Bedenkingen bij het godsbeeld van Tilmann Haberer
Grenzeloos om ons heen of grondeloos in ons midden
Henk Kroese schreef dit artikel naar aanleiding van Haberers boek Von der Anmut der Welt, in het Nederlands vertaald door Piet van Veldhuizen onder de titel Grenzeloos God.
Ik ben der nou wel uut nou
Jezus hef bestaon
Allent zien Va dat wee’k nog nie
En daor schient ‘t öm te gaon
Ik ben er nu wel uit:
Jezus heeft bestaan
Alleen waar het zijn Vader betreft
weet ik het nog niet
En daar schijnt het om te gaan
Uit ‘De Kerke’ van Daniël Lohues
Dit versje van Daniël Lohues geeft kernachtig weer waar elke christelijke theologie mee van doen heeft. Over de vraag of Jezus heeft bestaan zijn we het onderhand wel eens, al weten we historisch weinig van Hem. Maar de vraag of God bestaat is nog altijd niet beslist, terwijl het voor de theologie een kwestie is van to be or not to be.
In zijn nieuwste boek Grenzeloos God wil de Duitse theoloog Tilmann Haberer een voorstelbaar, geloofwaardig en plausibel verhaal over God vertellen. Ten behoeve van mensen wier godsbeeld teloor is gegaan formuleert hij de christelijke boodschap opnieuw, maar dan vanuit een (post-)postmodern bewustzijn. Hij nodigt de lezers uit van perspectief te wisselen en anders naar God en de wereld te kijken.
De ontwikkeling van het menselijk bewustzijn
In het eerste deel van zijn boek geeft Haberer ons een uiteenzetting van zijn gedachten over de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn. Je zou het de prolegomena van zijn theologie kunnen noemen. Hij zet daarin uiteen hoe het menselijk bewustzijn zich de millennia door heeft verruimd en vergelijkt dat met de ontwikkeling van een boom: er kwamen steeds jaarringen bij. Hij komt tot negen ringen. In de eerste draait het enkel om overleven; in de tweede ontstaat het familiebesef (‘ons’), in de derde wordt het ik belangrijk, in de vierde ontkiemen loyaliteit en discipline, enzovoort. Je kunt het vergelijken met de ontwikkelingsstadia van een mens.
Volgens Haberer kan het alleen maar over onze godsbéélden gaan, niet over God zélf
In al deze fases speelt de verering van hogere machten, maar ook de inzichten daaromtrent worden steeds dieper en ruimer. Zoals gezegd komt Haberer tot negen fases, waarbij de laatste nog niet overzien kan worden omdat die nog goeddeels vóór ons ligt. Elke fase heeft zijn godsbeeld, en ook daarin heeft zich een ontwikkeling voorgedaan. Wij denken niet meer primitief over God. En in ons denken over Hem hebben we ook het beroep op openbaring achter ons moeten laten omdat dat een cirkelredenering is: uiteindelijk zijn we immers altijd zélf verantwoordelijk voor het beeld dat wij van God hebben. Wij mensen zijn de laatste instantie. Onze beweringen over God berusten tenslotte op eigen beslissingen en keuzes.
Als we het met elkaar over God willen hebben, kan het – aldus Haberer – alleen maar over onze godsbéélden gaan, niet over God zélf. Geen enkele religie heeft de volle allesomvattende waarheid omtrent God, want God is altijd groter dan alles wat wij over Hem kunnen zeggen. Wij komen als het om God gaat nooit verder dan beeldvorming: onze godsbeelden. Als je dat inziet en accepteert, kun je meedoen aan theologie en het gesprek tussen de religies.
God als de Alomvattende
We kunnen ons God voorstellen als ‘hoogste Wezen’ dat ‘boven’ de wereld troont of ‘aan gene zijde’, maar dat is in Haberers ogen een gedateerd concept. Hij kiest ervoor God te denken als een allesomvattende werkelijkheid. Dat wil zeggen: heel de wereld, alles wat er is, de gehele werkelijkheid, is ín God (panentheïsme). Maar ín Hem is ook wat nog níét is. God is pure potentie. Maar ook daar gaat Hij nog boven uit. God onttrekt zich aan onze controle: God is grenzeloos. Hij is het totale complexe proces waarin goed en kwaad en geluk en leed ontstaan en oplossen. Hij komt, aldus Haberer, ons in alles en iedereen tegemoet. Én Hij is bij dat alles – dat blijft in Haberers boek wel een deus ex machina – ‘oneindig liefhebbende wil, die het Al vervult’.
Vanuit dit Godsbeeld ontwikkelt Haberer een nieuwe scheppingsleer en doordenkt hij de christelijke theologie. De grenzeloze God heeft besloten zichzelf te incarneren in de wereld. Niet Jezus Christus, maar de schépping is het beslissende moment in Gods geschiedenis met de wereld. En die schepping is nog volop gaande. In dit scheppingsgebeuren wordt God zich om zo te zeggen van zichzelf bewust. Het is met name de méns die God ter sprake brengt en Hem woorden geeft.
Haberer kiest ervoor God te denken als een allesomvattende werkelijkheid
Jezus is volgens Haberer Gods demonstratiemodel: aan Hem kun je zien hoe God is. Maar terwijl God van eeuwigheid is, sterft Jezus van God verlaten. En juist in die Godverlatenheid is Hij onze lotgenoot! In Jezus wordt zichtbaar dat er geen God bestaat die ons komt redden. Er is geen ‘Vader in de hemel’ die voor ons zorgt en ons bewaart voor het kwaad. Toch zijn en blijven wij kinderen van God: wij dragen Zijn genen in ons (waarden, houdingen, doelen). God blijft onze Oorsprong, de Bron van ons leven, en als zódanig zorgt Hij voor ons. Hij is het Rijk van Mogelijkheden dat ook onze toekomst omvat.
Jezus als Gods demonstratiemodel
Volgens Haberer doet God in de schepping afstand van het aan God gelijk zijn. Dat wordt ons in het leven van Jezus duidelijk. In die zin is Jezus ‘de eerstgeborene van een nieuwe schepping’. Aan Hem kun je zien dat het goddelijke en menselijke elkaar niet uitsluiten. Hij verwerkelijkt Gods liefde door alle scheidende grenzen (rein-onrein, man-vrouw, slaaf-vrije, enzovoort) op te heffen. Zijn schijnbare nederlaag is in werkelijkheid een overwinning op de machten van onheil en dood, want dankzij Hem weten we dat niets ons meer kan scheiden van God. In die zin is Jezus een mythische figuur: wat in en aan Hem gebeurt, gebeurt altijd en overal, ook aan ons. Hij belichaamt in eigen persoon de incarnatie van God.
Waar het voor ons mensen op aankomt is dat wij in onze goddelijke natuur groeien. Dat wij leren te leven ‘alsof er een God is’ (veluti si Deus daretur). Kortom: wij moeten nu zelf volwassen worden, onze verantwoordelijkheid nemen en op eigen benen staan. Jezus is niet gekomen om ons te redden, maar om ons tot een verlossend inzicht te brengen, namelijk: dat niets ons kan roven uit Gods hand. Wie dat eenmaal ontdekt, ziet Hem in alle dingen, en heeft intuïtief weet van de scheppende Liefde. Het enige dat daarvoor nodig is, is vertrouwen. Zonder geloof vaart niemand wel! De goede boodschap van een alles en iedereen omvattende liefde, die het Al vervult, gaat voor ons werken als wij haar geloven en aannemen. Tot zover in hoofdlijnen de blijde boodschap van Tilmann Haberers integrale theologie.
In de herberg van Tilmann Haberer is er geen plaats meer voor verlossing en oordeel
Waar is de God van Abraham, Isaäk en Jacob gebleven?
Wat mij als gelovige en vakbroeder opvalt en schokt in dit boek is dat een medechristen en theologisch geschoold bijbellezer mij voorhoudt dat er geen God boven of tegenover ons is, dat er geen ‘Vader in de hemel’ is. In de herberg van Tilmann Haberer is ook geen plaats meer voor verlossing en oordeel. Er is niet zoiets als een rechtsgeding tussen God en ons. Zonde is de condition humaine van de mensen. God heeft zich daar reeds van den beginne mee verzoend. Van die verzoening is de schepping de verwerkelijking. De schepping is als een bevalling: God komt in alles en iedereen tevoorschijn. Wij zijn, om zo te zeggen, tot God veroordeeld en Hij tot ons. Waar het om God-en-ons gaat hoeven wij nergens bang voor te zijn en nergens van gered te worden, want wij horen van den beginne bij Hem en zijn deel van zijn wezen.
Ik vraag me af hoe Haberer dit alles kan beweren in het licht van de bijbelse geschiedenis, waarin de mens niet enkel als beelddrager Gods wordt neergezet, maar ook als een zondaar, die Gods toorn oproept. Waarin de God van hemel en aarde in een eindeloos gevecht gewikkeld is met zijn schepsel de mens. Waarin Hij tevoorschijn komt als een Stem ín het gebeuren, die mensen tot de orde roept, tot Zíjn orde welteverstaan, die een heel andere is dan de orde die mensen geneigd zijn zelf te scheppen vanuit angst en hebzucht. Waarin sprake is van ‘de hand van God’ die in de tijd ‘tekenen van gerechtigheid’ doet. Waarin de Naam (Faam!) die Hij zich verwerft mensen op de been houdt en moed en hoop geeft, maar ook door mensen wordt beschaamd en vertrapt. Een God, kortom, die de wereld liefheeft en haar wil redden, en om die reden de mens zoekt om hem tot verbondspartner te maken in zijn strijd tegen onrecht en liefdeloosheid. Het wordt een gevecht op leven en dood, waarin schuld en vergeving een centrale rol spelen, met de mens Jezus van Nazareth in een cruciale rol.
Waar blijft de omgang met God?
Voor deze omgang van God met zijn volk en van het volk met zijn God is bij Haberer geen grond meer over. In zijn streven om God te ontmythologiseren heeft hij van God een omstandigheid gemaakt met wie ik geen relatie kan onderhouden. Zijn theologie komt mij voor als een metafysica, waarin de mens het subject is en God tot object is verworden.
Ik vraag me af hoe Haberer dit alles kan beweren in het licht van de bijbelse geschiedenis
Ik twijfel er niet aan dat Tilmann Haberer door het verhaal van de liefhebbende God is geraakt en het verder wil vertellen. Om die reden doet hij ten behoeve van zijn tijdgenoten een indrukwekkende poging om God te ontmythologiseren en een acceptabel Godsbeeld neer te zetten. Maar het resultaat is in mijn ogen een soort Allesomvattend Deïsme dat de (post-)postmoderne gelovige moet bevrijden van het probleem hoe hij God moet denken als (f)actor in de geschiedenis – ziehier: er ís geen God die meedoet in de geschiedenis! De heilsgeschiedenis is een proces van bewustwording, waarin God als notie een centrale rol speelt. Die notie verbindt in Haberers ogen gelovigen van alle godsdiensten, want er is maar één God, en tot die God verhouden zij zich allen. Het bevrijdt gelovigen ook van angst voor Gods toorn en Zijn oordeel, want Gods liefde is een eeuwige omstandigheid die onze schuld en zonde opslokt. Haberers theologie luidt, vrees ik, het einde in van liturgie en kerk. Liturgie is immers omgang met God. Maar de God die ik in de liturgie ontmoet vind ik bij Haberer niet terug: waarom zouden we een Gloria aanheffen voor Degene die behalve het goede ook het kwade heeft geschapen? Zeker, wij kunnen God soms niet begrijpen (God moves in a mysterious way) en in wanhoop uitroepen dat Hij een ‘stikdonkere God’1 is, maar waar moeten wij met ons Kyrie eleison naartoe als in God niet enkel licht is, maar ook duisternis? De ‘Levende Israëls’ wordt in mijn beleving bij Haberer een dood denkbeeld. De bede ‘Blijf mij nabij’ een oproep aan onszelf om ons bewustzijn niet te verliezen.
Uit zijn hemel zonder grenzen komt Hij tastend aan het licht
Al met al zie ik niet in hoe iemand, die op zoek is naar God, met Haberers godsbeeld geholpen kan zijn. Wat moeten zijn lezers met een God die alles in zich verenigt? Hoe kunnen ze zich geborgen weten als het kwaad dat hen treft ook in God zelf zit? Haberer probeert het probleem van God en het kwaad draaglijk te maken door ons ervan te overtuigen dat goed en kwaad, geluk en leed in God bij elkaar horen. Maar ik zie niet in hoe het beeld van een grenzeloze allesomvattende God zich verdraagt met het belijden dat God liefde is. De Liefde is in mijn ogen een – bij tijden machteloze – speler in het grote geheel. God stoot in onze werkelijkheid voortdurend zijn neus. Als Jezus zijn demonstratiemodel is, dan maakt het evangelie ons duidelijk hoe Hij niet enkel wordt bemind, maar ook uit de wereld wordt weggedrukt. Het is een wonder dat er mensen zijn die durven hopen dat God eenmaal ‘alles in allen zal zijn’ (een soort omgekeerd panentheïsme). De weg daarheen is lang en vol strijd en verdriet. Het is – voor God en voor allen die zich aan Hem toevertrouwen – een gevecht op leven en dood, waarin niet alleen de gelovige maar ook God offers brengt.
Geloof is een plek die God ons schenkt te midden van de chaos van het leven
Grondeloos in ons midden
In mijn ogen is geloof een plek die God ons schenkt te midden van de chaos van het leven. Zoals God volgens het scheppingsverhaal boven de chaos zwevend een plek schept voor de mens om te leven, zo schenkt Hij mensen middels het geloof een plek om Hem te dienen en met Hem te leven. Het is door Zijn toedoen (Zijn spreken) dat er in de geschiedenis tot op vandaag gelovigen zijn.
Om te kunnen geloven hoeven wij, denk ik, niet eerst te weten wát God is en hoe Hij gedacht kan worden. In het ‘Huis van God’, de Joodse tempel in Jeruzalem, was de plaats waar God vertoefde, het heilige der heiligen, leeg op die ene kist na, de ‘Ark van het verbond’. En ook die kist was leeg op die twee stenen na, waarop de Tien Geboden stonden geschreven. Israël heeft – waar het om God gaat – leren leven met een lege plek en met een beeldverbod. Het Joodse volk wist wat God van hen verwachtte: ‘… niet anders dan recht te doen, getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God’ (Micha 6:8 NBG51).
Wie de weg van het geloof opgaat, kan, denk ik, zonder een uitvoerig filosofisch gefundeerd beeld van God.
Voetnoot
- Zo Willem Barnard in zijn gebed/gedicht Spelbreker die beslag legt/op mij en mijn leven. ↩︎
Tilmann Haberer, Grenzeloos God, Uitgeverij Skandalon – Middelburg 2023, 256 blz., €25,99 ISBN 9789493220423
