter ook opvatten als ‘einde’ en vertalen: die een gewelddadig einde dichterbij brengen.
Vs4v schildert de weelderige, vadsige leefwijze: zij liggen lui op met ivoor (zie 3:15) ingelegde bedden, houden copieuze eetpartijen waarbij het meest malse lams- en kalfsvlees wordt opgediend. Bij ‘kalfjes uit de vastgebonden toestand’ (zo luidt letterlijk vs 4 slot) dient men waarschijnlijk niet te denken aan mestkalveren uit de stal, maar aan zeer jonge diertjes die in het oude Oosten gedurende hun eerste levensdagen aan een voorpoot van de moederkoe werden vastgebonden. De Israëlieten die zulke diertjes bij hun moeder weghalen eigenen zich vlees toe, dat zelfs voor de offers verboden was (Ex. 22:30; Lev. 22:27). Bij hun maaltijden wordt op de maat van de lier luidruchtig gejoeld of gelald. Zij bedenken zelfs voor hun feestjes muziekinstrumenten, zoalsDavid die volgens 1 Kron. 23:5 voor gewijde muziek had uitgevonden. Bij de maaltijden werd natuurlijk ook stevig gedronken, zoveel dat ze geen gewone bekers gebruikten, maar grote plengschalen, zoals die voor de offerdienst in de tempel werden gebruikt. Voor hun huidverzorging gebruikten deze leiders van de keur der volken de allerkostbaarste oliesoorten: de keur van de olie om zich te zalven. Zozeer gaan zij op in hun eigen luxe en pretjes, dat zij geen grein zorg of verdriet hebben om de verbreking van Jozef. Het is onduidelijk of Amos met de breuk van Jozef de sociale ellende van de armen uit de Jozefstammen (Noord-Israel) op het oog heeft, ofwel de naderende ineenstorting van het noordelijke rijk. Misschien moet men aan beide aspecten tegelijk denken. Als straf (vs 7) zullen de eersten onder de volken voorop gaan in de stoet van ballingen die door de komende vijand zullen worden gedeporteerd en dan is het uit met het getier van deze omhangende heden.
Hoogmoed brengt dood en ondergang 6:8-11
Onder ede betuigt de HERE zijn haat en afschuw van Israels hoogmoed. Die hoogmoed of trots slaat hier niet in de eerste plaats op de trotse levenshouding, maar – op grond van het parallelle ‘paleizen’ – op de luxueuze gebouwen met de interieurs (3:10, 5:11), waar de aanzienlijken zo trots op waren. Daarom zal de HERE de stad (Samaria), het voorwerp van hun trots, met al wat er in is (met name de mensen), prijsgeven. In chiastische volgorde (dwz. in de volgorde a-b-b-a) ten opzichte van vs 8 schildert Amos in vss 10-11 het oordeel: eerst over de mensen (vs 10) en dan over de gebouwen (vs 11). De mensen zullen allen omkomen. Ook al mocht het blijken dat er nog een minimaal aantal overleeft (tien hier als minimum), ook die zullen sterven. Als ergens in een huis een oom (van elders?), die toen blijkbaar zulk soort familieverplichtingen had te vervullen, met een lijkver-brander (het in Israel uitzonderlijke verbranden is misschien te wijten aan het besmettingsgevaar bij zovele doden) nog naar overlevende familieleden komt zoeken, zal hij niemand meer levend aantreffen. Hij kan alleen gebeenten (= lijken) bergen. De slotregel van vs 10 is blijkbaar een uiting van bijgelovige angst in de lugubere situatie. Na het oordeel over de mensen volgt dat over de huizen, die op Gods bevel alle aan puin geslagen zullen worden (door een aardbeving of door vijanden?). In het oordeel over de grote huizen van de rijken worden de kleine huizen mede getroffen.
Het recht verkracht 6:12
Aan het slot van de verzameling woorden van Arnos (3: 9-6:14) staan nog een paar korte uitspraken van de profeet, die niet direct verband houden met het voorafgaande, maar die wel typisch tot Arnos’ prediking behoren. In vs 12 stelt hij het dwaze van Israels rechtsverkrachting in het licht. Zo dwaas als het is te proberen paarden te laten rennen op rotsen, waar ze hun benen zouden breken, of met runderen de zee te ploegen, zo dwaas is het dat de Israëlieten hun rechtsorde vergiftigen (vgl. 5:7), omdat daarmee de hele samenleving, ja het volksbestaan ondermijnd wordt.
Politieke hoogmoed komt voor de val 6:13-14
Richtte Arnos zich in vs 8 tegen de Israëlieten vanwege hun trots over hun luxe bouwwerken, hier ontmaskert hij hun trots over de gebieden die Israel onder Jerobeam II op Syrië heeft weten te heroveren (2 Kon. 14:25). Arnos noemt kennelijk expres twee plaatsen waarvan de namen zich er toe lenen de ijdele trots van de Israëlieten te ontmaskeren. Zij verheugen zich over Lodabar (2 Sam. 9:4 v; 17:27; in de buurt van Deir alla = Sukkot in het Overjordaanse), een naam die eigenlijk ‘een ding van niets’ betekent. Zij gaan prat op de verovering door hun eigen kracht van Karnalm (1 Makk. 5:26; vgl. Gen. 14:5; in het zuiden van de Golan vlakte, ten oosten van het meer van Galilea), een naam die ‘twee horens’ betekent, symbool van een overwinnend leger (Deut. 33:17; 1 Kon. 22:11) en die het onbeschaamde vertrouwen op eigen kracht onderstreept. De ‘overwinnaars’ zullen echter weldra zelf overwonnen worden door een volk (Assur?), dat hen dan zal knechten en onderdrukken van de weg naar Hamat in het noorden tot aan de beek van Araba (ten noordoosten van de Dode Zee?) in het uiterste zuiden van het gebied van Noord-Israel.
Drie visioenen en een conflict 7:1-17
De visioenen van sprinkhanen, vuur en tin 7:1-9
De visioensberichten (7:1-9; 8:1-3; 9:1-6) getuigen ervan hoe Amos Gods boodschap voor Israel in bovennatuurlijke openbaringen heeft ontvangen om die vervolgens aan het volk bekend te maken. Vanaf het begin tot aan het eind van zijn profetisch werken heeft Arnos blijkbaar visioenen ontvangen: de eerste twee kennelijk aan het begin, toen er nog vergeving en afwending van de oordelen mogelijk leek (7:2 v, 5 v), de andere in een stadium, waarin het oordeel over Israel reeds vaststond en het einde moest worden aangekondigd, eerst over de heiligdommen en de dynastie (7:9), voorts over heel Israel (8:2 v). Het vijfde en laatste visioen radicaliseert het oordeel in die zin dat de dood als onontkoombaar wordt geschilderd (9:1-6).
Het eerste visioen (7:1-3) verplaatst ons naar het voorjaar. De eerste oogst die – kennelijk als belasting – aanhet paleis moest worden afgedragen, de afmaaiing voor de koning, is achter de rug. Wat nu nog groeit, ‘het nagewas’ (wat groeit onder invloed van de ‘late’ of ‘voorjaarsregen’, is ruimer dan alleen ‘nagras’) moet de boer, zijn gezin en zijn vee het voedsel verschaffen voor de lange, droge zomer. Als Arnos ziet dat sprinkhanen het hele land kaal gevreten hebben (‘op het punt stonden’ staat niet in het Hebreeuws!), bidt hij de HERE om vergeving. Hij erkent daarmee Israels schuld en Gods recht om te straffen. Hij pleit alleen op Gods genade, omdat Jakob (- Israel) zo klein is, waarbij het de vraag is of dat ‘klein’ ziet op de machteloosheid tegenover Gods oordelen of op de hulpeloze toestand van de grote massa van de zwakken in de samenleving. Arnos beoogt met zijn voorbede dat de HERE de sprinkhanenplaag die Hij hem in een visioen heeft laten zien, niet in de werkelijkheid zal laten plaatsvinden, en zijn voorbede wordt verhoord. In het tweede visioen (vss 4-6) ziet Arnos hoe de HERE een vuurregen oproept (de vertaling van NBG vuur om te straffen is niet juist). De vuurregen is blijkbaar symbool voor de alles verzengende zomerzon die zowel de grote waterdiepte (fhom, Gen. 1:2), het grondwater waardoor de bronnen gevoed worden, als ook het akkerland verteerde door haar gloed (zou verteren van NBG is onjuist). Ook nu bidt Arnos dat de HERE het oordeel van de droogte dat hij visionair heeft gezien, niet in de werkelijkheid zal doen plaatsvinden. Het hebreeuwse cha-dal-na uit Arnos’ voorbede betekent zowel ‘houd toch op’ als ‘doe het toch niet’. Ook nu wordt het gebed verhoord.
In het derde visioen (vss 7-9) is geen sprake van paslood, zoals sinds de middeleeuwen meestal wordt vertaald, maar van tin(erts). Op grond van andere semitische talen (met name Akkadisch en Ethiopisch) kan het hebreeuwse ‘anak niet anders dan ‘tin(erts)’ betekenen (‘paslood’ is misjqolèt, Jes. 28:17). Arnos ziet de HERE dus staan op een muur van tinerts met bovendien tinerts in zijn hand, kortom een overvloed van tinerts, en tin was het vrij zeldzame metaal waar men – in een legering van 1 op 10 met koper – brons voor de wapenindustrie van maakte. Tin betekent dus oorlogsgeweld in het midden van Israel: verwoesting en het zwaard, zoals vs 9 uitlegt. De oordeelsaankondiging is hier met name gericht tegen de heiligdommen van Israel en tegen de dynastie van Jerobeam. Met de offerhoogten van Isaak zijn óf de heilige plaatsen in het oostjordaanse land bedoeld (vgl. Gen. 31: 53, of die van Berseba, waarheen de noordelijke Israëlieten ook pelgrimeerden (5:5; 8:12).
Het conflict met priester Amasja 7:10-1
Arnos’ oordeelsaankondiging over de heiligdommen en de dynastie wekte de woede van de priester (= de hogepriester) van de tempel in Betel. Hij bericht de koning dat Arnos een samenzwering tegen hem smeedt. Arnos’ dreiging tegen de dynastie (vs 9 slot) brengt de staat uit zijn voegen: het land kan al zijn woorden niet verdragen. Hij verzwijgt Arnos’ oordeel over de heiligdommen (vs 9a) om bij de koning de indruk te vermijden dat hij als priester voor zijn eigen belangen opkomt. Hij verdraait bovendien Arnos’ woorden. Amos had niet gezegd dat Jerobeam zelf door het zwaard zou sterven (vs 11a) maar dat de HERE tegen zijn dynastie zou optreden met het zwaard. In vs 11b voert hij nog een vroeger woord van Arnos aan, nl. dat over Israels deportatie (5:27; 6:7). Of en hoe de koning reageerde horen wij niet. Amasja zelf stuurt Arnos weg: Ziener (zo op grond van Amos’ vi-sioensberichten?) neemt de wijk naar Juda. In zijn eigen vaderland kan hij met profeteren zijn brood verdienen, als hij dat wil, ‘maar niet in Betel. Het argument is dat de tempel een koninklijk, een staatsheiligdom is (vs 13), waar de koning het hoogste gezag heeft, zodat een oordeelsaankondiging tegen de dynastie daar onverdraaglijk is. Arnos stelt zich (vs 14) in zijn antwoord alleen teweer tegen Amasja’s insinuatie dat hij met profeteren zijn brood zou verdienen: ‘Ik ben (van beroep) geen profeet, en geen profetenzoon (= lid van een groep beroepsprofeten), maar de’HERE haalde mij uit mijn beroep weg, achter de schapen vandaan, om te profeteren, di. Gods gerichtswoorden over te brengen aan zijn volk Israel (vs 15). Voor zijn broodwinning had hij het profeteren niet nodig. Daarvoor was hij agrariër: veehouder en kweker van moerbeivijgen. Omdat Amasja probeerde Gods profeet in Betel het zwijgen op te leggen (vs 16), krijgt hij in zijn gezin en persoonlijk Gods straf te dragen: zijn vrouw zal verkracht worden door vijandelijke soldaten, zijn kinderen zullen omkomen, zijn grond zal onder de vijanden worden verdeeld en zelf zal hij worden gedeporteerd en in den vreemde sterven op onreine bodem (iets vreselijks voor een priester voor wie het rein-zijn zo belangrijk was). De profetie eindigt met de herhaling en onderstreping van de door Amos in vs 14b geciteerde strafaankondiging:En Israel zal inderdaad in ballingschap wegtrekken uit zijn land.
Het vierde visioen en zijn consequenties 8:1-14
Het visioen van de zomervruchten 8:1-13
De betekenis van het vierde visioen berust op de woordspeling tussen het hebreeuwse qajits of qejts, de ‘(korf met) zomervruchten’ die Arnos ziet en qets, het ‘einde voor Israël’, dat de HERE met dit visioen aan Arnos wil openbaren. Van ‘rijp zijn’ van de vruchten of van Israels ‘rijp zijn’ voor het einde (NBG) is in de visioensbeschrijving geen sprake. Het gaat uitsluitend om de klankgelijkheid van de twee woorden, die beide als ‘keets’ klinken. Het valt op dat, zelfs nu voor het eerst in de visioenen het einde, de ondergang voor Israel als volk wordt aangekondigd, de HERE over Israel blijft spreken als mijn volk (vgl. 7:8), een benaming die de verbondenheid van de HERE met Israel uitdrukt, maar tegelijk de bijzondere verantwoordelijkheid die dat voor Israel meebrengt (vgl. 3:2). Juist omdat Israel zijn volk is kan God niet langer sparend aan de zonde voorbijgaan (vs 2). Wat het einde van Israel aan dood en rouw teweegbrengt, beschrijft vs 3 met korte, emotioneel geladen zinnen. De liederen van de hekal zullen op die dag van het oordeel veranderen in dodenklachten. Daar het hebreeuwse hekal zowel ‘tempel’ als ‘paleis’ betekent, is niet duidelijk of Amos met de liederen de (feestelijke) tempelzangen (5:23) of wel de joelende liedjes bij de profane festijnen in de paleizen (6:5) bedoelt. Aan beide zal de HERE trouwens een eind maken als Hij verschijnt om zijn oordelen te voltrekken. De dodenklachten zullen allerwege weerklinken (vgl. 5:16 v), want: Talrijk zijn de lijken.
Allerwege heeft Hij ze neergeworpen. Sst! De laatste uitroep is weer uiting van eerbiedige huiver voor de HERE die ten gerichte verschijnt (vgl. 6:10).
Onrecht en uitbuiting met ballingschap bestraft 8:4-8
Nog eenmaal roept Arnos zijn hoorders op om te luisteren: Hoort dit. Nog eens motiveert hij de prediking van Israels einde met al het sociale onrecht dat in Israel plaats vindt. De eerste beschuldiging van de machtigen in Israel lijkt op 2:7a: zij vertrappen de behoeftige. Nieuw is de beschrijving van hun bedoeling: zij zijn er op uit de weerlozen van het land te doen ophouden. Uit vs 6a krijgt men de indruk dat met dat ‘doen ophouden’ niet zo zeer de dood van de armen als wel het einde van hun bestaan als vrije, zelfstandige burgers bedoeld is. Anders dan in 2:6-8 richt Arnos zich hier met name tegen de kooplieden die niet liever doen dan handelen .en die zelfs op de godsdienstige feestdagen en op sabbat, terwijl zij misschien voor de schijn de tempelplechtigheden nog ijverig meemaken (vgl. 5:21-24), al zitten uit te kijken naar het uur dat zij hun graanschuren kunnen openen om de verkoop voort te zetten aan de armen die zelf niet genoeg graan van hun akkers af konden halen om hun gezin in leven te houden. Vs 5b beschrijft hoe de hele handel van deze lieden afzetterij en bedrog is. Zij verkleinen de efa, de inhoudsmaat, en geven zo de arme kopers te weinig waar voor hun geld, zij vergroten de sikkel, het gewicht waarmee de te betalen hoeveelheid zilver werd afgewogen (munten waren nog niet gangbaar), zodat zij de mensen te veel laten betalen. Hetzelfde proberen ze te bereiken door een valse weegschaal te gebruiken (in strijd met Gods wet: Deut. 25:13-16; Lev. 19:35 v). Bovendien krijgen de armen voor de te hoge prijs nog slechte kwaliteit: afval van graan (vs 6b). Tussen de afzetterij in de graanhandel staat wat merkwaardig vs 6a, dat weer vrijwel gelijk is aan 2:6, met dit verschil dat hier geen sprake is van ‘verkopen’ maar van ‘kopen’, ‘verwerven’ van de geringen voor geld. Het bedrag dat de armen voor hun koren moesten neertellen konden zij vaak niet opbrengen, zodat hun schuld hoog kon oplopen. Als verrekening voor die geldschuld verwierven de handelaars zich de arme schuldenaars dan als schuldslaven, zodat zij als goedkope arbeidskrachten dan helemaal konden worden uitgebuit. Ja zelfs om een geringe schuld, bij wijze van spreken de waarde van een paar schoenen, konden mensen zo van hun vrijheid worden beroofd. Met een plechtige eed kondigt de HERE het oordeel over de handelaars met hun schandelijke praktijken aan. Hij zweert hier bij Jakobs trots (of: glorie) waarvoor in het Hebreeuws hetzelfde woord staat als voor de ‘trots van Jakob’ in 6:8. Ging het in 6:8 echter om wat in de praktijk de ‘trots van Jakob’ was geworden, de door God verafschuwde paleizen en trotse bouwwerken, hier gaat het om wat Israels trots behoort te zijn: de HERE zelf, zodat de HERE ook hier bij zichzelf zweert (vgl. 4:2; 6:8a). De inhoud van de eed is eerst algemeen: Voorwaar, Ik zal niet altijd (liever dan: ‘in eeuwigheid niet’) al hun daden vergeten. De HERE kan de zonde niet eeuwig ongestraft laten (vgl. 7: 8; 8:2). De strafaankondiging volgt in vs de vorm van een retorische vraag. Met het beeld van het door stormwind heftig op- en neergaan, het opgezweept worden van het grote wateroppervlak van de Nijl in Egypte kondigt de profeet in de naam des HEREN een aardbeving aan, die zoveel slachtoffers zal maken, dat alle overlevende bewoners van de aarde (of: ‘van het land’) rouw zullen bedrijven.
Duisternis en rouw op komst 8:9-10
Te dien dage, dwz. op de Dag des HEREN, wanneer Gods oordelen voltrokken worden (vss 2 v, 7v) zal ook de natuur het aanbreken van Gods gericht, het duister van het aangebroken heil (vgl. 5:18, 20), zichtbaar maken. Op klaarlichte dag zal Ik de zon laten ondergaan, luidt de uitspraak van de Here HERE. Was het duister in 5:18, 20 alleen beeldspraak voor het komende onheil, hier is sprake van een zonsverduistering, een natuurverschijnsel dat de oude oosterlingen blijkbaar als een huiveringwekkend en angstaanjagend gebeuren hebben ervaren. Zo’n totale zonsverduistering, die het hele land in het donker zet, geeft hier relief aan de rouw (vs 10), die Gods oordelen teweeg zullen brengen, en die allereerst met een herhaling van het motief van vs 3a beschreven wordt: feesten worden in rouw, vreugdeliederen in klaagzangen over doden veranderd. Dan volgt een schildering van twee gebruiken waarmee men in Israel zijn rouw demonstreerde: men gordde een donkere geitenharen ‘zak’ als rouwgewaad om de heupen, en men schoor zijn hoofdhaar gedeeltelijk af, een gebruik dat ook bij de heidense volken in zwang was en (daarom?) in Israel verboden was (vgl. Deut. 14:1, waar het maken van een kale plek boven het voorhoofd verboden wordt), maar in de praktijk (en die wordt hier geschilderd) toch blijkbaar algemeen werd toegepast (vgl. Jes. 3:24; Ez. 7:18).
De rouw van de Dag des HEREN zal de ergste vorm van rouw zijn die een mens zich maar kan indenken en die alleen vergeleken kan worden met de rouw over de dood van een enige zoon (vgl.Jer. 6:26; Zach. 12:10). Met de dood van een enige zoon was immers alle hoop op een toekomst voor de familie afgesneden. Aan het eind van de dag waarop een familie zo’n zware slag trof, kan men slechts concluderen: het was een bittere dag. Hetzelfde zal men moeten concluderen van de dag van Gods strafgericht.
Wanhoop, godverlatenheid en val 8:11-14
In de dagen die komen, dwz. in de periode van rouw en leed na het voltrekken van Gods oordeel door aardbeving en dood, zal de HERE in Israel een honger zenden; het gaat bierbij echter niet om een gewone natuurlijke honger. Daar in vs 11a alleen sprake is van honger, kan het bevreemden dat in vs 11b naast honger naar brood tevens sprake is van dorst naar water. Jezus volgt evenwel eenzelfde spraakgebruik in Joh. 6:35, waar Hij zichzelf het brood des levens noemt en daarop niet alleen laat volgen dat wie tot Hem komt nimmermeer zal ‘hongeren’ maar ook dat die nimmermeer zal ‘dorsten’. In het eerste ‘honger’ is ‘dorst’ impliciet verondersteld. De honger om de woorden des HEREN te horen is niet bedoeld als teken van inkeer van de Israëlieten, maar van een wanhopig zoeken van een goddelijke openbaring die steun en raad zou kunnen geven in hun ellende en rouw. Dat wanhopige zoeken wordt in vs 12 geschilderd als een in een kring ronddwalen van zee tot zee, dwz. van de Dode Zee tot de Middellandse Zee, dus van oost naarwest en voorts van het noorden weer naar het oosten. Heette in de dagen van Samuel een openbaring des HEREN al schaars (1 Sam. 3:1), in de eindtijd van Gods oordelen zullen de Israëlieten zijn prijsgegeven aan een totale godverlatenheid in hun nood. Dezelfde Israëlieten die achter Amasja stonden toen deze Gods spreken door zijn profeet de mond snoerde (7:12 v), zullen dan vergeefs hunkeren naar een spreken van God. De dorst naar goddelijke bijstand zal de mensen zo aangrijpen dat zelfs fleurige jonge meisjes en strijdbare jonge mannen tot een gevoel van wanhoop en psychische machteloosheid vervallen (vs 13). Het slot van vs 14 spreekt het vonnis van het trieste einde uit: zij zullen vallen en niet weer opstaan. Daarmee wordt de individuele Israëlieten eenzelfde lot voorzegd als over Israel als natie in 5:2, waar onze tekst ook verder sterk aan herinnert. De woorden die zweren bij lijken een bijzin te zijn bij de maagden en jongelingen van vs 13, maar de zonde van het zweren bij andere goden en machten – in het verband blijkbaar bedoeld als uiting van het overal zoeken naar een goddelijke steun – geldt niet alleen de jongeren. Beter is het dan ook de beginwoorden van vs 14 als onderwerp te nemen bij het slot en te vertalen: zij die zweren bij… zullen vallen. Zweren bij een godheid betekent zo’n godheid macht toekennen en eer geven als aan een echte, levende god (zo waar uw god leeft). Het is dus een ernstige vorm van afgoderij, een zonde tegen het eerste gebod, als de Israëlieten zweren bij andere goden en machten dan de HERE. Drie worden er genoemd. Bij de ‘asjmat van Samaria kan men aarzelen of daarmee een godin Asjima (van Samaria), bekend uit de syncretische godsdienst van joodse kolonisten in Elefantine in Egypte, is bedoeld, dan wel de schuld van Samaria, een afkeurende betiteling van het stierbeeld in Betel dat daar sinds Jerobeam I (1 Kon. 12:28 w) door de bewoners van Samaria werd vereerd. Voor de laatste opvatting pleit de tweede afgod die genoemd wordt: de god van Dan (in het uiterste noordoosten van Israel), waarmee eenzelfde door Jerobeam I opgericht stierbeeld moet zijn bedoeld. De derde macht waarbij men zwoer, is de dèrèk van Berseba, ‘de weg van Berseba’ (SV), door NBG vertaald als de bedevaart naar Berseba. Daar een eed bij de pelgrimage naar Mekka uit de Islam bekend is, kan men ook hier aan zo’n bedevaart denken (vgl. 5:5). Anderen denken hier voor dèrèk liever aan een goddelijke ‘macht’ (zoals in ugaritische teksten), zodat hier een stadsgod van Berseba zou zijn bedoeld. Het afgodische zweren en steun zoeken bij andere machten zal de Israëlieten in elk geval een definitieve val en ondergang bezorgen.
Het vijfde visioen met wat er op volgt 9:1-10
Het visioen van het altaar: de onontkoombare ondergang 9:1-4
Het vijfde visioen is langer en anders van vorm en inhoud dan de vorige vier, maar juist daardoor wordt dit visioen gemerkt als slot en dieptepunt van de reeks visioenen, zoals in Arnos 1-2 het oordeel over Israel – als climax – ook veel langer en anders geformuleerd was dan de voorafgaande profetieën tegen de volken. Zag Arnos in de andere visioenen natuurrampen (7:1, 4) of symbolische voorwerpen (7:7 v; 8:1 v), hier (vs 1) ziet hij alleen de Here zelf, staande bij het altaar. Waarschijnlijk is het hoofdaltaar in Betel bedoeld als het belangrijkste van Noord-Israel, waartegen Amos in de eerste plaats had te profeteren. Verder ziet de profeet niets. Hij hoort alleen de stem van de Here, die bevel geeft (aan de machten van de natuur?) om de kapitelen van de zuilen, waarop het tempeldak rustte, te slaan, zodat de bovendorpels die door de kapitelen gedragen werden, begonnen te beven (in het Hebreeuws staat voor kapitelen het woord kaftor, dat kennelijk collectief, meervoudig, bedoeld is en eigenlijk de figuren van de vruchten aanduidt, waarmee de kapitelen versierd waren, vgl. Ex. 25:33-35). Het volgende bevel: en breek ze stuk op hun aller hoofd, is blijkbaar in deze zin bedoeld: ‘en laat die bovendorpels in stukken neervallen op hun aller hoofd’. Kennelijk is hier aan Arnos weer een aardbeving voorzegd (vgl. 1:13 w), waarbij alle in het heiligdom verzamelde Israëlieten zullen omkomen. Voor de overblijvenden, degenen die aan deze dood ontkomen, kondigt de Here aan dat Hij hen zal doden met het zwaard, zodat niemand de dood zal kunnen ontvluchten. In vss 2-4a wordt het onontkoombare van de naderende dood dan verder geïllustreerd. Stel dat zij al konden doordringen tot in het diep onder de aarde gelegen dodenrijk of dat zij konden opklimmen tot in de hemel, Gods straffende hand zou hen ook daar weten te vinden. Ook al proberen zij zich te verstoppen op de hoge top van het /fa/vne/gebergte met zijn bossen en grotten (een top die zich ten noordwesten van Samaria boven de Middellandse Zee verheft), of zelfs op de bodem van de zee, ook daar zou de Here hen weten op te sporen; in de zee zou Hij de slang, het mythologische chaosmonster (Job 26:13; elders Leviatan of Tannin, Jes. 27:1; Ps. 74:13) gelasten hen met een dodelijke beet te treffen (vs 3). Zelfs de reële mogelijkheid dat zij in de komende oorlog niet door het vijandelijke zwaard worden gedood (vs 4a), maar dat zij als krijgsgevangenen voor hun vijanden uit worden gedeporteerd naar het vijandelijke land (vgl. Klaagl. 1:5), zal hen niet baten; ook daar, in een gebied waar andere goden worden gediend, zal de Here zijn macht tonen door dan alsnog het zwaard (als persoon gedacht) te gelasten hen te doden. Nergens kan de mens Gods oordeel ontvluchten, nergens zich verbergen voor zijn oog (vgl. Ps. 139:7-12), dat Hij in het oordeel niet langer ten goede (om zegen en heil te schenken) maar ten kwade (om zijnStrafgerichten te voltrekken) op hen gericht houdt (vs 4b).
Hymne op de HERE als Schepper die het oordeel brengt 9:5-6
Evenals in 4:13 en 5:8 v wordt de radicale straf aankondiging weer gevolgd door een hymne die de Here der heerscharen, de God aan wie alle machten ten dienste staan, bezingt als Schepper en als straffend Rechter. Anders dan in 4:13 en 6:8 v wordt hier eerst (vs 5) de gerichtsmacht van de HERE bezongen. Hij kan de aarde aanraken, zodat zij gaat deinen in een aardbeving die alle overlevenden in rouw dompelt (vgl. 8:8). Voor de vergelijking met de Nijl, zie 8:8 (alleen ontbreekt hier het verklarende ‘ze wordt opgezweept’). Gods macht wordt onderstreept in vs 6, waar Hij wordt beschreven als de machtige Schepper die zijn opperzalen in de hemel heeft gebouwd en zijn hemelgewelf op de aarde heeft gegrondvest. Voor vs 6b kan men zich, evenals in 5:8, weer afvragen of primair aan Gods onderhouding van de schepping (regen) of aan zijn richtend ingrijpen (zondvloed) moet worden gedacht. Met het afsluitende HERE is zijn Naam wordt de scheppende en richtende macht tegenover alle andere goden nadrukkelijk voorbehouden aan de Verbondsgod van Israel.
Israel en de volken 9:7
Kennelijk hebben Arnos’ hoorders de radicale gerichts-prediking naar aanleiding van het vijfde visioen weer afgeweerd met een beroep op Israels verkiezing, de bijzondere plaats van Israel te midden van de volken, en op Gods heilshandelen met Israel in de geschiedenis. Zo’n volk kan de HERE toch niet prijsgeven aan zo’n radicale ondergang! Op zulke tegenwerpingen reageert Amos in vs 7 waar hij Israel eerst op één lijn plaatst met de Ethio-piërs, de Kusieten ten zuiden van Egypte in Midden-Afri-ka. Daarmee ontkent hij Israels verkiezing niet, maar wel de arrogante houding die Israels voormannen er aan meenden te kunnen ontlenen: de voortreffelijkste van de keur der volken te zijn (6:1). Die arrogantie slaat Arnos neer: van nature is Israel mets meer en beter dan dat ver in de binnenlanden wonende volk der Kusieten. De verkiezing is alleen te danken aan Gods vrijmachtige genade, die juist een vertrapt en onwaardig volk heeft verkoren tot zijn volk, maar daaraan ook de roeping heeft verbonden zijn geboden in acht te nemen (Deut. 7:7 w; vgl. Am. 3:2). Als de Israëlieten die roeping als volk des HEREN verzaken, staan zij in de ogen des HEREN even ver van Hem af als het verre volk in Afrika. En als zij zich beroepen op Gods heilsgeschiedenis met hen, dienen zij wel te beseffen dat die geen enkele grond geeft voor hun arrogante levenshouding, want dan moeten zij wel bedenken dat de HERE ook hun ergste vijanden in het verre verleden uit hun plaatsen van herkomst heeft geleid naar hun huidige woongebieden: de Arameeërs uit Kir (zie bij 1:5) naar het noord-palestijnse gebied, de Filistijnen uit Kaf tor (= Kreta of Cyprus of de kustgebieden van de Egelsche Zee?) naar het zuidwesten van Palestina.
Een scheiding door Israel 9:8-10
Een verder protest van de hoorders richtte zich blijkbaar met name tegen Gods uitspraak: Ik richt op hen mijn oog ten kwade, en-tegen het totale, het alomvattende van het aangekondigde onheil. Het eerste wordt door Arnos in zijn reactie nog eens extra onderstreept (vs 8a), maar, zo voegt hij er in reactie op het andere deel van het protest aan toe: het radicale oordeel geldt speciaal het zondige koninkrijk, dwz. het noordelijke rijk als politieke grootheid met de leidslieden die voorgingén in en verantwoordelijk waren voor al het onrecht dat er heerste. Dat koninkrijk, zo zegt Amos in naam van de HERE, zal Ik geheel verdelgen, maar het huis van Jakob zal Ik niet geheel verdelgen. Van het ‘huis van Jakob’, de gewone bevolking van Noord-Israel, zal een rest (vgl. 5:15) de oordelen mogen overleven en behouden blijven. Deze gedachte van een scheiding die door Israel heen getrokken wordt, wordt dan geadstrueerd met het beeld van een zeef. Zoals in een grove zand- of korenzeef het goede zaad of de graankorrels door de zeef heenvalien, maar de steentjes en het overige grove vuil achterblijven, zo zullen de Israëlieten in de landen waarheen ze gedeporteerd zullen worden, als in een zeef geschud worden, en geen zondaar zal door de zeef van het oordeel heenvalien om te overleven. Alle zondaren zullen als de steentjes in de zeef blijven om door het zwaard te sterven, al zijn zij het juist die in een ongegrond en verkeerd verstaan verkie-zingsgeloof menen de HERE altijd als beschermer aan hun zijde te hebben (vgl. 5:14b), als zij in gedachten als het ware tot Hem zeggen: Gij zult (niet: Gij moogt) het onheil niet over ons doen naderen (vs 10).
Heilsbeloften 9:11-15
Herstel van de davidische dynastie 9:11-12
Met degenen die door de louterende zeef (vss 9 v) van het oordeel heen komen, zal de HERE een nieuw begin maken. Te dien dage, dwz. in de tijd na Gods straffend ingrijpen, zal de HERE de hut van David, die sinds de afscheuring van de tien noordelijke stammen na de dood van Salomo in verval was, herstellen en de ontstane scheuren weer dichten, zodat het weer één Israel onder één davidische vorst zal worden, zoals in de tijd van David en Salomo (vs 11). Tot het herstel van dat rijk behoort ook de uitbreiding van de grenzen als in de glorietijd van Salomo. Zo zal het nieuwe Israel dan in bezit nemen de rest van Edom, dwz. het stuk van het edomitische gebied dat in Arnos’ tijd nog niet in bezit van Juda was (een ander deel, de haven Eilat was dat al wel, vgl. 2 Kon. 14:22), en verder alle volken over wie de naam des HEREN was uitgeroepen, dwz. de volken over wie het eigendomsrecht van de HERE was geproclameerd. Bedoeld zijn de volken die vroeger door David in de oorlogen des HEREN (2 Sam. 5:25) onderworpen waren en bij zijn rijk waren ingelijfd. Vs 12 lijkt zo getuigenis te zijn van een sterk chauvinistische heilsverwachting. Toch betekent ‘de naam des HEREN uitroepen over’ ook nog wat anders; in Jer. 14:9 en Jes. 63:19 is het zelfs aanduiding voor Gods hulp en heil. Zoals in Arnos 1-2 de volken rondom met Israel moesten delen in het oordeel van de God van Israel, zo mogen zij in de komende heilstijd ook deel krijgen aan zijn heil.
De zegeningen van de heilstijd 9:13-15
Bij de regering van een heilsvorst behoort de zegen in de natuur (vgl. Ps. 72:3, 7, 16; Gen. 49:10-12). Met een herinnering aan de verbondszegen van Lev. 26:5 kondigt Arnos een tijd aan van ongekende vruchtbaarheid in de landbouw: er zal zoveel koren te maaien zijn dat men er van mei tot oktober, als de ploeger het land gaat bewerken, mee bezig is, zodat de ploeger met zijn werk direct kan aansluiten bij de maaier. En de druivenoogst zal zo groot zijn dat men van september tot november, de zaaitijd voor het nieuwe gewas, druk zal zijn met het druiventreden. De laatste zin van vs 13 schildert die overvloed nog sterker, gedeeltelijk met woorden die in Joël 3: 18 terugkeren: de bergen zullen druipen van jonge wijn en de heuvels ervan doordrenkt worden. Zo zal de HERE door de oordelen heen een keer brengen in het lot van zijn volk (vs 14), de Israëlieten zullen de verwoeste steden herbouwen en er ook rustig in mogen wonen, wijn- en boomgaarden planten en de vruchten ervan mogen genieten, waarmee de vervloeking van 5:12 veranderd zal zijn in haar tegendeel. De laatste belofte (vs 15) is dat de HERE de .Israëlieten van de heilstijd zal planten in hun grond, zonder daar ooit meer te worden uitgerukt (voor het beeld vgl. Jer. 24:6). Zo mag Israel ongestoord in het door de HERE geschonken land wonen in een nieuwe verbondsrelatie, waarin het ‘uw God’ als keerzijde van het ‘mijn volk’ van vs 14 weer ten volle zal gelden. Velen menen dat Arnos als aankondiger van Gods oordeel zulke heilswoorden als 9:11-15 niet kan hebben gesproken en dat zij dus van een latere schrijver moeten stammen. Als men zegt dat Arnos zijn oordeelsaankondiging door de heilsprediking van haar kracht berooft, vergeet men dat het heil pas komt door de oordelen heen en alleen geldt voor een rest die die oordelen mag overleven, een gedachte die ook elders, zij het aarzelend (5:15) aan bod komt.
Zoals Arnos het heil voorzegde, is het voor Israel (nog) niet vervuld. Na het oordeel van de ballingschap volgde er telkens weer nieuwe overheersing door vreemden. De apostel Jakobus zag de vervulling van vs beginsel echter aangebroken met de komst van Christus, in wie God ook heidenvolken tot zijn volk wilde aannemen (Hand. 15:14 v). De volle vervulling wacht op het rijk van God aan het eind van de tijden (Op. 15:4; 21:7).