< Terug

Verlangen naar onze oorsprong

Van depressie naar onvervuldheid

‘Ik kan het niet geloven,’ stamelde de winnaar na afloop. ‘Ik wist dat ik het in me had. Dit is zoveel waardering voor al die trainingsarbeid, al die opofferingen. Ik werd gedragen vandaag, iedere slag was raak.’ Woorden van een Olympisch kampioen schaatsen, inmiddels een aantal jaren geleden. De televisiecommentator was in juichstemming en sloeg extatische taal uit: ‘Eén keer in je leven winnen… om je bestaan te rechtvaardigen.’

Gestuurd door verlangen

Ik las dat de kampioen eerder, bij de 1000 meter, boos was geworden omdat hij toen genoegen had moeten nemen met de 5e plaats. Op het juiste moment wist hij echter ‘zijn woede om te zetten’ in een perfecte race.

Ik kan dit me nog goed herinneren en heb de uitspraken vanwege het taalgebruik opgeschreven. Het is duidelijk wat het verlangen van de schaatser was: kampioen worden, winnen, al was het maar voor één keer. Onze levens worden bewust, maar ook minder bewust, gestuurd door verlangens. Er wordt wel gezegd dat we leven in een culture of desire, dat heel onze cultuur draait om verlangens. In een aantal gevallen is duidelijk door welk verlangen: een race winnen, een baan, een huis, een partner. Maar lang niet altijd is het verlangen helder en eenduidig. Soms gaat het schuil achter emoties en gedrag die meer in het oog springen. In dit artikel wil ik stilstaan bij hoe er in onze huidige (zorg)cultuur te weinig oog is voor de, in eerste instantie onbestemd lijkende verlangens. Het gaat dan niet om concrete, ‘harde’ dingen maar eerder om verlangens van existentiële aard. Ik verwerk daarbij eigen ervaringen in de zorg en ga vandaaruit te rade bij andere auteurs.

In de hoop voor die meer onbestemde verlangens een andere taal en andere woorden en beelden te vinden. Ik zou dit verlangen willen duiden als een verlangen dat zoekt naar de bron of oorsprong van ons bestaan, waaraan we ons leven actief willen verbinden.

Taal in onze zorgcultuur

Ik heb een aantal jaren in een pastoraal centrum gewerkt. Hier kunnen mensen terecht voor een time-out van 3 tot 6 weken als ze in hun leven zijn vastgelopen of overbelast zijn geraakt. Het viel me op dat heel veel gasten antidepressiva slikten. Dat is op zichzelf niet zo uitzonderlijk: in onze samenleving wordt massaal antidepressiva geslikt. Zelfs zodanig dat er wel wordt gesproken van een ‘depressie-epidemie’.

Je zou zwaarmoedigheid ook ‘lijden aan de onvervuldheid’ kunnen noemen

Bij de intake viel me echter op dat deze mensen de medicijnen vaak hadden gekregen van medici die zich geen raad wisten met het leed dat zij met zich meedroegen. Het leed en het verdriet van deze mensen was niet oplosbaar. Op basis van de bijbel uit de psychiatrie, het psychiatrisch handboek DSM (diagnostic and statistical manual of mental disorders) hadden ze vaak de diagnose ‘depressie’ gekregen. Als ik ze tijdens hun verblijf wat beter leerde kennen, ontdekte ik dat er onder die ‘depressie’ vaak een verlangen schuilging waar niemand nog naar had gevraagd. Een verlangen naar heelheid, troost, verbinding, van betekenis willen zijn, the need to be needed.

Dit komt mede door het beperkte gereedschap: de DSM. Deze is feitelijk niet meer dan een meetinstrument. Op basis van internationale afspraken worden categorieën of labels toegekend aan bepaald gedrag. Er wordt gemeten: hoe ernstig? Hoe lang? Hoe vaak? Hierdoor krijgt de diagnose ook een zekere eenzijdigheid. Bij die diagnostiek worden dan vaak in snel tempo lijstjes met symptomen uit het handboek afgevinkt en is er niet of onvoldoende naar de levensverhalen geluisterd.

Innerlijk landschap

Ik was in dat pastoraal centrum nieuwsgierig naar het innerlijke landschap van de gasten, ‘het landschap van de ziel’. Wat hebben mensen opgedaan in het leven, waar zijn ze tegenaan gelopen, hoe zijn ze hiermee omgegaan en wat hebben ze beleefd aan anderen en zichzelf? Mijn ervaring was als mensen er gewoon alleen maar mochten zijn en stil mochten staan bij wat ze overkomen was en wie ze waren, dat dát alleen al heilzaam was. Wie de tijd neemt om écht te luisteren en stil te zijn kan dan meer horen en zien dan de vastgestelde ‘depressie’. En daarvoor zijn andere woorden nodig.

Ik denk bijvoorbeeld aan een wat verouderd woord als weemoed. In dat woord zit meer ruimte en meer dynamiek dan in het woord depressie. Dit laatste woord is bijna uitsluitend donker en negatief. In weemoed klinkt ook iets positiefs. Het doet je stilstaan bij iets wat geweest is, het brengt je iets goeds in herinnering, iets waarbij je warme gevoelens hebt. Je kunt dan ook vragen naar wat gehoopt werd of wordt, of er iets is waarnaar wordt uitgezien. Dit raakt al aan verlangen.

Een woord dat hiermee verband houdt is zwaarmoedigheid. Ook een woord dat in onbruik is geraakt. De Duitse priester, cultuurtheoloog en filosoof Romano Guardini schreef er in 1965 over in zijn Vom Sinn der Schwermut – 35 jaar later vertaald als Over de melancholie. Guardini, die in zijn eigen leven ook nogal ‘last’ kon hebben van zwaarmoedigheid, vraagt naar de zin ervan en schrijft over de spiritualiteit (!, JV) van de zwaarmoedigheid. De kern daarvan is volgens hem het verlangen naar liefde en schoonheid, naar het absolute in de ervaring van de pijn der vergankelijkheid.

‘De zwaarmoedigheid is de pijn der geboorte van het eeuwige in wie is voorbestemd dit besef, deze weeën dieper te ervaren (…) De zwaarmoedigheid is de verontrusting van de mens door zijn verwantschap met het eeuwige, wat zowel geluk inhoudt als dreiging.’

In weemoed klinkt ook iets positiefs

Guardini ziet de mens als schepsel, als Gods evenbeeld in geest en persoon. Hij is aangeraakt door God en verlangt terug naar Hem, zijn oorsprong. Ten diepste wil hij in zijn schepper opgaan, maar komt zichzelf tegen als schepsel en moet zijn beperktheid aanvaarden. Je zou deze zwaarmoedigheid misschien ook ‘lijden aan de onvervuldheid’ kunnen noemen. Het is in Guardini’s gedachtegang iets wat elk mens fundamenteel bepaalt, existentieel verlangen wat in beginsel onvervuld blijft.

Iemand in ons verborgen

Guardini worstelt om woorden te vinden voor dit existentiële verlangen van de mens. Misschien is dit verlangen ook wel beter uit te drukken in poëtische taal en muziek. Ik denk in dit verband aan een lied van Huub Oosterhuis:

Lied – Ander, ouder – jij nog naamloze

Ander, ouder, iemand in ons verborgen: plotseling, oplaaiend vuur van visioenen,

aanschijn der aarde vernieuwend.

Rede, dwaasheid, hart, onbedwingbare die ons weten doet wat wij niet weten, wat onmogelijk is bij mensen en goden.

Ingepakt in wolken schoorvoetend gaan wij,

in onze handen klemmen wij wichelroeden,

spiegels en zwaarden.

En neerdrukt ons droefheid om het gedane,

om niet te keren woorden,

om wat groeide, om wat versteende, verwaaide.

Jij, nog naamloze, ademt ons open en wekt in ons weerbarstig geheugen wat wij zagen met onze vroegste ogen.

En doet ons gaan in tranen maar ongebroken in de nacht van de schepping en houdt ons gaande naar een nieuwe geboorte:

blinde muren zacht licht, water geworden

en aan de overzijde rozensteden en de zang van de lijster.

(Huub Oosterhuis/Antoine Oomen)

Dit lied heeft, ook in de melodie, een bepaalde zwaarte die doet denken aan het woord ‘zwaarmoedigheid’.

Het heeft een donkere toonzetting.

Maar daar blijft het niet bij. Er zit geen stilstand in, het blijft in langzame golven voortgaan. Er is verborgenheid, donkerte maar ook een plotseling oplaaiend vuur van niet-weten en van onmogelijkheden. Maar toch ook van schoorvoetend gaan, al is het ‘in wolken’.

Er is iemand – onze oorsprong – die ons doet weten wat wij niet weten. Daarmee krijgt het golvende iets belovends, iets wiegends. Het is een soort pelgrimstocht van het leven. Het leven, het gedane, heeft neergedrukt, verwaaid en versteend. Maar er is ook een andere beweging: de nog naamloze ‘ademt ons open’ en ‘wekt in ons’.

Het is die naamloze die ons gaande houdt. Hij blaast het versteende nieuw leven in, als bij de schepping. Er is een herinnering, ‘in ons weerbarstig geheugen’ aan iets van onze oorsprong.

In ons is nog iemand verborgen. Er is droefheid, er zijn tranen, er is zelfs sprake van blinde muren. Maar ook van een nacht van de schepping. Op een gegeven moment gaat het zelfs over weeën naar een nieuwe geboorte! Er is een overzijde. Dan is het thuiskomen bij onze oorsprong. De muren zijn zacht licht water geworden en aan de overzijde rozensteden en de zang van de lijster…

De zang van de lijster

Dit is poëzie, mystieke taal. Een taal tussen spreken en zwijgen in. Er wordt gegist, gezocht naar iets boven het zichtbare bestaan uit. Er is een vermoeden van een andere, verborgene, die ons verheft uit het versteende waarin we vast kunnen zitten. ‘Rozensteden en de zang van de lijster’: Wat mag een rozenstad dan wel zijn? kun je sceptisch vragen. Het is taal voor een andere werkelijkheid waarnaar wordt verlangd.

Ook de zang van de lijster verwijst hiernaar. Ton van der Stap vertelt de legende van een monnik die op een morgen zijn klooster verlaat, een bos bereikt, en daar blijft luisteren naar de zang van de lijster. ‘Onder die zang wordt al het gewone anders. Wordt wat het eigenlijk is. Verbaasd luistert hij, en kijkt. Dan keert hij naar zijn klooster terug, vindt er zijn cel maar herkent niemand meer. En niemand herkent hem. Bij het noemen van zijn naam gaat de abt in oude kronieken zoeken. Hij blijkt vertrokken te zijn op een ochtend, duizend jaar geleden’. Van der Stap concludeert dan dat er veel te raden blijft bij zo’n verhaal, maar dat één ding zeker is: de zang van de lijster heft de tijd op. En nooit meer is deze wereld de enige echte.

Zonnebloemen

In dit verband komt nog een ander natuurbeeld bij me boven, dat van zonnebloemen.

Niet de bekende zonnebloemen van Vincent van Gogh, maar die van Miskotte. Misschien was hij wel de grootste protestantse theoloog uit de vorige eeuw. Vorig jaar verscheen een biografie over hem. Daaruit rijst de gestalte op van een zeer gedreven man, een diepe denker met heftige gemoedsbewegingen. Ook hem was zwaarmoedigheid niet vreemd. Maar hij kon heel goed woorden geven aan het existentiële verlangen dat ieder mens kenmerkt, getuige zijn stukje over zonnebloemen dat hij, in 1924 op zijn 30e (!) schreef in het blaadje van zijn eerste gemeente Kortgene. Bij zijn begrafenis citeerde zijn zoon die woorden om zijn vader te typeren.

Zonnebloemen

‘Ik zie ze, tot m’n vreugd, meer en meer, in de tuinen op ons dorp. Men voelt hier veel voor bloemen en, hier en daar, is er iemand die de schoonheid heeft ontdekt van die grote, zware, trouwe, stralende gezichten, die maar staren en staren naar de zon. Ze staan boven alle fijne gezusters uit, ze gaan hoger in hun hoog verlangen dan de hoogste roos. En ze houden vól, zo blijven ze ons bij tot vér in de herfst, want ze zijn sterk. Verlangen maakt sterk. En ten top gloeit het sterke verlangen uit in een geel, dat de zon zou willen evenaren.

Zó zou ik willen zijn, zo willen ademen van ’s morgens tot ’s avonds en in de nacht, vol verwachting van nieuwe levensgloed, altijd mijn leven gewend naar Gods licht, in groot verlangen en grote zekerheid. Mijn hart steeds donkerder van het vele zaad, de kleine, stille korrels arbeid, en daaromheen de reine gloed, waardoor ‘k een kleine zon zou worden, een mooi, edel mens, die anderen tot een verheugenis is, die anderen leert de schoonheid te zien van het sterke verlangen en van het storeloze geluk, dat in de Vader is, mijn Zon en mijn Deel. En dan, ook zónder spreken, eenvoudig door te zijn die je bént, een getuigenis te zijn, een zacht maar beslist heenwijzen naar de lichte Oorsprong.’

Van depressie naar onvervuldheid

Terug naar het begin van dit artikel. Daar stelden we vast dat er bij ons mensen vaak sprake is van onbestemde verlangens en dat hiervoor in de geestelijke gezondheidszorg vaak gebruik gemaakt wordt van een bepaald soort diagnostiek en een daarbij behorende taal. Ik pleit er niet voor die af te schaffen, maar wel om de betrekkelijkheid ervan in te zien.

Er valt meer te zeggen! Het is helpend om óók vanuit een ander perspectief naar het lijden van mensen te kijken. Achter ‘depressie’ kan iets schuilgaan van existentieel lijden aan de onvervuldheid van ons menselijk bestaan. Van verlangen dat door niets in deze wereld vervuld kan worden omdat het verlangen is naar onze oorsprong en bestemming.

Deze onvervuldheid is een vorm van lijden die niet is op te lossen, het hoort bij de aard van ons menselijk bestaan. Maar dit lijden is wel draaglijker te maken door er samen woorden en beelden voor te zoeken. Poëtische en religieuze taal en natuurbeelden kunnen daarbij zeer behulpzaam zijn.

Literatuur:

Guardini, Romano, Over de melancholie. Baarn, 2001 Heusden, van, Kok e.a., Liedje dat ik niet kan laten. Kampen, 2003 Miskotte, K.H., …als een die dient. Baarn, 1982

< Terug