< Terug

Preekschets Daniel 12:13

Daniel 12:13

Vijfentwintigste zondag na Pinksteren

Maar jij, ga het einde tegemoet. Je zult te ruste gaan en aan het einde van de dagen opstaan om je bestemming te bereiken.

Schriftlezing: Daniël 12

Het eigene van de zondag

Zie bij zondag 5 november. In vele gemeenten worden op de laatste zondag van het kerkelijk jaar de gestorvenen herdacht. Daniël 12 vormt een van de betrekkelijk weinige oudtestamentische getuigenissen inzake de opstanding van de doden en richt onze aandacht op de voleinding.

Uitleg

De tijdsbepaling in vers 1 geeft aan, dat dit hoofdstuk gelezen moet worden in relatie tot Daniël 11:40-45, waar de apocalypticus de blik richt op de eindtijd. Michaël (10:13), de grote vorst, is de engel die de beschermende macht van de Heer vertegenwoordigt en als representant van Israël het verdrukte volk te hulp komt (vgl. Judas:9; Op. 12:7-10). Op het vlak van de aardse geschiedenis zijn het de Makkabeeën (‘de kleine hulp’, Dan. 11:34) die de strijd aanbinden tegen Antiochus en zijn aanhang. De vermelding van de engel geeft ons een blik achter de schermen van het wereldgebeuren en laat ons de hemelse dimensie van de strijd zien. Ook al is Israëls geschiedenis de eeuwen door vol geweest van crises en noodsituaties, de verdrukking die men nu moet ondergaan, is zonder analogie in de geschiedenis. Hermeneutisch is het geoorloofd de lijn door te trekken naar de gehele wereld. In de synoptische apocalyps (Mare. 13:14-19 par.) wordt immers bij de vermelding van de ‘verwoestende gruwel’ en de verdrukking van de eindtijd teruggegrepen op teksten uit het boek Daniël (9:27; 11:32; 12:1). Maar ook in deze tijd van extreme nood is er redding voor het volk van God. Betekent dit dat de gelovigen ontkomen aan het martelaarschap (11:35-37)? Gezien het vervolg is eerder te denken aan het feit dat de gelovigen in meer algemene zin denken te ontkomen aan de macht van de dood (vgl. Jes. 49:42-25; Ps. 116:3-4). De vermelding van het boek waarin de namen van hen die gered zijn, geschreven staan, geeft aan dat die redding verankerd ligt in Gods verkiezende trouw (vgl. Ex. 32:32; Ps. 69:29; Filp. 4:3; Op. 3:5). Ondanks het woeden van de anti-machten zijn de gelovigen geborgen in Gods hoede en zijn zij als burgers van het ware Jeruzalem door Hem gekend (vgl. Ps. 87; Luc. 10:20).

In vers 2 is in nauwe aansluiting aan de redding sprake van de opstanding van de doden. We zullen dit niet te dogmatisch moeten inkleuren, maar vooral pastoraal-kerugmatisch moeten verstaan. De profeet troost met dit woord de verdrukte gelovigen en geeft zo antwoord op de vraag wat toch de zin is dat juist zij die vasthouden aan Gods inzettingen als martelaar sterven. Opstanding en gericht betekenen rechtzetting en scheiding. jhwh oordeelt rechtvaardig. De dood zal Hem daarin niet verhinderen. Heil voor verdrukten en de slachtoffers – hier voor het eerst aangeduid als eeuwig leven, vergelijk Jesaja 26:19 – betekent onheil voor de afvalligen en de vervolgers. De verdrukkers zullen niet voor eeuwig gelijk krijgen. Er loopt een scheiding door Israël (velen …velen). Het lot van de afvalligen wordt getekend in aansluiting aan Jesaja 66:24. Ook hier gaat het niet om abstracte informatie, maar moeten we de kerugmatische strekking in al haar ernst vasthouden. Al is het spreken over de opstanding hier contextueel bepaald,’ waarbij men moet bedenken ‘dasz es sich hier um ein erstes Dämmerlicht handelt’ (Voigt), toch wijst dit spreken in de richting van een algemene opstanding der doden (zie ook vs. 13; vgl. Joh. 5:28; Op. 20:11, 12).

Wie deel ontvangen aan het eeuwig leven, worden de wijzen en verstandigen genoemd (beter dan de nbv: ‘verlichten’). Hun inzicht is verbonden met het vasthouden aan de wet van God (Dan. 11:35). Zij zijn in woord en daad anderen voorgegaan op de weg van de gerechtigheid.’ Tegenover het donkere heden wacht hun een lichtende toekomst. Zoals de sterren schitteren,- zullen deze getrouwen de heerlijkheid deelachtig worden. De metafoor van de lichtende sterren roept associaties op aan het oudoosters spreken over sterren als machthebbers en koningen (vgl. Dan. 8:10). De verhoudingen worden omgekeerd. Die nu verachting ondergaan en nog ‘armselige Lichtlein’ (J.A. Bengel, geciteerd bij Breit, 229) zijn, ontvangen in Gods toekomst glorie (vgl. Gez. 439:6).

Bij ‘de woorden’ (vs. 4) moeten we denken aan de tekst van het boek Daniël. De vertaling: ‘verborgen houden’, wijst op geheimhouding. Vers 4b wordt dan uitgelegd in de zin van Amos 8:11,-12. Maar eerder hebben we bij 4a te denken aan bewaring van het opgeschrevene, terwijl de verzegeling ertoe dient om verandering en misvorming van hetgeen te boek gesteld is uit te sluiten. Het profetisch getuigenis is geen eindtijdscenario dat menselijke nieuwsgierigheid bevredigt, maar een baken in een tijd van verdrukking voor een aangevochten gemeente om hen weerbaar te maken. Wie ‘Weisung’ zoekt, zal ook vinden!

In de verzen 5vv komt Daniël zelf in beeld. Opnieuw klinkt de vraag: Hoe lang nog? (vgl. Dan. 8:13-14). De vraag wordt in de mond van een engel gelegd, die zich daarmee tolk maakt van de klachten van de gelovigen (vgl. o.a. Ps. 13:2; 79:5; Hab. 1:2; ook Op.,6:10). De hemelse boodschapper beantwoordt de vraag met ‘een tijd, tijden en een halve tijd (vgl. Dan. 7:25). In voor de apocalyptiek typerend taalgebruik wordt gesproken over een tijd van toenemende verdrukking voor het heilige volk, Israël. Maar als de nood op het hoogst is, breekt de dag van de voleinding aan en is de verlossing nabij. De tijd naar het einde is een tijd van loutering en volharding. Gelukkig geprezen wordt degene die blijft verwachten (vgl. Mat. 24:13). In die verwachting nioet ook Daniël het einde tegemoet gaan, gedragen door de belofte dat hij zal rusten in het graf tot de dag van de opstanding en zo zijn bestemming zal vinden (STV lot en wat door het lot verkregen wordt, vergelijk het gebruik van dit woord bij de verdeling van het land Kanaan onder de stammen, Joz. 13-19; zie ook Ps. 16:6).

Aanwijzingen voor de prediking

Over het karakter van de apocalyptische prediking is bij de aanwijzingen in de schets over Daniël 9 een en ander gezegd. De toekomstverwachting die hier uitgesproken wordt, wil de gemeente tussen de tijden weerbaar maken. De kerntekst die hierboven is aangegeven, bevat een aanspraak tot Daniël die in dit boek getekend wordt alspoliticus, profeet en wijze, en die hier door God bemoedigd wordt met het uitzicht op de grote rust (zo Lüthi, 149-152). Deze concretisering kan een hulp bieden voor de identificatie, mits we bedenken dat in Daniël het volk van God uit de tweede eeuw voor Christus wordt aangesproken en dat wij post Christum natum met dit volk meeluisteren. Willen we ons niet verliezen in de veelheid van thema’s en motieven dan dienen we ons te concentreren op de hoofdlijn. Een goede ordening van de stof biedt Voigt in drie kernwoorden: beproeving, redding, opwekking.

Aan de hand van de context kan de prediker erop wijzen dat de gemeente aan het Israël uit de tijd van Antiochus kan zien dat haar bestaan tussen de tijden geen onaangevochten bestaan is. Voor een theologie van de glorie is geen reden. Strijd en lijden zijn kenmerkend voor de weg die zij gaat. Nieuwtestamentisch gezegd: haar weg is getekend door het kruis van haar Heer (vgl. Hand. 14:22). Die aanvechting kan verschillende gestalten aannemen, zoals de kerkgeschiedenis laat zien. We behoeven ons geen papieren martelaarshoed op te zetten, maar dienen in alle nuchterheid te bedenken dat spot, agressie en onverschilligheid geen vreemde zaken zijn. Geloven is niet goedkoop. En christenzijn niet populair!

Daarin worden we niet aan ons lot overgelaten. Het geloof weet van Gods reddend ingrijpen. In vers 1 is sprake van de engelvorst Michaël. Anno 2005 zijn de engelen in sommige postmoderne kringen terug van weggeweest, terwijl anderen ze in een modern wereldbeeld niet kunnen plaatsen. Zowel tegenover new age-achtige pantheïstische voorstellingen als tegenover de rationalistische reductie van de werkelijkheid biedt het bijbelse spreken een goede mogelijkheid om in de taal van vandaag te laten zien dat de God van Israël oneindig hoog is en tegelijk ons zeer nabij.

Ondanks de donkere tonen van strijd en lijden mag de teneur van een preek over Daniël 12 bemoedigend zijn. De strijd is immers dankzij Gods vasthoudende trouw en verkiezende liefde niet zonder uitzicht. De Heer kent ons bij name en wij vallen niet uit zijn hand, hoe heftig het ook kan toegaan. Daarom komt het erop aan in de tijd die ons scheidt van het einde, de wacht bij het Woord te betrekken.

Het laatste woord is niet ondergang, maar opstanding. Wij lezen Daniël 12 in de context van het getuigenis van Pasen. Jezus’ opstanding is onderpand en garantie van de opstanding van de doden. Er vindt vanuit het spreken over de ‘velen’ (12:2) een concentratie plaats op de Ene in wie allen worden opgewekt. Daarmee is de ernst van de dood niet miskend – juist het Oude Testament weet daarvan! – noch het gegeven dat we staan voor een geheimenis. ‘Nicht deshalb haben wir etwas zu hoffen, weil der Mensch seiner Natur nach etwas Ewiges und Unzerstörbares in sich trüge, sondern weil Gott sein Volk in seinem Sohn geliebt und erlöst hat und, was er liebt, nicht im Tode lassen wird’ (Voigt).

Liturgische aanwijzingen

Als evangelielezing is te denken aan Matteüs 24:13-35. Voor een lezing uit de Brieven Openbaring 14:6-13. Te zingen liederen Psalm 9; 76:5, 6, 7; 149:3, 5; Gezang 113; 288:1, 2, 3, 4; 439:1, 2, 6.

Geraadpleegde literatuur

H. Breit e.a, Calwer Predigthilfen II, Stuttgart 1963; G. Voigt, Der zerrissene Vorhang, Göttingen 1969.

< Terug