C.S. Lewis – George MacDonald, Elke dag een gedachte van mijn leermeester
De Britse schrijver, theoloog en hoogleraar C.S. Lewis (1898-1963) is het meest bekend om De Kronieken van Narnia en zijn christelijke apologetische werken zoals Brieven uit de hel, De grote scheiding en Onversneden christendom. Hij bekeerde zich tot het christendom en gebruikte zijn intellect en verbeelding om geloof toegankelijk te maken.
Lewis werd diep beïnvloed door George MacDonald (1824-1905), de Schotse schrijver, dichter en predikant die fantasie en christelijk geloof met elkaar verbond. Voor dit dagboek selecteerde Lewis 365 intrigerende gedachten van zijn leermeester. Het is een goede kennismaking met MacDonald, die zowel boeiende fantasieverhalen als diepzinnige theologie schreef. Alleen al vanwege het sublieme woord vooraf van Lewis is dit boek de moeite waard: bijna nergens anders gaat hij zo uitvoerig in op thema’s die hem na aan het hart lagen: mythe en fictie, waarheid en werkelijkheid.
Een boek voor iedereen die houdt van geloof, verbeelding en nadenken over het leven.
Hier volgt een deel uit het uitgebreide woord vooraf van Lewis en een aantal fragmenten uit de bloemlezing.
Deze bloemlezing is niet bedoeld om de literaire reputatie van MacDonald op te poetsen, maar om zijn geloofsonderwijs te verbreiden. De meeste passages zijn daarom afkomstig uit de driedelige Unspoken Sermons. Zelf heb ik aan dat werk wel ongeveer zoveel te danken als een mens aan een ander mens te danken kan hebben. En bijna iedere serieus geïnteresseerde die ik ermee heb laten kennismaken zegt dat hij of zij er veel hulp van ondervonden heeft – in sommige gevallen onmisbare hulp om tot christelijk geloof te komen. Ik zal geen poging doen om het gedachtegoed van George MacDonald historisch of theologisch te plaatsen, deels omdat ik daar niet de benodigde kennis voor heb, maar meer nog omdat ik niet zo van dit soort indelingen houd.
Het Zoonschap Gods is de kerngedachte waarin alle verschillende elementen van zijn denken samenkomen
Een heel effectieve manier om het geweten tot zwijgen te brengen is de leermeester door wie het spreekt in een isme op te sluiten; het trompetgeschal zal je rust niet meer echt verstoren zodra je mompelt: ‘Thomist’, ‘Barthiaan’, ‘Existentialist’. En bij MacDonald klinkt altijd de stem van het geweten. Hij spreekt tot de wil; de eis van gehoorzaamheid, van ‘iets wat ons niet minder, niet meer en niet anders dan te doen staat’, klinkt zonder ophouden. Toch klinken juist in de stem van het geweten alle andere vermogens hoe dan ook mee – verstand en verbeelding en humor en fantasie en alle liefdes en genegenheden; en in de moderne tijd is misschien niemand zich beter bewust geweest van het onderscheid tussen Wet en Evangelie, het onvermijdelijke falen van moraal-zonder-meer.
Het Zoonschap Gods is de kerngedachte waarin alle verschillende elementen van zijn denken samenkomen. Ik zal niet zeggen dat hij nooit dwaalt. Maar laat ik er niet omheen draaien: ik ken bijna geen andere schrijver die dichter nadert, of die langduriger zo dicht nadert, tot de Geest van Christus Zelf. Vandaar het Christus-gelijke samengaan van tederheid en strengheid. Nergens anders buiten het Nieuwe Testament ben ik een dergelijke vervlechting van het schrikwekkende en het vertroostende tegengekomen. ‘Onverbiddelijke liefde’, Inexorable Love, zo heb ik meer dan één fragment in mijn bloemlezing betiteld, en het had de titel van de verzameling als geheel kunnen zijn.
Onverbiddelijkheid – maar nooit de onverbiddelijkheid van iets geringers dan liefde – komt van begin tot einde als een refrein telkens terug: ‘geen ontsnapping’ – ‘kom snel tot een vergelijk met de tegenstander’ – ‘later word je gedwongen’ – ‘de allerlaatste cent wordt opgeëist’. Toch krijgt deze oproep nooit een schelle klank. Iedere preek is doortrokken van een geest van liefde en verwondering die daar een stokje voor steekt. MacDonald laat een dreigende God zien, maar (om met Jeremy Taylor te spreken) ‘Hij dreigt met vreselijke dingen als wij niet gelukkig willen zijn’.
Het gedachtegoed van MacDonald laat in allerlei opzichten, en in hoge mate, precies de voortreffelijkheden zien die men het minste zou verwachten in zijn tijd en gezien zijn levensloop. Een romanticus die zich aan een dor-verstandelijke theologie ontworstelt zou zomaar kunnen doorschieten naar overwaardering van pure emotie en ‘religieuze ervaring’. Er zijn echter weinig negentiende-eeuwse schrijvers die op een zo vastberaden on-sektarische manier het gevoel zijn plaats wijzen (zie de nummers 1, 27, 28, 37, 39, 351). Zijn gehele natuurfilosofie (52, 67, 150, 151, 184, 185, 187, 188, 189, 285), met haar besliste nadruk op het concrete, heeft weinig van doen met een denkklimaat dat balanceerde tussen mechanisme en idealisme; het is duidelijk dat hij zich bij Whitehead beter thuis zou hebben gevoeld dan bij Spencer en T.H. Green.
Nummer 285 vind ik bijzonder goed. Alle romantici hebben een helder besef van vergankelijkheid, maar de meesten laten het bij jammerklachten. Voor MacDonald is de nostalgie slechts een beginpunt – hij gaat verder, en ontdekt waar vergankelijkheid voor bedoeld is. Ook zijn psychologie verdient aandacht. Hij beseft precies zo goed als moderne mensen dat het bewuste ik, datgene wat bij introspectie aan het licht komt, een oppervlakteverschijnsel is. Vandaar de kelders en zolders van de koningsburcht in The Princess and the Goblin, en de angst van Vane voor zijn eigen huis in Lilith; vandaar ook de stevige kritiek (201) op de ideeën over het ‘ik’ waar we dagelijks van uitgaan. Het meest opmerkelijk is misschien de functie – een lage en primitieve functie, maar vaak onmisbaar – die hij in het geestelijk leven toekent aan de Angst (3, 5, 6, 7, 137, 142, 143, 349).
Hij had op dit punt gemakkelijk een oppervlakkig soort vrijzinnigheid kunnen omhelzen, in reactie op zijn opvoeding. Maar dat gebeurt niet. Weliswaar hoopt hij dat alle mensen gered zullen worden; maar dat komt doordat hij hoopt dat alle mensen zich zullen bekeren. Hij weet (als geen ander) dat zelfs almachtigheid geen redding kan brengen aan onbekeerden, hij leutert nooit over dingen die eeuwig onmogelijk zijn. Hij heeft de goudglans en weldadigheid van Traherne, maar ook de strengheid van de Imitatio.
Voor MacDonald is de nostalgie slechts een beginpunt
Zo althans heb ik hem ervaren. Met mijn bloemlezing heb ik een rekening vereffend. Ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat ik hem als mijn leermeester beschouw; ik denk zelfs dat ik nooit een boek geschreven heb waarin ik hem niet citeer. Maar ik heb de indruk dat mensen die mijn werk op prijs stellen nog steeds onvoldoende nota nemen van deze connectie. Het is voor mij een kwestie van eerlijkheid om er nadrukkelijk op te wijzen. En als het geen eerlijkheid was, dan misschien toch de bronnenjacht, Quellenforschung, die mij als geleerde in het bloed zit.
39 Bekommerde ziel
Bekommerde ziel, je bent niet verplicht om iets te voelen, maar wel om op te staan. God heeft je lief, ongeacht of je iets voelt. Je kunt niet liefhebben wanneer je maar wilt, maar je hebt wel de plicht om tot het laatste toe te strijden tegen de haat die in je is. Probeer geen goed gevoel te hebben wanneer je niet goed bent, maar roep tot Hem die goed is.
Hij verandert niet als jij verandert. Ja, hij heeft je met bijzondere tederheid lief omdat jij in het donker zit en geen licht hebt, en zijn hart is verheugd wanneer je opstaat en zegt: ‘Ik zal naar mijn Vader gaan.’ … Vouw de armen van je geloof, en wacht in alle rust tot het licht in jouw duisternis opgaat. Vouw de armen van je Geloof, zeg ik, maar niet van je Werken; bedenk iets wat je doen moet en doe het, al is het maar een vloer vegen, of eten koken, of een vriend opzoeken. Let niet op je gevoelens; doe je werk.
285 De natuur
Als bloemen niet vergankelijk waren, zouden we niet meer stilstaan bij hun schoonheid, verblind als we zouden zijn door de passie om er grote fysieke voorraden van op te slaan, of anders afgestompt door de gewenning aan hun voortdurende aanwezigheid. Om grote zaken met kleine te vergelijken: bloemen verwelken, luchtbellen breken, wolken verwaaien en avondzonnen verdwijnen, om precies dezelfde heilige reden (naar de gegeven mate van toepasselijkheid) waarom de Heer afstand van zijn discipelen nam en weer opsteeg naar zijn Vader: opdat de Trooster, de Geest van Waarheid, de ziel der dingen, komen zou en altijd bij hen zou zijn, en de Zoon zou terugkeren en de Vader geopenbaard zou worden. … Een bloem is niet haar liefelijkheid, en haar liefelijkheid moeten we liefhebben – of anders zullen we ermee omgaan als grijpgrage kinderen die almaar blijven plukken, handen en manden vol, uit pure graailust.
349 Vrees
Zolang een mens geen liefde kent, is het goed om vrees te kennen. Zolang er wilde beesten rondlopen, is het beter bang te zijn dan je veilig te voelen.
Clive Staples Lewis (1898-1963) is de geliefde schrijver van De Kronieken van Narnia. Als uitlegger en verdediger van het christelijk geloof is hij populair bij lezers die zich verdiepen in de morele en rationele aspecten ervan.
C. S. Lewis, George MacDonald. Elke dag een gedachte van mijn leermeester. Uitgeverij: Utrecht, KokBoekencentrum Uitgevers, 2026. 192 pp. € 21,99. ISBN 9789043544139
