< Terug

Micha – van ‘valse’ tot ware profeet

Wat onderscheidt een ware profeet van een valse? Vaak wordt dat pas gaandeweg duidelijk en soms duurt het heel lang en moet men het aanvankelijke oordeel bijstellen. De profeet Micha is daarvan een intrigerend voorbeeld.

Hij heeft u bekend gemaakt o mens wat goed is – Micha 6:8 (acryl op doek – GvB).

Ware en valse profeten

De kwestie van het onderscheid tussen ware en valse profetie ligt gevoelig. Nog steeds. Het gaat immers om de vraag wie er terecht beweert dat hij/zij God aan zijn/haar zijde heeft of zelfs in Gods naam spreekt. In alle tijden kom je zulke mensen tegen. Sommigen ervaren het als een roeping tegen wil en dank. Het kan je zelf overkomen. Of neem die collega die ervan overtuigd was dat hij een boodschap van Jezus had gekregen.

Het is een jaar of dertig geleden. In die tijd woedde er in conservatieve kringen van de Hervormde kerk een hevige discussie over een mogelijke fusie met de Gereformeerde Kerken. De betreffende hervormde predikant meldde dat hij een boodschap ontvangen had van Jezus Christus. Hij bracht het aarzelend, maar ook in de overtuiging dat hij dit niet voor zich mocht houden. Net als bij veel oudtestamentische profetieën was de boodschap in de ik-vorm gesteld. Jezus zei dat het levende woord in het Samen op Weg-proces te weinig centraal stond. Jezus riep op tot bezinning en bekering en tot gebed, verootmoediging en schuldbelijdenis tegen het Nederlandse volk, ‘mijn oogappel Israël’ en de vele slaven en gekoloniseerden die door Nederland in de loop der eeuwen geslachtofferd zijn.

Bij nader onderzoek bleek de betreffende predikant eerder zelf ook al soortgelijke bezwaren tegen een al te voortvarende fusie geuit te hebben. Dat roept argwaan op: spande hij Jezus voor zijn eigen karretje? Toch voert het te ver om hem een valse profeet te noemen. Blijkbaar was hij er heilig van overtuigd dat hij door Jezus zelf geroepen was die boodschap door te geven. Niet om mensen te misleiden, maar om ze op het juiste pad te houden of te brengen. 

Jezus zegt (volgens een oudere, meer gezaghebbende getuige): ‘Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen, maar in wezen roofzuchtige wolven zijn’ (Matteüs 7:15), en ook op andere plaatsen in het Nieuwe Testament klinkt die waarschuwing. Die profeten zijn op het eerste gezicht niet herkenbaar als bedriegers, maar als je goed let op ‘hun vruchten’ – aldus Jezus in het volgende vers – dan vallen ze door de mand.

Blijkbaar gaat het om mensen die opzettelijk anderen willen misleiden. Terecht worden ze ‘vals’ genoemd. In het Grieks heten ze pseudo-prophetes; letterlijk vertaald: ‘leugenprofeet’. In het Oude Testament ontbreekt daarvan een Hebreeuws equivalent. We vinden daarin wel verhalen over profeten die recht tegenover elkaar staan en die dus de vraag oproepen wie er gelijk heeft. Ook al wordt daarbij steeds één van beide afgewezen, nergens wordt hij voor zoiets als een ‘pseudo-profeet’ uitgemaakt. De zaken liggen hier genuanceerder, net als bij de voornoemde predikant. Een goede illustratie daarvan is de confrontatie tussen Jeremia en andere profeten, met name Chananja.

Jeremia versus Chananja

Jeruzalem is omsingeld door het machtige leger van de Babyloniërs onder leiding van koning Nebukadnezar. De angstige inwoners staan voor een moeilijke keuze: moeten ze zich overgeven of weerstand bieden? Geen van beide opties is aantrekkelijk en niemand weet wat uiteindelijk het beste zal uitpakken. Behalve dan de profeten, zij beweren op gezag van God dat ze weten wat er gedaan moet worden. Het probleem is wel dat ze het niet met elkaar eens zijn.

De meeste profeten voorzien een bevrijding van de stad, zoals dat ruim een eeuw eerder ook op wonderbaarlijke wijze was gebeurd toen de Assyriërs Jeruzalem dreigden in te nemen. De profeet Jeremia verkondigt daarentegen in naam van dezelfde God dat ze de komende verovering van de stad door de Babyloniërs moeten accepteren als straf van God vanwege hun ontrouw. Dat wordt Jeremia niet in dank afgenomen.

In Jeremia 26 lezen we hoe ‘de priesters, de profeten en alle andere aanwezigen in de tempel’ hem grijpen en ter dood willen brengen. In de Septuaginta, de oude Griekse vertaling, worden hier de profeten aangeduid als pseudo-profetes. Volgens de vertaler kan en mag er blijkbaar geen twijfel over bestaan dat we hier te maken hebben met valse profeten. In het Hebreeuws gebeurt dat dus niet. Achteraf gezien is natuurlijk ook wel duidelijk wie het bij het rechte eind had. Het is echter goed om te bedenken dat het in de situatie van het verhaal zelf helemaal niet zo zwart-wit was.

Dat wordt misschien nog beter zichtbaar wanneer één van die profeten die zich tegen Jeremia keren op de voorgrond treedt. Hij heet Chananja. Zijn naam betekent ‘JHWH is genadig’. Dat is ook zijn boodschap en daarmee keert hij zich tegen Jeremia die met een houten juk op zijn schouders rondloopt ter illustratie van zijn boodschap dat JHWH zijn volk voor straf het juk van Babylonië op zal leggen. Volgens Chananja zal JHWH dat juk juist verbreken, net zoals hij dat eerder bij de Assyriërs had gedaan. Chananja voegt de daad bij het woord en breekt het juk van Jeremia in stukken (Jeremia 28:10-11).

Zelfs Jeremia is onder de indruk van de beloftevolle boodschap van Chananja. Hopelijk heb je gelijk, reageert hij. De toekomst zal het uitwijzen, voegt hij er vervolgens aan toe. Dat is het criterium dat ook in Deuteronomium 18:22 wordt gehanteerd om uit te maken wie er in naam van God spreekt en wie niet: of het uitkomt of niet.

Het bijzondere van het verhaal van de confrontatie tussen Jeremia en Chananja is dat al voordat duidelijk wordt wie er gelijk krijgt Chananja wordt ontmaskerd als misleider van het volk. Dat doet God zelf waarbij hij Chananja ook nog eens straft met een voortijdige dood. En dat gebeurt al drie maanden na het dispuut met Jeremia. Op dat moment is nog allerminst duidelijk hoe de belegering door de Babyloniërs af zal lopen. Dus hier is de test van Deutonomium 18 niet van toepassing.

Verdient Chananja nu het etiket van een valse profeet? Er zijn redenen om hier terughoudend te zijn. We weten niets van mogelijke onzuivere motieven bij hem. In positieve zin kan worden opgemerkt dat Chananja met zijn boodschap in een eerbiedwaardige traditie staat. Hij had bijvoorbeeld heel goed de woorden van Jesaja kunnen citeren toen deze profeet bij een soortgelijke belegering van Jeruzalem aan de Judese koning Achaz en later aan Hizkia Gods bijstand toezegde en de koningen juist vermaande hun politiek te laten bepalen door dit vertrouwen. Was het volk nu zoveel zondiger dan in hun tijd? Jesaja’s profetie was in het jaar 701 voor het begin van onze jaartelling op wonderbaarlijke wijze in vervulling gegaan. De stellige hoop dat dit in 587 weer zou kunnen gebeuren, kan men zien als een bewijs van groot geloofsvertrouwen dat aansluit bij de naam van de profeet zelf: ‘JHWH is genadig’.

Micha als ware profeet

In het kader van de vergelijking met de gebeurtenissen ruim een eeuw eerder is het buitengewoon interessant dat in de discussie rondom de profetie van Jeremia verwezen wordt naar de vroegere profeet Micha. Dat gebeurt in de eerder genoemde confrontatie tussen Jeremia en ‘de priesters, de profeten en alle andere aanwezigen in de tempel’. Op het moment waarop Jeremia ter dood gebracht dreigt te worden, grijpen enkele oudsten in. Zij wijzen op de profetie die ooit Micha uitsprak ten tijde van koning Hizkia:

Dit zegt JHWH van de hemelse machten:
De Sion zal als een akker worden omgeploegd,
Jeruzalem zal een ruïne worden
en de tempelberg een overwoekerde heuvel.
(Jeremia 26:18)

Dat is een citaat van Micha 3:12. Het is een profetie die overeenkomt met de boodschap van Jeremia. De bevolking van Juda, zo betogen de oudsten, hadden indertijd Micha niet gedood vanwege zijn onwelgevallige woorden. De koning had ze ter harte genomen en zo ontzag voor JHWH betoond. Daarmee had hij het aangekondigde onheil afgewend. Daar zou men in de vergelijkbare situatie waarin men zich nu bevindt lering uit moeten trekken.

In ieder geval redden de oudsten daarmee het leven van Jeremia. Het leidt er niet toe dat men nu wel gehoor geeft aan zijn woorden. Een medestander van Jeremia ontkomt even later niet aan de volkswoede en ook de hierop volgende confrontatie met Chananja toont de aanhoudende, breed gedragen kritiek op Jeremia. Pas nadat uitgekomen is wat Jeremia had voorspeld, moet men toegeven dat hij gelijk had. Jeremia pepert het dan zelf koning Sedekia nog eens in:

En uw profeten, die u verzekerd hebben dat de koning van Babylonië u en dit land met rust zouden laten, waar zijn die nu?
(Jeremia 37:19)

In zekere zin was nu ook, zij het met een vertraging van ongeveer 115 jaar, Micha’s voorspelling uitgekomen. Is dit het dan wat hem tot een ware profeet maakt die zijn plaats in de Bijbel verdient?

Volgens de oudsten die het voor Jeremia opnamen, kwam het vooral door het feit dat men zijn waarschuwing ter harte had genomen. Het is echter maar de vraag of dat ook werkelijk het geval was.

In zijn recente, indrukwekkende commentaar op het boek Micha verdedigt Johannes de Moor de opvatting dat Micha gestorven (waarschijnlijk zelfs terechtgesteld) is als een gedesillusioneerd man. Als profeet zou hij hebben gefaald omdat zijn in 3:12 genoemde profetie niet uitkwam. De ware profeet was Jesaja die het tegenovergestelde geprofeteerd had. Jesaja had met het ontzet van Jeruzalem in 700 gelijk gekregen. Micha had zich juist fel verzet tegen de profeten die de dreiging van Assyriërs bagatelliseerden met een beroep op God. In naam van dezelfde God zegde Micha hen het oordeel aan:

Dit zegt de HEER over de profeten die mijn volk misleiden, die over vrede praten zolang ze maar iets te eten krijgen en die iedereen die hen niet op hun wenken bedient de oorlog verklaren: Voor jullie zal het een nacht zijn zonder visioenen, donker en zonder voorspellingen. Voor die profeten zal de zon ondergaan en zal de dag veranderen in duisternis. De zieners zullen zich schamen, de waarzeggers te schande staan; ze zullen beschaamd hun mond bedekken, want God geeft geen antwoord. Ik daarentegen ben vervuld van kracht, ik heb de geest van de HEER, ik ben rechtvaardig en ik heb de moed om aan Jakob zijn wandaden bekend te maken, en aan Israël zijn zonde. (…) De leiders spreken er recht in ruil voor geschenken, de priesters geven onderricht tegen betaling, de profeten voorspellen voor geld, terwijl ze zich op de HEER beroepen en zeggen: ‘De HEER is toch in ons midden? Ons zal geen onheil treffen’.
(Micha 3:5–7.11 – NBV21)

Micha verwijt de profeten dat ze hun broodheren naar de mond praten. Hij noemt zichzelf geen profeet, maar beweert wel dat hij gedreven wordt door de geest van God en dat dit hem de moed geeft om zijn volk de waarheid te zeggen (3:8). Het feit dat zijn voorspelling dat Jeruzalem ten onder zou gaan niet uitkwam, moet hem in verwarring gebracht hebben. Dat zal ook de reden geweest zijn waarom hij zichzelf ongelukkig noemt (7:1). Hij blijft zitten met vragen zonder antwoord, al blijft hij daarbij ook hardnekkig vasthouden aan het geloof dat God uiteindelijk een antwoord zal geven en dat aan het licht zal komen. Daarin lijkt Micha sprekend op Job:

Maar ik, ik blijf uitzien naar de HEER,
ik blijf hopen op de God die mij redding zal brengen.
Hij zal mij horen, mijn God.
Jij die me haat, maak je niet vrolijk over mij.
Al ben ik gevallen, ik sta op,
al is het donker om mij heen, de HEER is mijn licht.
De toorn van de HEER zal ik dragen
– ik weet, ik heb tegen Hem gezondigd –
tot Hij mijn zaak heeft verdedigd,
mij recht heeft verschaft.
Hij zal me naar het licht voeren
en ik zal zijn gerechtigheid aanschouwen.
(Micha 7:7–9; NBV21)

In de geschiedenis van de uitleg van dit hoofdstuk wordt vaak beweerd dat hier niet de profeet zelf aan het woord is, maar dat we te maken hebben met de klacht van Jeruzalem voorgesteld als een (vrouwelijk) persoon. We blijven, hoe dan ook, wel zitten met de vraag hoe er na de als Godswonder ervaren bevrijding van Jeruzalem in het jaar 700 aangekeken werd tegen Micha. Het naar hem genoemde boek eindigt wel met een heilsprofetie, maar die is hoogstwaarschijnlijk later toegevoegd en maakt ook geen melding van zoiets van een positieve uitwerking van Micha’s onheilsprofetie, zoals de oudsten ten tijde van Jeremia beweerden. Het geeft wel aan dat het nog niet zo eenvoudig is onderscheid te maken tussen ware en valse profetie. Zijn voorspelling kwam niet uit. Daarmee voldeed hij niet aan het criterium van Deuteronomium 18, maar hij staat terecht niet te boek als een valse profeet.

De timing van de ware profeet

Ooit begon minister-president Colijn een toespraak in de Tweede Kamer met de woorden: ‘Mijnheer de voorzitter, ik had wel gelijk, maar ik had te vroeg gelijk’. Een dergelijke arrogantie zou ik de oudtestamentische profeten niet willen toeschrijven, maar het geeft wel aan dat men de waarde en daarmee ook de waarheid van hun woorden niet los kan zien van de tijd waarin zij gesproken zijn. Er wordt soms wel beweerd dat ware profetie onheilsprofetie is en dat valse profetie gekenmerkt wordt door de meer populaire heilsprofetie. Soms – bijvoorbeeld in de tijd van Jeremia – klopt dat, maar soms ook niet.

In de tijd van Micha en Jesaja lag het namelijk weer anders. Achteraf gezien kan men vaak vaststellen dat profeten in hun eigen tijd tegen de publieke opinie ingingen en – net als Colijn van zichzelf beweert – pas later erkenning kregen. Maar niet elke tegenspreker kan claimen in naam van God te spreken en wachten totdat duidelijk is wie er gelijk krijgt, is een luxe die men zich niet altijd kan veroorloven. Dat alles maant tot bescheidenheid, zowel voor wie zich geroepen voelt als profeet als voor wie de profetieën weegt. Intussen is het dan maar het beste om op dit moment te doen wat Micha ons bij dit alles voorhoudt:

Er is jou, mens, gezegd wat goed is,
je weet wat de HEER van je wil:
niets anders dan recht te doen,
trouw te betrachten
en nederig de weg te gaan van je God.
(Micha 6:8 – NBV21)

Klaas Spronk is hoogleraar Oude Testament aan de Protestantse Theologische Universiteit Amsterdam en hoofdredacteur van Schrift.

Literatuur

Een goede bespreking van de vragen rondom ware en valse profetie aan de hand van de teksten in het boek Jeremia biedt het artikel van Matthijs de Jong, ‘The Fallacy of “True and False” in Prophecy Illustrated by Jer 28:8-9’, Journal of Hebrew Scriptures 12 (2012), article 10 https://jhsonline.org/index.php/jhs/article/view/18392/14377

Het genoemde commentaar: Johannes C. de Moor, Micah (Historical Commentary on the Old Testament), Leuven: Peeters 2020.


< Terug