< Terug

11. De twaalf kleine profeten

De twaalf bijbelboeken Hosea tot en met Maleachi hebben ieder afzonderlijk, naast uiteraard een eigen wordingsproces, ook hun eigen theologische betekenis. Zij beantwoorden ook ieder apart aan de algemene kenmerken van profetie, zoals elders beschreven in dit handboek. Daarnaast worden zij zowel in joodse als in christelijke tradities als een eenheid beschouwd. De oorsprong daarvan ligt hoogstwaarschijnlijk in het feit dat deze twaalf kleine bijbelboeken op één rol geschreven werden. Tot de Vondsten in de Woestijn van Juda behoort een rol met deze twaalf bijbelboeken, in de volgorde van de Hebreeuwse Bijbel, gevonden in Nahal Hever. Zij is in ieder geval niet later dan tijdens de Tweede Joodse Opstand onder Bar Kochba in 132-135 n.C. geschreven, maar stamt wellicht uit de ie eeuw.

De naamgeving

De oudste getuige van de eenheid van de bijbelboeken Hosea tot en met Maleachi is het deuterocanonieke boek Wijsheid van Jezus Sirach. In de zogenaamde ‘lof der vaderen’ (Sir. 44-50) noemt Ben Sira, na Jesaja in 48:17-25, Jeremia in 49:1-7 en Ezechiël in 49:8-9, deze bijbelboeken met de naam ‘de twaalf profeten’:

En dan de twaalf profeten! Hun gebeente moge opbloeien uit hun rustplaats. Want ze hebben Jakob getroost en ze hebben hen gered door hoopvol geloof.

(Sir. 49:10)

De aanduiding ‘twaalf’ accordeert in hun functie voor Jakob, die immers twaalf zonen heeft, met de twaalf stammen van Israël, die door Ben Sira met het persoonlijk voornaamwoord meervoud ‘hen’ wordt aangeduid.

Ben Sira geeft bovendien de theologische functie van de Twaalf aan met behulp van het werkwoord ‘troosten’. Het werkwoord ‘troosten’ komt evenwel in de Septuaginta in de Twaalf nauwelijks voor, alleen in Zacharia 10:2 om de falende, dat wil zeggende niet-troostende, inhoud van de leugenprofetieën aan te duiden. Binnen het geheel van de Septuaginta roept het daarentegen de profetische verkondiging van het einde van de ballingschap op, met name in het boek Jesaja (bijv. 40:1,2,11; 41:27; 49:13). Deze troost als markering van het einde van de ballingschap opent vervolgens een hoopvol toekomstperspectief van redding. Ook dit Griekse werkwoord ‘redden’ roept tekstplaatsen uit het boek Jesaja op (bijv. 35:9; 43:1; 44:22-23).

Hoewel de Hebreeuwse tekst van Ben Sira voor het vers 49:10 helaas merendeels beschadigd is, is de uitdrukking ‘de twaalf profeten’ wél goed overgeleverd. In plaats van het werkwoord ‘troosten’ leest de Hebreeuwse tekst echter een speciale vorm van het werkwoord ‘herstellen’, dat in Hebreeuwse Bijbel alleen nog voorkomt in Jesaja 38:16, dat onderdeel uitmaakt van het ‘geschrift aangaande Hizkia’.

Het aantal van twaalf is dus een doelbewuste keuze. Twaalf is immers een theologisch relevant getal. Om dit aantal te bereiken, wordt het boek Jona als profetenboek beschouwd, terwijl het eigenlijk een didactische vertelling betreft, vermoedelijk uit de 4e tot 2e eeuw v.C., waarvan de slotvraag in Jona 4:11 na lezing door de lezer beantwoord zou moeten kunnen worden.

Ook het boek Micha is naar mijn oordeel speciaal gecomponeerd om tot het aantal van twaalf te geraken. Het is een bloemlezing uit eerdere profetische teksten, in het bijzonder uit het boek Jesaja, vooral de hoofdstukken 1-12. Het bekendste voorbeeld van een dergelijke schriftgeleerdheid is Micha 4:1-5 dat een grote parallellie vertoont met Jesaja 2:4-5. De bloemlezing is op naam gezet van een profetenfiguur uit de begintijd van het profetisme binnen Israël: Micha, de zoon van Jimla uit I Koningen 22, die optreedt in het Noordrijk ten tijde van koning Achab. Het boek Micha is dus een pseudepigraaf, een genre dat vanaf de 4e eeuw v.C. een grote populariteit genoot. Juist deze anthologie, waarin de Heer centraal staat juist in zijn positieve relatie tot zowel Israël als de volkeren, vormt het hart van de Twaalf. Overigens kan ook het boek Jona als pseudepigraaf gezien worden, daar in 2 Koningen 14:25 een Jona, zoon van Amittai, optreedt.

De aanduiding ‘de Twaalf’ is sinds Ben Sira gangbaar in het jodendom. Deze naam wordt ook in het traktaat Baba Bathra 14b/15a van de Babylonische Talmoed gebruikt. In de christelijke traditie wordt veelal de aanduiding ‘kleine profeten’ gebruikt, wat terug gaat op Augustinus, bisschop van Hippo in de 4e eeuw:

De profeet Jesaja staat niet in het boek van de zogenaamde kleine profeten: klein, omdat hun geschriften maar kort zijn in vergelijking met de profeten die vanwege de grote omvang der door hen geschreven boeken de grote worden genoemd.

(DeCivitate Dei, Over de Stad van God XVIII,29)

De laatste decennia is echter ook de aanduiding ‘de twaalf profeten’, of kortweg ‘de Twaalf’, en zelfs de Griekse naam ‘dodekapropheton’ gangbaar geworden in christelijke milieus. Overigens is het opvallend dat op een van de oudste christelijke heiligenkalenders, namelijk die van de Armeense kerk, de twaalf kleine profeten geen afzonderlijke feestdagen hebben, zoals in de orthodoxe kerken, maar één gemeenschappelijke, namelijk 31 juli.

De rangschikking van de Twaalf

De volgorde van de twaalf profeten is evenwel tussen de Hebreeuwse canon en de Griekse canon licht verschillend.

Hebreeuwse bijbel

Hos.

Joël

Am.

Ob.

Jona

Mi.

Nah.

Hab.

Sef.

Hag.

Zach.

Mal.

Griekse bijbel

Hos.

Am.

Mi.

Joël

Ob.

Jona

Nah.

Hab.

Sef.

Hag.

Zach.

Mal.

Het verschil in rangschikking heeft wellicht te maken met het feit dat de Griekse Bijbel, de Septuaginta, de boeken primair in een inhoudelijke volgorde heeft geplaatst. De eerste vier boeken, Hosea, Amos, Micha en Joël, worden verstaan als handelend over het oordeel tegen het Noordrijk Israël. De drie daaropvolgende boeken, Obadja, Jona en Nahum, bevatten het oordeel tegen de heidenvolkeren. Ten slotte staan de laatste vijf boeken, Habakuk, Sefanja, Haggai, Zacharia en Maleachi, voor het heil dat het in eenheid herstelde Israël wordt aangezegd.

Naar alle waarschijnlijkheid weerspiegelt deze inhoudelijke volgorde de ordening binnen het boek Jeremia in de Septuaginta, waarbij eveneens een volgorde van oordeel tegen Israël, oordeel tegen de heidenvolkeren en heil voor Israël nagestreefd is.

De rangschikking van de Twaalf in de Hebreeuwse Bijbel weerspiegelt een chronologische volgorde. Uit de Babylonische Talmoed, Baba Batra 14b, komt naar voren dat men op grond van de opschriften boven de twaalf bijbelboeken, Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona en Micha rekent tot wat wij thans de 8e eeuw v.C. noemen, Nahum, Habakuk en Sefanja tot de 7e eeuw v.C. en Haggai, Zacharia en Maleachi tot de 6e eeuw v.C. Deze datering voor het boek Jona hangt samen met de identificatie met de hiervoor reeds genoemde Jona, zoon van Amittai, in 2 Koningen 14:25, die optreedt ten tijde van koning Jerobeam II van het Noordrijk Israël. Voor de boeken Haggai, Zacharia en Maleachi, die geen opschrift hebben in de eigenlijke zin van het woord, komt hun datering voort uit de vermelding van de Perzische koning Darius, de opvolger van Cyrus (vgl. Jes. 44:28; 45:1), in de openingszinnen en in Haggai 1:15; 2:10; Zacharia 1:7; 7:1. Ook de eigennaam Zerubbabel (Hag. 1:1,12,14; 2:2,4,21,23; Zach. 4:6,7,9.,10) ondersteunt deze rangschikking.

Deze vermeende chronologisering verklaart tevens waarom het aantal zogenaamde onheilsprofetieën in de loop van de Twaalf afnemen ten gunste van de heilsprofetieën.

De vooropplaatsing van het boek Hosea wordt in de Talmoed bovendien verklaard vanuit het feit dat aan het begin expliciet gemeld wordt dat de Heer God begint te spreken: ‘Begin van het spreken van de Heer door Hosea’ (Hos. 1:2a). Dit ‘begin’ wordt niet alleen als het begin van Hosea beschouwd, maar van de gehele Twaalf. Sterker nog, Rabbi Jochanan concludeert uit deze tekstpassage dat Hosea zelfs de oudste profeet is, ouder dan Jesaja en Amos.

Door de plaatsing van Joël in de Hebreeuwse Bijbel tussen Hosea en Amos in wordt bewerkt dat Joël als een soort commentaar op de beide buurboeken gelezen moet gaan worden. Joël werkt dan de cultuskritiek uit die beide buurboeken aanroeren. Ter onderstreping van deze relatie sluiten deze drie bijbelboeken ieder af met het beeld van een vruchtbaar land: Hosea 14:5-8; Joël 4:18-19 en Amos 9:11-15, waarbij Amos 9:12 alludeert op Joël 4:18. Deze vruchtbaarheid komt terug in Haggai 2:19 bij de herbouw van de tempel.

Voorts kunnen Hosea en Maleachi als een inclusie beschouwd worden. In beide boeken staat expliciet de liefde van de Heer voor zijn volk centraal. In Hosea krijgt deze liefde uitdrukking in een uitvoerige huwelijksmetafoor in de eerste drie hoofdstukken, maar ook in de aandacht die de Heer aan het volk besteed heeft, vanaf aartsvader Jakob, tijdens de uittocht, de woestijntocht en de gave van het land (Hos. ii). Deze terugblik op de geschiedenis van liefde vormt de aanklacht tegen het huidige volk Gods, evenwel met de bedoeling om het volk van zijn ontrouw te genezen en opnieuw in te sluiten in Gods liefde (Hos. 14:5). Het is met deze liefde dat Maleachi opent in 1:2, waarbij opnieuw de eigennaam Jakob klinkt.

Deze liefde maakt dat de geschiedenis bezien kan worden als een scheiding maken tussen de goddelozen en de rechtvaardigen. In Hosea komt dit kort aan de orde in het naschrift in Hosea 14:10, dat daardoor als motto gaat functioneren voor het vervolg van de Twaalf. In Maleachi komt dit tot een ontknoping in de komst van de dag van de Heer als een vernietiging van de goddelozen (Mal. 3:13-21). Tegen deze achtergrond verwijst de huwelijksmetafoor in zowel Hosea 1-3 als Maleachi 2:13-16 naar Gods liefde en de daaruit voortkomende onverbrekelijke trouw van zijn kant. Met het gebruik van deze beeldspraak sluiten de Twaalf aan bij het boek Jesaja, waar in met name 49:14-15; 50:1 deze beeldspraak ook gebruikt wordt.

Het dubbele naschrift in Maleachi 3:22,23-24 heeft meerdere functies. Het is niet alleen de afsluiting van het boek Maleachi, dat veeleer met de bodeformule heeft de Heer der heirscharen gezegd in Maleachi 3:21 afgesloten wordt, maar van de Twaalf als geheel. Daarbij is het tevens de afsluiting van de profetenboeken binnen de canon. De genoemde drie verzen beogen de profetenboeken te koppelen aan de boeken van Mozes. Expliciet klinkt de naam van Mozes en de berg van Mozes, de Horeb. Mozes, de ideale profeet immers (Deut. 18:13-21; 34:10), is verbonden met de Horeb (Deut. 5:2), waar hij de Tien Woorden ontving (Deut. 5:6-21). De profetische woorden, die van de Twaalf en die van alle profeten, moeten beschouwd worden als een concretisering van de Thora die Mozes ontvangen heeft.

Deze koppeling aan Mozes wordt voortgezet in de figuur van Elia. De profeet Elia, een van de eerste profeten, is de enige profeet die aan de berg van God, de Horeb, verbonden is vanwaar hij, gelijk Mozes, door de Heer gezonden werd (I Kon. 22). Omdat Elia bovendien de enige profeet is, van wie verteld wordt dat hij niet gestorven is, maar ten hemel is opgenomen (2 Kon. 2:11), krijgt deze aan het slot van het profetisch corpus eschatologische proporties. Elia contrasteert met Mozes, die immers wel gestorven is, maar wiens graf onbekend is. In het sterven en begraven van Mozes heeft de Heer de hand (Deut. 34:5-6), zoals de Heer de hand heeft in het einde van Elia. Op dezelfde wijze heeft de Heer de hand in de komst van de eschatologische Elia. Deze Elia zal het profetenwerk voltooien, daar iedereen tot bekering zal komen en een straf Gods overbodig zal zijn geworden.

Binnen de christelijke canon markeert dit slotakkoord tevens de overgang van de boeken van het Oude Testament naar de boeken van het Nieuwe Testament. De eschatologische Elia wordt daarbij geïdentificeerd met Johannes de Doper (Mat. 11:14; Luc. 1:17; vgl. Marc. 6:15; Luc. 9:8; daarentegen: Joh. 1:21,25), die expliciet profeet genoemd wordt (Luc. 1:76) en wiens boodschap bekering is (Mat. 3:2; Marc. 1:15). Overigens speelt deze eschatologische Elia ook een rol in de duiding van Jezus zelf. Op de vraag van Jezus wie hij is, wordt de optie genoemd dat hij met Elia te identificeren zou zijn (Mat. 16:14; Marc. 8:28). Deze optie wordt bij de kruisdood opnieuw geformuleerd door Jezus’ tegenstanders (Mat. 27:47; Marc. 15:35-36). Bij de verheerlijking van Jezus op de berg verschijnen Mozes en Elia, Thora en profeten (Mat. 17:3; Marc. 9:4; Luc. 9:30). En in Lucas 4:25-26; 9:54 speelt Elia in de coulissen een rol.

De concatenerende Twaalf

Recent exegetisch onderzoek heeft aangetoond dat, afgezien van een paar variaties, de volgorde van de boeken binnen de Twaalf mede bepaald wordt door herhalingen van woorden aan het einde van het ene boek in het begin van het volgende. Deze concatenaties, kettingvormingen, rijgen de Twaalf boeken aaneen. De concatenaties zijn een uiting van allerlei schriftgeleerde verbindingen tussen de twaalf boeken van de kleine profeten.

Hosea 14:5-9 en Joël 1:2-12 worden door de woordherhalingen koren (Hos. 14:8; Joël 1:10), wijnstok (Hos. 14:8; Joël 1:5) en wijn (Hos. 14:8; Joël 1:5) aan elkaar gekoppeld. Daarmee ontstaat een contrast tussen de goddelijke belofte van heil aan het slot van Hosea en het falend gedrag voor de komst van de dag des Heren als begin van Joël. De slotperikoop Joël 4:14-21 en de begintekst Amos 1:2 worden bij elkaar gehouden door de herhaling van de zin de Heer buldert uit Sion, uit Jeruzalem weerklinkt zijn stem (Joël 3:16a-b = Am. 1:2b-c). Bovendien komen in de directe omgeving van deze zin de topografische eigennamen Tyrus (Joël 4:4; Am. K9J0), Filistea (Joël 4:4; Am. 1:8) en Edom (Joël 4:19; Am. 1:6,9,ii) voor. Op deze wijze is het begin van Amos de voortzetting van de thematiek van Sion en de volkeren uit Joël.

Ook het voorkomen van sprinkhanen, met verschillende Hebreeuwse woorden aangeduid, in zowel Joël als Amos (Joël 1:4; 2:25; Am. 4:9) koppelen deze twee boeken aan elkaar. Deze sprinkhanen komen bovendien nog een keer voor in Nahum 3:16-17. Amos 9:11-15 en Obadja ib-10 hebben de woorden Edom (Am. 9:12; Ob. i.8), naties (Am. 9:12; Ob. i.2) en berg (Am. 9:13; Ob. 8) gemeenschappelijk, waardoor de heils-aankondiging, in weerwil van Edom en de volkeren, van Amos in Obadja wordt gecontinueerd. Edom gaat in de loop van de Twaalf een steeds prominentere rol spelen als dé representant van de volkeren. Was Edom in Joël 3:19 nog vergezeld van Egypte, in Amos 9:12 treedt Edom alleen op. Obadja zet deze lijn verder voort in de kettingverbinding tussen de boeken van de kleine profeten.

Obadja 11-21 en Jona1:1-12 kenmerken zich door de opvallende woordherhaling van het lot werpen (Ob.11; Jona1:7) en bovendien door de herhaling van het woord ongeluk (Ob.13; JonaK7.8). Hierdoor wordt het falen van Edom en van Jona geparallelliseerd. Edom lijkt zo de opmaat voor Nineve.

De concatenatie tussen Jona en Micha bevindt zich niet in het slothoofdstuk van Jona, maar in de hymne in Jona 2:3b-ii. De woorden heilige tempel (Jona 2:5,7; Mi. 1:2), water (Jona 2:5; Mi. 1:4), berg (Jona 2:6; Mi. 1:4), afdalen (Jona 2:6; Mi. 1:3), aarde (Jona 2:6; Mi. 1:3) en afgoden (Jona 2:8; Mi. 1:7) hebben Jona 2:3b-ii en Micha 1:2-7 gemeenschappelijk. Jona’s belijdenis in de buik van de grote vis en Gods theofanie ten oordeel aan het begin van Micha komen zo parallel te staan. Micha 7:14-20 en Nahum 1:2-8 kenmerken zich door de woordherhalingen Karmel (Mi. 7:14; Nah. 1:4), Basan (Mi. 7:14; Nah. 1:4), stof(Mi. 7:17; Nah. 1:3), voorbijgaan (Mi. 7:18; Nah. 1:8) en toorn (Mi. 7:18; Nah. 1:3,6). Op deze wijze worden de redding uit de hand van de vijand aan het slot van Micha en het oordeel tegen de grote vijand Nineve aan het begin van Nahum gelijkgeschakeld.

De perikopen Nahum 3:1-19 en Habakuk 1:2-17 hebben de woorden paard (Nah. 3:2; Hab.1:8), ruiter (Nah. 3:3; Hab.1:8), neerslaan (Nah. 3:3; Hab.1:17), naties (Nah. 3:4,5; Hab. 1:5,6,17), vesting(Nah. 3:8; Hab. 1:10) en verteren (Nah. 3:15; Hab. 1:8) gemeen. Daarmee wordt de ondergang van Nineve aan het slot van Nahum voortgezet in de ondergang van elke goddeloze aan het begin van Habakuk. Deze continuering krijgt voorts gestalte in Habakuk 3:6-10 over de theofanie, dat alludeert op Nahum 1:4-5, en in Habakuk 1:8-9 over de aanstormende Chaldeeën, dat de aanvallers van Nineve in Nahum 2:4-5 in herinnering roept.

Habakuk 3:1-19 en Sefanja 1:2-18 delen de woorden heuvels (Hab. 3:6; Sef. 1:10), woede (Hab. 3:8; Sef. i:15,18), stem (Hab. 3:10; Sef. 1:14), dag van benauwdheid (Hab. 3:16; Sef. 1:15), en vee (Hab. 3:17; Sef. 1:3). Beide perikopen beschrijven met behulp van deze woorden het straffende optreden van God.

De slotperikoop Sefanja 3:18-20 en de beginperikoop Haggai 1:2-6 worden gekenmerkt door de opvallende woordherhaling tijd (Sef. 3:19,20; Hag. 1:2,3,4). Op deze wijze wordt de heilsbelofte aan het slot van Sefanja gecontinueerd in de herbouw van de tempel, waarmee Haggai opent.

De bouw van de tempel is uitdrukking van Gods beloften (Hag. 2:1-9). Ook daarbij klinkt in vers 6 het woord tijd (vgl. ook 2:21). De tijd wordt voorgesteld als de komst van God, waarbij uitdrukkelijk op de beelden uit Nahum K4-5; Habakuk 3:3-15 wordt gealludeerd.

De slotperikoop Haggai 2:21-24 en de beginperikoop Zacharia 1:2-6 hebben eveneens een zeer opvallende woordherhaling: mijn dienstknecht (Hag. 2:24; Zach. 1:6). Met de aanduiding mijn dienstknecht wordt de toenmalige Zerubbabel, als eerste leider van het volk van na de Babylonische ballingschap, door Haggai in de woorden van de Heer betiteld, voorgesteld als de voortzetting van de profeten uit het verleden, die door Zacharia in de woorden van de Heer mijn dienstknechten genoemd worden. De laatste concatenatie, die tussen Zacharia en Maleachi, is minimaal; wellicht omdat het belang ervan slechts klein is. De perikopen Zacharia 14:8-21 en MaleachI K2-5 hebben slechts het woord oog(Zach. 14:12; Mal. 1:5) gemeenschappelijk. De verbinding tussen deze perikopen voltrekt zich veeleer direct op thematisch niveau: het koningschap van de Heer aan het slot van Zacharia en de liefde van de Heer, aan het begin van Maleachi vernoemd, worden door het concatenerend karakter van de Twaalf synoniemen van elkaar.

Theologische zwaartepunten van de Twaalf

De Twaalf als geheel kenmerken zich door een aantal theologische zwaartepunten. Het eerste betreft de profetie als zodanig. De opschriften boven de individuele boeken kenmerken zich door de aanduiding woord (Hos. Joël Am. Mi. Sef. Ook de opschriftloze boeken hebben dit woord in het eerste vers (Jona Hag. Zach. Mal. JonaDe aanduiding van de profetie als woord van de Heer vindt zijn hoogtepunt en voltooiing in het slotakkoord van Maleachi, waar profetie en Thora aan elkaar gekoppeld worden.

Het begrip woord wordt bovendien veelvuldig gecombineerd met het werkwoord schouwen (Am. Mi. Hab.Deze constructie maakt het niet alleen mogelijk visioenen op te nemen in de Twaalf, waarvan de eerste voorkomen in Amos (7:1-3, 4-6,7-9; 8:1-3; 9:1-4), maar waarmee vooral Zacharia (1:1-17,18-21; 2:1-5; 3:1-10; 4:1-14; 5:1-4,5-11; 6:1-8) gekenmerkt wordt. Bovendien herneemt deze constructie het opschrift uit Jesaja 2:1het woord dat Jesaja aanschouwde.

Een tweede theologisch zwaartepunt is de aandacht voor de dag van de Heer. De dag van de Heer als een dag van goddelijk ingrijpen van de kant van de Heer God is als een rode draad aanwezig in de Twaalf. Deze aanwezigheid wordt niet alleen zichtbaar in de letterlijke uitdrukkingde dag van de Heer (Am. 5:18,20; Ob.15; Sef. 1:7,14; Mal. 3:23), maar ook in tal van parallelle zegswijzen, waarvan op die dag de belangrijkste is. Op deze wijze komen als hoofdteksten Hosea 2; 9; Joël 2:1-11; Amos 5:18-20; 8:4-14; 9:11-15; Obadja 10-15; Micha 4:1-5; Nahum 1:2-15; Habakuk 3; Sefanja 1:2-18; Zacharia 14:1-7; Maleachi 3:19-21 naar voren. De dag van de Heer is daarbij een cli-mactische dag als voortzetting van de dag/dagen van straf aan de volkeren, in het bijzonder Edom, veelal als zelfkritiek voor Israël en Juda geformuleerd (zoals in Amos 1:2-3:2), in een dag van redding voor het Godsvolk.

Aansluitend op de theologie van de dag van de Heer bevatten de Twaalf ook het theologische thema van de barmhartigheid Gods. Deze barmhartigheid neemt in de Twaalf een grote vorm aan, zozeer zelfs dat het God verdriet doet straf op te leggen. In Joël 2:13 komt deze barmhartigheid ter sprake voor Israël, maar in Jona 4:2.0 wordt deze barmhartigheid uitgebreid richting de volkeren, waar God niet de ondergang van Nineve wenst. Via Micha 7:18; Nahum K2-3 (waarin Ex. 34:6-7 doorklinkt); Zacharia 14 culmineert deze theologische lijn in Maleachi 3:2-5 (met een citaat uit Joël 2:11). God maakt uiteindelijk geen onderscheid tussen soorten volkeren, maar tussen rechtvaardigen en goddelozen alleen (Mal. 3:18).

Ten slotte valt als theologisch zwaartepunt de oriëntatie op Sion op (zie met name Joël 3:1-8; Mi. 4:6-13; Sef. 3:14-17; Zach. 1:13-17; 9:9-10), gecombineerd met een toekomstvisioen met universalistische trekken (zie met name Zach. 2:10-12; 14:8-19). Hiermee sluiten de Twaalf eveneens bij Jesaja aan, waar deze dubbele aandacht voor Sion en voor de volkerenwereld in met name Jesaja 2:2-5 geformuleerd is. Het woord over Sion en de volkeren wordt binnen het boek Jesaja nog niet geïmplementeerd. De Twaalf hernemen deze opdracht tot implementatie. De expliciete opname van Jesaja 2:2-5 in Micha 4:1-5 is daarvan een uitdrukkelijke getuige.

Literatuur

  • Er bestaat nog geen goede Nederlandstalige monografie over de theologie van de twaalf kleine profeten, maar wel het kritische artikel van K. Spronk, ‘Hosea als onderdeel van het boek van de twaalf profeten’, in: Amsterdamse Cahiers voor Exegese van de Bijbel en zijn Tradities: Hosea, 17 (1999) pag. 23-35, dat hoofdzakelijk vanuit een redactiehistorische invalshoek geschreven is.

  • Wetenschappelijke literatuur is sinds de laatste decennia groeiende en thans behoorlijk omvangrijk. Een van de eerste studies is P.R. House, The Unity of the Twelve (Journal for the Study of the Old Testament Supplement series 97), Sheffield 1990. Uitvoerige informatie bieden ook de publicaties van James Nogalski, zoals zijn Literary Precursors to the Book of the Twelve (Beihefte zur Zeitschrift für die alttestament-liche Wissenschaft 217), Berlin etc. 1993, dat veel aandacht besteedt aan de hier behandelde concatenaties. Een goed overzicht van zowel synchrone als diachrone kwesties bevat het artikel A. Schart, ‘Das Zwölfprophetenbuch als redaktionelle Großeinheit’,Theologische Literaturzeitung 133 (2008) 227-246.

< Terug