Menu

None

Arjan Plaisier: “Bidden met elkaar is fundamenteel”

Interview met Arjan Plaisier over zijn boek Een tijd om te helen

Aquarel van een mens die op een aardbol staat met in zijn handen nog een aardbol
(Beeld: Benjavisa via iStock)

Wie het over Rome en Reformatie heeft, wordt geconfronteerd met meer dan vijf eeuwen verdeeldheid. Hoog tijd om die breuk te helen, zo betoogt theoloog Arjan Plaisier. Journalist André Groenendijk ontmoet Plaisier op een sprekende plek de Sint-Joriskerk in Amersfoort. Eens een rooms-katholieke kerk, nu al meer dan vier eeuwen in protestantse handen. Dit gebouw ademt de geschiedenis die de achtergrond vormt van Plaisiers boek Een tijd om te helen.

U schreef een boek over Rome en Reformatie en bent ook een van de initiatiefnemers van het gelijknamige platform. Waarom dit onderwerp?

‘Dit is iets wat mij persoonlijk al heel lang bezighoudt. De meeste christenen groeien in het geloof vanuit een bepaalde traditie, en misschien komen ze dan ooit nog eens een andere traditie tegen. Voor mij was dat anders. Ik was wel onderdeel van de protestantse traditie waarin ik ben opgegroeid, maar het was een boek van theoloog en filosoof Frank de Graaff, Als de goden zwijgen, dat mij als middelbare scholier de ogen opende. Ik maakte kennis met denkers uit de katholieke traditie van de kerk, in de brede zin van dat woord. Ik ademde dus gelijk al de hoge lucht in van die grote traditie. Tijdens mijn studententijd werd ik beïnvloed door de Utrechtse school, een theologische stroming die teruggreep op de middeleeuwse theologie. En ook toen dacht ik weer: ja, dít is mijn kerk. Na de middeleeuwen is er natuurlijk een breuk ontstaan, maar die theologie van de middeleeuwen, en ook die van de vroege kerk, is wel de gemeenschappelijke voedingsbodem. En dan is er natuurlijk ook nog mijn ervaring in de kerk als zendeling en als scriba, waarin ik de wereldkerk heb ontmoet.

‘Juist nu is het gesprek over eenheid van groot belang. Dat heeft alles te maken met het einde van het Corpus Christianum, de dominante christelijke cultuur. Binnen zo’n cultuur kun je nog denken dat het prima is dat er een verdeelde kerk is, waar ieder z’n eigen positie en z’n eigen invloed heeft en waar je elkaar ook niet zo nodig tegen hoeft te komen. Dat is nu voorbij: dát is de urgentie. Die urgentie maakt dat we niet eens bedaard kunnen gaan zitten met een commissie en zeggen: we gaan het in alle rust nog eens een keertje bekijken en we kunnen hier nog jaren op voortborduren. Nee, er is een call, een roep van de heilige Geest, naar de kerk om een getuigende kerk te zijn. En dat kan in de wereld van vandaag alleen maar een kerk zijn die ook verenigd is.’

In uw boek bespreekt u acht thema’s waarop de twee tradities andere accenten leggen, zoals ‘Woord en sacrament’ en ‘geloof en werken’. Kunt u hier iets meer over zeggen?

‘Het zijn acht thema’s die iets wezenlijks zeggen over de twee tradities. Het zijn ook thema’s waarop het in het verleden soms flink gebotst heeft. Ik probeer echter die acht thema’s niet in de controverse te beschouwen, maar vanuit de kracht van beide tradities. Op die manier probeer ik de tradities met elkaar in gesprek te brengen. Wanneer je de tradities elkaar maximaal laat uithoren en maximaal laat uitspreken, dan heb je twee krachtige stemmen die je kunnen helpen om in het hier en nu kerk te zijn. Want laten we eerlijk zijn: we lopen op dit moment in de kerk niet over van de geestkracht. We zitten niet op de toppen van het kerkelijk leven. Juist dan is het fijn wanneer je op twee stevige schouders kunt staan. Door in gesprek te gaan, ga je elkaar op een dieper niveau zien en verstaan en kun je ook op een dieper niveau tot elkaar komen. Dan kan het ongetwijfeld wel eens botsen, maar dat hoort erbij.’

(Arjan Plaisier)

Op welk van de acht thema’s ziet u de grootste uitdaging om tot eenheid te komen?

‘Ik denk dat het thema “geloof en werken” heel fundamenteel is. Dat was het voor Luther ook: als hij daarover gehoor had gevonden bij de kerkleiding, dan had het allemaal heel anders kunnen lopen. Gelukkig is er inmiddels een gezamenlijke verklaring van beide tradities over de rechtvaardiging door het geloof, dus daar is al veel gebeurd. Desalniettemin blijft het een belangrijk thema, omdat hier het hart van het evangelie klopt. Hoe staan wij tegenover God? Hoe handelt God met ons? Het is een thema dat we levend moeten houden. De wereld zit te wachten op een God die het kapotte zooitje dat deze wereld is met een genadig oog aankijkt en er zelf in is gaan staan.

Ik denk dat het thema “geloof en werken” heel fundamenteel is

‘Een ander wezenlijk thema is de regering van de kerk, dat ik in mijn boek uitwerk aan de hand van paus en ouderling. De kerk is nu eenmaal niet een club waar we het met elkaar even uitmaken: er is een bediening die teruggaat tot Christus. De vraag is: hoe krijgt dat gezag gestalte? Wat is een gezagsdrager? Komt die van boven of van onder? Van meet af aan heeft de figuur van de paus als een graat in de keel van de hervormers gezeten, met name door de manier waarop de paus optrad tegen de beginnende Reformatie. De paus werd al snel geduid als iemand ín de kerk tégen de kerk, en dat zou dan wel de antichrist zijn. Nu denk ik dat dit in het overgrote deel van het protestantisme niet meer zo gezegd zal worden, maar de vraag naar het gezag van de paus moet wel gesteld worden. Hier moet je uit gaan komen met elkaar. Dat zou kunnen als het pausambt een invulling krijgt die ook voor hervormers als Luther en Melanchthon aanvaardbaar zou zijn geweest: een verbindende figuur, die de oorsprong, de eenheid en het apostolische karakter van de kerk uitdrukt. Zo’n figuur kan voorkomen dat we allemaal lekker op ons eigen kluitje kerk zitten te zijn. Dat lijkt mij heel belangrijk.’

U zegt dat we vanuit de tradities het gesprek moeten aangaan. Tegelijk lijkt die traditie in delen van de kerk steeds minder belangrijk te worden. Mensen voelen zich minder verbonden met een groter geheel en zeggen: ‘we zijn toch allemaal christen, waarom moeten we het hier dan nog over hebben?’ Wat zou u daarop antwoorden?

‘Natuurlijk heeft ieder een eigen taak en niet iedereen hoeft zich grondig met de traditie bezig te houden, óók omdat een traditie werkt en niet voortdurend de aandacht op zichzelf hoeft te vestigen. Er is een levende traditie die zich ontwikkelt en nieuwe wegen opent. Wanneer echter de kerk in het groot, en de leiding binnen de kerk, de traditie zou vergeten: ja, dan zou het wel een oppervlakkige kerk worden. Dan kom je terecht in een ideologie met een soort zwak tolerantiebeginsel en de gedachte “we zijn toch fijn kerk met elkaar?”. Daar gaat niks van uit.’

Zouden we onze manier van kerk zijn niet door de Geest moeten laten bepalen, en zitten tradities en structuren dan niet vooral in de weg?

‘Wanneer we denken: laten we allemaal doen zoals de Geest ons ingeeft, dan betekent dit dat we ons weinig gelegen laten liggen aan het feit dat we één lichaam zijn van Christus. Dat is een gestructureerd lichaam. Dan zul je je bezig moeten houden met vragen die misschien niet ieders ding zijn, maar wel ons aller ding. Vragen rondom doop en avondmaal. Delen we dan die doop met elkaar? En gelukkig doen we dat. Delen we het avondmaal met elkaar en kunnen we dat samen vieren?

‘We zullen ons ook moeten bezinnen op het feit dat Jezus nu eenmaal apostelen en hun opvolgers heeft gebruikt. Wanneer je zegt: laten we allemaal gewoon fijn christen zijn en als we elkaar tegenkomen, bidden we met elkaar—dan laat je je dus weinig gelegen liggen aan het feit dat de kerk een lichaam is met een structuur die eenheid geeft. Als je dat opgeeft, geef je heel veel op. Dan dreigt het christelijk geloof slechts een ideologie te worden en geen belichaamde realiteit in de geschiedenis.’

(Beeld: Benjavisa via iStock)

In uw boek noemt u de ‘hiërarchie van waarheden’: niet iedere waarheid is even belangrijk, maar er is wel een onopgeefbare kern. Hoe bepaal je waaruit die kern dan bestaat?

‘Een kerk die geen belijdende kerk is, met een geloof waar woorden aan gegeven worden die ons aangereikt zijn vanuit de geschiedenis, houdt gewoon op. Dat kun je in de loop van de geschiedenis ook zien. De kerk moet bij de leer van de apostelen blijven en dat is geen wassen neus. Die leer heeft in de Apostolische Geloofsbelijdenis en het Credo een vorm gevonden. En dan gaat het helemaal niet over elke punt en komma, maar wel: hier is een belijdenis door de Geest gegeven. Die kun je wel interpreteren in het geheel van een theologisch debat, maar je kunt er niet achter teruggaan.

De kerk moet bij de leer van de apostelen blijven en dat is geen wassen neus

‘We hebben het hier wél over de kerk van de martelaren. De bisschoppen die bij elkaar waren op de concilies waren deels gemutileerd en droegen de sporen van vervolging in hun lichaam. Je moet niet vergeten dat mensen op de brandstapel zijn gegaan voor deze kerk en dit geloof. Als je je daar dan frivool van losmaakt, kun je je afvragen of je niet te veilig in de grachtengordel woont en het allemaal van een afstandje beschouwt. In het heetst van de strijd heb je een geloof nodig waarop je terug kunt vallen. Dát geloof, daar heb ik het over. Dat wil dus niet zeggen dat de hele leer van de kerk op hetzelfde niveau zit. De waarheid is gelaagd en heeft een spits, waarbij je natuurlijk weer moet oppassen dat je die spits eens en voor altijd vaststelt, want dan wordt jouw formule weer het een en al. Ik denk dat je in het gesprek met elkaar wel duidelijkheid zult krijgen over wat de brandende kern is en wat daar een afgeleide van is. We moeten in elk geval oppassen dat we niet met een soort harnas van Saul op de vijand af gaan, want dan bewegen we niet eens meer. Nee, dan maar beter een David zijn en die geslepen stenen verzamelen waarmee je de reus Goliath kunt verslaan.’

U heeft het over de rooms-katholieke en de protestantse tradities. Hoe zit het met andere tradities, zoals de oosters-orthodoxe?

‘Zelf sta ik in het Latijnse christendom van de westerse kerk, en in mijn boek heb ik me bewust beperkt tot die kant van de kerk. Wanneer ik naar de Oosterse kerk kijk, dan zie ik daar iets wat protestanten, maar ook mensen van buiten, aantrekt: een besef van een mysterie, een ruimte die uitnodigt om te aanbidden, te knielen, te zwijgen en ook door het oog getrokken te worden tot een Werkelijkheid die iets ontsluit en van Wie iets uitgaat, de Werkelijkheid van Christus. Daar zit ook een vraag aan het protestantisme: heeft dat niet zodanig gewed op het Woord en de uitleg daarvan en dáár dan weer de uitleg van, dat het een smalspoor wordt dat dood kan bloeden? Soms is er de gedachte: als we het maar goed uitleggen, dan wordt het wel duidelijk en aanvaardbaar en behapbaar voor iemand die binnen komt lopen. Diegene wil het echter helemaal niet behapbaar te hebben, die wil gewoon aanbidden in stilte en geconfronteerd worden met God—en dus niet met heel veel woorden. Hoeveel uitnodiging tot aanbidding gaat er nog uit van de protestantse traditie? En hoeveel besef dat God groter is dan ons verstand? En hoeveel besef dat God ook in het materiële tot ons komt, waarbij we zwijgen en Christus ontvangen in onze geopende handen? Dat neemt allemaal niet weg dat de protestantse traditie een toegangsweg is tot het geloof in Christus en tot de presentie van Christus. Dat maakt het tot een levende traditie, maar ook die levende traditie kan een impuls ontvangen—juist door zich te verhouden tot een andere traditie.’

Hoeveel uitnodiging tot aanbidding gaat er nog uit van de protestantse traditie? En hoeveel besef dat God groter is dan ons verstand?

Welke concrete stappen kunnen er nu worden gezet om nader tot elkaar te komen?

‘In de eerste plaats: bidden met elkaar. Dat is fundamenteel. Kerkleiders ontmoeten elkaar via het Nederlands Christelijk Forum, waar ze elk jaar een 24-uursretraite met elkaar hebben. Dat mag nog wel wat steviger, waarbij ook echt iedereen aanwezig is. In dit proces van vriendschap en samen bidden kunnen we dan een volgende stap zetten. Dan denk ik aan het erkennen van de reële presentie van Christus in het sacrament. Dat we kunnen zeggen: ja, dit is echt de Heer zelf die ons in het sacrament wordt geschonken. En daarmee: ontmoeten wij elkaar ook in dat ene lichaam van de Heer? Is de eucharistie of het avondmaal ook echt een teken van eenheid van de kerk? Dat is heel belangrijk. Ik denk ook aan de rol van de paus. Daarin kunnen van beide kanten stappen worden gezet om tot een vorm van pausdom te komen dat breed aanvaard kan worden. Daarnaast ligt er een taak voor kerkleiders om momenten te creëren waar “gewone” gelovigen uit beide tradities elkaar kunnen ontmoeten, op zo’n manier dat hier ook het hart van het geloof kan kloppen. Juist dan is dus bijvoorbeeld het gemeenschappelijke gebed heel belangrijk.’

Arjan Plaisier
Foto: Wendy Bos

Arjan Plaisier is theoloog, predikant en voormalig scriba van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Hij is betrokken bij platform Rome Reformatie en schreef het boek Een tijd om te helen.

André Groenendijk

André Groenendijk is theoloog en filosoof. Hij werkt als gemeenteadviseur bij de HGJB en als freelance schrijver/redacteur. 


Meer lezen? Koop nu Een tijd om te helen

Een tijd om te helen

Na ruim 500 jaar verdeeldheid tussen katholieken en protestanten is het tijd om te helen. De recente verschuiving naar een postchristelijke tijd maakt deze oproep urgenter dan ooit. In Een tijd om te helen bepleit Arjan Plaisier op basis van het gemeenschappelijk geloof in Christus een zichtbare eenwording tussen Rome en Reformatie. Dit boek neemt je mee op reis door de geschiedenis, waarin de oorzaken van de scheuring tussen protestanten en katholieken worden belicht en de diepgewortelde overtuigingen en tradities die beide groepen hebben gevormd.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken