Christenen
Geloofstaal & cultuurtaal
Het woord ‘christen’ is oorspronkelijk geen zelfaanduiding van de volgelingen van Jezus geweest. Deze benaming is in de dagelijkse geloofstaal vooral door buitenstaanders gebruikt. Christenen zelf hebben in de achterliggende eeuwen eerder hun confessionele identiteit gebruikt als aanduiding van hun geloof, ook omdat het christelijk karakter van ons werelddeel al de culturele setting vormde; de doop gold tot niet zo lang geleden als een ‘entreebiljet tot de Europese cultuur'(H. Heine).
Sören Kierkegaard merkte in de 19e eeuw op dat er aanvankelijk weinig christenen waren, toen veel, vervolgens was zo ongeveer iedereen het – en het resultaat was dat uiteindelijk niemand meer echt christen was. Wellicht ligt er daarom achter de aarzeling zichzelf als ‘christen’ aan te duiden nog iets van het besef, dat ‘christen-zijn’ een belofte en een hoge roeping is, zoals de Heidelbergse Catechismus in Zondag 12 laat uitkomen. Dat zou sporen met het gegeven dat we wel van iemand anders zeggen dat hij of zij ‘een echte christen’ is.
Overigens stelt de huidige ontmoeting met aanhangers van andere religies in eigen land ons opnieuw en onontwijkbaar voor de vraag wat en wie een christen is.
Woorden
Aan het woord ‘christen’ in de Nederlandse bijbelvertalingen ligt het Griekse woord chris-tianos ten grondslag. In de drie vindplaatsen in – uiteraard alleen – het Nieuwe Testament, Handelingen 11:26, Handelingen 26:28 en 1 Petrus 4:16, is dat het geval. Hoewel wij het er niet meer in horen, zou men die benaming kunnen opvatten als aanduiding voor ‘partijganger van Christus’. In dat geval heeft het een negatieve connotatie en zelfs een ondertoon van spot, zoals dat toen ook het geval was bij aanduidingen als ‘Nazarener’ en ‘Herodiaan’.
De Romeinse schrijvers Suetonius en Tacitus vermeldden dat de volksmond de volgelingen van Jezus ‘chrestiani’ noemde, wat zoveel als ‘vriendelijk’ en ‘bruikbaar’ betekent. Suetonius interpreteerde het als een scheldwoord, maar wellicht is er een eenvoudiger verklaring, namelijk dat de klinker ‘è’ in die eerste eeuw vrijwel dezelfde klank had als de ‘i’. De verwisseling kon gemakkelijk optreden, omdat de ongebruikelijke benamingen Christos of christianos de mensen vreemd in de oren geklonken moeten hebben.
Betekenis in context
Nieuwe Testament
Het spreekt voor ons gevoel vanzelf dat met het woord ‘christen’ een eigennaam wordt aangeduid. Op het eerste gezicht heeft het er alles van, dat dat in Handelingen 11:26 inderdaad bedoeld is, als er staat dat de discipelen voor het eerst te Antiochië ‘christenen’ genoemd werden. Toch is het maar de vraag of het er hier primair om gaat de lezer te melden dat een bepaalde benaming voor een nieuwe beweging of groep in zwang kwam.
Christenen in Antiochië
In Handelingen 11:19 lezen we dat ten gevolge van de verdrukking die op de steniging van Stefanus gevolgd was, leden van de gemeente van Jeruzalem verstrooid werden en uitzwermden tot in Fenicië, Cyprus en Antio-chië toe. Als we bedenken dat Stefanus was aangesteld om de Grieks-sprekenden te verzorgen, samen met nog zes anderen met eveneens Griekse namen, van wie er één – Nicoläüs – een proseliet was (Hand. 6), ligt het voor de hand om bij de leden van de gemeente die Jeruzalem moeten verlaten, vooral aan deze groep te denken. Het verbaast dan ook niet om in Handelingen 8 tweemaal van Filippus te horen, en beide keren in een ontmoeting met niet-joden. Juist deze Grieks-sprekende joden die lange tijd – vaak al vanaf de geboorte – buiten Israël gewoond hebben, zouden zich zonder dat er sprake is van taalbarrière en culturele kloof met de boodschap van Christus tot de niet-joden kunnen richten. Toch is dat niet het geval. Er staat van hen uitdrukkelijk dat zij alleen tot joden het woord spraken – dat is: het evangelie van Jezus Christus verkondigden. Dat is des te opmerkelijker, omdat de vermelding van een en ander volgt op het uitvoerige relaas van hoe God Zelf Petrus ertoe gebracht had bij de Romeinse hoofdman Cornelius naar binnen te gaan. Lucas vermeldt dat ook van deze ‘verstrooiden’ er in Antiochië aankomen, maar zij richten zich dus niet met het evangelie tot niet-joden.
Onder hen zijn echter ook enige Cyprische en Cyreense mannen, die tot het geloof in Jezus als de Messias gekomen zijn, die in datzelfde Antiochië zich ook tot de niet-joden richten en hun de Here Jezus verkondigen. Er vindt dus spontaan een doorbraak plaats, die op geen enkele wijze als een min of meer gerichte actie van hen die uit Jeruzalem gevlucht zijn, geduid kan worden. Lucas tekent erbij aan: ‘de hand des Heren was met hen’. Dat kwam daarin uit dat vele Grieken tot geloof kwamen en zich bekeerden tot de Here Jezus Christus. Wat bij Petrus door middel van een duidelijk teken – het visioen van het laken met de reine en onreine dieren – plaatsvond, geschiedt hier zonder dat we van enige aanwijzing van Godswege lezen. Intussen ontstaat er langs deze weg iets nieuws: een samenleven van joden en nietjoden, die in Christus Jezus met elkaar verbonden zijn. Deze doorbraak was ongekend,en heeft in deze stad met een grote joodse populatie stellig de aandacht getrokken. Onbevangen lezing van Handelingen 11:26 doet denken aan een naam, die buitenstaanders aan deze nieuwe sociale werkelijkheid gaven. De opvatting dat de benaming christi-anos erop teruggaat dat de discipelen van Christus in Antiochië niet meer gezien werden als deel uitmakend van de synagoge, maar als zelfstandige gemeenschap, doet geen recht aan de tekst. Het is allerminst zeker dat deze benaming als zodanig uitdrukking is van een besef van discontinuïteit ten opzichte van het jodendom. In elk geval is het geen bewijs dat de christelijke gemeente besloten had de synagoge te verlaten of er uitgezet was.
De afweer van Agrippa
In Handelingen 26:28 horen we de benaming opnieuw uit de mond van een buitenstaander. Paulus heeft zich al bij de stadhouder Porcius Festus op de keizer beroepen, maar koning Agrippa wil hem toch ook zelf eens horen. De apostel vertelt hem van zijn ‘tomeloze woede’ tegen de volgelingen van Jezus, de Nazoreeër – een woede die ten diepste tegen de ‘naam’ van Jezus zelf gericht was -en hoe Jezus hem heeft tegengehouden op die weg en voor zich en zijn dienst heeft opge-eist. Paulus’ betoog loopt uit op de verkondiging van Jezus als de Gekruisigde en Opgestane. De reactie van de Romeinse stadhouder Festus is dat Paulus’ studie hem naar het hoofd gestegen is. Het brengt Paulus ertoe een des te klemmender appèl op koning Agrippa te doen, die helemaal bekend moet zijn met wat Paulus vertelt: ‘Koning Agrip-pa, gelooft gij de profeten? Ik weet, dat gij ze gelooft!’ Agrippa reageert evenwel afwerend: ‘Gij wilt mij wel spoedig als christen laten optreden!’ Uit de tekst zelf is niet op te maken welke specifieke kleur de aanduiding ‘christen’ hier heeft. Het hoeft niet per se zo te zijn dat Agrippa bij die benaming heeft gedacht aan het samenleven van joden en niet-joden in Antiochië en elders. In zijn mond zou het heel goed ook een depreciërende betiteling kunnen zijn. Het is opvallend dat Paulus zelf in zijn reactie de benaming ‘christen’ niet gebruikt, evenmin overigens als in zijn brieven. Het heeft er veel van, dat hij de benaming ‘christen’ zelfs bewust vermijdt, en het in-Christus-zijn op een persoonlijke wijze omschrijft.
De naam christen met ere dragen
In 1 Petrus 4:16 noemt de apostel de benaming ‘christen’ in een context die door vervolging en lijden gestempeld is. In dat verband zegt hij: ‘Indien iemand echter als christen lijdt, dan schame hij zich niet, maar verheerlijke God onder die naam’. Stellig is het zo, dat de naam van Christus in een negatief daglicht stond; anders was er immers geen sprake van lijden ‘als christen’, dat Petrus scherp onderscheidt van lijden als moordenaar, dief, boosdoener of bemoeial. Met enige voorzichtigheid kan men daaruit afleiden dat de benaming ‘christen’ vooral werd gebruikt door buitenstaanders, om er hun afkeer mee uit te drukken. Daarop wijst ook het vervolg: de oproep van de apostel om die zo negatief klinkende naam glans te geven. De naam ‘christen’ lijkt hier dus – voor het eerst? – als een soort geuzennaam te worden gebruikt, en is mogelijk langs die weg uitgegroeid tot een zelfaanduiding van de volgelingen van Jezus Christus.
Kern
Het is zonder meer opvallend dat juist dfe benaming voor de volgelingen van Jezus zich heeft doorgezet die in het Nieuwe Testament maar weinig voorkomt, en mogelijk zelfs niet één keer als een benaming waarmee men de eigen identiteit aanduidde. Het houdt op zijnminst voor de kerk de opdracht in om die benamingen, die het Nieuwe Testament veelvuldig gebruikt, mee te nemen. ‘Leerlingen’ en ‘mensen van de weg’ zijn in dit opzicht benamingen die het verdienen op hun inhoud beluisterd te worden. Een naam is meer dan ‘Schall und Rauch’. Het is een korte, pregnante samenvatting van wie men is. Er kan in een tijd als de onze veel aan gelegen zijn een benaming te bezigen die mensen aan het denken zet en bij Christus brengt. De benaming ‘christen’ vraagt om een persoonlijk-betrokken omschrijving, zoals we die in Handelingen 26:29 en in 1 Petrus 4:14-16 aantreffen.
Verwijzing
Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: gezalfde, leerling, lijden, verkondigen.