Bruggen naar God?
Hoe moeten we denken over de verhouding tussen geloof en wetenschap? En hoe over die tussen geloof en filosofie? Deze vragen zijn uiteraard al veelvuldig besproken in de recente en minder recente geschiedenis van de theologie en filosofie. Nu heeft René van Woudenberg, hoogleraar Epistemologie en Metafysica aan de Vrije Universiteit, er een nieuw boek aan gewijd: Een brug naar God. Hoe filosofie en wetenschap ons voeren naar het mysterie (Utrecht, KokBoekencentrum Uitgevers, 2024, pp. 253).
Van Woudenberg is een analytisch christelijk filosoof. Dat creëert de verwachting van een systematisch opgebouwd boek, waarin eerst wordt uitgelegd wat wetenschap is, dan wat geloof is, en waarin vervolgens argumenten worden besproken tegen de verenigbaarheid van wetenschap en geloof, die steeds – zoals dat dan gaat – glansrijk worden ontmanteld, zodat christelijke lezers met een gerust hart kunnen blijven geloven wat ze geloven.
Van Woudenbergs opzet is anders, en zijn boek authentieker. Hij bedrijft analytische filosofie, maar de structuur van het boek is minder systematisch. Dominant is vooral de lijn die loopt langs een aantal grote namen die allen hun sporen hebben verdiend in het denken over de relatie tussen geloof, wetenschap en filosofie, en die op Van Woudenberg, gedurende zijn loopbaan als filosoof aan de Vrije Universiteit, op de een of andere manier indruk hebben gemaakt, in het bijzonder Abraham Kuyper, Nicholas Wolterstorff, Thomas Reid en Herman Dooyeweerd.
Geïnspireerd door deze denkers bespreekt Van Woudenberg een aantal vragen: of er ‘in de wetenschap’ eigenlijk wel ruimte is voor religie; of ‘toeval’, zoals dat begrip functioneert in de evolutietheorie, geloof in goddelijk ontwerp of uitingen van goddelijke intenties uitsluit; of evolutionaire verklaringen van de moraal laten zien dat een objectieve (christelijke) moraal een illusie is; op welke manieren en langs welke wegen we eigenlijk kunnen komen tot kennis van God; en of geloofswaarheden wel echt als ‘waarheden’ moeten worden opgevat.
Van Woudenbergs betoog in reactie op deze vragen kent drie inhoudelijke lijnen. Een deel van het boek vormt een verdediging van geloof in relatie tot allerlei vermeende intellectuele bedreigingen ervan: de wetenschap die, als instituut of activiteit, geloof irrelevant of anderszins onmogelijk zou maken; de evolutietheorie, die geloof in goddelijk handelen overbodig of irrationeel zou maken; en hedendaagse verklaringen die (christelijke) morele waarheden zouden ontmantelen als illusies.
Van Woudenbergs boek is een prachtige getuigenis
Een tweede lijn in Van Woudenbergs boek bestaat uit een mooie identificatie van wegen waarlangs een mens tot geloof kan komen. Hoewel het onder moderne theologen gemeengoed is geworden dat dat niet kan door gebruikmaking van de rede, is ook zij volgens Van Woudenberg een vehikel dat uiteindelijk geloof teweeg kan brengen of in stand kan houden. Maar er zijn veel meer wegen die naar geloof kunnen leiden, zoals ervaring van contact, getuigenis en goddelijke openbaring.
Een derde onderdeel, dat met name aan bod komt in het belangrijke Hoofdstuk 11, betreft de filosofische vraag wat voor soort uitspraken geloofsuitspraken eigenlijk zijn: zijn het beweringen vergelijkbaar met de feitelijke beweringen gedaan door natuurwetenschappers, zoals realisten menen, of zijn het uitdrukkingen van iets anders, bijvoorbeeld van intenties, of van diep gekoesterde waarden, zoals antirealisten betogen? Op deze vraag is Van Woudenberg even duidelijk als stellig: wil het christendom meer zijn dan drijfzand, dan moet het realisme waar zijn; en wil iemand daadwerkelijk in God geloven, dan moet zij haar geloof niet tegelijkertijd antirealistisch interpreteren.
Met zijn betoog wijst Van Woudenberg op de aanwezigheid van een aantal bruggen die, ieder op haar eigen manier, mensen dichter kunnen brengen bij God: de filosofie, via begripsverheldering en theïstische argumentatie of via filosofisch geïnformeerde ervaring, maar ook de wetenschap, via verklaringen die verwijzen naar ‘God en zijn intenties’ of via verwondering over de observeerbare schepping.
Van Woudenbergs boek is een prachtige getuigenis. Zoals hij het zelf verwoordt in het Dankwoord, legt hij in het boek zijn ‘twee geloofsbrieven’ op tafel: die van het neocalvinisme, in het bijzonder zoals te vinden in het werk van Abraham Kuyper, en die van de analytische filosofie. Hoewel de combinatie van deze tradities, voor Kuyper zelf én voor analytisch filosofen, misschien niet heel aantrekkelijk zou zijn of is, gelooft Van Woudenberg er in. En de manier waarop hij daarvan getuigt maakt indruk: Van Woudenberg is niet een academicus die wil (bijv. omdat hij moet) scoren met zo veel mogelijk snelle publicaties, of die eerst en vooral zijn cv wil verrijken, maar een die denktradities en filosofische vragen, gedurende meerdere decennia, helemaal heeft doorleefd – en daarvan nu verslag wil doen.
Hij laat ook zien dat de zaken die hij bespreekt er wat hem betreft echt toe doen: uit het boek spreekt een diep besef van de urgentie van de vragen die hij stelt, een besef dat hij ook op de lezer weet over te brengen.
Van Woudenbergs boek is geschreven in een bijzonder mooie analytisch-filosofische stijl: uiterst zorgvuldig, precies en vooral ook geduldig – zonder daardoor taai of steriel te worden. Dat laatste is te danken aan veel luchtige en ook grappige voorbeelden, en door regelmatige verwijzingen naar literatuur en poëzie. De analytische manier van schrijven is daarnaast ook inhoudelijk waardevol, bijvoorbeeld in de bespreking van het werk van theologen en filosofen, zoals G.C. Berkhouwer en Theo de Boer, die nogal sterke beweringen doen zonder daarvoor een echte, nauwkeurige onderbouwing te leveren, zoals de bewering dat argumenten voor geloof zinloos of irrelevant zijn. Wát men ook van natuurlijke theologie moge vinden, de discussie erover vereist een precieze, analytische bespreking zoals geleverd door Van Woudenberg. Zeker in het Nederlandse taalveld is zo’n bespreking meer dan welkom.
Een vraag die Van Woudenbergs boek oproept betreft de doelgroep die hij ermee voor ogen heeft. Voor wie zouden de ‘bruggen naar God’ daadwerkelijk zulke bruggen kunnen zijn – en voor wie zou ook zijn boek zelf een brug naar God kunnen zijn? Het antwoord op deze vraag vereist een toelichting op Van Woudenbergs beeld van ‘God’ en ‘geloven in God’.
Volgens Van Woudenberg is God de naam van een ‘wezen dat geestelijk is’ (p. 20), wiens bestaan en intenties een verklaring vormen voor verschillende zaken: in ieder geval voor het bestaan van de wereld om ons heen, inclusief de complexiteit die we daarin aantreffen (Hoofdstuk 4; cf. p. 193), voor wetmatigheden in de fysische werkelijkheid (p. 23), voor het feit dat er überhaupt iets bestaat, voor het feit dat er morele normen bestaan, en mogelijk ook voor onverwachte genezingen, bijvoorbeeld volgend op gebed (p. 218). (En waarschijnlijk ook voor andere, vaak minder fijne, gebeurtenissen: of God veroorzaakt ze direct, of hij laat ze toe – maar hierover schrijft Van Woudenberg in andere boeken.)
Geloven in dit geestelijke wezen houdt meerdere zaken in: deelname aan rituelen, bidden, meeleven met een geloofsgemeenschap, het ontwikkelen van specifieke waardepatronen, etc. Maar wat het ook inhoudt is het toekennen van de waarheidswaarde ‘waar’ aan bepaalde uitspraken, in het bijzonder de uitspraak dat dit geestelijke wezen bestaat, maar ook andere uitspraken over hetgeen dit wezen zoal heeft gedaan en nog steeds doet. Zonder het toekennen van de waarheidswaarde ‘waar’ aan dit soort uitspraken, is christelijk geloof hooguit drijfzand (p. 226).
Door deze karakterisering van God, en geloof in God, is de kans groot dat de door Van Woudenberg geïdentificeerde ‘bruggen naar God’ voor veel gelovigen maar moeizaam kunnen dienen als zulke bruggen. Denk bijvoorbeeld aan een gelovige die haar drang om kerkdiensten te blijven bezoeken, en haar verlangen naar het zingen van psalmen en gezangen, voor zichzelf begrijpelijk heeft kunnen maken pas nadat ze zich heeft laten overtuigen door Heideggers kritiek op ‘Ontotheologie’, of aan de christen die zijn kerkgang en gebed, en zijn toegewijde inzet voor vluchtelingen en gevangenen, voor zichzelf duidt in termen van Alan Badiou’s notie van de opstanding als Event – noch historisch, noch biologisch opgevat.
Of denk aan de gelovige die na onbevredigende omzwervingen in de Amerikaanse godsdienstfilosofie kennis heeft genomen van de neo-Wittgensteiniaanse notie van geloof als een verzameling niet te reduceren ‘pictures’ als expressies van wat de mens ten diepste raakt en beweegt – en voor wie dat idee de mogelijkheid vormt om naar de kerk te blijven komen of, sterker: voor wie dat idee een geloofsverrijking heeft opgeleverd.
Of denk aan iemand voor wie het geloof pas echt ging leven nadat hij ontdekte dat hij het niet hoefde op te vatten als een hypothese of verklaring – daarin bijvoorbeeld geïnspireerd door Gods terechtwijzing van Mozes in zijn zoektocht naar een verklaring bij de brandende braamstruik (‘Kom niet dichterbij, trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat is heilig’) of door Gods antwoord op Jobs vragen naar de reden voor het leed dat hem ten deel gevallen was: geen verklaring, maar een loflied op de Schepping.
Deze gelovigen zullen door Van Woudenberg waarschijnlijk worden beschouwd als antirealisten. En antirealisme bestrijdt hij in termen die doen vermoeden dat de bruggen die hij in zijn boek identificeert – en ook zijn boek zelf – voor deze gelovigen pas bruggen kunnen worden als ze eerst afstand doen van de interpretatie van hun geloof, ook al heeft dat geloof haar levende vorm te danken juist aan die interpretatie. Maar zeggen dat de bruggen voor deze gelovigen pas dán bruggen kunnen zijn is eigenlijk het zelfde als zeggen dat Van Woudenbergs bruggen voor hen helemaal geen bruggen kunnen zijn.
En dus lijkt het erop dat Van Woudenbergs bruggen naar God alleen als zodanig kunnen dienen voor mensen die geloof in God interpreteren conform Van Woudenbergs interpretatie ervan. Is daar iets mis mee? Natuurlijk niet: zij kunnen zich gesteund weten door het bestaan van bruggen naar God, ze kunnen die bruggen misschien ontdekt hebben dankzij van Woudenbergs boek, hun geloof kan er door gevoed en gesterkt worden, en wellicht kan ook het simpele feit van Van Woudenbergs eigen christelijk geloof voor sommige (jongere) mensen een brug naar God vormen.
Voor lezers die zich niet herkennen in Van Woudenbergs realistische interpretatie van geloof geldt dat zijn boek hen kan dwingen te bedenken waar zij dan precies een andere afslag nemen en, vooral ook, waarom. Waarom zij een antirealistische interpretatie van geloofsuitspraken bijvoorbeeld verkiezen boven een realistische, en niet overtuigd worden door Van Woudenbergs bestrijding daarvan. (Of waarom zij instemmen met ‘antirealist’ D.Z. Phillips, volgens wie realisme en antirealisme beide betekenisloos zijn.) Vervolgens kan het verschil van inzicht tussen hen en Van Woudenberg een basis vormen voor een prachtige dialoog – want zoals Van Woudenberg zelf aangeeft: tradities bestaan bij de gratie van leren en willen leren van anderen, bij de gratie van discussie en kritiek, bij de gratie van woord en weerwoord.
Coos Engelsma is als docent Filosofie verbonden aan de Faculteit Medische Wetenschappen/UMCG te Groningen.
René van Woudenberg, Een brug naar God. Hoe filosofie en wetenschap ons dichter bij God brengen. Uitgeverij: Utrecht, KokBoekencentrum Uitgevers. 224 pp. € 20,00. ISBN 9789043541381
