Menu

Premium

3. De Drie-enige van de preek (2)

Onderdeel van Horen naar de stem van God

De Drie-enige communiceert

Met behulp van de denkbeweging die Gunton voorstelt is het mogelijk Noordmans’ trinitarische aanzet te completeren en verdiepen. Dat is wel nodig om ruimte te maken voor een positieve waardering van de geschapen werkelijkheid. Het valt namelijk op, dat het scheppende werk van God weinig positieve aandacht krijgt bij Noordmans. Hij noemt de schepping vooral als ‘critisch begrip’

Zie bijvoorbeeld Herschepping, 171.

, waarmee hij aanduidt dat de scheppingsleer onze val zichtbaar maakt en de werkelijkheid van ons leven onder het oordeel plaatst en zo ontdekt hoezeer wij herschepping nodig hebben. Maar echt tot ontwikkeling komt de scheppingsleer niet in zijn denken.

Zie B.J.G. Reitsma, Geest en schepping. Een bijbels-theologische bijdrage aan de systematische doordenking van de verhouding van de Geest van God en de geschapen werkelijkheid. Zoetermeer 1997, 54-59, 62.

De zorgvuldige aandacht die Noordmans heeft voor het werk van de Zoon als het vleesgeworden Woord en het herscheppende werk van de Geest die sprekend het evangelie neemt uit de Zoon kan beter tot zijn recht komen als we die, gebruikmakend van Guntons denkoefening, meer in het perspectief van Gods scheppingswerk verstaan. Van daaruit kan de praktische betekenis van de triniteitsleer voor de homiletiek duidelijker zichtbaar gemaakt worden in het geschapen zijn naar Gods beeld.
In Jezus Christus, het vleesgeworden Woord leren we de Drie-enige God kennen. Dat impliceert overigens dat de Drie-enige zich in de komst van Christus niet exclusief uit in woorden, maar primair in zijn vleeswording. Want in Hem is de goddelijke volheid lichamelijk aanwezig (Kolossenzen 2:9). Alleen als we Jezus Christus als het Woord zien binnentreden in de geleefde werkelijkheid wordt het mogelijk zijn gesproken woorden ook werkelijk te horen als uitdrukking van een diep wortelende werkelijkheid.

Sprekend deelt Hij zich in Jezus Christus mee aan ons mensen en communiceert zijn liefde. Horend naar zijn woord, leren we ook ons zelf kennen in onze bestemming om te communiceren in de gemeenschap met Hem en met elkaar. Daarmee ontdekken we tegelijkertijd hoe ontaard onze communicatie is. Want niet alleen ons geschapen zijn naar Gods beeld maar ook de zonde is constitutief voor de manier waarop we in het leven staan. Maar als we door de Geest gehoor geven aan Hem die spreekt wordt zijn liefde ons deel. Zo alleen kan ons leven veranderen naar zijn beeld en herschept de Geest ons tot mensen die delen in de communicatie van de Drie-enige en zelf de liefde van God sprekend communiceren.
De omgang van de Drie-enige God ad intra wordt niet alleen weerspiegeld in zijn werken ad extra in de heilsgeschiedenis, maar ook in het concrete handelen van de kerk.

Zie Leanne van Dyk, ‘The Church’s Proclamation as a Participation in God’s Mission’, in: Daniel J. Treier and David Lauber (eds.), Trinitarian Theology for the Church. Scripture, Community, Worship. Downer’s Grove 2009, 225-236, 226.

Op de spits geformuleerd: een goede preek toont het herstel van het beeld van God in een zondig mens.
Vanuit het voorgaande formuleer ik kort in een aantal statements wat ik als de belangrijkste winst zie van een trinitarische doordenking van de homiletiek.

1. Preken als meebewegen met God

Het meest basale inzicht dat dit oplevert is dat ieder die preekt of gaat preken zich opgenomen mag weten in het grote werk van de Drie-enige God. Wie preekt staat niet voor de opgave om een seculiere cultuur open te breken naar enige vorm van godskennis. De opvatting van praktische theologie als crisiswetenschap heeft een concentratie te zien gegeven op methoden en technieken, ook in communicatief opzicht. De homiletiek van de laatste veertig jaar draagt er de diepe sporen van. Maar als middel om de secularisatie te bestrijden lijkt dat op zich niet erg effectief en hoopvol. Een puur empirische wending is gedoemd dood te lopen.
Daarmee is het belang van methode en communicatieve competentie niet ontkend. Integendeel. Maar die ontvangen hun vruchtbare werking pas wanneer ze gerelateerd worden aan het werk van de Drie-enige. Daarom is het bemoedigend te weten dat er vanaf het begin van deze wereld een permanente communicatie gaande is, waarin God zich geeft in deze wereld door het verlossende Woord te spreken en door de Geest van Christus deze gevallen wereld en de van hem vervreemde mens te herscheppen.

De meer recente homiletiek die zich situeert in de postmoderne samenleving lijkt hier bijzonder open voor te staan. Zo stelt Grözinger dat de preek God niet ter sprake kan brengen omdat de mens van vandaag dat zo nodig heeft. De postmoderne situatie leert ons dat wel af. De grote verhalen van de christelijke traditie (en de daarmee verweven verhalen van de westerse cultuur) hebben hun vanzelfsprekendheid verloren. Hij herneemt de centrale overtuiging van Barth dat alleen God zelf een nieuw begin tot stand brengt in het leven van mensen. Vervolgens munt hij dat gegeven in concrete homiletische competenties voor de postmoderne hoorder, hier uitgewerkt als het creatieve proces van het nieuwe begin. Albrecht Grözinger, ‘Anfängliche Predigt als Gottesrede’, in: Idem, Toleranz und Leidenschaft. Über das Predigen in einer pluralistische Gesellschaft. Gütersloh 2004, 59-86.

Wie preekt en preken mag zich (laten in) voegen in de beweging van die communicatie. Preken wordt zo meebewegen met God.

De uitdrukking is ontleend aan Hans Tercic, Mee-bewegen met God. Essay over de drie-ene God. Averbode 2000. In dit verband is het opvallend te noemen, dat Grözinger in zijn bespreking van de dramaturgische homiletiek concept van Martin Nicol diens concept typeert als ‘de interne logica van een consequent trinitarisch Godsverstaan’. Grözinger, Homiletik, 294-297. Zelf kiest hij dat niet als vertrekpunt van zijn eigen homiletiek, maar als hij de kern van het preekgebeuren beschrijft naar zijn theologische betekenis benoemt hij dat naar het inzicht dat de Drie-enige God zijn geschiedenis delen wil met de mensen, Homiletik, 117 v.

2. Preken als persoonlijke omgang

In het licht van het scheppend spreken van God de Vader kan de preek bezien worden als een middel dat God gebruikt om met ons te communiceren. De liefdesgemeenschap blijft niet besloten binnen de Drie-enige God, maar in zijn goedheid heeft God besloten naar buiten te treden en zich publiek te presenteren. Er ligt dus een diepe persoonlijke trek in Gods relatie met deze wereld en met ons. Hij is niet de verre, onkenbare, maar Hij is sprekend dichtbij (Romeinen 10:8). Homiletisch is hier de winst te behalen in de reflectie op het spreken en de stem van God. De preek wordt zo uitdrukking van de persoonlijke omgang die God met ons zoekt. Verder denkend op het spoor van de mens als homo respondens is hier te spreken van een homiletiek van de tweede persoon: door God aangesproken zijn, roept het antwoord op dat naar Hem terugverwijst. Daarmee is een veelbelovende uitweg gewezen die helpt om de klassieke tegenstelling tussen objectieve en subjectieve prediking te overstijgen. In de gereformeerde homiletiek is terecht in dit verband van ouds Gods verbond(enheid) met mensen ter sprake gebracht. Mede vanwege het klassieke spraakgebruik op dit punt (‘het verbond van God’) lijkt die benadering de laatste tijd wat minder goede papieren te hebben. Maar hernieuwde trinitarische doordenking zou in dit opzicht nieuwe inspiratie kunnen opleveren. De verbondenheid van Vader, Zoon en Geest krijgt zijn concrete uitwerking in de verbondenheid die de Drie-enige in de praktijk van het geleefde geloof met ons mensen aangaat. Daarmee is het kader gegeven voor een homiletiek van de persoonlijke omgang met God.

Zie op dit punt vooral C. Trimp, Klank en weerklank.

Preken wordt mogelijk in het kennen van de Drie-enige.
Dat inzicht is dan ook belangrijk voor het nadenken over de persoon van de prediker. Als preken mogelijk is in het kennen van de Drie-enige is daarmee veel gezegd over de innerlijke logica van de preekdienst.

Anderson wijst breed aan van uit de evangeliebeschrijvingen dat Jezus zijn dienst steeds in het licht van Zijn omgang met de Vader ziet. (Niet de problemen van de context schrijven zijn agenda, maar de Vader die Hem in deze wereld zendt.) Die relationele gerichtheid benoemt hij als de innerlijke logica van alle dienst. Vervolgens werkt hij die dienst uit als ‘christopraxis’. Ray S. Anderson, The Shape of Practical Theology. Empowering Ministry with Theological Praxis. Downer’s Grove 2011, 42, 47 v.v. Zie voor een praktische uitwerking van deze gedachte: Stephen Seamands, Ministry in the Image of God. The Trinitarian Shape of Christian Service. Downer’s Grove 2005.

Enerzijds wijst het de prediker aan op zijn eigen verbondenheid met de Drie-enige als de bron waaruit zijn dienst gevoed wordt. Anderzijds belooft dat veel voor de manier waarop God een mens gebruiken wil om zijn stem de laten horen. Het moet dus mogelijk zijn dat de prediker werkelijk de stem van zijn Meester hoorbaar maakt.

3. Mensgeworden Woord en preek

In het licht van de vleeswording van het Woord, Jezus Christus, de Zoon van God kan de preek bezien worden als de boodschap van genade die dichtbij is en in deze gebroken werkelijkheid metterdaad aanwezig is. Christus staat zelf in persoon voor de boodschap van de preek. Hier vallen de beslissingen over de inhoud van de prediking. Zijn Woord gaat kritisch oordelend over deze wereld (Johannes 16:8-11). Tegelijkertijd belooft het de verzoening van Christus en roept daar toe op (2 Korintiërs 5:18-21). (Een brede uitwerking van de plaats en de betekenis van het Woord voor preek en prediking wordt geboden in de hoofdstukken 4 en 5.)

4. Preek en herschepping

In het licht van het herscheppend spreken van God de Heilige Geest, kan de preek worden bezien als het effectieve middel dat God gebruikt om zijn heil mee te delen aan mensen op deze aarde. Bovendien biedt dit uitgangspunt ruimte om na te denken over de wijze waarop de Geest effect verleent aan het evangelie. Hij werkt op de manier van de schepping. Theologisch is er zo ruimte om aandacht te geven aan de creatuurlijke aspecten van mondelinge communicatie. Methode en techniek hebben in zichzelf geen effectieve kracht om de communicatie met God te bemiddelen. Praktische theologie als pure crisiswetenschap is dan ook een vruchteloos antwoord op de preekcrisis van de Verlichting. Maar in de handen van de Geest kunnen alle aspecten van ons creatuurlijk bestaan effectieve middelen worden waardoor de Drie-enige zijn persoonlijke omgang met mensen gestalte geeft. Dat geeft ruimte om echt praktisch theologisch na te denken over de concrete preekpraktijk met alle (inter)menselijke processen en vormen van methodisch handelen die daarbij in geding zijn.

5. Echo van God: participerend preken

Nadenkend over de betekenis van de triniteit is in het bovenstaande ook de schepping van de mens als beeld van God ter sprake gekomen. Als mens kunnen we zeggen: Ik ben van oorsprong communicatief omdat ik aangelegd was op een communicatieve God. In Christus kan de mens daarom weer ‘sprekend’ een beeld van God worden. Daarmee is een kerntrek van de preek aangeduid door het de communicatievorm bij uitstek te noemen. Voor alle helderheid: het geldt dus voor elk mens die zich gewonnen geeft aan het spreken van God dat hij sprekend een echo van God wordt. Dat is dus niet het exclusieve voorrecht van de professionele prediker. Eerder geldt het omgekeerde: Als communicatie een wezenstrek is van de mens, geschapen naar Gods beeld, hoort de verkondiging van het evangelie tot de taak van de hele gemeente. In de gereformeerde traditie is dit altijd benoemd als de profetische roeping van iedere christen. Het is wel relevant om die roeping hier ter sprake te brengen. die is namelijk te omschrijven als de algemene roeping die als het ware ‘onder’ de preek als fenomeen herkenbaar is en in feite ook de kern van de prediking als liturgische praktijk vormt. Het evangelie is aan de gemeente toevertrouwd. Daarom ‘woont’ het Woord ook in de gemeente (Kolossenzen 3:16). Het evangelie profetisch ter sprake brengen in deze wereld is daarom een algemene taak van de gemeente. In zoverre is preken een functie van de gemeente te noemen.
Opvallend genoeg zet Noordmans in zijn doordenking van het trinitarisch dogma wat dit element betreft ook zeer laag in. Hij geeft aan zijn Herschepping niet voor niets de ondertitel mee handleiding voor het houden van een godsdienstige toespraak. Hij refereert ook uitdrukkelijk aan het twee of drie in mijn naam (Matteüs 18:20).

Noordmans, Herschepping, 15.

Zo kan er ruimte komen voor een kritisch, participerend preken en eredienst vieren. De preek is niet primair een monologische communicatie met de gemeente als adres, maar een liturgische praktijk waarin de hele gemeente deelneemt. De beschrijving die Paulus (1 Korintiërs 14) geeft van een homiletisch gesprek is daar een duidelijk voorbeeld van. In de context van de huidige cultuur kan die beschrijving een nieuwe actualiteit ontvangen. De hoorder van vandaag is als kind van zijn tijd zoveel mondiger geworden. Die mondigheid krijgt zijn ware inhoudelijke betekenis, wanneer die metterdaad beleefd wordt als de roeping om stem te geven aan het evangelie.

Intussen is met dit alles het kerkelijk ambt niet weggeredeneerd. In de gereformeerde traditie is het ambt gezien als een middel om de kerk op een betrouwbare manier te bewaren bij Christus. A. van de Beek, die op dit element veel nadruk legt noemt in dit verband het ambt in één adem met Schrift en belijdenis. ‘Elk afzonderlijk leidt makkelijk tot willekeur en dat is het tegendeel van betrouwbaarheid. Elk element afzonderlijk kan ook leiden tot verstarring, terwijl het gaat om de kennis van de levende Heer. Daarom moeten de drie elementen altijd bij elkaar gehouden worden: geen ambt zonder Schrift en belijdenis, geen belijdenis zonder Schrift en ambt én geen Schrift zonder ambt en belijdenis.’

A. van de Beek, Lichaam en Geest van Christus. De theologie van de kerk en de Heilige Geest. Zoetermeer 2012, 195.

In de gereformeerde traditie is altijd benadrukt dat het ambt fungeert als een tegenover voor de gemeente: het evangelie komt niet uit de gemeente zelf op, maar het komt van de andere kant. Daarom is het tegenover niet gelegen in het ambt op zich, maar in het woord zelf.
In de praktijk van het geleefde geloof kon soms een spanning ontstaan tussen de lijn van het ambt van alle gelovigen en het bijzondere ambt. Dat werd mede beïnvloed door het feit dat in de loop van de eeuwen preken vooral een taak is geworden van daar speciaal voor aangewezen en opgeleide ambtsdragers. Daardoor kon soms een tegenover van het ambt ontstaan, die een tweespalt tussen prediker en gemeente suggereerde. Tegen die achtergrond wordt de prediking een proces dat zich afspeelt tussen twee polen. De prediker wordt daarbij het sprekende subject en de gemeente de horende partij.

Firet gebruikt een fraaie metafoor om gemeente en ambt in één gedeeld perspectief te verstaan. Hij noemt het ambt als het ware een zekering in het stroomnet van de kerk, die meldt wanneer op welk punt de kerk niet meer ‘kerk’ is. Op deze manier kan het ambt voluit gezien worden als symbool van het geheim van de kerk om ruimte te scheppen voor de concentratie op de Heer van de kerk. J. Firet, ‘Zin en betekenis van het ambt’, in: J. Firet, Spreken als een leerling, Praktisch-theologische opstellen. Kampen 1987, 80-83 (81).

Denkend vanuit de triniteit kan prediking weer voluit als liturgische praktijk van de hele gemeente gezien er ervaren worden. De prediker die als hoorder zich geroepen voelt antwoordend mens tegenover God te zijn heeft als taak het horen van de gemeente te faciliteren en haar voor te gaan in en te stimuleren tot haar antwoordend bestaan. Ook wanneer een prediker uit de rijen naar voren komt blijft zij als twaalfde man deelnemend daarbij betrokken.

De laatste tijd is er in de homiletiek door verwerking van inzichten uit de zgn. ‘performance studies’ bijzondere aandacht voor deze de gezamenlijkheid tussen spreker en gehoor. Aandacht voor de performatieve werking van taal leidde tot het inzicht dat ook de hoorders actief in het proces meedoen als een performatief gehoor. Zie Immink, Het heilige gebeurt, 41 v.v. waar hij de communicatie rond de preek fraai intekent binnen het geheel van het liturgisch gebeuren.

6. Preek en trinitarische grammatica

In het voorgaande is in aansluiting aan de gedachte van Noordmans enkele keren gepleit voor het spreken van een trinitarische grammatica. Bij Noordmans is de trinitarische spraakregel vooral een inhoudelijke categorie. Hij wil er mee aangeven dat in de preek het spreken van God hoorbaar wordt doordat de boodschap van Gods rechtvaardiging wordt gebracht. Maar naast een inhoudelijke grammatica (wat wij te zeggen hebben is het verhaal van God) is in zekere zin toch ook te spreken over een functionele grammatica. Als ons sprekend communiceren een echo zijn mag van Gods communiceren heeft de spraakregel die daaronder zijn werk doet ook betrekking op de processen die daarbij in geding zijn.
Voor de ontwikkeling van die gedachte biedt het werk van Amerikaanse theoloog Kevin Vanhoozer belangrijke aanknopingspunten. Hij neemt met zijn bijdragen vooral deel aan de hermeneutische discussie. Maar op sommige punten is zijn werk goed vruchtbaar te maken voor de homiletiek. In dit verband is vooral te denken aan de manier waarop hij de taaldadentheorie combineert met de triniteitsleer.

Kevin Vanhoozer, Is There a Meaning in This Text? The Bible, the Reader and the Morality of Literary Knowledge. Grand Rapids 1998. Zie m.n. 456 v.v. Op de achtergrond van die keus speelt een rol, dat Vanhoozer de filosofische crisis rond tekst en betekenis duidt als een theologische crisis. In aansluiting aan George Steiner stelt hij dat de dood van de auteur (waarmee hij de visie aanduidt dat een tekst in zichzelf geen betekenis heeft, maar dat het de lezer is die er betekenis aan geeft) in feite al is ingeleid door de gedachte van de ‘dood van God’ zoals die sinds Nietzsche is geformuleerd.

De kern van de taaldadentheorie bestaat hierin, dat talige uitspraken zelf ook opgevat worden als daden, handelingen.

In het volgende hoofdstuk kom ik hier meer gedetailleerd op terug.

Er wordt vaak uitgegaan van een tegenstelling tussen woorden en daden. Dat is terecht voor zover woorden niet gedekt worden door de bijpassende daden. Maar intussen is het spreken zelf ook wel degelijk op te vatten als een daad. (Dat is de ervaring van ieder mens bij het horen van woorden die iets met je doen). Communiceren is meer dan het uitwisselen van woorden. Wat gezegd wordt heeft ook werkelijk te maken met degenen die spreken en het verandert de stand van zaken in hun onderlinge verhouding. Het begint met iemand die spreekt en zich daarmee tot een ander wendt, vaak met een specifieke bedoeling. Vervolgens is er de uitspraak zelf die de inhoud van de communicatie bevat (dat kan bijvoorbeeld een belofte zijn, een bevel of een andere uitspraak). Tenslotte is er het effect dat de uitspraak heeft op de aangesprokene. Opgevat als taaldaad heeft een uitspraak onmiskenbaar die drie aspecten in zich. En die drie horen onafscheidelijk bij elkaar in die ene taaldaad.
Het is dit inzicht dat Vanhoozer vervolgens in verband brengt met de leer van de Drie-eenheid. Het wezen van de drie-enige God ligt in zijn zelf-communicatie van Vader, Zoon en Heilige Geest. Dat is bepalend voor de diepe samenhang waarmee Hij communiceert naar mensen toe. Om te beginnen is er de taaldaad van de Vader die spreekt. Vervolgens is er de taaldaad zelf, die bestaat in het Woord in persoon, God heeft gesproken in de Zoon (Hebreeën 1:1). Tenslotte is er het effect dat het gesprokene heeft: dat God in zijn spreken volbrengt wat hij gebiedt (Jesaja 55:11) is het werk van de Heilige Geest. Die drie zijn onderscheiden in hun werken. Maar tegelijkertijd zijn die drie één. De triniteitsleer wordt in deze gedachtegang niet opgevoerd als een interessante illustratie van de taaldadentheorie. Vanhoozer wil juist laten zien dat de triniteit de wezenlijke grond onder en zo de noodzakelijke voorwaarde is voor betrouwbare communicatie. Gebruikmakend van de door Noordmans’ geïntroduceerde term (de spreekregel) duidt ik dit aan als de trinitarische grammatica, die God in deze schepping heeft gelegd.

Opvallend genoeg is een soortgelijke gedachte al (lang voor het ontstaan van de taaldadentheorie) geformuleerd door Karl Barth die stelde dat men voor openbaring, Schrift en verkondiging de goddelijke persoonsnamen van Vader, Zoon en Heilige Geest kan noemen en omgekeerd en dat men zowel hier als daar op dezelfde fundamentele bepaaldheden en onderlinge verhoudingen zal stuiten.

Barth, Kirchliche Dogmatik I/1, 125, vgl. 312.

Bij Barth is die gedachte dus specifiek toegespitst op het spreken van God in zijn openbaring.
Precies zo blijkt hoe relevant deze gedachte voor de homiletiek is. Heel direct leent deze gedachte zich voor concrete uitwerking met het oog op de praktische communicatie in het preekproces.

Het valt op, dat de genoemde verhoudingen terug te vinden zijn in wat wel aangeduid wordt als de verschillende dimensies van de communicatie: De syntactische dimensie, die staat voor de middelen en elementen die ingezet worden voor menselijke communicatie, weerspiegelt het wezen van God de Vader, die de taal schiep en mensen roept om Zijn spreken te bemiddelen. De semantische dimensie die staat voor de inhoud, de betekenis van de boodschap die wordt overgebracht, weerspiegelt het wezen van God de Zoon, die in persoon de waarheid van God spreken is doordat Hij vervult wat God heeft beloofd. De pragmatische dimensie, die staat voor de uitwerking van de boodschap in de communicatieve relatie, weerspiegelt het wezen van God de Heilige Geest, die effect verleent aan de boodschap door te zorgen dat het gesproken Woord doet wat God wil. Het wezenlijke trinitarische is de ondeelbaarheid van de verschillende dimensies. Slechts in de onverbrekelijke relatie van die drie zal de communicatie werkelijk tot stand komen. Zie voor een heldere bespreking van deze dimensies in hun betekenis voor het homiletisch proces J. Firet, ‘Het homiletisch proces’, in: J, Firet, Spreken als een leerling. Praktisch-theologische opstellen. Kampen 1987, 94-110.

Op dit moment richt ik me primair op de inhoudelijke kant van de zaak. De manier waarop Barth oorspronkelijk formuleerde laat namelijk zien dat de gedachte van een trinitarische grammatica nieuwe perspectieven mogelijkheden biedt om een vitale verbinding te leggen tussen Gods openbaring en de preek van zondag. De homiletiek heeft hier een kernvraag van gemaakt: wat is de verhouding tussen woorden van God en mensenwoord. Daarbij is de discussie heen en weer gegaan tussen twee polen. Aan de ene kant is er een lange traditie die Gods Woord en de preek per definitie heel sterk naar elkaar toe trekt. Aan de andere kant is er bij hedendaagse hoorders juist veel behoefte om op dit punt ruimte te scheppen tussen wat God zegt en wat in de preek gezegd wordt. Die beweging kan uiteindelijk er toe leiden dat in het midden gelaten wordt of datgene wat gehoord wordt ook werkelijk Woord van God mag heten.

Deze laatste positie kiest Ganzevoort in feite in zijn al eerder (hoofdstuk 1) genoemde artikel ‘Spreken is zilver, horen is goud’. De spanning die in het genoemde homiletische dilemma optreedt, wijt hij aan de exclusieve keus voor het spreken als centrale categorie. Zelf geeft hij de voorkeur aan het horen als kernbegrip. Zelf denk ik dat die keus inderdaad veel mogelijkheden biedt. Geertsema heeft helder laten zien dat er zo ruimte kan komen voor een ‘perspectief van de tweede persoon’. Maar precies op dit punt vindt er een omkering plaats bij Ganzevoort. ‘Horen’ is bij Geertsema duidelijk een categorie die de mens aanduidt als aangesprokene: er is een Eerste Persoon die gesproken heeft. Horen naar zijn stem is gehoor geven aan Hem die spreekt. Dat is het antwoord van de gehoorzaamheid. Maar op dit punt laat Ganzevoort het perspectief van de tweede persoon los en kiest hij voor het ‘subject-beginsel’: ‘Mensen zijn niet slechts ontvangers van religieuze waarheden of uitoefenaars van vastliggende praktijken, maar creatieve producenten van religieus denken en handelen. Ion de nadruk op het horen als creatieve act wordt dit beginsel gehandhaafd’ (524). Theologisch gezien maakt hij daarmee het horen los van het spreken van God.

De gedachte van een trinitarische grammatica maakt het mogelijk zowel het onderscheid als de verbinding tussen de woorden van God en woorden van mensen aan te wijzen. Als geschapen en communicerend in de geschapen werkelijkheid valt het menselijk zijn en spreken bepaald niet samen met het zijn en spreken van God. Maar als geroepen schepselen zijn we wel in een directe verbondenheid met de Drie-enige geplaatst en door Christus opnieuw opgenomen. Op dat spoor wil het volgende hoofdstuk verder nadenken over het spreken van God en de plek waar dat hoorbaar wordt.

God die mij schiep,

God die mij liet sterven,

God die mij deed opstaan in een nieuw leven,

dank.

God die mij maakte om iets van uzelf te laten zien,

die mij voor de spiegel zet en dwingt mij te erkennen: zie,

het is zeer goed. U maakte mij uniek, om juist door mij iets van uzelf te tonen, God,

dank.

God die mij redde om iets van uzelf te laten zien,

liefde, met geen bestek te meten liefde, onverdiend, en woede

over alles in mij dat verschroeien moet in de hitte van uw vuur, dat liefde is, God,

dank.

God die mij vrij maakt om iets van uzelf te laten zien,

vuur, door geen kilte te doven, geestkracht en antwoord

op alles dat u beweegt, loswrikt, rechtzet en vrijspeelt, diep in mij, God,

dank.

Dank voor de namen, die over mijn leven uitgesproken zijn.

de heilige drieslag die beslag legt op mijn hele bestaan

en die ik niet bevatten kan, maar die ik voel en moet

beamen. Dank.

En God, als ik mij voorbereid op zondag,

op de ontmoeting van uw mensen met hun God, geef dan

dat ik uw groot geheim niet in de weg zal staan. Geef dat

uw mensen voelen, diep vanbinnen, wat ik over u

verzwijgen moet – om de onmacht van het woord, de taalschraalte

die over ons valt als wij u ter sprake brengen. Geef dan dat

uw mensen weten dat u bent. In hen. In geestkracht, vuur,

woede en liefde, schepping en herschepping, steeds opnieuw.

Geef, heilige God, aan het eind van de route die vandaag begint,

op zondag genade. Genade die onze onmacht overstijgt, zodat er

niets blijft tussen ons en u, dan

Dank. Dank. Dank.

Rien van den Berg

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken