Bijbelvertalen op kleine schaal
De Bijbel is wereldwijd het meest vertaalde boek. Maar nog steeds zijn er mensen, volken, die geen ‘eigen’ Bijbel hebben en is er werk voor vertalers… In één van de talen op Papoea Nieuw-Guinea verscheen onlangs zo’n eigen Bijbelvertaling. Feestelijk en met grote vreugde werd die in ontvangst genomen. De vertaalster vertelt…
Omringd door eindeloos oerwoud ligt in de hooglanden van Papoea Nieuw-Guinea het dorp Walagu. Een stipje op de kaart van dit ruige en ontoegankelijke land. Papoea Nieuw-Guinea vormt samen met West-Papoea een geografische eenheid. Een vrijwel rechte streep deelt het eiland in tweeën, vrucht van het koloniale verleden. Het westelijke deel hoort bij Indonesië, het oostelijke deel vormt het sinds 1975 onafhankelijke Papoea Nieuw-Guinea (PNG). Voor taalkundigen is het land een waar Eldorado, want er worden ruim achthonderd verschillende talen gesproken! Het Onobasulu is één van die vele kleine talen. Het zijn nog geen 2000 sprekers! Walagu is het hoofddorp van de Onobasulu’s.
Zendingswerk en varkens
In de jaren ’90 van de vorige eeuw kwam ik als taalkundige in contact met deze taalgroep. De eerste dopelingen waren er in 1973. Begin jaren zestig ontstonden de eerste contacten met het christendom. Een zendeling van de Zevende Dag Adventisten kwam naar de Onobasulu’s.
Voor dit kerkgenootschap, waarbinnen allerlei Joodse wetten worden nageleefd, is het varken een onrein dier. De zendeling zei dan ook, dat ze hun varkens moesten opgeven. Maar het varken was en is voor de Onobasulu’s hét dier bij uitstek! Van oudsher is het zo ongeveer hun munteenheid. Bruidsprijzen werden en worden bijvoorbeeld nog steeds vooral in aantallen varkens uitgedrukt. En ook de status van mensen wordt voor een deel afgemeten aan het aantal varkens, dat ze bezitten. De zendeling had dan ook weinig succes en vertrok zonder bekeerlingen. In ongeveer dezelfde tijd kwam vanuit een naburige taalgroep een Papoea Nieuw-Guineese zendeling naar de Onobasulu’s. Hij had niets tegen varkens en dat gaf al wat meer lucht.
Het varken is ongeveer de munteenheid… bruidsprijzen en status in aantal varkens uitgedrukt
Herkenning van een Bijbelverhaal!
Een belangrijk moment in hun uiteindelijke acceptatie van het christendom is het verhaal geweest over de uittocht uit Egypte en het beschermende bloed aan de deurposten.
Daardoor bleef Israël het lot van de Egyptenaren bespaard (Exodus 12).
Dit verhaal leek als twee druppels water op één van hun eigen rituelen. Wanneer iemand uit het grote clanhuis ernstig de mist was ingegaan – met name op het gebied van seksualiteit – moesten alle bewoners van het huis binnen blijven. Op kosten van de overtreder(s) werd een varken geslacht. Het bloed werd aan de deurposten gesmeerd en bij iedereen ook op het kuiltje tussen de beide sleutelbenen. Voor de Onobasulu-mensen was dat een plek waar de geesten binnen zouden kunnen komen. Men hield het dan ook altijd bedekt. Met de nachtelijke bloedceremonie hoopte men, dat de wraak van de geesten het huis voorbij zou gaan.

Het zeer herkenbare verhaal uit Exodus raakte hen en heeft bijgedragen aan hun keuze voor het christelijk geloof. Het was het begin van de Onobasulukerk. Wat ik vaak hoor, is dat die overgang ze bevrijd heeft van veel angst voor geesten, verboden gebieden en andere onheilspellende taboes. Ook de eindeloze oorlogen kwamen tot een einde. Voor vrouwen is het leven ook veel beter geworden.
Het Exodus-verhaal met de nachtelijke bloedceremonie bevrijdt van boze geesten
Verlangen naar een eigen Bijbel
Er was een Bijbel beschikbaar in de handelstaal van PNG, maar die konden de meeste mensen niet lezen. Daarom wilde de kerk graag een vertaling in de eigen taal. Vier mannen – later zes – werden door de kerk aangewezen als vertalers met wie ik zou gaan samenwerken. Hun opleiding was zeer beperkt en de uitdaging enorm. Maar we zijn die uitdaging aangegaan en dat heeft uiteindelijk geresulteerd in het Onobasulu Nieuwe Testament, dat in januari van dit jaar feestelijk is ingewijd. In dit artikel geef ik een paar impressies van dit prachtige werk.

Een ‘hopeloze’ vertaling
Het vertaalwerk is echt een kwestie van lange adem geweest. Het was en is op en top pionieren, want het gaat niet simpelweg om het overzetten van het Nieuwe Testament in een nieuwe taal. Het gaat ook om het vinden van passende Onobasulu woorden voor Bijbelse begrippen. Tal van woorden die voor ons heel gewoon zijn, kent het Onobasulu niet.
Bijvoorbeeld woorden als koninkrijk en genade. Ook een woord als ‘hoop’ kenden ze niet. Naar een goede vertaling van dat laatste woord zijn we lang op zoek geweest. We hadden eerst een woord, dat iets als ‘wachten’ betekent, maar dat is natuurlijk te mager. Tegelijk, er was simpelweg geen kant en klaar woord voor ‘hoop’. Via een omweg vonden we het toch. Eén van de vertalers gaf bij de koffie aan, dat hij uitzag naar de komst van een goede vriend: ‘ik zet mijn adem erop dat hij morgen komt’. Dat zinnetje fascineerde mij: ‘zou dat een uitdrukking kunnen zijn voor hopen?’ Toen we die mogelijkheid verkenden, bleek het een voltreffer te zijn.
Geen kannibalisme in Johannes 6
Jezus zegt in Johannes 6, dat we zijn vlees moeten eten en zijn bloed moeten drinken om voluit te leven. Die woorden klinken voor de vertalers met wie ik werk heel anders dan voor ons. Hun ouders hebben nog mensenvlees gegeten. Daar schamen ze zich nu ook wel voor. Ze zeggen er altijd bij, dat ze de lichamen van de gedode vijanden niet zomaar konden laten liggen. ‘Het waren wel mensen.’ Dus dat ze het vlees opaten, was eigenlijk uit respect voor het menselijk leven!
Dat ze er extra kracht uit kregen, zoals vaak door antropologen beweerd wordt, beaamden ze niet. Nee, het was gewoon vlees, zeiden ze. Ik vroeg nog even door. ‘Dus dachten jullie dan niet, dat de geest van de opgegetene in je over ging, of zoiets?’ Ja, dat wel, maar dat was niet positief. De ziel van die vijand bleef bij degene, die hem gedood had, en viel hem lastig met angst en ziekte en dingen die mislukten. Ook kon die geest zijn leven gaan sturen en hem in de handen van de vijand drijven.
We keerden terug naar de tekst in Johannes 6 en wat het dan betekent, dat Jezus zegt dat we zijn vlees moeten eten. De analogie met hun eigen cultuur kwam toen opeens verrassend naar voren. Als we Jezus’ lichaam eten, d.w.z. als we zijn dood helemaal tot ons door laten dringen, als we deel aan Hem krijgen in brood en wijn, dan komt zijn Geest over ons en dat is juist wel positief. Hij leidt ons naar een leven in al zijn volheid (Joh. 10:10). In een voetnoot bij Johannes 6 hebben we overigens toch maar even uitgelegd, dat Johannes het hier niet heeft over kannibalisme.

Een liaan in plaats van een anker
In Hebreeën 6:19 staat, dat de hoop een betrouwbaar anker is voor de ziel. De Onobasulu kennen geen boten en dus ook geen ankers. Het woord zegt hen niets. Maar het idee om zich ergens aan vast te haken, kennen ze wel. Als ze namelijk een snelstromende rivier over moeten steken, gooien ze een liaan met een haak eraan naar de overkant, net zo lang totdat die blijft haken achter een boom. Dan kunnen ze zichzelf aan die liaan veilig naar de overkant trekken. Dat is precies wat we zochten voor deze tekst. Het plaatje kwam tot leven. We voelden ons bij wijze van spreken bijna meegesleurd worden door de rivier, maar gelukkig hadden we die vastgehaakte liaan vast! De vertalers zeiden dat dit zo’n bemoedigende tekst was, omdat in hun cultuur iedereen altijd bang is dat de ziel losraakt.
Een anker? Als er geen boten zijn heb je meer aan een liaan, vastgehaakt aan een boom
De opbouwwaarde van vertalen
Wat me vaak treft, is de gelijkenis van de Onobasulu samenleving met de samenleving, zoals we die in de Bijbel tegenkomen. Dat Jezus in een stal werd geboren bijvoorbeeld, wekt bij de Onobasulu’s geen enkele verbazing. De ouderen onder hen zijn zelf ook allemaal geboren onder niet meer dan een afdakje in het oerwoud. ‘Thuisbevallingen’ waren taboe, voor een geboorte verlieten vrouwen het dorp. Mannen gingen niet mee.
Soms denk ik weleens, dat het jammer is dat wij in Nederland al zoveel vertalingen hebben. Er zijn, zo heb ik telkens weer ervaren, weinig zaken zo gemeente-opbouwend als het bezig zijn met het vertalen van de Bijbel. Dat gebeurt uiteraard vooral in het vertaalteam, maar we hebben ook altijd de consulenten-controle. Zo’n controle is van belang om te zien of de tekst nauwkeurig is vertaald en of de tekst ook goed begrepen wordt. Pas met de officiële goedkeuring van een erkende consulent mag een Bijbelgedeelte uitgegeven worden. Bij zo’n controle worden altijd mensen ingeschakeld, die de tekst nog niet gezien of gehoord hebben. Ze horen de woorden dus voor het eerst, als nieuw.

Ik herinner me nog goed dat bij de controle van de – moeilijke! – Romeinenbrief de mensen, die bij de controle aanwezig waren, herhaaldelijk tot tranen toe geroerd werden door wat ze hoorden en lazen. Ze vielen op hun knieën en beleden openlijk wat er niet goed zat in hun leven. Daarna was er vreugde. Iemand zei: ‘We dachten, dat we waren gekomen om de tekst van de Romeinenbrief te checken, maar de tekst checkte ons.’ Het treft me vaak hoe serieus de Onobasulu-mensen de woorden uit de Bijbel nemen. Ze hebben echt autoriteit. Daar kunnen wij vaak nog wel iets van leren.
Een prachtig feest, met dans, gezang, toespraken en veel gasten uit omringende taalgroepen
Een prachtig feest
De overdracht van het Nieuwe Testament in de eigen taal aan de Onobasulu-mensen was een prachtig feest, met dans, gezang, toespraken en heel veel gasten uit omringende taalgroepen. Sommigen van hen hadden daarvoor drie dagen gelopen, want in de wijde omgeving zijn er geen wegen. Alles gaat te voet. Het mooie feest kostte overigens wel dertig ‘feestvarkens’ het leven…
Vreugde bij het voorlezen uit het Nieuwe Testament in de eigen taal door Fuale, één van de eerste dopelingen (YouTube, 30 sec.)
Drs. Anne Stoppels-Dondorp is taalkundige en is vanuit Wycliffe Bijbelvertalers betrokken bij bijbelvertaalwerk en lees- en schrijfonderwijs in de Onobasulutaal in Papoea Nieuw-Guinea.