Menu

Premium

Bedienen en behoeden

Over de mens als beheerder Gods

Prediking

Zondag van de Schepping

Dan neemt de Ene, God, de -rode- mens mee, en laat hem rusten in de hof van Eden, om haar te dienen en haar te bewaken. (Genesis 2:15, NB14)

Schriftlezing: Genesis 2:4-18

2de lezing: Romeinen 8:18-26

Liturgisch kader

Vorig jaar lazen we op de zondag van de Schepping Genesis 1, het eerste scheppingsverhaal. Geen geschiedenis, geen biologie, maar een hymne, een loflied op de Schepper. Toen lag het accent op de mens als beeld van God. Hij kreeg de opdracht te heersen over Gods goede schepping. Dit jaar lezen we het tweede scheppingsverhaal, Genesis 2. Nu horen we over de mens als beheerder van de schepping. Zijn taak wordt met twee woorden getypeerd: hij moet bedienen en bewaken.

Liederen

  • Psalm 8
  • LB 823
  • LB 538
  • LB 695
  • LB 825

Uitleg

Het tweede scheppingsverhaal wijkt qua opzet en boodschap volledig af van het eerste.

In Genesis 1 worden eerst de bomen, planten en dieren geschapen en pas helemaal op het laatst, aan het einde van de zesde dag de mens, mannelijk en vrouwelijk.

Genesis 2 begint met de schepping van de mens, als er nog helemaal niets groeit op de aarde. Dat laatste wordt met zoveel nadruk vermeld, dat het lijkt alsof de verteller wil zeggen: denk erom, dit wordt een heel ander verhaal over de schepping en de mens! De Eeuwige formeert een hof en plaatst de mens daarin. Vervolgens komen er bomen en rivieren. De mens krijgt tot taak het beheren van de hof. Nu pas worden de dieren geschapen. Maar de mens is nog altijd alleen. En helemaal aan het eind verschijnt de ander, de medemens.

Conclusie: we hebben duidelijk met twee totaal verschillende verhalen te maken: de volgorde is anders en de opdracht aan de mens krijgt een ander accent.

En toch… er verschijnen nog steeds publicaties uit kringen die zich Bijbelgetrouw of orthodox noemen waarin de verschillen tussen Genesis 1 en 2 worden weggeredeneerd of wordt een harmonie van gemaakt, en soms wordt de verschillen zelfs volledig genegeerd. Maar zo verdwijnt de eigenheid van de verhalen en dus ook de boodschap ervan. De joodse traditie heeft met opzet beide verhalen naast elkaar laten staan.

De schepping van de mens

In Genesis 1 hoorden we over de grootheid van de mens, geschapen in Gods beeld en gelijkenis, bijna goddelijk (Psalm 8).

Genesis 2 vertelt dat de mens geformeerd is uit het stof van de aarde. Het werkwoord jatsar (vormen, boetseren) doet denken aan een pottenbakker, die zorgvuldig te werk gaat, teder, intiem, zacht. De mens, adam, wordt gevormd uit de aarde, adama. Mens en aarde zijn met elkaar verbonden. ‘De mens is een aard-wezen en de aarde is mens-afhankelijk’ (Van Wolde). Hierna wordt hem de levensadem ingeblazen; zo werd de mens een levend wezen (Genesis 2:7b).

Twee verhalen over de schepping van de mens. In het eerste zijn grootheid (beeld van God), in het tweede zijn nietigheid (stof van de aarde). We hebben beide verhalen nodig, ze vullen elkaar aan. Ze bewaren ons voor eenzijdigheden. Een reden temeer om er geen harmonie van te maken.

Vervolgens wordt de mens geplaatst in de hof van Eden. (Het woord paradijs is later bedacht, maar komt nergens in deze hoofdstukken voor!)

N.B. meer hierover: Preekschets Genesis 2:7.

Zonlicht dat door de bomen schijnt
(Beeld: Jan Huber via Unsplash)

Kerntekst

De kerntekst is natuurlijk vers 15, vaak samengevat als: de mens krijgt als opdracht om te bouwen en te bewaren. In die combinatie komen we het vaak tegen en zo is het ons ook vertrouwd geworden. Bebouwen is verwant met het latijnse colere (waar ons woord cultuur van afgeleid is). In eerste instantie denken we hierbij aan de akkerbouw, maar de betekenis is breder: het gaat om alle menselijke arbeid, zonder onderscheid tussen lichamelijke en geestelijke arbeid (Westermann).

Maar is (be)bouwen wel het juiste woord in deze context? Willem Barnard deed iets wat ik in de meeste commentaren miste: hij nam de twee Hebreeuwse werkwoorden (h)-b-d en sj-m-r onder de loep en komt dan tot een verrassende ontdekking.

(H)-b-d is dienstwerk verrichten. Zes dagen zult gij (h)-b-d zo lezen we in de Tien Woorden. Daarom werd het gebruikt in verband met de landbouw:de aarde bewerken. Maar dat geeft nog geen permissie, zegt Barnard, om zomaar met bouwen te vertalen en nog minder met bewerken. Hij wijst op de oorspronkelijke betekenis van (h)-b-d: een god vereren, dienen. Bewerken houdt in: je wil opleggen, iets dwingen tot het aan je voorstelling beantwoordt. Het Hebreeuws heeft een heel ander zinsbereik. Veeleer blijft in dat Hebreeuwse woord (h)b-d– iets meeklinken van laag bukken, buigen voor en over de aarde. De beste vertaling van (h)-b-d is hier dan ook bedienen, want die legt het accent op de mens als dienaar van de schepping – in tegenstelling tot de vertaling (be)bouwen.

 S-j-m-r betekent hooghouden, ‘in waarde laten, hoeden als een kudde, beschutten als een kostbare schat’. Het wordt vaak gebruikt in verband met het naleven van de geboden. Bewaren houdt in dat ‘men er zorg voor draagt dat van het toevertrouwde niets verloren gaat en dat er niets wezensvreemds of schadelijks in binnendringt’. Zo moeten ook de geboden bewaard worden (Deurloo).

Beide werkwoorden wijzen op verantwoordelijkheid en hebben religieuze wortels. De mens is aangesteld als beheerder.*) Hij staat in dienst van de Eeuwige ten dienste van de schepping. Hij moet er behoedzaam, zorgvuldig mee omgaan. Heersen, vrij beschikken, ja tiranniseren is dan ook uitgesloten. Het gaat hier over de morele grenzen van macht.

Conclusie: Als het in Genesis 1:26-28 gaat over de opdracht om te heersen, dan kan dat zomaar overheersen worden met alle gevolgen van dien. Om dat te voorkomen moeten we doorlezen naar hoofdstuk 2. Daar horen we hoe dat woord heersen bedoeld is: als bedienen en behoeden!

De twee bomen

Twee bomen worden met name genoemd: de boom des levens en de boom van kennis van goed en kwaad. De levensboom staat voor de Tora, dat is duidelijk. Maar hoe zit het met die andere boom, van kennis van goed en kwaad? Waarvan je niet mag eten want als je dat doet, zul je ‘de dood sterven’ (Hebreeuwse energeticus). Het is een juridische uitdrukking die duidt op de doodstraf.

Er is veel geschreven (en gespeculeerd) over de betekenis van deze boom. Teveel voor deze preekschets. Ik hoor hierin de boodschap dat er grenzen zijn, ook in de hof van Eden. Leven is begrensd en deze boom is daarvan een teken. ‘Er zijn verboden vruchten. Niet alles wat we kunnen doen mogen we doen’ (Sacks).

Aanwijzingen voor de prediking

De meeste aanwijzingen lopen rechtstreeks weg uit de exegese hierboven.

Vervolgens zou ik in de prediking vervolgens willen stilstaan bij de boom van kennis van goed en kwaad. Wezenlijk is voor mij de boodschap dat mens-zijn niet onbeperkt kan zijn. De mens wordt erbij bepaald dat er grenzen zijn, dat je die niet ongestraft kunt overschrijden. Sacks: ‘Weinig morele principes zijn vaker en met rampzaliger gevolgen vergeten. De geschiedenis van het menselijk ingrijpen in de natuurlijke orde staat in het teken van grootschalige vernietiging.’ Als dat ergens duidelijk is geworden in de afgelopen decennia, dan wel als het gaat over milieu en klimaat.

Toegepast op deze zondag: ‘Roofbouw en uitbuiting van de aarde en van de daarin liggende krachten betekenen geringschatting van de door de schepper gestelde taak, en moeten uiteindelijk tot schade voor de mens leiden. Als de mens de hem toevertrouwde aarde vervult en verziekt, verstoort hij de levensruimte die God hem toevertrouwd heeft om te behoeden’(Westermann).

*) zie voor de aanduiding rentmeester de zorgvuldige analyse in T. van Montfoort, Groene Theologie p. 143-147.

Bert Aalbers is emeritus PKN-predikant. Hij werkte in Halle, Epe, Maarssen en Breukelen. Van 1999 tot 2007 doceerde hij Nieuwe Testament aan de Hogeschool voor Theologie NBI in Utrecht.

Geraadpleegd

Barnard, W. (1992). Stille Omgang: Notities in het dagelijkse verkeer met de Schriften. Boekmakerij Gert Jan Buitink. 243-249.

Decoene, A. (2008). Wanneer de schepping kreunt in barensweeën; Hedendaagse reflecties over schepping. Halewijn.

Deurloo, K. (1988). De mens als raadsel en geheim; verhalende antropologie in genesis 2-4. Ten Have. 29-44.

Hirsch, S.R. (1963). The Pentateuch, Volume I; Genesis. Gateshead.

Sacks J. (2024). Deuternomium; Boek van de samenleving. Skandalon Uitgeverij B.V.

Van Montfoort, T. (2020). Groene Theologie. Skandalon Uitgeverij B.V.

Van Wolde, E. (1995). Verhalen over het begin; Genesis 1-11 en andere scheppingsverhalen. Ten Have.

Westermann, C. (1986). Genesis I; Een praktische bijbelverklaring; Tekst en toelichting. Kok.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken