De kosmos als heilige ruimte?

Een essay over de mens

We zijn een deel van de kosmos. Als zodanig kan ‘de kosmos’ nooit aan ons als een ding verschijnen. Wel zijn wij in staat om over onszelf en over de kosmos na te denken. Vanuit natuurwetenschappelijk en filosofisch opzicht is er geen enkele reden om de mens centraal te stellen. Maar in de mens is de kosmos wel tot zelfbewustzijn gekomen. Dat schept verantwoordelijkheid.

Terwijl ik deze woorden schrijf, luister ik naar muziek van Steve Roach, een Amerikaanse muzikant die met behulp van synthesizers en computers ambient muziek maakt: muziek die je op de achtergrond kunt beluisteren terwijl je met andere dingen bezig bent. Mij helpt die muziek om de geluiden van de straat weg te houden, zodat ik me beter kan concentreren op de taak die ik me heb gesteld, namelijk een artikel schrijven over de kosmos als heilige ruimte en over de vraag of onze kosmos een samenhang heeft.

Wat is muziek? Muziek bestaat uit verschillende, op elkaar volgende geluiden of tonen die een zekere samenhang hebben. Sommige tonen vormen een melodie, andere tonen vormen een harmonische achtergrond waartegen de melodie afsteekt. Alle tonen hebben een ritme en samen vormen ze een structuur, een samenhang. Die samenhang is onbeschrijfelijk, die kun je alleen ervaren door naar de muziek te luisteren.

Muziek heeft iets mystieks. Muziek is een buitengewoon interessant fenomeen, temeer omdat muziek niet bestaat! Muziek is geen onderdeel van onze fysieke werkelijkheid. Geluid daarentegen wel. De filosoof Roger Scruton schrijft: ‘Als je muziek zoekt in de orde der natuur zal je haar niet vinden. Natuurlijk zal je geluiden vinden, dat wil zeggen losse vibraties in de regel veroorzaakt door menselijke activiteit, die het gehoor van degenen die ernaar luisteren binnengaan, maar je zult geen enkele van de kenmerken vinden die muziek typeren’.[1]

Geluid bestaat, muziek bestaat niet. Muziek ontstaat pas wanneer onze hersenen zich ermee gaan bemoeien. Door onze hersenen worden fysieke processen omgevormd tot het verschijnsel dat we ‘muziek’ noemen. Zonder menselijke hersenen is er geen muziek. Mijn kat luistert niet naar muziek. Zij hoort misschien een kakofonie van geluiden terwijl ik naar een cd van Queen luister. De samenhang die ik waarneem in en als muziek, hoort zij niet. De gitaarsolo’s van Brian May en de eigenzinnige stem van zanger Freddy Mercury zijn aan haar niet besteed.

Verbeelding

Laten we van muziek eens een reuzensprong maken naar de kosmos. Ook de kosmos bestaat niet. Wij spreken weliswaar van ‘de kosmos’, alsof het een ding is dat ergens bestaat en dat we kunnen aanwijzen. Maar we zijn een deel van de kosmos zelf, en als zodanig kan ‘de kosmos’ nooit aan ons als een ding verschijnen. Zouden we de kosmos als een ding buiten ons kunnen aanwijzen, dan zouden we wat wel genoemd wordt een God’s-eye point of view innemen. We kunnen ons totaal verliezen in allerlei sciencefictionachtige scenario’s, maar een geheeloverzicht van ‘de kosmos’ is voor ons fysieke wezens voor altijd uitgesloten. En wel per definitie: de kosmos, het heelal of het universum, behelst alles wat bestaat. Al wat bestaat is onderdeel van het universum. Als wij buiten de kosmos zouden kunnen bestaan om die van buitenaf te aanschouwen, dan zou er nog een werkelijkheid bestaan buiten het universum, en dat is dus per definitie onmogelijk.[2]

We zitten in de kosmos en maken er deel van uit. Tegelijkertijd is er iets eigenaardigs met de mens aan de hand, namelijk dat er zich bij de mens een zelfbewustzijn heeft ontwikkeld. Als een mens volwassen wordt, wordt hij/ zij zich bewust van het eigen bestaan en is hij/zij in staat om daarover na te denken. Mensen zijn in staat tot zelf-transcendentie: via de verbeelding kunnen ze boven zichzelf uitstijgen, buiten zichzelf treden, eigen gedachten en handelingen als het ware van buitenaf beschouwen en daar een oordeel over vellen. De mens is in staat om over zichzelf en over de kosmos als een object na te denken. De mens is in staat om over zichzelf na te denken als een onderdeel van de kosmos en de vraag te stellen wat de plaats en rol en dus betekenis is van de mens in het geheel. Die vraag ligt aan de wortel van de natuurwetenschap, van filosofie en van religie.

Big History

Natuurwetenschappers houden zich eigenlijk niet met ‘de kosmos’ bezig, zelfs niet met de vraag of de kosmos een samenhang heeft, en al helemaal niet met de vraag of de kosmos een heilige ruimte is. Ik ken genoeg natuurwetenschappers die interesse in deze kwesties hebben, dat hebben ze meestal niet vanuit hun positie als natuurwetenschapper, maar vooral als mens. Als natuurwetenschapper houden ze zich bezig met een piepklein deeltje van de werkelijkheid. Dat bestuderen ze, proberen ze te doorgronden en te beschrijven. Daarbij speelt wel een vooronderstelling een rol, namelijk dat het deeltje dat zij bestuderen onderdeel is van een groter geheel (‘de fysieke werkelijkheid’), en dat de kennis die zij van dit onderdeel opdoen past binnen het grotere geheel van kennis die wetenschappers opdoen.

Natuurwetenschappers hopen dus dat er een samenhang is tussen hun werk en de kennis die andere natuurwetenschappers opdoen. Ze hopen dat het voor ons toegankelijke deel van de fysieke werkelijkheid een zekere samenhang vertoont. Denk ook aan de natuurwetten, die een belangrijke rol spelen in de natuurwetenschappen (maar wie weet gelden de ons bekende natuurwetten alleen in het voor ons waarneembare deel van het universum). Betekent dat ook dat natuurwetenschappers veronderstellen dat de kosmos als geheel een samenhang vertoont? Het punt is dat die vraag weliswaar raakt aan de natuurwetenschappen, maar zelf geen natuurwetenschappelijke vraag is. Immers, zoals ik al eerder zei, de kosmos als geheel is geen object van wetenschappelijk onderzoek, en kan dat ook niet zijn omdat we er zelf deel van uitmaken.

Ieder mens draagt het gelaat van de kosmos

Toch proberen anderen wel een zekere samenhang in de wetenschappelijke kennis aan te brengen. Je hoort vandaag de dag wel eens spreken over Big History. Dit is een discipline die verteltechnieken uit de historische wetenschappen verbindt met de kennis die wetenschappers hebben opgedaan. Big History vat die wetenschappelijke kennis samen in een verhaal ‘van oerknal tot nu’. Dus een verhaal over hoe het heelal geworden is (de oerknal). Hoe de eerste sterren zich ontwikkelden en zorgden voor de materiedeeltjes die ons heelal nu rijk is. Hoe ons zonnestelsel ontstond. Hoe de aarde vorm kreeg en de plek werd waar leven ontstond en zich vervolgens ontwikkelde. Hoe dat leven zich vertakte in een enorme soortenrijkdom. Hoe de mens vermoedelijk ontstond uit niet-menselijke primaten. Hoe cultuur en beschaving, wetenschap en technologie zich ontwikkelden en uiteindelijk uitmondden in het tijdperk waarin we nu leven: het Antropoceen.

Het verhaal dat Big History vertelt, biedt een samenhang in de vorm van een historische vertelling op basis van wat wetenschappers over onze kosmos weten. Maar het is een samenhang die wij mensen hebben aangebracht, omdat het gaat om onze eigen geschiedenis. Het is een samenhang die wij waarnemen, net zoals we muziek waarnemen, maar die in feite niet bestaat. Net zoals historici uit een eindeloze hoeveelheid feiten een selectie maken om een verhaal te vertellen over een gebeurtenis uit de geschiedenis, zo selecteren ook de vertellers van Big History elementen uit die schier onuitputtelijke verzameling wetenschappelijke kennis, om het verhaal te vertellen hoe wij hier gekomen zijn.

De grote vragen

De kwesties die in Big History aan de orde komen, komen dicht in de buurt van de filosofie. Ook in de filosofie draait het uiteindelijk om de vraag naar de plaats en de rol van de mens in het geheel. Daarbij wordt uitgegaan van het menselijk verstand, dus de rede. Via denken en argumenteren proberen filosofen licht in de duisternis te scheppen en te vragen of ons bestaan zin heeft in het licht van wat we weten over mens en kosmos. Echte filosofie begint met verwondering over het bestaan. Dat er überhaupt iets bestaat. Waarom er iets is en niet niets. Filosofen verwonderen zich over het feit dat mensen zelfbewustzijn hebben, een subject zijn dat zichzelf via de menselijke verbeelding tot object van zelfonderzoek kan maken. Hoe komt bewustzijn in de kosmos? Is het ooit ontstaan uit materie of is bewustzijn net als materie en energie een van de fundamenten van de fysieke kosmos (een positie die ‘panpsychisme’ wordt genoemd)? Er valt hier veel over te zeggen, maar dit zijn grote vragen waarover helaas vandaag de dag slechts weinig filosofen zich durven uit te spreken.

Wij bestaan vooral uit sterrenstof

In de natuurwetenschap is de mens degene die de fysieke werkelijkheid bestudeert, in de filosofie is het de mens die vragen stelt, maar zowel de natuurwetenschap als de filosofie zijn van mening dat ‘antropocentrisme’, dus het idee dat de mens in het middelpunt van de kosmos staat, ongepast is. Volgens natuurwetenschappers is de mens niet bedoeld maar toevallig ontstaan. De meeste filosofen onderstrepen die conclusie door te stellen dat het menselijk bewustzijn een bijproduct is van materiële processen: bewustzijn wordt door het brein gemaakt. De rol van de mens in de kosmos lijkt dus marginaal. Vanuit natuurwetenschappelijk en filosofisch opzicht is er geen enkele reden om de mens centraal te stellen.

‘Heel het zwijgende heelal’

Dat is wel anders in religie. Laten we ons tot het christelijk geloof beperken. Binnen het christelijk geloof staat niet de rede, maar openbaring centraal. God heeft via de Bijbel aan mensen geopenbaard hoe de vork in de steel zit. De kosmos blijkt gegrondvest in een transcendente, kosmos-overstijgende Oorzaak. God blijkt de Schepper van de kosmos te zijn en heeft de mens geschapen ‘naar Gods beeld en gelijkenis’. De mens heeft bovendien de opdracht gekregen om over de schepping te heersen. De meest voorkomende lezing is dat de wereld voor de mens is geschapen.

Het universum heeft de mens gebaard

God heeft de kosmos een samenhang gegeven (vroeger werden dit ‘scheppingsordinantiën’ genoemd): natuurlijke wetmatigheden die ook een moreel aspect hebben waaraan de mens zich heeft te houden. Die samenhang is er omwille van de mens, die door God centraal gesteld is in de kosmos. Alles in de kosmos draait om de mens die God aanbidt. En als de mens de boel verziekt (zondeval), offert God zijn Zoon om de goddelijke orde te herstellen en de mens alsnog te redden.

Dit verhaal (uiteraard veel te kort door de bocht verteld) is voor veel mensen, ook voor veel gelovigen, niet langer geloofwaardig. Al in de 17e eeuw verwoordde de Franse denker Blaise Pascal de existentiële angst voor de zinloosheid die hij voelde toen hij ‘heel het zwijgende heelal’ aanschouwde, waarin de mens ‘als een verdoolde in deze uithoek van het universum aan zichzelf is overgelaten’.[3] God doet er voor veel hedendaagse mensen amper nog toe, zo lijkt het. En enig besef van een kosmos als heilige ruimte lijkt eveneens afwezig. De mens is vervreemd van die werkelijkheid waarin hij verscheen en van zichzelf bewust werd.

Een nieuw verhaal

Ik denk dat er ook een heel ander verhaal mogelijk is.[4] De mens is niet—zoals het antropocentrisme stelt—het centrum van het universum, maar we kunnen ook niet ontkennen dat er met de mens iets bijzonders aan de hand is. Denk nog eens terug aan het verhaal dat Big History vertelt over wat wetenschappers vandaag de dag weten over het ontstaan en de ontwikkeling van het universum, van sterren en planeten, van de aarde en het leven daarop, van het ontstaan van de mens. Wetenschappelijk gezien zijn er geen aanwijzingen dat de mens het hoogtepunt van de kosmische ontwikkeling is. Toch is het een feit dat in de mens de kosmos tot zelfbewustzijn is gekomen.

We moeten opnieuw leren ons te verwonderen over het bestaan

De mens bestaat voor 98% uit elementen die in de eerste sterren zijn ontstaan, we zijn letterlijk sterrenstof. Het universum heeft de mens gebaard en vandaag de dag kunnen we daarover nadenken. We kunnen het verhaal vertellen van hoe wij hier gekomen zijn op basis van de kennis die we via wetenschap en technologie hebben vergaard. Voor zover wij weten is er in het heelal geen enkel wezen dat hetzelfde kan. (Wat niet uitsluit dat die wezens er wel zijn, alleen weten we er niets van. Ik sluit niet uit dat de kosmos ook elders in het heelal tot zelfbewustzijn is gekomen!) Maakt dat de mens bijzonder of belangrijk? Is dit niet een hernieuwd pleidooi voor antropocentrisme? Het is eerder een pleidooi voor een hernieuwd en bescheiden antropocentrisme. Met de mens is het universum zich van zichzelf, van zijn eigen bestaan en geschiedenis, bewust geworden. De mens is de tijd en plaats waar de kosmos tot zichzelf is gekomen en zichzelf als in een spiegel bekijkt. Ieder mens draagt het gelaat van de kosmos. En dat schept verantwoordelijkheid, namelijk om dat verhaal hoe het bestaan van mens en kosmos verstrengeld zijn, verder te ontwikkelen en door te vertellen. Dat heeft ook een religieuze component, aldus rabbijn Jonathan Sacks, die schrijft: ‘Wij aanbidden God geestelijk door zijn schepselen fysiek te helpen.’[5] Sacks’ visie is geïnspireerd door de oproep van de bijbelse profeten die hij leest als: ‘Wees religieus door ethisch te zijn’, en dat betekent ‘dat het heilige moet leiden tot het goede en dat het goede altijd weer terugleidt naar het heilige’.[6]

Wil de mens de gevolgen die zij/hij door het eigen handelen in het Antropoceen heeft veroorzaakt overleven, dan zal de mens opnieuw moeten leren zich te verwonderen over het bestaan. We zullen de heiligheid van de kosmos en het leven op aarde moeten erkennen en geloof moeten krijgen in onszelf. Dat kan door een nieuw verhaal te vertellen dat de kosmische rol van de mens laat zien. Een verhaal dat vlees geeft aan het skelet dat bestaat uit kennis uit natuurwetenschappen, filosofie en religie. Een verhaal dat inspireert en laat zien welke verantwoordelijkheid de mens heeft, om het zelfbewustzijn van de kosmos in stand te houden, te verdiepen en voort te zetten. Een verhaal verteld door de mens voor de mens. Een verhaal dat voor ons als muziek in de oren klinkt: muziek die niet bestaat, maar er wel degelijk toe doet.

De vervreemding van mens, natuur en kosmos opheffen, laten zien hoe de kosmos een heilige ruimte is die ons heeft gebaard en die wij mogen bewonen, en laten zien hoe alle leven met elkaar en met dat van de kosmos samenhangt—dat is waar dat nieuwe verhaal voor dient. Wij mensen kunnen het Antropoceen alleen overleven als we de heiligheid van het leven op aarde erkennen en eerbiedigen, en op basis van die erkenning en eerbiediging het goede doen.

Of in de woorden van Sacks: ‘Het heilige is de plek waar wij het ideaal in ons opnemen; het goede is hoe we het waar maken. Lang geleden, alleen in de nacht, kreeg Jakob een droom van een ladder die hemel en aarde met elkaar verbindt en van engelen die opklimmen en afdalen. Het leven is die ladder, want de aarde kan niet hersteld worden zonder een glimp van de hemel [lees: de kosmos, T.S.] en evenmin kan de hemel er voor de mensheid zijn zonder een thuis op aarde.’[7]

Taede (Dr. T.A.) Smedes (1973) is godsdienstfilosoof, theoloog, journalist en muzikant. Van zijn hand verscheen in 2018 Thuis in de kosmos: Het Epos van Evolutie en de vraag naar de zin van ons bestaan (Amsterdam University Press).

Noten

[1] R. Scruton, Eindeloos verlangen naar het heilige, Amsterdam University Press, Amsterdam, 2015, p. 213.

[2] Omwille van de kortheid ga ik hier voorbij aan het (uiterst speculatieve) idee van een ‘multiversum’, dus een verzameling universa waarvan het onze er slechts één is.

[3] B. Pascal, Pensées, Boom Uitgevers, Amsterdam, 2009, p. 78 (par. 198).

[4] Dit heb ik geprobeerd uit te werken in mijn Thuis in de kosmos: Het epos van de evolutie en de vraag naar de zin van ons bestaan, Amsterdam University Press, Amsterdam, 2018.

[5] J. Sacks, Een gebroken wereld heel maken, Skandalon, Vught. 2016, p. 54.

[6] Idem, 204-205.

[7] Idem, 206.

Tags:

Meer Spiritualiteit