Menu

None

Anti-slavernij activist Groen van Prinsterer

Een opmerkelijke carrière

Kerk- en religiegeschiedenis

Samen met een kleine groep protestanten speelde Groen van Prinsterer een opmerkelijke rol in de anti-slavernij beweging. Naar aanleiding van het Herdenkingsjaar Slavernijverleden, gaat deze bijdrage in op de discussies binnen deze groep en de verschillende theologische en politieke afwegingen die Groen en anderen daarbij maakten.

Wetten, geloof en praktische bezwaren

Op 14 november 1841 verstuurde Willem de Clercq (1795–1844) een briefje aan Groen van Prinsterer waarin hij zijn bezwaren tegen de anti-slavernijbeweging (het abolitionisme) opsomde. Hij bestempelde slavernij weliswaar tot een ‘gruwel’, maar hij zag geen dwingend christelijk argument om deze af te schaffen. Volgens De Clercq was het christelijk geloof niet bedoelt om ‘gruwelen en verkeerdheden’ te bestrijden. Hij voegde daaraan toe dat afschaffing van slavernij weliswaar tot vrijheid zou leiden, maar dat die vrijheid weer zou leiden tot ‘andere gruwelen.’ Hij uitte ook een juridisch-theologisch bezwaar: de Bijbel erkende ‘het regt der meesters op de slaven ten volle.’ Daarnaast waren er talloze instellingen en individuen die hun koloniale investeringen met hand en tand zouden verdedigen.[1]

Groen stond aan de basis van het antirevolutionaire politiek denken in Nederland.

Met die argumenten uitte De Clercq zijn twijfels over het Nederlandse abolitionisme. Zijn vriend Groen van Prinsterer – die hem om advies had gevraagd – ging toch door met zijn anti-slavernij activisme. Maar de bezwaren die De Clercq uitte bleven als een schaduw boven dit project hangen. Dit artikel gaat in op deze spanningen in Groens abolitionisme, op basis van Maartje Janse’s proefschrift De afschaffers: publieke opinie, organisatie en politiek in Nederland, 1840–1880 (2007) en enkele brieven.

Wie is Groen van Prinsterer?

Guillaume (Willem) Groen van Prinsterer (1801–1876) werd geboren in Voorburg. Na zijn studietijd in Leiden kende hij enkele moeizame, besluiteloze jaren, waarin er niet veel uit zijn handen kwam. Nadat hij trouwde met Betsy van der Hoop kwam er vaart en richting in zijn leven. Door Betsy en vrienden als Willem de Clercq (1795–1844) bekeerde Groen zich tot een orthodoxe variant van het protestantisme, een keuze die grote impact had op zijn leven.

Groen werd een prominent historicus en schrijver. Ook nam hij zitting in de Tweede Kamer vanaf 1849. Niet alleen als historicus, maar ook als politicus schreef hij talloze boeken, brochures en tijdschriften, waarvan Ongeloof en Revolutie (1847) en het invloedrijke Handboek der Geschiedenis van het Vaderland (1841–1846) het bekendst zijn geworden. Met zijn publicaties – en politieke carrière – stond Groen aan de basis van het antirevolutionaire politiek denken in Nederland, een denktrant die na zijn dood, onder Abraham Kuyper, zou uitgroeien tot de Anti-Revolutionaire Partij (ARP).

Bernard Smytegelt bestempelde slavernij als dievery: pure diefstal.

Groen was een prominent schrijver, maar hij was ook een kundig netwerker. Zijn grote huis aan de Korte Voorhout – op een steenworp afstand van het Torentje – fungeerde als de ontmoetingsplek van talloze geestverwanten uit Den Haag, Amsterdam en ver daarbuiten. Predikanten, filantropen en schrijvers wisten de weg naar Groens huis te vinden.

portret Groen van Prinsterer, staalgravure door Dirk Jurrian Sluyter (beeld: Rijksmuseum)
Portret van Guillaume (Willem) Groen van Prinsterer (1801–1876). Uitsnede van staalgravure door Dirk Jurriaan Sluyter; beeld van Rijksmuseum.

Protestantisme en kolonialisme

Dat netwerk rond Groen van Prinsterer speelde een vooraanstaande rol in het negentiende-eeuwse abolitionisme, de beweging die zich inzette voor de afschaffing van slavernij. Voordat die rol belicht kan worden, is het echter belangrijk om in te gaan op de verhouding tussen protestantisme en slavernij. In de periode waarin de Nederlandse Republiek en het Nederlandse Koninkrijk betrokken waren bij slavernij en slavenhandel – grofweg de 17e tot en met de 19e eeuw – stonden protestanten aan beide kanten van het slavernijdebat.

Bernard Smytegelt (1665–1739) – een invloedrijk predikant in Middelburg – bestempelde slavernij als dievery, ofwel als pure diefstal. In de achttiende eeuw verdedigden verschillende calvinisten de slavernij, waaronder de arts David Henri Gallandat (1732–1784). Hij nam in Vlissingen als arts dienst op een slavenschip en schreef later het beruchte boek Noodige onderrichtingen voor de slaafhandelaaren (1769) waarin hij medische adviezen gaf aan toekomstige slavenhandelaren. Daarnaast verdedigde Gallandat slavenhandel met referenties naar de Bijbel. 
Kortom, er was geen directe link tussen protestantse theologie en een standpunt over slavernij. Dat lag ook niet voor de hand, want in de Bijbel kwam slavernij voor, zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe Testament. Abraham had talrijke slaven, slavernij komt voor in de Tien Geboden en de apostel Paulus stuurde een slaaf terug naar zijn meester (Filemon 1).

Groen heeft zich nooit grondig verdiept in kolonialisme en slavernij, en toch speelde hij een belangrijke rol in de afschaffing van de slavernij.

Wie grasduint in de geschiedenis, komt al snel tot de ontdekking dat historische figuren vaak tamelijk opmerkelijk zijn. Dat geldt ook voor Groen van Prinsterer. Hij bekeek de wereld vooral vanuit Den Haag, waar hij vanuit de studeerkamer zijn boeken en artikelen de wereld in stuurde. Als burger van het Koninkrijk der Nederlanden was hij echter ook verbonden aan het Nederlandse imperium, ofwel Suriname en Nederlands-Indië. Groen was vooral geïnteresseerd in Nederland en Europa, en dan vooral het protestantse deel van Europa. Ontwikkelingen buiten Europa – waaronder Nederlands-Indië en Suriname – lagen ‘letterlijk en figuurlijk buiten zijn wereld,’ zoals historicus Gerrit Schutte eens opmerkte. Groen heeft zich nooit grondig verdiept in kolonialisme en slavernij, zo gaf hij zelf ook toe. Tegelijk speelde hij een belangrijke rol in het negentiende-eeuwse abolitionisme.[2]

Britse activisten in Den Haag

In de jaren 1830 werd slavernij officieel afgeschaft in de meeste delen van het Britse imperium, waarop diverse vormen van contractarbeid werden ingevoerd die regelmatig sterk op slavernij leken.  

Na de afschaffing gingen Britse abolitionisten zich richten op de afschaffing slavernij elders. Dat uitte zich in de oprichting van de British and Foreign Anti-Slavery Society in 1839. Leden van dit genootschap reisden in 1840 ook naar Nederland, om daar de afschaffing van slavernij te bepleiten, waaronder de quaker John Scoble (1799–1877). Scoble had zelf verschillende Britse overzeese gebieden bezocht en was daardoor goed op de hoogte van zowel slavernij als contractarbeid. Hij zocht naar leiders die de anti-slavernij beweging in Nederland konden aanvoeren en kwam daarbij uit bij Groen van Prinsterer. Scoble en zijn medestanders uitten de hoop dat Groen de Nederlandse Wilberforce kon worden.[3]

Groen vond enerzijds de quakers veel te radicaal; anderzijds zag hij evangelische potentie in de afschaffing van slavernij.

Groen twijfelde tussen twee belangrijke overwegingen. Enerzijds was hij als ‘antirevolutionair’ fel gekant tegen ideeën en voorstellen die verbonden waren aan de Franse Revolutie, die vanaf 1789 Nederland en Europa ingrijpend veranderd had. Zo hechtte Groen sterk aan het wettelijk gezag en zag hij niets in politieke plannen die de samenleving democratischer zouden maken. Nu was slavernij juridisch verankerd in allerlei wetten en eigendomspapieren, waardoor verzet daartegen al snel ‘revolutionair’ was. Anderzijds was Groen sinds ongeveer 1831 sterk geïnteresseerd in de verspreiding van het evangelie in binnen- en buitenland. Hij liet Bijbels verspreiden onder soldaten die gemobiliseerd waren in de oorlog tegen België en ook maakte Groen reizen om geestverwanten te ontmoeten, waaronder in Genève. Die geestverwanten in Nederland en daarbuiten worden vaak collectief aangeduid als ‘het Réveil’. Deze beweging streefde niet zozeer naar directe politieke invloed, maar naar vernieuwing van de kerk, liefdadigheid en persoonlijke vroomheid.

Beide motieven speelden een rol bij Groens houding ten opzichte van het abolitionisme. Enerzijds wilde hij antirevolutionair denken en handelen; anderzijds zag hij dat de christelijke evangelisatie in gebieden overzee meer kans maakte na afschaffing van slavernij. Groen had dus voortdurend te maken met een onopgeloste spanning tussen twee principes. Enerzijds vond hij quakers als Scoble veel te radicaal; tegelijk zag hij evangelische potentie in abolitionisme. Dat bleek bijvoorbeeld toen in maart 1840 enkele quakers Nederland bezochten, waaronder Elizabeth Fry. Deze charismatische vrouw maakte met haar toespraken veel emoties los, waaronder bij Groen. Willem de Clercq bestempelde Fry en anderen echter als ‘christelijk geverfde revolutionairen.’[4]

Antirevolutionair en anti-slavernij

Scoble en andere abolitionisten benadrukten vooral de slechte omstandigheden waarin slaafgemaakten leefden en de wreedheid waarmee zij behandeld werden. In Nederland was dat zowel een kracht als een zwakte. Deze betogen maakten indruk, maar werden ook ter zijde geschoven. Hendrik Jacob Koenen (1809–1874), een andere spil in het Réveil-netwerk, stelde dat de verhalen over ‘grove misbruiken’ in de koloniën gebaseerd waren op ‘overdrevene berichten van Quakers en vrijheidsdrijvers.’[5] Bovendien vond hij dat de slaafgemaakten in Suriname ‘deels nog onrijp, deels geheel ongeschikt’ zijn voor de vrijheid.[6] Van Brugghen – een andere vriend van Groen – vond net als Koenen vrijlating van slaafgemaakten geen belangrijk ideaal. Slavernij was volgens hem niet strijdig met de Bijbel en bovendien was afschaffing maatschappelijk gezien onverstandig. De ‘evangelische gelijkheid’ in de maatschappij bestempelde hij tot de ‘allergevaerlijkste weg.’ Anders gezegd, afschaffing van slavernij was een vorm van ‘gelijkheidsdenken’ die kon leiden tot de afschaffing van andere vormen van maatschappelijke hiërarchie.

Die bezwaren verklaren wellicht waarom het Réveil aanvankelijk niet voorop liep in de Nederlandse anti-slavernij beweging. Maartje Janse liet in De Afschaffers zien dat in 1840 en 1841 verschillende lokale comités zich bezighielden met abolitionisme, waaronder de Réveil-mannen in Den Haag en Amsterdam. Vanuit Rotterdam werd vervolgens een nationale ontmoetingsdag geïnitieerd, die op 29 oktober 1841 plaatsvond. Die dag werd een commissie aangesteld, met als taak het schrijven van een ‘adres’, dat vervolgens naar de koning moest worden gezonden. Groen was ook benoemd als commissielid.[7]

Groens coup de force leidde tot de uittocht van de andere afdelingen; ook de Britten waren not amused van Groens aanpak.

Na deze nationale bijeenkomst kwamen al snel enkele spanningen aan het licht. De missie van deze beoogde nationale maatschappij was vooral gericht op afschaffing, terwijl zending overzee niet expliciet aan de orde kwam. Met andere woorden, in de ogen van Groen en het Réveil was deze maatschappij niet gegrond op ‘christelijke beginselen.’[8] Toen deed Groen iets opmerkelijks. Als commissielid greep Groen vervolgens zijn kans om ‘de prille nationale antislavernijbeweging een antirevolutionair karakter’ te geven.[9] Groen vroeg zijn orthodox-protestantste vrienden om bij hem thuis langs te komen voor een besloten vergadering. Vrijwel al zijn geestverwanten waren er, alleen Willem de Clercq weigerde te komen.[10] Er werden plannen gesmeed en statuten opgesteld, die waren gebaseerd op de eigen ‘beginselen’.[11]

Daarop volgde een tweede nationale vergadering, in november 1841, waarbij deel 2 van Groens plan in werking trad. Groen had zijn Réveil-vrienden opgeroepen te komen, maar richting andere afdelingen gecommuniceerd dat enkele afgevaardigden voldoende zouden zijn voor de afwikkeling van enkele formaliteiten. Groens plan werkte, want een meerderheid stemde in met zijn antirevolutionaire anti-slavernijplannen, terwijl amendementen van Rotterdamse tegenstanders niet in stemming werden gebracht. Groens coup de force leidde tot de uittocht van de andere afdelingen, die hun teleurstelling en frustratie over zijn handelswijze uitspraken. Ook de Britten – die op de achtergrond de nationale beweging hadden geadviseerd – waren not amused toen zij hoorden van Groens acties.[12] Groens tegenstanders besloten tot het oprichten van een alternatieve maatschappij en probeerden ook koninklijke toestemming te verkrijgen, terwijl een Rotterdams damescomité ook een eigen ‘adres’ schreef. Door Groen ontstond verdeeldheid in de anti-slavernij beweging.[13]

De Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing der Slavernij benadrukte dat ze tegen de ideeën van de Franse revolutie waren.

Groens opmerkelijke handelswijze sluit aan bij de retorische uitvergroting die zijn plannen en ideeën steevast begeleidde. Retoriek draait immers om de beïnvloeding van de verbeelding van anderen, met als doel daarmee iets in gang te zetten. Groen gaf zijn ideeën, die vaak door weinigen gedeeld werden, steevast een nationale lading. Hij noemde zijn tijdschrift Nederlandsche gedachten, redigeerde een krant die De Nederlander heette en muntte een begrip als ‘christelijk-nationaal’. Dat Groen zijn eigen ‘beginselen’ leidend wilde laten zijn in een nationale anti-slavernijbeweging past in dat opzicht bij zijn bredere retorica.

Wat is de NMBAS?

Op 5 april 1842 werd Groens voorstel voor een anti-slavernij maatschappij naar de koning verstuurd. Deze werd de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing der Slavernij (NMBAS) genoemd. In de tekst van dit voorstel kwamen de motieven van Groen en het Réveil duidelijk naar voren. ‘De verkondiging van Gods woord’ had tot nu toe weinig voortgang gemaakt vanwege de slavernij, zo stelden zij vast. Bovendien benadrukte het voorstel – anders dan De Clercq eerder stelde – dat slavernij wel degelijk in strijd was met het evangelie. Daarnaast werd het antirevolutionaire karakter van de NMBAS benadrukt: afschaffing moest verbonden worden met schadevergoedingen voor eigenaren. Ook benadrukte de NMBAS gekant te zijn ‘tegen die leer van algemeene vrijheid en gelijkheid.’[14] Met andere woorden, het doel van de maatschappij was vrijlating van slaafgemaakten, onder voorwaarde van schadevergoedingen voor de eigenaars en een ‘Christelijke opleiding’ voor de voormalig slaafgemaakten.’[15]

Die antirevolutionaire houding van de NMBAS sloot aan bij het standpunt van de koning en de regering, die druk uitoefenden om het Nederlandse abolitionisme de kop in te drukken. Financiële belangen speelden daarbij een grote rol.[16] Ruim tien jaar later, in 1853, kreeg de NMBAS een tweede leven. Na de Britse quakers in de jaren 1840 gaf dit keer Uncle Tom’s Cabin (1851–1852) van de Amerikaanse schrijfster Harriet Beecher Stowe een impuls aan het abolitionisme. Deze roman benadrukte de wreedheid van slavernij, wat grote indruk maakte op Jan Willem Gefken, een van Groens Réveilvrienden.[17]

Groens betrokkenheid bij de afschaffing van slavernij kwam voort uit zijn geloof.

Na 1853 kwam de NMBAS van de grond en was zij zowel werkzaam in de Tweede Kamer als daarbuiten, waarbij Groen zitting had in het bestuur. Net als in de jaren 1840 was de NMBAS verbonden met christelijke overtuigingen, maar er werd wel samengewerkt. Als lid van de Tweede Kamer werkte Groen samen met liberalen om het lot van slaafgemaakten te verbeteren.[18] Dergelijke samenwerkingen werden weerspiegeld in hogere ledenaantallen. In 1841 werd de NMBAS door ca. 100 mensen ondertekend, terwijl de maatschappij in 1857 670 leden had.[19] Ook werden op kleine schaal slaafgemaakten vrijgekocht. Hierbij stonden de christelijke doelstellingen van Groen en het Réveil op de voorgrond. Vrijgekochte mensen kregen een grondige ‘Christelijke opleiding’.[20]

Conclusie

Groen van Prinsterer schreef buitengewoon veel, maar over slavernij heeft hij nooit uitgebreid geschreven. Zoals Gerrit Schutte betoogde was hij vooral geïnteresseerd in Nederland en Europa; zijn interesse in slavernij bleef iets abstracts. Toch was hij nauw betrokken bij het negentiende-eeuwse abolitionisme en de oprichting van de NMBAS. Die betrokkenheid kwam direct voort uit zijn geloof. Hij zag vrijheid niet als een zelfstandig doel, maar koppelde abolitionisme aan de protestantse zending overzee. De ‘Christelijke opleiding’ van slaafgemaakten stond voorop.  

Dit artikel is verschenen ter gelegenheid van het Herdenkingsjaar Slavernijverleden. Wil je meer weten over theologie, kerk en slavernij? Bekijk dan de dossierpagina.

Gertjan Schutte is historicus en biograaf van Groen van Prinsterer, verbonden aan de Theologische Universiteit Kampen | Utrecht.

Noten

[1] Briefwisseling II, p. 944.

[2] Gerrit Schutte, “Groen van Prinsterer en de koloniën” in Jan de Bruijn en George Harinck (eds.), Groen van Prinsterer in Europese Context (Hilversum: Verloren, 2004): p. 126.

[3] Maartje Janse, De afschaffers: publieke opinie, organisatie en politiek in Nederland, 1840-1880 (Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2007): p. 54.

[4] Geciteerd in Janse, De afschaffers, p. 55.

[5] Briefwisseling V, pp. 116-117.

[6] Briefwisseling V, p. 117.

[7] Janse, De afschaffers, pp. 59-60.

[8] Briefwisseling V, p. 115.

[9] Janse, De afschaffers, p. 59.

[10] Briefwisseling II, p. 419.

[11] Janse, De afschaffers, p. 60.

[12] Janse, De afschaffers, pp. 60-62.

[13] Janse, De afschaffers, pp. 65-66.

[14] Briefwisseling II, p. 945.

[15] Briefwisseling II, p. 946.

[16] Janse, De afschaffers, pp. 67-70.

[17] Idem, pp. 90-91.

[18] Idem, pp. 95-96.

[19] Idem, p. 93.

[20] Idem, p. 98.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken