Bouwen, opbouwen
Geloofstaal & cultuurtaal
De metafoor van het ‘bouwen’ wordt gebruikt voor de opbouw van de christelijke gemeente en het geloof van haar leden. De laatste decennia is het min of meer een technische term geworden voor het organisatorische en beleidsmatige proces van het functioneren van de gemeente. Het woord roept tal van associaties op: groei, uitbreiding, verandering. In een dynamische samenleving is het daarom geen vreemd woord. Een volk dat leeft, bouwt aan zijn toekomst, aldus een bekend gezegde. ‘Opbouw’ suggereert ook vooruitgang. Dat roept tegelijk aarzelingen op. Is het niet te pretentieus ten aanzien van de kerk van opbouw te spreken? Voor veler gevoel is er in onze samenleving eerder sprake van afbraak dan van opbouw. Elders in de wereld is daarentegen sprake van een vaak spectaculaire groei van het christendom.
Woorden
‘Opbouwen’ is de weergave van het Hebreeuwse woord bana en het Griekse oikodo-mein (Septuagint, NT), waarvan oikodomè (= opbouw) is afgeleid. Op een aantal plaatsen komt ‘(op)bouwen’ voor in combinatie met het woord ‘groeien’.
Betekenis in context
Oude Testament
Bouwen als scheppend handelen
Het woord ‘bouwen’ komt vaak voor in de betekenis van een huis bouwen, een gezin of een dynastie stichten. In het scheppingsverhaal lezen we dat de Here de rib van Adam bouwt tot een vrouw (Gen. 2:22). Het ‘bouwen uit’ onderstreept de saamhorigheid van man en vrouw (Gen. 2:24; zie Ef. 5:32 ). De aankondiging van het oordeel in Amos 9 wordt gevolgd door een hymne op de grootheid van de Here. Hij die zijn volk komt oordelen, is de God die als de Schepper in de hemel zijn hoge zalen heeft gebouwd. Hij heeft alle macht op aarde.
Davids koningshuis is Gods bouwwerk
In 2 Samuël 7 wordt Davids verzoek om voor God een tempel te bouwen afgewezen. In plaats daarvan belooft de Here dat Hij voor David een huis, een koninklijke dynastie zal bouwen. Dit bouwwerk van God is zo duurzaam dat Davids koningshuis eeuwig zal voortbestaan (7:5-16). Dit is geen garantie dat het nooit gestraft zal worden, maar dat betekent dan niet de totale afbraak. Gods goedheid zal van Davids huis niet wijken (zie Ps. 89:25). In Kronieken wordt de geschiedenis van de koningen uit Davids huis onder dit gezichtspunt beschreven.
Bouwen als herstel van Israël
Israël dankt zijn bestaan als volk van God aan de Here. Hij is de Bouwer van zijn volk (Jes. 5:1vv). Dat is geen automatische garantie naar de toekomst toe. Als het volk de verhouding met God kapotmaakt door ontrouw en afgoderij en daarin volhardt, geeft God zijn volk prijs aan het oordeel. God breekt af en verwoest wat Hij gebouwd heeft (Jer. 1:10; 24:6; 31:28). Toch is dit niet Gods laatste woord. Door het oordeel heen blijft de Here trouw aan het verbond met zijn volk. De profetische beloften spreken van een terugkeer uit ballingschap, het herstel van Israëls volksbestaan en van de vervallen hut van David onder het beeld van de wederopbouw (Jer. 31:4, 28; Am.
9:11).
Nieuwe Testament
Opbouw als vervulling van de belofte aangaande Israel
De opbouw van de gemeente als volk van God is de vervulling van de beloften aan Israël (vgl. Ps. 118:22, 23 in het NT). Deze vervulling betekent niet dat de gemeente in de plaats komt van Israël. In het komen van de heidenen tot Christus en tot de gemeente ziet Jakobus hoe het profetisch woord van Amos over de herbouw van de vervallen hut van David voor Israël werkelijkheid wordt (Hand. 15:16-18). Die opbouw vindt zijn grond in het werk van Jezus, de Messias van Israël. Volgens Mat-teüs 16:17-19 is Hij de bouwer van de gemeente. Petrus in zijn functie als apostel en belijder is de rots, het fundament.
Opbouw in Handelingen
Een kerntekst in Lucas’ tweede boek is in dit verband 9:31. Het woord vormt de afsluiting van het verhaal van de roeping en de omkeer van de vervolger Saulus en zijn opname in de kring van de volgelingen van Jezus. De vervolging blokkeert de opbouw niet. De gemeente heeft vrede, dat wil zeggen innerlijke harmonie en eendracht. Deze vrede betekent geen stilstand, maar schept een klimaat voor de opbouw. De passieve werkwoordvorm geeft aan dat de Here Zelf zijn gemeente bouwt (16:5; 20:32). Deze opbouw heeft twee kanten: geloofsopbouw die tot uiting komt in een leven naar Gods geboden en beloften (weergegeven met de typische oudtestamentische woorden ‘wandelen in de vreze desHeren’). Volgelingen van Christus zijn mensen van de weg (9:2). Maar er is ook sprake van een getalsmatige groei. Die is te danken aan de paraklèsis van de Heilige Geest, dat wil zeggen de vertroosting of vermaning van de Geest. Vertroosten en vermanen als vormen van pastoraal opbouwwerk vinden plaats door de prediking van het evangelie en door het onderricht.
In Handelingen 2:42 komt de zaak van de opbouw voluit aan de orde, zonder dat het woord als zodanig genoemd wordt. Lucas schrijft dat de volgelingen van Jezus volharden in de leer van de apostelen en bij de gemeenschap, de breking van het brood en de gebeden. De gemeente blijkt een vitale en aantrekkelijke gemeente te zijn waar werfkracht van uitgaat (2:47). Ook hier heeft de opbouw de twee aspecten die hierboven genoemd zijn.
Opbouw in de brieven van Paulus
De gemeente is akker en bouwwerk van God (1 Kor.3:9). Ook in de brief aan de Efeziërs wordt de beeldspraak van het bouwen verbonden met het meer organische beeld van het groeiproces (Ef. 2:20-21; 4:15-16). Bouwen roept de gedachte op van overleg en werken volgens een bouwplan. Groei drukt uit dat voortgang bij het leven hoort en dat het proces niet maakbaar is, maar aan het geheim van Gods scheppend werk te danken is. Hij bewerkt door zijn Woord en Geest de groei en de opbouw. Dat sluit de inzet van mensen niet uit. Mannen en vrouwen worden door God gebruikt als zijn medewerkers. Dat kan in tweeërlei zin worden opgevat: met God meewerken (in de zin van 1 Kor. 15:10) of met elkaar samenwerken in de dienst van God. Paulus ziet zichzelf daarbij als de bouwer die het fundament gelegd heeft, waar anderen, zoals Apollos, op voortbouwen. Dit fundament is Jezus Christus, zoals Hij door apostelen en profeten verkondigd wordt (Ef. 2:20; 2 Tim. 2:19). Doel van de opbouw is de geestelijke volwassenheid van de gelovigen (Ef. 4:12vv), de opbouw tot een tempel, een plek van lof en aanbidding.
Christus rust door zijn Geest de gelovigen toe met zijn gaven (charismata), die nodig zijn voor de opbouw van de gemeente. Tegen de trend om de gave van de tongentaal te verabsoluteren verzet Paulus zich. De gaven dienen de opbouw van het lichaam van Christus als ze functioneren onder de tucht van de liefde (1 Kor. 12-13). Oog hebben voor elkaar is voorwaarde voor opbouw (zie ook 1 Tess. 5:11). Vooral de profetie, de door de Geest geïnspireerde uitleg en actualisering van de Schrift die door de apostel boven de tongentaal wordt gesteld, bouwt de gemeente op (1 Kor. 14:3vv). De opbouw vindt bij uitstek plaats waar de gemeente samenkomt rondom Woord en tafel. Zo’n samenkomst omvat ook onderlinge ontmoeting, pastoraal gesprek, ethisch beraad en lofprijzing (1 Kor. 14). Opvallend naast de nadruk op de gemeenschap is de missionaire spits in dit hoofdstuk. De samenkomende gemeente vormt geen gesloten club. Paulus wil dat men rekening houdt met het gegeven dat een niet-gelovende of een oningewijde zich onder de aanwezigen bevindt. Het is daarom zaak dat er verstaanbaar gesproken wordt opdat het profetisch woord tot inkeer en geloof leidt, tot aanbidding en tot de erkenning: God is in uw midden (Zach.8:23).
Ook de ambten en bedieningen die er in de gemeente zijn, hebben de toerusting en de opbouw van de gemeente te dienen (1 Tess. 5:11vv; Ef. 4:11-12; Hand. 14:23). Leidinggevenden mogen geen heerschappij uitoefenen over het geloof van de gemeenteleden, maar zij zijn ‘medewerkers aan uw blijdschap’ zoals de apostel aan de gemeente van Korinte schrijft (2 Kor. 1:24). Als rentmeesters hebben ze te waken over het wel en wee van het huis, de gemeente van de Heer (1 Kor. 4:1v; Tit. 1:7; 1 Petr. 4:10). Met name in de brieven aan Timoteüs en Titus worden allerlei voorschriften en bepalingen inzake de kerkelijke orde en de aanstelling van opzieners en diakenen gegeven. Dit gebeurde met het oog op het functioneren van de gemeente, haar versterking en haar groei in de na-apostolische tijd. Ook de zorg voor de rechte leer en de volharding bij de apostolische overlevering in de strijd tegen dwaalleer behoort tot de opbouw-arbeid van de nieuwtestamentische gemeente (Kol. 2:6-7; 1 Tim. 6:20; Judas: 20-21).
Kern
De opbouw van de gemeente is het werk van God door de dienst van mensen. Het bijeenhouden van deze beide aspecten bewaart enerzijds voor luiheid en anderzijds voor overspannen activisme en de idee van maakbaarheid. Naar binnen dient de opbouw de versterking van het geloof, naar buiten toe is ze gericht op de wereld. Juist dat laatste, het missionaire, kan de gemeente behoeden voor een binnenkerkelijke gerichtheid, waar verhalen over gemeenteopbouw niet altijd aan ontkomen. Wat de Bijbel ons zegt over de opbouw van het huis van de gemeente is geen blauwdruk voor alle tijden – elke tijd vraagt om een eigen doorvertaling en concretisering – maar gaat wel als belofte en gebod door de tijden heen met de gemeente mee, tot de dag van de grote oplevering bij de wederkomst.
Verwijzing
Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: huis, tempel, gemeente, groei, gave, dienen.