< Terug

De een achte de ander uitnemender dan zichzelf. Een christelijke antropologie voorbij het consumentisme.

Samenvatting van dit artikel

In zijn korte schets van de zelf-ontplooiingsboodschap zoals die in damesbladen is terug te vinden wijst Herman Paul onder andere op de kapitalistische subtekst dat zelfontplooiing geld kost en identiteit kan worden gekocht: ‘I am what I buy.’ Deze commerciële component wordt niet zelden negatief geduid, en roept zeker met betrekking tot religie weerstand op. Wordt de genade van God zo tot koopwaar? Of de Geest het succes van effectbejag? ‘Consumentisme’ geldt als negatieve kwalificatie in de kerk, en roept associaties van Disneyworld, MacDonalds en Wal-Mart op. Hapklare maar ingeblikte ervaringen die met uitgekiende middelen kunnen worden opgeroepen en daarmee gemanipuleerd. Juist niet iets wat van God afkomstig is. Toch is het de vraag of de theologie zich een verbeten weerstand tegen het consumentisme wel kan veroorloven. Wellicht is het beter en heilzamer om het consumentisme te doordenken en er een weg in te vinden. Een uitweg misschien.

Een kerngedachte in deze bijdrage is dat de gelovige niet alleen een passieve consument is maar zelf ook tot actieve respons wordt opgeroepen. Liefde gebeurt niet zomaar aan mensen, maar moet worden aanvaard, en vereist een reactie van dankbaarheid. Als liefde wederkerig is, zo wil ik betogen, dan kan deze klassiek calvinistische grondgedachte niet in een theïstische objectiviteit eindigen maar schuift zij op richting een wijsgerig panentheïsme. De gelovige mens krijgt daarbij een eigen verantwoordelijkheid om Gods liefde waar te maken en belichaamt voor zover dit lukt Christus in onze eigen tijd. In deze navolging is geloof niet iets dat alleen geconsumeerd kan worden maar dat ook tot ‘productie’ noopt. Het begrip ‘prosumption’ wordt aangewend om een liturgisch startpunt te vinden.

Religie in de consumptiemaatschappij

Onherroepelijk vinden wij ons terug in een consumptiemaatschappij. De auteurs van Religion and Consumer Society schetsen het beeld: ‘In recent decades, the rise of shopping as leisure pursuit (six hours per week in the US), the pervasiveness of advertising in everyday life, the omnipresence of brands, the liberalisation of credit and the growing access to consumption, the commoditisation of more and more areas of life, the rise of lifestyles as loci for identity, the political identification of freedom with personal choice, the emergence of the consumer as an identity – all of these attest to the inextricable interpenetration of consumerism and everyday life.’ Aan deze situatie zitten veel aspecten, culturele, economische, politieke, wijsgerige, maar zeker ook theologische en antropologische. Het vigerende mensbeeld houdt nadrukkelijk verband met dit consumentisme en roept vragen op. Niet langer is onze identiteit een vanzelfsprekende gegevenheid, we zijn zelf verantwoordelijk geworden voor het verwerven ervan. Omdat alle beperkende condities dan zijn weggevallen zouden we volledig tot onszelf kunnen komen. Het glorieuze eindstadium van een lange weg naar het autonome zelf beschikkende subject is daarmee aangebroken.

De Belgische psychiater Paul Verhaeghe is echter kritisch. Opgejaagd door de neoliberale meritocratie, waarin succes bepalend is en succes bepaald wordt door opbrengst, verliezen mensen juist zichzelf: ‘Het huidige, inderdaad ver doorgedreven individualisme laat weinig tot geen autonomie toe. Het individu is gereduceerd tot een consument die in de illusie leeft uniek te zijn en zelf keuzes te maken, terwijl er nog nooit op zo’n grote schaal zoveel mensen hetzelfde gedrag en hetzelfde denken opgelegd kregen.’ Het bepalende succes van de meritocratie gaat principieel niet om het eigene van het individu, maar om het verschil met anderen. In de meritocratie gaat het immers om beter te zijn dan de concurrentie en daarbij is het inlopen op en overtroeven van de ander belangrijker dan de unieke kwaliteiten van het zelf. Focus is dan niet de kracht van het eigene maar het gemis ten opzichte van het andere. Het consumentisme speelt hierin een centrale rol omdat de superioriteit van het individu wordt afgemeten aan het ‘meer’ ten opzichte van anderen: meer geld, betere seks, geweldiger levens. Het zelf zoekt zijn eigenheid, maar verliest zich juist in de concurrentie met anderen.

Toch zal de oplossing niet zijn om het consumentisme categorisch af te wijzen, en het ‘doorgeschoten individualisme’ als kwaadaardige boosdoener aan te wijzen. Niet alleen kunnen we ons niet buiten de tijd en buiten de culturele ontwikkelingen plaatsen, ook is niemand bereid de situatie van vóór dit ‘doorschieten’ te hernemen. Een tijd immers waar de vrijheid om jezelf te ontplooien niet bestond en men in feite geen keuze had dan de gebaande paden te gaan.

Het is daarom niet vreemd dat een theologische peiling van het begrip zelfontplooiing niet op massieve weerstand stuitte, maar over de hele linie naar constructieve openingen zocht om het huidige mensbeeld in een theologische perspectief te plaatsen, of zelfs aan te vullen. De bijdrages convergeerden daarbij naar een nadere bepaling van het mensbeeld. Het individualisme leek vooral dáárin doorgeschoten dat het autarkisch zou zijn: volkomen onafhankelijk van anderen en dan pas volledig zichzelf. De analyse van onder andere Verhaeghe laat zien hoe dit spaak loopt. Een theologische visie zoekt het vooral in een relationele bepaaldheid van het zelf, zonder daarbij het persoonlijke uit het oog te verliezen. Maakt een dergelijk mensbeeld enige kans van slagen?

Het Christelijk liefdesbegrip

Anders dan in een neo-liberaal meritocratisch mensbeeld, gaat het in een christelijke visie niet om de ‘deugd van het egoïsme,’7 maar om het liefdesbegrip. Mensen staan niet in een concurrentiepositie ten opzichte van, maar dragen verantwoordelijkheid voor elkaar en kunnen elkaar zo tot hun bestemming brengen. Evengoed is hierbij dus sprake van ontplooiing van het zelf maar de identiteit wordt niet autarkisch, in volstrekte onafhankelijkheid, gedefinieerd maar krijgt vorm in de onderlinge relatie.

De belangrijkste relatie is daarbij de relatie tot God die in Christus tot verzoening met mensen wil komen. Als het hier om een relatie gaat lijkt het mij van meet af aan belangrijk om vast te stellen dat een relatie wederzijds is. Een alternatief voor een autarkische opvatting van zelfontplooiing zal dan ook niet in zelfverloochening gezocht moeten worden. Eerder biedt het klassieke begrip navolging aangrijpingspunten. Voor we daar aan toe komen, is het zinnig om een christelijke mensbeeld vanuit het liefdesbegrip iets verder te analyseren. Cruciaal is daarbij de gedachte dat liefde ruimte biedt voor ieders persoonlijke eigenheid. Daarmee kunnen de menselijke successen worden erkend maar is er ook oog voor de ontoereikendheid van de mens. Zeker dat laatste is een belangrijk aspect. Het meritocratische mensbeeld reduceert individuen niet alleen tot vergelijkingsmateriaal, het maakt de mislukking onzichtbaar. Als alleen succes telt, is het zaak het falen weg te stoppen of af te schuiven. Naast ongebreideld narcisme kenmerkt de meritocratie zich door algemeen slachtofferschap: ‘Ik kon er niks aan doen.’

Identiteit komt zo samen te vallen met evaluatie of met imago maar dat brengt de knagende onrust van het individu dat het allemaal zo mooi niet is, niet tot zwijgen. Van zelfontplooiing kan geen sprake zijn als de keerzijde van het succes geen plaats kan hebben. In de liefde van Christus krijgt die ontoereikendheid wel plaats en mag de mens volledig gekend zijn. Als dit de basis van de identiteit kan zijn is het menselijk tekort geen diskwalificatie van het bestaan. De aanvaarding in liefde is eerder een aansporing om fouten te willen vermijden en zo tot heiliging te komen.

Als Verhaeghe gelijk heeft met zijn kritiek op het neoliberale meritocratische mensbeeld kan deze christelijke levensvisie daarvoor een beter alternatief vormen. De vraag mag echter gesteld worden waarom dat niet vanzelf gebeurt. Als het christelijke mensbeeld zo troostend en bevrijdend is waarom lopen de kerken dan leeg? Als het niet aan de inhoud kan liggen dan zal het de vorm wel wezen. Kennelijk is de kerkelijk boodschap suf en stoffig geworden en heeft daarmee haar aantrekkelijkheid verloren. Lang heeft de indruk bestaan dat dit een onomkeerbaar proces zou zijn maar inmiddels wordt de secularisatiethese als achterhaald beschouwd en is er volop oog voor de levensbeschouwelijke behoeftes van de postmoderne mens. Hoe kan daarop worden ingespeeld?

Reli-markt

Er zijn kerken die deze uitdaging hebben gezien en met succes in hebben gespeeld op de religieuze markt. Stephen Ellingson merkt op dat de leiders van een aantal in het oog springende succeskerken hun werk met plaatselijk marktonderzoek begonnen. Robbert H. Schuler van de Crystal Cathedral, Bill Hybels van Willow Creek, en Rick Warren van Saddleback kwamen daarbij tot de conclusie dat de reguliere kerken als ‘lifeless, boring and predictable’ werden ervaren en de preken ‘boring, irrelevant, overly judgmental.’ Zou het allemaal niet wat hipper kunnen? Alles wat oude en stoffig was, werd overboord gegooid en het gat in de religieuze markt was gevonden. Door in te spelen op de vraag van de markt konden deze evangelische kerken in korte tijd van huiskamergemeentes uitgroeien tot megakerken. Ellingson beschrijft hoe de commercialisering van de evangelische boodschap ten dienste staat van dit succes: een breed aanbod aan producten (kerkdiensten, groeigroepen, cursusboeken, dvd’s, muziekstijlen, etc.) maakt met gebruikmaking van moderne media een snelle en ruime verspreiding mogelijk. De prijs van de producten is betaalbaar en anders een teken van kwaliteit. Maar het consumptieve karakter van deze theologie zit niet alleen in het commerciële aanbod. Belangrijker dan dit is de gerichtheid op de aansprekendheid van de boodschap voor de kerkganger. De megakerken richten zich volgens Ellingson op ‘personal fulfillment and growth,’ haken in op de ‘cult of the individual,’ benutten het consumentisme, en zijn antiestablishment. Zo bieden deze kerken ‘meaningful experiences of God’ en slagen ze erin een relevante theologie in de markt te zetten.

Binnen traditionele kerken bestaat niet zelden weerstand tegen een evangelische koers(-wijziging). Ongetwijfeld speelt daar een zeker mate van afgunst door het dreigende verlies van religieus marktaandeel: het succes van de evangelische richting vormt een expliciete concurrentie voor bestaande kerken. Ergernis wordt daarbij opgeroepen door de dwingende toon van haar presentatie die suggereert dat ‘de Geest weer gaat waaien’ als haar doelgerichte methode maar wordt gevolgd,9 – en anders kennelijk stil valt. Maar in feite zou er weinig tegen een relevante en aansprekende theologie kunnen zijn. Dieper gaan de bezwaren wanneer de vraag wordt gesteld of het inspelen op de religieuze markt wel strookt met de inhoud van de boodschap. Het gaat dan niet in de eerste plaats om de vraag of verhipping van de religieuze boodschap smaakvol is, en of Opwekking dan wel Psalmen de voorkeur van het kerkende publiek (zouden moeten) hebben, maar over de vraag hoe het eigenaarschap van de religieuze boodschap zich verhoudt tot het vermarkten ervan. Leidt consumentisme niet tot een zelfgericht religieus narcisme, in plaats van een lofprijzing aan God? Is het niet essentieel dat de genade, om het religieuze daar mee samen te vatten, verkregen moet worden, en juist niet gekocht? Want dan zou genade een recht worden, en verliest zij haar karakter van gift. Wanneer het religieuze tot koopwaar wordt (‘commodificeert’) dreigt het zijn inhoud te verliezen.

Dat zou inderdaad de valkuil kunnen zijn van een te gretig in willen spelen op de markt. Het religieuze product wordt aantrekkelijk gemaakt maar als dat een kunstje blijft, is de aantrekkingskracht snel uitgewerkt. Dat wordt wellicht geïllustreerd door het verschijnsel Jeugdkerken die vanaf 2001 in Nederland als paddenstoelen uit de grond schoten. Een indrukwekkend optreden van initiatiefnemer Marcel Gaasenbeek in het EO-programma ‘Het Elfde Uur’ zorgt voor een explosie aan evangelisch-getinte jeugdkerken, nadrukkelijk toegesneden op een jeugdige doelgroep. In 2004 waren zo’n 60 initiatieven gestart en verenigd in de Stichting Jeugdkerken, waaronder Godfashion in Zwolle die op haar hoogtepunt maar liefst 2400 jongeren naar haar diensten wist te trekken. In 2007 hief de Stichting zich echter op en hadden de meeste Jeugdkerken zoals het Nederlands Dagblad het schreef ‘de handdoek in de ring gegooid.’11 Als oorzaak tekende het Nederlands Dagblad op dat de gevestigde kerken meer aandacht voor hun eigen jeugdwerk hadden gekregen (tegenconcurrentie!) en dat de oorspronkelijke doelgroep te oud was geworden voor de jeugddiensten. De vraag kan echter ook gesteld worden of het consumentistische karakter van de initiatieven niet debet is aan de snelle opkomst, maar even snelle teloorgang.

Toch kunnen kerken het zich niet permitteren om hun plaats in de consumer society te veronachtzamen. Dat toont zich bijvoorbeeld bij de vorming van de PKN. De grondvormen van de deelnemende kerken (het hervormde geografische model, de gereformeerde doctrinaire grondslag en de evangelisch- lutherse traditie) zijn met de vorming van de PKN de facto losgelaten hetgeen betekent dat lidmaatschap van een bepaalde gemeente ook binnenkerkelijk niet langer een automatisme is. Externe concurrentie met andere kerkgenootschappen bestond al langer maar binnen de PKN is ook interne concurrentie tussen (wijk)gemeentes onderling nadrukkelijker gefaciliteerd. Mondigheid en mobiliteit maken het lidmaatschap van een specifieke gemeente een keuze waardoor de kerk hoe dan ook in een consumptief vaarwater terecht is gekomen.

Toch betekent dat niet dat de religieuze inhoud per se toegesneden moet worden op de wensen en behoeftes van het kerkende publiek. Om dit inzichtelijk te maken is het zinnig aan te sluiten bij een onderscheid dat Francesca Montemaggi voorstelt tussen formele en substantiële commodificatie van het religieuze.12 In formele zin gaat het erom dat kerkelijke betrokkenheid een consumptieve keuze wordt waarbij de verhouding van kosten en baten worden afgewogen. Substantieel gaat het echter om de inhoud van het religieuze product en die twee hoeven niet in elkaars verlengde te liggen. Het is immers heel goed denkbaar dat in substantiële zin de kern van de religieuze boodschap er juist uit bestaat dat afstand wordt genomen van de vluchtigheid van het consumentisme, precies door de eigenmachtigheid van de consument in te wisselen voor de bestendigheid van een identiteit ‘in Christus’. In een reactie op het verschijnsel zelfontplooiing wijst Adriaan Soetevent bijvoorbeeld op een groep monniken in Chicago, die een formeel-consumptieve markt aanboren met het aanbieden van overnachtingsfaciliteiten, juist om hun nietconsumptieve levensstijl van gebed en contemplatie te kunnen nastreven.

Onvermijdelijk betekent dit dat de kerk zich op de levensbeschouwelijke markt zal moeten oriënteren en dat gebeurt ook. Met ‘30 modellen van kerk zijn’ denkt de PKN na over haar concurrentiepositie en De Remonstrantse Broederschap poogt met een gelikte reclamecampagne haar marktaandeel te verstevigen. Ongetwijfeld zinnige initiatieven.

Belangrijker echter is de reflectie op de substantiële commoditeit van de kerk: welk product wordt aangeboden?

Kerkelijk product

Het meest in het oog springende product van de kerk zou zomaar de kerkdienst kunnen zijn maar precies dan zouden de formele en substantiële commoditeit van de kerk door elkaar gaan lopen. In dat geval immers zou de kerkdienst gehouden worden voor het kerkende publiek en zou de gelovige de afnemer zijn van het kerkelijke product. Als dat het geval is dan worden de diensten de termen waarop geconcurreerd gaat worden en te vrezen is dat dit ook niet zelden het geval is. Kerkdiensten worden vaak beoordeeld naar de aansprekendheid ervan en predikanten staan onder druk om als religieuze entertainers de verschillende doelgroepen vast te houden. Het succes hiervan wordt afgemeten aan de aantallen kerkgangers waarmee ook de kerkdienst langs de meritocratische meetlat wordt gelegd. Als de kritiek op de meritocratie hout snijdt zou het verstandig zijn om niet de kerkdienst maar de verkondigde boodschap als het primaire aanbod van de kerk te begrijpen.

Als de centrale boodschap van het christendom is dat de levens van mensen in de liefde van Christus zijn bewaard dan kan hieruit een substantieel alternatief voor de afrekencultuur van de meritocratie worden gevormd. Zoals hierboven betoogt, leidt de meritocratie ertoe dat de eigenheid van mensen en dus hun identiteit verdwijnt in de concurrerende vergelijking met anderen. Niet in het minst gaat het hierbij ook om de menselijke ontoereikendheid, de kwetsbaarheid en de mislukking die in de jacht op succes geen plaats kan hebben. In haar oratie ‘Aan de heidenen overgeleverd’ vraagt ook Christa Anbeek aandacht voor de kwetsbaarheid van het leven. Is dit niet waar het klassieke begrip van ‘zonde’ zijn aangrijpingspunt heeft? Dat gaat niet om een diskwalificatie van de menselijke waardigheid maar om de vertroosting van de gebrokenheid van het bestaan. In de liefde van Christus hoeft dat aspect niet weggehouden te worden en krijgen ook de duistere krochten van de menselijke ziel zeker geen legitimering maar wel plaats in de identiteit.

Het zijn grote woorden, ‘zonde,’ ‘ziel,’ ‘vergeving,’ ‘verzoening,’ die volgens Anbeeks Amsterdamse collega Ruard Ganzevoort een onbegrijpelijke code-taal zijn geworden en die als zombie-categorieën geen levende realiteit meer weergeven. De vraag zou zijn of er niet een revitalisering van deze begrippen mogelijk is wanneer de inhoud geënt zou zijn op de scherven die de afrekencultuur achterlaat. Mijns inziens is dat zeker mogelijk, wenselijk en zelfs geboden. Niet in de eerste plaats om ‘theologen hun plaats te laten behouden in de samenleving,’ zoals Ganzevoort suggereert, of om de ‘theologie de 21ste eeuw te laten overleven,’ zoals Anbeek meent, maar simpelweg om het heil hiermee te dienen. Als de theologie haar relevantie niet kan waarmaken, is het niet betreurenswaardig dat zij verdwijnt. En er is op zichzelf geen reden om theologen hun baan te laten behouden, dat is met kolenventers ook gebeurd zonder dat iemand zich daar druk om maakte. Maar als de overtuiging kan bestaan dat de liefde van Christus mensen bevrijdt van de plicht hun eigen bestaan te legitimeren dan is dat een blijde boodschap die verspreiding vereist.

Opmerkelijk genoeg delen Anbeek en Ganzevoort hun zorg om een dreigende irrelevantie van de theologie met de evangelische beweging. Waar de laatste een tendens tot fundamentalisme heeft, daar zoeken de eersten het in een vrijzinnige oplossing waarbij Ganzevoort de knuppel in het hoenderhok gooit door het opgeven van de waarheid te bepleiten. Naar mijn mening liggen de posities echter dichter bij elkaar dan men op het eerste gezicht zou denken. De gesignaleerde irrelevantie van de traditionele theologie heeft mijns inziens alles te maken met de gedachte dat de religieuze waarheid een objectieve waarheid zou moeten zijn en dat de geloofstaal een beschrijving van iets elders is. In essentie is dit de gedachte van het klassieke theïstisme die de vraag doet rijzen of de theologische waarheidsclaims wel juist zijn. Als beschrijving van een objectieve waarheid kunnen de claims immers ook onjuist zijn. Het antwoord op deze theologische waarheidsvraag wordt door velen negatief beoordeeld: de theologische waarheden zijn geen juiste beschrijving van een objectieve waarheid. De bijbelkritiek heeft afgerekend met het idee dat de Bijbel een correctie beschrijving is van waargebeurde feiten en de religiekritiek deed hetzelfde met het bestaan van God. Ongetwijfeld ga ik hiermee kort door de bocht maar er kan worden vastgesteld dat velen of de objectieve waarheid van het geloof opgeven, of de religieuze taal als ontoereikend bestempelen. Anders dan zou kunnen worden vermoed, doet de evangelische beweging het eerste, door de focus te richten op de subjectieve ervaring binnen het geleefde leven. Haar anti-establishment toont zich met name in de veronachtzaming van de kritische theologie waar simpelweg geen boodschap aan is. De objectivistische claims die zij denkt te maken maskeren bij gebrek aan toetsing simpelweg de onkritische persoonlijke voorkeur. Haar waarheid is een subjectieve keuze geworden. Ganzevoort doet het tweede door de bruikbaarheid van de religieuze taal te betwijfelen. Voor hem bieden films als Requiem for a Dream en Skoonheid, en smartlappen als Hazes’ Droomland of nummers van Frans Bauer evenals de theologie talen om ‘een hogere of diepere dimensie in de vragen en ervaringen van het leven’ te articuleren. Maar deze populaire verwoordingen zijn voor Ganzevoort toegankelijker dan de kerkelijk-christelijke traditionele vocabulaire. Ganzevoort dreigt met zijn pleidooi echter het contact met de religieuze traditie te verliezen terwijl de evangelische oplossing gemakkelijk tot een frase-theologie kan vervallen.

De zorg voor een relevante theologie zou wellicht beter gediend zijn wanneer de objectiviteit van de waarheid geheel zou komen te vervallen. Voor alle duidelijkheid: dat is nadrukkelijk niet hetzelfde als het opgeven van de waarheid, maar een pleidooi voor een ‘beleefde’ waarheid. Om mij hier tot de theologie te beperken gaat het dan primair om de overgave aan een religieuze waarheid. Niet als beschrijving van iets ‘elders’ maar als perspectief dat wordt aanvaard om het eigen leven vorm te geven. Om het wat concreter te maken: het verhaal van Pasen gaat dan niet om de vraag of de opstanding echt is gebeurd maar om de vraag of de gelovige de overwinning op de dood als uitgangspunt van zijn of haar leven wil maken.

Kenmerkend voor deze insteek is dat de theologie het theïstische spreken over God geheel afzweert en overgaat tot een spreken van God.20 Hierbij blijft de religieuze taal bewaard maar verbindt zich met de ervaringen van de spreker. Dat zijn echter geen ervaringen die opborrelen uit het particuliere binnenste van het subject maar geboden mogelijkheden die op gezag van God worden aangezegd.

De kerkdienst revisited

Als formele commoditeit is de kerkdienst een soort schouwspel dat voor kerkgangers wordt opgevoerd. Als substantiële commoditeit is het de plek waar de gemeente van Christus haar bevrijding in dankbaarheid aanvaardt en viert. Het is niet de voorganger die de dienst doet maar de verzamelde gemeente als geheel. Dat maakt de eredienst opnieuw van centrale betekenis voor het geloof waarin eigenlijk niemand kan ontbreken. Daarachter ligt geen afgedwongen aanwezigheidsplicht maar de intrinsieke motivatie dat de bevrijdende boodschap van het geloof tot dankbaarheid noopt. Want daarin ligt de bevestiging van het bestaan: in de ervaring dat het eigen bestaan er toe doet. In een objectieve opvatting van geloof doet die menselijke respons er in het geheel niet toe. Als God bestaat doet Hij dat ook wel zonder dat mensen in Hem geloven. Anders dan sommigen lijken te denken is objectiviteit voor het geloof bepaald geen aanbeveling. Het gaat er juist om welke betekenis eraan wordt gehecht en daarmee is de subjectieve respons van doorslaggevende betekenis. Een consumptieve houding krijgt vanuit dit perspectief een productieve pendant: de gelovige mens komt niet alleen iets halen in de dienst maar vooral iets brengen: dankbaarheid, aanbidding, stem.

In consumptietheorieën is aandacht voor deze actieve aanvulling van het in beginsel passieve consumeren.23 Dat begint al bij de supermarkt waar mensen anders dan bij de klassieke kruidenier niet worden bediend maar zelf hun boodschappen bij elkaar zoeken. Het drukt de kosten en vergroot daarmee de efficiency. Ikea heeft het goed begrepen: ‘De IKEA klanten spelen een belangrijke rol in wat wij ons democratisch designproces noemen: wij doen ons deel, jij het jouwe, en samen besparen we geld!’ Omdat er een productieve component aan de consumptie wordt toegevoegd wordt wel van prosumption gesproken: ‘the act of prosumption optimizes capital efficiency by harnessing the creative energies of the consumer to an act of production which makes the process of consumption possible and, by way of adding value to it, more profitable.’

Maar prosumption doet meer dan winstmaximalisatie; zij reguleert betrokkenheid en medeverantwoordelijkheid. Prosumption biedt daarmee mogelijkheden om de bezwaren tegen de commodificatie van de kerkdienst tegen te gaan precies door het belang van inhoudelijke participatie te onderstrepen. Hiermee zou de christelijke antropologie inhoud krijgen. De aanvaarding van de mens met alle succes maar ook in alle kwetsbaarheid is geen zaak van passief consumeren maar vereist de aanname door de zondige mens. De genade wordt niet alleen aangeboden maar moet ook worden geaccepteerd, en kan worden afgewezen. In dat laatste geval rest ons de meritocratie: de mens die z’n eigen bestaan moet legitimeren. Een christelijke antropologie zoekt het juist in de overgave aan de genade van God; een griezelige stap omdat daar principieel de menselijke kwetsbaarheid aan de orde is. Overgave aan God betekent immers dat je de controle uit handen geeft en met geen andere zekerheid dan Gods belofte is hier veel vertrouwen (pistis) vereist. Het overgeven in vertrouwen is voor velen een hoge prijs maar de winst is bevrijding uit de klem van het meritocratische zelf. 

Avondmaal

Van alle liturgische onderdelen is wellicht het Avondmaal de beste illustratie om een kerkelijke notie van prosumption te verduidelijken. In de rooms-katholieke eucharistie betekent het avondmaal deelkrijgen aan een eeuwige waarheid die bemiddeld wordt door de kerk. De praesentia realis van Christus in de elementen van het avondmaal – brood en wijn – speelt daarin een bepalende rol. Hiervoor is de consecratie vereist: de verandering van brood en wijn in lichaam en bloed van Christus, en alleen een priester is bevoegd deze ritus van de transsubstantiatie uit te voeren. De hiërarchie van de rooms-katholieke kerk staat daarmee in direct verband met het hart van de eredienst.

Met het verwerpen van de hiërarchie was de reformatie daarom genoopt een andere avondmaalsopvatting te formuleren. Kenmerkend genoeg was éénduidigheid hierin vrijwel meteen een probleem. In de verschillen tussen Luther, Zwingli en Calvijn rond de avondmaalsopvatting ligt al de keuzenoodzakelijkheid die we ook in het consumentisme tegenkomen. Gemeenschappelijk is echter de opvatting dat het Avondmaal een verwijzend karakter heeft dat haar kracht ontleent aan de maaltijd die Christus met Zijn leerlingen hield. Het historische gat tussen oergebeurtenis en contemporaine gelovige wordt gedicht door de theologie. Hoewel de Geest wordt aangeroepen om sturing en leiding bij deze hermeneutische taak, valt het sacramentsmonopolie ook in het protestantisme toe aan de geestelijkheid. Niet de wijding, maar de academische vorming is hier de vereiste om Woord en Sacrament bij elkaar te houden.

In zowel de rooms-katholieke als de protestantse opvatting gaat het om een objectieve inhoud van het sacrament waarbij de vraag naar de relevantie  voor het persoonlijke geleefde leven in onze postmoderne context steeds minder duidelijk is geworden. De hermeneutische sleutel van de wijding is door de reformatie al afgewezen, maar haar eigen beroep op de academische vorming raakt ook uitgeput. De aanroep van de Geest heeft niet kunnen verhinderen dat er interpretatieverschillen ontstonden en het pluralisme waar het protestantisme op uit is gelopen toont het failliet van haar hermeneutische opdracht. Als de deskundigen het niet eens kunnen worden over de juiste interpretatie van de objectieve inhoud, waarom zouden we dan niet zonder hen kunnen? Waarom zou de contemporaine beleving op zichzelf niet voldoende zijn om het avondmaal inhoud te geven? In feite wordt de kracht van de Geest losgemaakt van de institutionele ambtelijke structuur, gedemocratiseerd en naar de beleving getrokken.

Dit verlies aan hermeneutische sleutels van wijding respectievelijk academische vorming betekent het verlies aan objectiviteit en onderstreept het belang van een geleefde waarheid die gemakkelijk met de gedachte van prosumption kan worden verbonden. Cruciaal zijn dan niet de getranssubstantieerde avondmaalselementen noch de verwijzende betekenis, maar de deelname aan het ritueel op zichzelf. Wie ingaat op de nodiging van het avondmaal plaatst zichzelf onder de genade van God en krijgt zo deel aan het lichaam van Christus. In deze visie is de status van de bediener van het avondmaal niet de voorwaarde voor de transsubstantiatie noch de onontbeerlijke uitlegger van de eigenlijke betekenis van het gebeuren maar slechts ceremoniemeester. De gastheer blijft Christus die de gelovige welkom wil heten aan Zijn tafel ondanks alle kwetsbaarheid en mislukking. Hierin mag de verzoening voltooid worden: wie in het bewustzijn van zijn of haar eigen ontoereikendheid niettemin bij God zelf aan tafel durft te verschijnen mag zich realiseren dat de duistere kant niet zijn of haar leven diskwalificeert. Daar ligt de basis van een christelijke identiteit, want wie zich door God aanvaard durft te weten kan zichzelf niet langer minachten maar hoeft zich ook niet narcistisch op te pompen.

In deze visie krijgt het heil van God concreet gestalte op het moment van het avondmaal en is er in zekere zin opnieuw sprake van een soort praesentia realis. Niet op de magische manier van de transsubstantiatie maar omdat het avondmaal zijn betekenis heeft in de concrete beleving. Aan de avondmaalstafel vormt de geloofsgemeenschap het lichaam van Christus.

Deze avondmaalsopvatting legt alle nadruk op een relationele identiteit waarbij de diepste eigenheid van de mens erkend wordt in de aanvaarding door de Ander. Maar dit blijft niet staan bij een consumptieve ervaring, het vereist een actieve participatie van de gelovige. Het avondmaal krijgt een existentiële diepgang wanneer de gelovige zich realiseert dat het ‘om mezelf gaat.’ De ervaring dat iemand welkom is bij God maakt het leven betekenisvol.

Economische triniteit

Ik zou niet willen aarzelen uit de gedachte dat het geloofsgemeenschap op grond van het avondmaal het lichaam van Christus vormt, voluit trinitarische consequenties te trekken. In de incarnatie heeft God zich verbonden met de schepping en daarmee, volgens de gedachte van kenosis, Zijn goddelijkheid afgelegd. Niet met macht en majesteit dwingt God respect af, maar in alle kwetsbaarheid nodigt Hij mensen uit tot liefde. Deze christologie houdt niet op bij Hemelvaart, maar zet zich door waar mensen deelhebben c.q. deelnemen aan de Geest van Liefde. Als dit het uitgangspunt is van bovenstaande avondmaalsopvatting dan moet de uitdrukking Lichaam van Christus inderdaad zeer serieus worden genomen. Zomin als de christologie beperkt kan blijven tot het optreden van Jezus van Nazareth, zomin kan de navolging beperkt blijven tot de sacramentsviering van het avondmaal. De aanvaarding in liefde vereist een openheid naar anderen toe, die eveneens van liefde uit zal gaan. Daar waar de liefde wordt waargemaakt, houdt de Geest inwoning en is Christus present.

In deze visie krijgt de schepping en dus de mens een eigen verantwoordelijkheid in het heilswerk van God. Theologisch wordt hiermee de theïstische nadruk op de ontologische triniteit die over God in zichzelf gaat verschoven naar de heilshistorische of economische triniteit waarbij de focus op het heilshandelen ligt. De kerngedachte is dat de menswording van Christus niet een bijkomende zaak is, maar essentieel deel uitmaakt van de triniteit. Op deze manier wordt voorkomen dat er sprake zou zijn van twee triniteiten maar dat kan alleen als de schepping een eigen plaats krijgt in de verhoudingen van de triniteit en dus deel uitmaakt van de zogeheten perichorese. Essentieel blijft hierbij dat de incarnatie vanuit kenotisch gezichtspunt wordt gezien. De verbinding met de schepping is een zaak van goddelijke ontlediging en dat voorkomt dat de mens zich almachtsfantasieën eigen kan maken. Het eigenaarschap van de genade blijft bij God!

Godsdienstfilosofisch neigt dit voorstel naar panentheïsme maar het speculatieve karakter van deze term vereist een gezichtspunt waarover mensen niet beschikken en dat misschien niet kan bestaan. Dit economisch-trinitarische gezichtspunt ziet af van dergelijke speculaties in de erkenning dat God meer is dan wij kunnen overzien.

Het aannemen van de genade van God is pas compleet als ook de opdracht tot het doen van liefde ernstig wordt genomen. De navolging is hiermee het sluitstuk van een christelijke identiteit en een startpunt om de betekenisvolheid van het eigen leven inhoud te mogen geven. Niet langer is het ‘zelf’ iets wat ontplooit moet worden, alsof er een voortdurend gemis zou bestaan. Het ‘zelf’ is iets dat in Christus erkend wordt en vervolgens verdiept mag worden en zo tot vervulling kan komen.

Wie hiermee ernst durft te maken neemt verantwoordelijkheid op zich. Een verantwoordelijkheid die niet licht kan worden verstaan want zij betekent deelname aan het werk van God. Maar het is een opdracht die met vreugde kan worden opgenomen omdat deze niet langer onder de druk van de meritocratische afrekencultuur staat. Niet wat mist telt maar wat wordt gedaan. En dan kunnen de individuele talenten van mensen in al hun variëteit voluit tot hun recht komen. Primair staat de waardering en erkenning van elkaars kwaliteiten, waarbij het succes van de ander niet de diskwalificatie van het zelf betekent. Waar in de meritocratie mensen als concurrenten tegenover elkaar staan, staat hier de coöperatie voorop. Niet de deugd van egoïsme is hier leidend, maar de deugd om de ander uitnemender te achter dan zichzelf.

< Terug