Bevrijd van de mantel der (zelf)liefde
Een dialoog tussen theologie en therapie
In de serie ‘Het christelijke geloof in een therapeutisch Nederland’ onderzoekt Katie Vlaardingerbroek, auteur van Nederland Therapieland, de relatie tussen het christelijke geloof en onze huidige therapiecultuur. In haar laatste artikel, over de vraag hoe therapie en christelijke theologie elkaar kunnen versterken in de omgang met het lijden, wordt ze persoonlijk. Terwijl therapie haar bevrijd heeft van een beknellend godsbeeld, was het juist een nieuw soort theologie die haar in staat stelde zich op nieuwe manieren met anderen en ‘de Ander’ te verbinden.
Ik schrijf dit laatste artikel van de reeks vanuit een ziekenhuisbed. De zon schijnt naar binnen. Het infuus in mijn hand prikt een beetje. Ik kom hier al meer dan tien jaar elke twee maanden vanwege de ziekte van Crohn. Er waren jaren dat ik hier huilend en angstig zat, onzeker over de toekomst. Verbitterd over het hier en nu waarin het leven doorging en ik niet kon participeren. Nu zit ik er tevreden op een koekje te knabbelen. Soms zie ik er zelfs naar uit, die dag van verplichte rust.
Het is bijzonder hoe de betekenis van levensevenementen, mede door tijd, kan verschuiven. Ik begin hiermee omdat deze observatie me brengt bij de grote vraag waarmee ik de serie over de relatie tussen therapie en religie wil afsluiten: hoe ziet een dialoog tussen therapie en theologie eruit? In tegenstelling tot mijn eerdere artikelen, zal ik dit keer vanuit persoonlijke ervaring schrijven.
God verloren, de therapeut gevonden
De vraag hoe een dialoog tussen therapie en theologie eruitziet, begon, zonder dat ik het zelf doorhad, een rol in mijn leven te spelen op het moment dat ik gediagnosticeerd werd met een chronische ziekte. Ik was dertien, graatmager en flink ziek. Tot die tijd hadden ik en mijn zendelingsgezin geleefd onder de belofte dat als wij alles voor God zouden (op)geven, Hij ons voor alles zou behoeden. Mijn ziekte stond dus op gespannen voet met die belofte.
Voor zowel mijn ouders als mijzelf begon met mijn ziekte ook een proces van godsverlatenheid. De God die ik kende, reisde namelijk niet mee het diepe lijden in. Oprecht geloof had ons voor dit lijden moeten behoeden. Mijn lijden was daarmee het ultieme bewijs van mijn falen in geloof of het moreel falen van God. Na een lang intern conflict werd het uiteindelijk het falen van een immorele God, die dus niet kon bestaan.
De God die ik kende, reisde niet mee het diepe lijden in
Leven met een chronische ziekte was de eerste reden dat ik ooit aanklopte bij de ggz en in gesprek ging met een psycholoog. Zoals ik verder beschrijf in Nederland Therapieland was dit het begin van een therapeutisch proces dat nog vijftien jaar zou duren. Terugkijkend kan ik zien hoe het verlies van mijn geloof samenhing met mijn behoefte aan en vertrouwen in de therapeut.
Hoe therapie mij redde van de valkuilen van theologie
Terugkijkend was het goed dat ik mijn godsbeeld verloor en in therapie een veilige haven vond. Ik had namelijk therapie nodig om de schade van slechte theologie ongedaan te maken. Ik was niet eens opgegroeid met zware Bijbelstudies of haatdragende theologische preken, eerder het tegenovergestelde! De theologie waar ik hier op doel is ‘geleefde theologie’: de verzameling van alle (impliciete) boodschappen en betekenissen over het leven (in geloof) die we meekrijgen van de mensen om ons heen.
Juist dat wat we niet bewust leren kan zich diep in ons verankeren en verworden tot een vanzelfsprekendheid, tot iets dat op onzichtbare wijze bepaalt hoe we onszelf en anderen zien. Theologie kan prachtig en levend-gevend zijn… of tot diepe angst, zelfverachting en schuld leiden en verdorvenheid voeden en afdekken. Ik had therapie nodig om te leren dat niet alles wat zich God noemt ook daadwerkelijk God is. En dat ik niet alles van mezelf hoefde (op) te geven op het altaar van geloof. onder de noemer van religie.
Ik had therapie nodig om te leren dat niet alles wat zich God noemt ook daadwerkelijke God is
Therapie, met haar nadruk op individuele grenzen, behoeften en emoties, kan een gezonde tegenhanger zijn wanneer je opgegroeid bent met het idee dat je hele waarde afhangt van je dienstbaarheid en opofferingsgezindheid. Ik ontdekte er een nieuwe manier van kijken naar mezelf. Dit riep eerst veel religieuze angst en schuld op: ‘Ben ik niet slecht, nu ik niet meer alleen aan anderen denk?’ ‘Stel dat er toch een hel is en ik daar zou belanden, voor het verlaten van het geloof en spreken over datgene wat daarin slecht was geweest?’ Daarna voelde ik vooral een immense opluchting en die opluchting bleef.
Ik vond veiligheid in therapie en een uitnodiging om mezelf te verkennen en te zijn. In de theologie van mijn jeugd leerde ik dat je emoties mocht voelen om het leed van anderen, maar dat ikzelf vooral zalig en gezegend moest zijn. In therapie leerde ik dat boos en angstig zijn (om mezelf) mág en heel gepast is in bepaalde situaties. Het betekent niet meteen dat ik zondig ben. Ik ontdekte dat ik een onvoorwaardelijk geliefd en waardevol kind ben – zij het niet van God maar van mezelf.
De theologische mantel der liefde
Ik had jaren therapie nodig om alles uit mijn religieuze jeugd een plek te geven. Alsof je een vastgekoekte theologische mantel der liefde van de grond moet schrapen en daar de viezigheid en troep van meerdere generaties ontdekt. Het is schrikken wat je dan aantreft en wat in het duister heeft lopen woekeren. Vooral als je altijd hebt meegekregen dat je ver weg moet blijven van wat in het duister leeft, waardoor het aanblik van de viezigheid je vult met geïnternaliseerde schuld, schaamte en angst.
Daar alleen al moet je langzaam naartoe werken, en vervolgens flink van bijkomen. Ik had dit zonder therapie nooit gekund. Dan begint de klus van langzaam opruimen: uitzoeken, uitkloppen, terugleggen wat van anderen is, walging, boosheid en verdriet voelen. Ik heb die mantel der liefde lang niet durven aanraken. Vervolgens wilde ik niets liever dan het hele ding in de fik steken en schreeuwend ermee over de straten rennen. Het is pas recent dat ik de die oude mantel laat uitwaaien, hangend over een balustrade. Ik kijk er soms naar, niet enkel vanuit pijn maar ook compassie.
Dat is iets nieuws en kostbaars. Nu ik niet meer bang hoef te zijn voor de metaforische maden en voor daadwerkelijke trauma’s die onder het tapijt zijn geschoven, is er ruimte ontstaan. En nu ik niet meer anticipeer op de wraakzucht van een God of van mensen die me te grazen kunnen nemen omdat ik de mantel heb opgetild, kan ik met een bredere blik beginnen te kijken. Dat is wanneer ik me ook meer bewust werd van de nieuwe bubbel waarin ik zat: die van therapie.
De therapeutische mantel der zelfliefde
Therapie had mij geholpen om met een andere blik naar mezelf, naar het lijden en naar de wereld te kijken. Deze blik voelde ruimer, vooral omdat mijn grenzen en behoeften er mochten zijn. Wat een vrijheid om zelf te mogen bestaan! Wat een geschenk om veiligheid te mogen voelen en daarin te rusten! Maar met de tijd begon deze therapeutische blik ook wat nauw en beklemd te voelen.
Want waar was de overstijgende betekenis van het bestaan? Waar was een gemeenschap, een collectief waar ik onderdeel van kon uitmaken? Waarom zat ik steeds één op één in een kamertje te praten over mijn verlangen naar verbinding met anderen en naar een meer rechtvaardige wereld?
Waarom zat ik steeds één op één in een kamertje te praten over mijn verlangen naar verbinding met anderen en naar een meer rechtvaardige wereld?
Therapie had me eerst een vrijbrief gegeven voor de religieuze schuld die ik meedroeg, maar ergens in de kleine lettertjes was een nieuwe schuld toegevoegd. Want (psychisch) lijden is nog steeds een uiting van persoonlijk falen, alleen dan nu door een gebrek aan zelfontwikkeling, zelfregulatie, zelfexpressie of zelfsturing. De genade die ik vond in therapie bleek niet zo alomvattend te zijn als ik in eerste instantie dacht.
Wat psychologen me vertelden en de impliciete boodschappen die ik meekreeg van het therapeutische systeem als geheel communiceerden andere dingen. Het deed me denken aan wat ik van vroeger kende vanuit theologie: een boodschap van liefde kan in de praktijk hele andere uitwerkingen hebben. Zou dat ook gelden voor de boodschap van zelfliefde? Wat schuilt er onder de therapeutische mantel der zelfliefde?
Hoe theologie mij redde van de valkuilen van therapie
Die vraag heb ik verkend in Nederland Therapieland. Hierbij heb ik enorm veel gehad aan de religiewetenschappelijke en theologische manier van kijken die ik in mijn opleiding geleerd heb. Het begrijpen van de structuren en dynamieken binnen (geleefde) theologie en religie hielpen me om de therapeutische mantel der zelfliefde op te tillen en te verkennen. De rollen waren opeens omgedraaid: nu hielp theologie mij om een licht te schijnen op therapie.
Voor mij is dit een weak theology. Dat wil zeggen een theologie waarin dat wat we ‘God’ of het ‘ultieme Goede’ noemen niet autonoom almachtig is maar juist leven vindt in de verbindingen die ontstaan op de breuklijnen van het leven. Niet een God die achter de knoppen van het lijden zit, dus, maar een God die heel dichtbij komt in het lijden en daar hoop geeft en de mogelijkheid tot diepe verbinding brengt, met elkaar en met dat wat ons overstijgt (wat dat ook zijn moge).
Uiteindelijk waren het deze momenten van verbinding die mij in mijn therapeutische proces het meest hebben gebracht. Soms was dat een verbinding met psychologen, maar vaak ook met anderen: lotgenoten, bekenden en onbekenden die ook lijden, Afro-Amerikaanse theologie, liturgieën en hymnes, zoals het werk van Cole Arthur Riley. Therapie gaf me een taal voor gezonde differentiatie en begrenzing, maar deze theologie gaf me een taal voor gezonde verbinding en bezieling. Ik had beide nodig.
Therapie gaf me een taal voor gezonde differentiatie en begrenzing, maar deze theologie gaf me een taal voor gezonde verbinding en bezieling
Lijden als onderdeel van een zinvol geheel
Want uiteindelijk is het veel rijker om met al je lijden onderdeel te zijn van een mysterieus en soms onbegrijpelijk zinvol geheel dan om een individu te zijn. De isolatie van trauma kan soms doorgaan in de isolatie van een individualistische benadering in therapie. Vooral als die benadering zich richt op berusting, ofwel op zelf-gereguleerd blijven, ook wanneer dat betekent dat je je verder terugtrekt uit de wereld.
Als je te lang en te veel naar binnenkijkt en regie wil uitoefenen op en hoe je geraakt wordt in het leven, dan mis je de momenten waarop ‘de Onverwachte’ je bezoeken kan. Zoals ik met Dirk de Wachter bespreek in onze podcast: juist daar in de ontmoeting met de Ander vinden we de existentiële zuurstof én reden om ons aan een pijnlijke wereld te blijven verbinden. En zo kunnen we deze gezamenlijk bezielen, zowel met hoop en lijden beide in één hand.
Als je te lang en teveel naar binnenkijkt en regie wil uitoefenen op en hoe je geraakt wordt in het leven, dan mis je de momenten waarop ‘de Onverwachte’ je bezoeken kan
In mijn eigen hand zit nu nog een infuus. Mijn behandeling is bijna klaar. Hierna loop ik het ziekenhuis uit, de wereld in. Een wereld waar lijden niet te voorspellen of voorkomen is, hoogstwaarschijnlijk zelfs een vaste gast zal blijven. Maar ook een wereld waarin veiligheid en verbinding te vinden is, juist ook in het lijden, juist ook bij elkaar.
Levensbeschouwelijke meertaligheid
In deze reeks zijn verschillende ideeën en theorieën voorbij gekomen die hopelijk helpen om de relatie tussen religie en therapie in onze huidige tijd te duiden. Nog één laatste duiding om het af te sluiten. In dit artikel heb ik een persoonlijk voorbeeld gegeven van hoe therapie en theologie vanuit liefdevolle scherpte met elkaar in dialoog gaan. De observerende lezer zal vast al opgemerkt hebben dat er grote verschillen zitten in de geleefde theologie die ik in het begin en aan het einde van dit artikel beschrijf. Wat voor dialoog er ontstaat tussen therapie en theologie heeft alles te maken met wat voor uiting van therapie en theologie het is.
James Fowler heeft een theorie hiervoor uitgewerkt in zijn boek Stages of Faith. Zijn werk is een mooi voorbeeld van een dialoog tussen therapie en theologie. Hij gebruikt inzichten uit de ontwikkelingspsychologie om te kijken naar de verschillende fasen in geloofsbeleving. Hoeveel ruimte voor onzekerheid, onduidelijkheid, nuance, paradox en lijden zit er in iemands geloof? En precies diezelfde vraag kan je ook stellen bij therapie. Dit onderscheid van Fowler helpt verklaren waarom theologie en therapie zowel angst kunnen voeden, als een bron van transformatie en wijsheid kunnen zijn.
Zowel therapie, theologie (van allerlei religies), maar ook literatuur, kunst en muziek kunnen bronnen zijn die ons helpen om ruimte en betekenis te geven aan lijden en die ons verbinden aan een groter verhaal. Wat de bron je brengt is afhankelijk van de fase waar je inzit en de ruimte die je daarin ontwikkeld hebt. Soms helpt één bron je om een verruiming te vinden, waardoor je daarna weer meer ontdekt in een andere bron.
Meer dan één levensbeschouwelijke taal spreken is, net als bij letterlijke meertaligheid, een waardevolle manier om de rijkdom van het leven te ontdekken. Elke taal biedt een eigen perspectief en een dialoog tussen perspectieven helpt je om scherper te kijken naar wat je nu ziet en wat er mogelijk nog te ontdekken is. Levensbeschouwelijke meertaligheid is een geschenk die we hopelijk steeds meer met elkaar gaan waarderen.

Katie Vlaardingerbroek is een jonge auteur en studeert filosofie en godsdienstwetenschap.