De adel in gebed
Toen ik in 1985 na vijf jaar buitenlands verblijf terugkwam in Nederland, was het woord ‘spiritualiteit’ het gelovige taaleigen binnengedrongen. Links en rechts vroeg ik wat het precies betekende. Steeds kreeg ik bedenkelijke gezichten en antwoorden als: ‘Tja, hoe zal ik dat nu eens uitleggen’. Blijkbaar was er, merkte ik langzamerhand ook aan den lijve, op het veld van de vroomheid, de bevindelijkheid of de stichting – om maar eens bekendere woorden uit de verschillende subculturen te noemen – een grote innerlijke droogte ontstaan, die schreeuwde om besproeiing. In Suriname, waar ik gedurende deze vijf jaar was, bestond het woord niet, maar de innerlijke droogte ook niet. Het gaat er tot op de huidige dag niet meer zozeer om dat we de dingen met het verstand begrijpen, maar dat we in de ziel geraakt worden, zowel hier als daar. Het persoonlijke gebed heeft daar alles mee te maken.