< Terug

Het land dat God aan Abraham liet zien

Een themanummer over het ‘Heilige Land’ kan natuurlijk niet zonder een beschouwing over het verhaal in de Bijbel waarin voor het eerst over de èrèts gesproken wordt als het land (Kanaän). Dat verhaal staat in Genesis 11,27–13,18. Het is de Heer die daar tegenover Abraham over begint.

Nico Riemersma is predikant in Den Haag-Zuidwest, geassocieerd onderzoeker van de Protestantse Theologische Universiteit en docent aan de TVG Den Haag. In 2016 is hij gepromoveerd aan Tilburg University.

Ga, jij, uit je land, uit je maagschap, uit je vaderhuis naar het land dat ik je zal laten zien. (Genesis 12,1)

Een diepe buiging voor wie zonder tegensputteren doet wat hem gevraagd wordt.

Met die oproep en belofte van de Heer aan Abraham begint het verhaal van ‘de toledot (= verwekkingen: nakomelingen) van Terach’ (11,27–25,11). Waar Abraham uit weg moet gaan, mag duidelijk zijn: uit je land, uit je maagschap en uit je vaderhuis, maar naar welk land hij moet gaan, is niet direct helder. Dat zorgt er helemaal voor dat ik het als lezer voor buitengewoon houd, wanneer onmiddellijk daarna verteld wordt: ‘en hij ging’. Breken met alles wat een mens toch buitengewoon vertrouwd is, wat hem veiligheid en zekerheid geeft, dat is al heel wat, maar dan ook nog naar een land toegaan waarvan je niet weet welk land dat is en wat dat land je zal brengen; ik maak een diepe buiging voor die mens die zonder enige vraag of tegensputteren doet wat hem gevraagd wordt.

‘Heel het land dat je ziet’

Welk land zal God hem laten zien? Dat is de eerste vraag, direct daarna gevolgd door een tweede: Welke reactie zal het zien van dat land vervolgens bij Abraham teweeg brengen? Het antwoord op die eerste vraag krijgt de lezer aan het slot van het eerste deel van de Abrahamcyclus (11,27–13,18), direct na Lots scheiding van Abraham (13,14a). Hoe God dat doet? Door Abraham, als hij zijn tent heeft staan tussen Betel en Ai, te vragen om zijn ogen op te heffen en te zien ‘van de plaats waar jij bent, naar het noorden, zuiden en oosten en westen, want heel het land dat jij ziet, zal Ik jou en je gehele nageslacht geven voor altijd’ (13,14b-17). God laat Abraham het land zien, maar Hij doet dat door Abraham zelf op te roepen om zijn ogen op te heffen en rond te kijken vanaf de centrale plaats waar hij op dat moment is.

Naar het land Kanaän

Abraham mag dan niet weten welk land God voor hem in petto heeft, en dan ook niet over de informatie beschikken welke richting hij op moet, het brengt hem toch niet uit zijn evenwicht over zijn gang. Wat hij doet? Hij gaat naar het land dat zijn vader Terach oorspronkelijk op het oog had: het land Kanaän (11,31). Terach bleef in Haran in Noord-Syrië steken; hij gaat niet verder, maar vestigt zich daar. Abraham vat dus Gods opdracht zodanig op, dat hij, Abraham, de beweging moet afmaken die zijn vader ooit vanuit Ur in Zuid-Mesopotamië begonnen was, een reis die in het land Kanaän moest eindigen.

Wat van Terach verteld wordt, lezen we ook van Abraham:

• hij neemt mee (11,31a / 12,5a);

• ze trekken uit (11,31b / 12,5b);

• ze komen aan (11,31c / 12,5c).

Het verschil zit daarin dat we direct daarna van Terach lezen dat hij zich vestigt, maar dat een dergelijke notie direct daarna bij Abraham ontbreekt. Abraham zal eerst nog het gehele land doorkruisen, voordat de lezer verneemt dat hij zich in het land Kanaän vestigt (13,12). De vraag van de lezer die het verhaal voor het eerst leest, is of Abraham ook goed zit. Zal Kanaän ook het land zijn dat God hem zal laten zien?

Belofte en vervulling

Het mag duidelijk zijn dat ‘de vestiging van Abraham in Kanaän’ een belangrijk punt is, het vormt echter niet het centrale thema van het eerste deel van de Abrahamcyclus, zoals Dan Pickett meent. Meer dan door een thema wordt Genesis 11,27–13,18 bijeengehouden door een spanningsboog. Enerzijds de belofte: ‘naar het land dat Ik je zal laten zien’ (12,1) en anderzijds de vervulling: ‘zie van de plaats waar je bent, naar het noorden, zuiden en oosten en westen, want heel het land dat jij ziet, zal Ik jou en je gehele nageslacht geven voor altijd’ (13,14-15).

Drie crises

De weg van de belofte (12,1) naar de vervulling (13,14-18), waar het gaat om het zien van het land, is lang. Ze kent dan ook een keten van obstakels – het zijn er drie – die alle drie in relatie staan tot het land. Het maakt duidelijk dat het land dat God aan Abraham zal laten zien, geen ideaal land is. Pas nadat twee crises zijn opgelost, krijgt Abraham van God het land waarover Hij aan het begin gesproken had, te zien.

1. De eerste crisis wordt door de verteller als volgt getypeerd: ‘Er kwam hongersnood in het land’ (12,10). En de vraag is: Wat gaat Abraham doen? Blijft hij ondanks de hongersnood in het land, erop vertrouwend dat God wel voor hem zal zorgen? Wacht hij op een Godsspraak waarin God hem vertelt wat hij heeft te doen? Dat alles is niet het geval, de hongersnood zet hem ertoe aan het land te verlaten (!) en af te dalen naar Egypte (!) om daar als vreemdeling te verblijven (!). De verklaring voor Abrahams verblijf als vreemdeling in Egypte luidt: ‘want de hongersnood was zwaar in het land’. Abraham verlaat Egypte alleen dan weer, wanneer de farao hem met hetzelfde woord ‘ga’ als hij eerder van de Heer hoorde (12,1), oproept om het land Egypte te verlaten (12,19). Egypte, zo zal de lezer concluderen, is dus niet het land waarover God in 12,1 sprak. Bij terugkomst in Kanaän is de zware hongersnood blijkbaar voorbij.

2. De tweede crisis wordt door de verteller op vergelijkbare wijze als de eerste getypeerd: ‘Er kwam tweedracht tussen de herders van Abrahams vee en de herders van Lots vee’. De reden voor die tweedracht was dat hun bezit zo groot was dat ze er niet samen konden wonen, het land ‘droeg’ niet dat zij er samen woonden (12,6-7). Vanaf het begin hadden zij, Abraham en Lot, allebei bezittingen verworven (12,5), het verblijf in Egypte lijkt helemaal voor Abraham goed uitgepakt te hebben, want gelijk na zijn vertrek zegt de verteller dat hij ‘zwaar(beladen) is aan vee, zilver en goud’ (13,2). Iets andere, maar vergelijkbare woorden horen we over Lot, die in de slipstream van Abraham ook de nodige bezittingen heeft verworven (13,5). Het gevaar bestaat dat de strijd tussen de herders omslaat naar een strijd tussen Abraham en Lot. Abraham roept Lot op geen strijd te voeren, want we zijn ‘mannenbroeders’ (13,8). En hij doet Lot het voorstel om in het land apart te wonen. De eerste keus laat hij aan Lot: hij mag naar links (naar het noorden) of naar rechts (naar het zuiden). Maar Lot komt tot een heel andere keuze. Hij kiest voor een gebied dat buiten het land ligt, zoals uit 13,12 blijkt. Het gevolg daarvan is dat het land voor Abraham is, die zich direct hierna in het land vestigt (13,12). Al eerder had hij gehoord dat God dat land aan zijn nageslacht zou geven (12,7). De beweging die met de aankomst in het land Kanaän begon (12,5), eindigt nu met Abrahams vestiging in het land Kanaän (13,12). Maar wat de lezer nog niet gehoord heeft, is of dit nu het land is dat de Heer hem zou laten zien.

3. Rond het land doet zich nog een derde probleem voor: het land is reeds bewoond. Twee keer heeft de verteller zijn verhaal onderbroken met een commentaarzin. Na de mededeling dat Abraham door het land trok tot de plaats Sichem, meldt de verteller onmiddellijk daarna: ‘De Kanaänieten waren toen in het land’ (12,6). Een vergelijkbare zin volgt midden in de passage over de tweedracht tussen de herders van Abraham en die van Lot: ‘De Kanaänieten en Perizzieten vestigden zich toen in het land’ (13,7). De lezer kan daaruit opmaken dat de situatie tussen 12,6 en 13,7 veranderd is. Er is niet alleen een groep bijgekomen: de Perizzieten, daarnaast is het ook nog zo, dat ze er eerst alleen waren, maar nu hebben ze zich daar ook gevestigd. Dat moeten ze dan op eigen initiatief gedaan hebben, zo zal de lezer concluderen die ook weet dat de Heer zich eerder gemanifesteerd heeft als de eigenlijke bezitter van het land (12,7). Die tweede commentaarzin staat ingeklemd tussen twee zinnen: over de tweedracht tussen de herders van Abraham (13,7a) en Lot en de mogelijkheid dat die omslaat naar tweedracht tussen Abraham en Lot (13,8). Dat feit dat twee groepen zich toen in het land vestigden, zorgt voor nog meer druk op het land. De lezer zou ook kunnen denken: dat wordt vast niet het land dat God aan Abraham zal laten zien, het is namelijk al bewoond.

Het land is reeds bewoond.

Abrahams voorstel tot verdeling

De crises betreffen het land, maar twee staan ook in relatie tot de mensen die Abraham op zijn tocht – op eigen initiatief – heeft meegenomen: zijn vrouw Sara en Lot, de zoon van zijn broer Haran (12,5). De eerste crisis (12,10), waarin het gaat over zien van schoonheid, leidt tot een problematische situatie rondom zijn vrouw Sara, die hij in Egypte uitgeeft voor zijn zuster (12,11-20). In Egypte brengt Abraham de belofte dat God hem tot een groot volk zal maken namelijk in gevaar, wanneer hij Sara aan de farao laat. De tweede crisis (13,6), waarin het gaat over het zien van vruchtbaar landbouwgebied, voert naar een situatie die tot spanning tussen Abraham en zijn neef Lot, die hij zijn broeder noemt, zou kunnen leiden. Als ze bij Betel zijn, staat de belofte op het spel dat God aan het nageslacht van Abraham het land geeft. Abraham doet namelijk aan Lot het voorstel het land te verdelen. Maar dat gebeurt niet, nadat Abraham eerst tegen Lot gezegd heeft dat hij zich van Abraham moet afscheiden. Die afscheiding bepaalt Abraham, maar hij laat de keus aan Lot of hij naar links gaat dan wel naar rechts. We hoorden steeds dat Lot met Abraham meeging (12,4; 13,1.5). Dat deed hij steeds uit eigen beweging, maar op het beslissende moment gaat Lot niet – in deze keuze van Abraham – met hem mee. Nu gaat hij zijn eigen weg. Lot heeft het oog laten vallen op de waterrijke Jordaanvallei, daarvoor kiest hij. De verteller laat door middel van commentaarzinnen: ‘voordat de Heer Sodom en Gomorra verdierf’ (13,10) en ‘de mannen van Sodom waren kwaadaardig en zeer zondig tegenover de Heer’ (13,13), aan de lezer weten dat Lot dat dichtbij een vernietigende situatie zal brengen. Lot wist op dat moment nog niet wat die aantrekkelijkheid verborgen hield.

Abrahams reis door het land

Genesis 13 kan niet goed geduid worden zonder Genesis 12. Wie beide hoofdstukken nader beschouwt, ziet een concentrisch patroon, waarvan het verblijf van Abraham en Sara in Egypte om daar als vreemdeling te vertoeven het centrum en het dieptepunt vormt (12,10–13,1). We zien een beweging van Sichem naar het gebied tussen Betel en Ai en dan naar het zuiden (van Kanaän) die uiteindelijk in Egypte eindigt, en die gevolgd wordt door een beweging vanuit Egypte naar het zuiden (van Kanaän), die dan leidt naar het gebied tussen Betel en Ai om ten slotte in Hebron zijn aankomst-en vestigingsplaats te vinden.

Abrahams reis door het land mag opvallend genoemd worden. De verteller geeft heel nauwkeurig aan waar Abraham terechtkomt, maar steeds weer breekt hij op en trekt hij verder: van de ene naar de andere plaats. Hij begint in het noorden (Sichem), reist dan naar het midden van het land (tussen Betel en Ai) om in het zuiden uit te komen. Na verblijf in Egypte maakt hij de omgekeerde beweging: vanuit Egypte naar het zuiden, en vanuit het zuiden komt hij weer in het gebied tussen Betel en Ai, het midden van het land. Daarna gaat hij echter niet opnieuw naar het noorden, maar naar Hebron dat in het zuiden van Juda ligt. Met Sichem in het noorden aan het begin van Abrahams reis en Hebron in het zuiden aan het eind is het hele land gevat. Abraham trekt dus door heel het land! Dat doet hij niet, omdat hij in het land geen woonplaats heeft, zijn breed opgezette reis is het proces waardoor hij heel Kanaän in het oog krijgt. Is het een verkenningstocht die Abraham onderneemt? Wat Abraham steeds op elke plek doet, is een altaar bouwen en de naam van de Heer uitroepen (12,7.8; 13,4.18). Roept hij die naam op elke plaats misschien uit vanwege de belofte: ‘Aan jouw nageslacht zal Ik dit land geven’ (12,7), zodat op deze manier dat land afgebakend wordt?

‘Hef je ogen op en zie’

Strikt genomen is het verhaal na 13,12-13 ten einde. Het probleem tussen Lot en Abraham is opgelost. De beweging van aankomst in Kanaän is met de vestiging van Abraham in datzelfde land tot een afronding gekomen. Toch gaat het verhaal verder, in 13,14 zelfs op een heel bijzondere manier: het subject (‘Heer’) gaat hier vooraf aan het werkwoord (‘zei’), het werkwoord zelf staat in een andere tijd (vgl. 12,1.7): ‘De Heer zei tot Abram’. Lot deed het uit zichzelf: zijn ogen opheffen en zien (13,10), hier is het de Heer die Abraham ertoe oproept zijn ogen op te heffen en te zien ‘vanaf de plaats waar je bent naar het noorden, zuiden, oosten en westen, want het heel het land dat je ziet, zal ik aan jou en aan je nageslacht geven’. De lezer kan niet anders dan een scherp contrast zien tussen Lot en Abraham. Lot gaat voor wat hij voor zich ziet, Abraham voor wat hij hoort. Hoewel? Helemaal aan het begin vernam de lezer dat Abraham gehoor gaf aan Gods oproep, nu God hem dat land laat zien, hoort de lezer niet dat Abraham doet waartoe Hij hem roept. We lezen na de Godsspraak niet: ‘Abraham hief zijn ogen op en zag’, zoals dat eerder van Lot verteld was. Wat de lezer hoort, is dat hij zijn tenten opslaat en zich vestigt bij de eiken van Mamre. Is Abraham op het moment suprême ongehoorzaam? Dat zou je kunnen denken. Het lijkt mij eerder dat Abraham dat eigenlijk al gedaan heeft: zijn ogen opheffen en rondkijken, toen hij – verkennend – door ‘het gehele land’ trok.

A 12,1-5 Godsspraak – aankomst in het land Kanaän

B 12,6-7 tot aan de plaats Sichem, tot aan de eik van More

C 12,8 naar het gebied tussen Betel en Ai

D 12,9 naar het zuiden

E 12,10-13 afdalen naar Egypte

F 12,14-20 aankomst in Egypte

E’ 13,1-2 opgaan uit Egypte

D’ naar het zuiden

C’ 13,3-11 naar het gebied tussen Betel en Ai

B’ 13,12-13 vestiging in het land Kanaän

A’ 13,14-18 Godsspraak – aankomst en vestiging bij de eiken van Mamre, in Hebron

Is Abraham op het moment suprême ongehoorzaam?

Literatuur

• Frans H. Breukelman, Bijbelse Theologie Deel I,2. De theologie van het boek Genesis: Het eerstelingschap van Israël te midden van de volkeren op de aarde als thema van “het boek van de verwekkingen van Adam, de mens”. (Kampen: Kok, 1992), 82–112 .

• Thomas L. Brodie, Genesis as Dialogue: A Literary, Historical, and Theological Commentary. (Oxford: Oxford University Press, 2001).

• K.A. Deurloo, “Narrative Geography in the Abraham Cycle.” In: A.S. van der Woude (ed.), In Quest of the Past: Studies in Israelite Religion, Literature and Prophetism (OTS 26). (Leiden: Brill 1990), 48-62. Nederlandse vertaling: “Narratieve geografie in de Abraham-cyclus.” In: F.J. Hoogewoud e.a. (eds), Societas Hebraica Amstelodamensis *1961 Jubileumuitgave. (ACEBT Sup. 15) (Bergambacht: 2vm 2017), 18-22.

• Elisabeth Robertson Kennedy, Seeking a Homeland: Sojourn and Ethnic Identity in the Ancestral Narratives of Genesis (BIS 106). (Leiden & Boston: Brill, 2011).

• Dan Rickett, “Rethinking the Place and Purpose of Genesis 13.” Journal for the Study of the Old Testament 36/1 (2011): 31–53.

• Walter Vogels, “Lot in His Honor Restored: A Structural Analysis of Gen 13.2-18.” Église et Théologie 10 (1979): 5–12.

< Terug