Veertigdagentijd
De benaming Veertigdagentijd kennen we (tegenwoordig) allemaal, maar waar komt dat eigenlijk vandaan? Waarom veertig dagen? Hoe Bijbels is dat en wat betekent dat? En hoe algemeen is deze benaming, ook in de verhouding tot andere kerken en/of stromingen in het Christendom?
Veertig in de Bijbel
Ten tijde van Noach stortregende het veertig dagen en veertig nachten. Vervolgens overstroomde de grote vloed de aarde veertig dagen lang en deed Noach na nog eens veertig dagen het venster in de ark open.
Het balsemen van het lichaam van aartsvader Jacob na zijn sterven, duurde veertig dagen lang, want dat ging zo in die tijd. Veertig dagen en veertig nachten bleef Mozes op de berg om God te ontmoeten en de Tien Woorden te ontvangen. Tot tweemaal toe, en beide keren volgens de verhalen zonder te eten of te drinken.
Veertig jaar lang doolde het volk Israël door de woestijn en at er manna, voordat het het Beloofde Land mocht binnentrekken. Bij de rechters Otniël en Gideon lezen we dat het land ‘veertig jaar rust had’. Ook Eli leidde het land veertig jaar lang, evenals later de koningen David, Salomo en Joas. En op een ander moment lezen we dat het volk veertig jaar aan de Filistijnen was overgeleverd. Elia, op de vlucht, verbleef veertig dagen en nachten in de woestijn. Dat laatste thema, veertig dagen in de woestijn, vinden we ook in de evangeliën terug als het gaat om Jezus, helemaal aan het begin vóór zijn daadwerkelijke optreden.
Heel vaak dus komt het getal veertig in de Bijbel terug. Maar tellen, zoals we nu doen, had in die tijd een andere functie. Getallen duiden iets aan, meer dan dat het op de kalenderdag af geteld is. Veertig lijkt steeds te wijzen op ‘een lange tijd’. Na veertig dagen merk je, dat de maancyclus opnieuw is begonnen en de dingen zich gaan herhalen. Veertig jaar is anderhalve generatie: alle levensstadia zijn een keer doorlopen en de derde generatie dient zich aan.
Wat het meest opvalt, is dat het steeds om een periode gaat waarna iets nieuws begint. Het is een periode met een lange bestaande situatie, vaak van doorzetten, waarna iets nieuws begint, een ander tijdperk. En bij Noach, en de woestijnverhalen van Mozes, het volk Israël en Elia, gaat het ook om wat theologisch ‘doortocht’ genoemd wordt. De veertig dagen of veertig jaren zijn een tijd van loutering, waarna er hernieuwd leven mogelijk is.
Het gaat steeds om een periode, waarna iets nieuws gaat beginnen, een ander tijdperk
Veertig, zesenveertig, vijftig of zeventig?
In de Veertigdagentijd zoals wij die kennen in het liturgisch jaar, gaat het wel om letterlijk veertig dagen. Zij zijn direct te relateren aan de veertig woestijndagen van Jezus, Mozes en Elia, die veertig dagen niet eten en drinken. Wij kennen ze als tijd van inkeer en bezinning, voordat we met Pasen aan een nieuw verhaal beginnen, van opstanding. In de Middeleeuwen waren er vele periodes van vasten, en was de liturgische jaarkalender nog niet zo vastomschreven als wat later de dominante traditie werd. Maar de Veertigdagentijd is wel de bekendste vastentijd van het jaar, overgangstijd ook van winter naar lente.
De veertig dagen beginnen op Aswoensdag. De datum en precieze week daarvan verschuift, omdat de paasdatum afhankelijk is van de maankalender en er voor Aswoensdag veertig dagen teruggeteld moet worden vanaf de paasdatum. Maar wie goed kijkt, telt zesenveertig dagen, omdat de zondagen traditioneel niet meetellen. Op zondag wordt het vasten gebroken, omdat iedere zondag het hele jaar door een echo is van Pasen en dus een beetje feest, ook al is de liturgie ingetogen.
Het vasten wordt op zondag onderbroken, omdat die dag een echo is van Pasen
Echter, de Veertigdagen zijn niet los te zien van hun tegenhanger, de Paastijd. Dat zijn de vijftig dagen ná Pasen, waarin het liturgisch gezien de hele tijd feest is, tot aan Pinksteren (Pinksteren betekent ‘vijftigste paasdag’). Die hele tijd, van Aswoensdag tot aan Pinksteren vormt één grote kring in de tijd met het Paasfeest als middelpunt. Al gaat het wiskundig gezien niet helemaal op: het betreft hier een ‘honderddagentijd’. Veertig, plus de zes zondagen, plus de ‘drie dagen van Pasen’ zelf, en dan nog de de vijftig tot aan Pinksteren. Vaak wordt dag 0 als dag 1 geteld, en zo kom je op precies honderd!
Een traditie, die we bijvoorbeeld in de Lutherse kerken nog zien in de naamgeving van de zondagen, is die van ‘voorvasten’. Vóór de veertig dagen zijn er dan al drie zondagen als voorbereiding op de Veertigdagentijd. Zij heten in omgekeerde volgorde (dus teruggeteld) Quinquagesima (vijftig), Sexagesima (zestig) en Septuagesima (zeventig). Een week wordt hier als het ware als tien dagen geteld, en zo komt men op ‘zeventig’ dagen voorbereiding voor Pasen. Dat is echter niet de hoofdlijn, zoals die in de protestantse kerken gevolgd wordt.
Lijdenszondagen of veertig dagen?
Nog een andere lijn is, dat er in de reformatorische gezindte sprake is van zeven zondagen, in plaats van de zes van de veertig dagen. Deze worden dan ‘lijdenszondagen’ genoemd, waarop de prediking ook vaak vooruitgrijpt op de lijdensverhalen van Christus, voorafgaande aan zijn kruisiging.
Feitelijk gaan beide tradities terug op de vroege kerk. Er wordt letterlijk invulling gegeven aan het besluit van het concilie van Nicea 325, dat er veertig dagen gevast dient te worden. Omdat in vroeger eeuwen de Paasweek al op de Palmzondag begon, met de feestelijke intocht in Jeruzalem, komt men inderdaad op een week eerder uit. Niet is uitgesloten dat heeft meegespeeld, dat juist op die eerste lijdenszondag een radicaal andere keuze werd gemaakt dan de katholieke kerk doet, die op de zondag vóór Aswoensdag carnaval viert.
Echter, de liturgische beweging in de twintigste eeuw, die vanaf het begin zeer oecumenisch gekleurd was, heeft weer willen aansluiten bij de oecumenische telling van Aswoensdag tot Paaszaterdag. De lijdensverhalen worden dan niet gelezen, maar in de lijn van de oecumenische leesroosters klinken centrale verhalen uit het leven van Jezus.
De verhalen laten een golfbeweging zien – van duisternis naar lichter en heilzaam
Golfbeweging
Kijken we naar die verhalen, dan zien we een bepaalde golfbeweging. Het begint op de eerste zondag met de verzoeking in de woestijn (Matteüs 4, 1-11), waarbij de duivel Jezus probeert te verleiden in zijn dienst te komen. Dit ‘donkere’ en sombere verhaal staat in totaal contrast met het verhaal van de tweede zondag: de verheerlijking op de berg (Matteüs 17, 1-9), waar Mozes en Elia Gods goddelijke opdracht aan Jezus in een fel schijnend licht bevestigen en er een stem uit de hemel klinkt. Op de derde zondag wordt door Jezus een demon uitgedreven (Lucas 11, 14-28): wederom een harde confrontatie met kwade machten. Dit verhaal wordt gevolgd door het vredige verhaal van de wonderbare spijziging aan het Meer van Galilea (Johannes 6, 1-15) te lezen. Na de discussie tussen Jezus en enkele andere joden in de tempel van Jeruzalem over Jezus’ ware missie (Johannes 8, 46-59), landen we op de intocht in Jeruzalem op Palmzondag (Matteüs 21, 1-9).
Zo golft de sfeer steeds van verhalen over duisternis en confrontaties naar lichtere en heilzame verhalen. Tegenwoordig volgen veel gemeente overigens het driejaarlijkse oecumenische leesrooster, waarbij er ieder jaar hoofdzakelijk één evangelie wordt gevolgd, wat tot variaties op bovenstaande leidt, maar het principe van de golfbeweging van licht naar donker blijft overeind. Op de helft, de vierde zondag, die vreugdevol ‘Laetare’ (verheugt u) of ‘halfvasten’ wordt genoemd, is de liturgie een beetje extra feestelijk, als voorproefje van het komende Paasfeest.
Palmzondag markeert het begin van de Paasweek en is een zondag met een heel dubbel karakter: enerzijds het feest van de intocht, dat anderzijds ook een merkwaardige ondertoon heeft. Het gaat namelijk niet om een koning hoog te paard op een rode loper, maar een zelfbenoemde profeet op een ezel, die over de mantels van de omstanders rijdt, die op hun beurt met takken van de bomen zwaaien. Deze zondag luidt de laatste week van de veertig dagen in, die Goede week, Heilige week of vaak Stille week wordt genoemd. Er zijn ook tradities, waarin op deze zondag alvast het hele lijdensverhaal van Christus wordt gelezen, als opmaat naar de andere dagen.
Feest en dreigende duisternis komen samen: ‘heden hosanna, morgen kruisigt Hem!’
Stille week en Paastriduüm
De kalme liturgische golfbeweging van donkerder naar lichter verhalen, en de liturgie die daarop van week naar week rustig meedeint, verintensiveert zich vanaf de Palmzondag. Op die zondag komen feest en dreigende duisternis samen, het treffendst verwoord in de slotzin van het bekende lied van Willem Barnard voor die dag: ‘heden hosanna, morgen kruisigt Hem’.
De laatste drie van de Veertigdagentijd, worden ‘Drie dagen van Pasen’ (‘Paastriduüm’) genoemd. Zij bestaan uit Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. Op de Witte Donderdag wordt het laatste avondmaal van Jezus en zijn vrienden herdacht. Evenals de Palmzondag een dag met een dubbel karakter: het is feest, maar er hangt iets negatiefs in de lucht van wat op komst is. Daarna volgt de uiterste duisternis van de Goede Vrijdag. Jezus wordt door iedereen aan zijn lot overgelaten en sterft als rechtvaardig profeet zonder toekomst. In de Paasnacht keert dat besef, na een tijd van waken en bidden, plotseling om, kleurt de liturgie ineens feestelijk en blijft het vijftig dagen feest.
Dr. Oane Reitsma is predikant in de Protestantse Kerk in Nederland en tevens beleidsmedewerker Eredienst en Kerkmuziek in de Dienstenorganisatie van de PKN.