Menu

Premium

De arbeiders in de wijngaard

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Bij Matteüs 20,1-16,

Voor Matteüs 20,1-16 zie ook 1 november 2017, Dankdag voor gewas en arbeid.

Jona 3,10-4,11, Psalmen 145,1-12 en Filippenzen 1,21-27

De lezingen die het rooster voorstelt bij Matteüs 20,1-16 geven kleur aan de gelijkenis. Jona lijkt wel een werker van het eerste uur. De psalm bezingt de Eeuwige als rechtvaardig, de Filippenzen worden aangespoord om te leven in overeenstemming met het evangelie.

We bekijken de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard eerst los van haar context. Vier ploegen arbeiders ontvangen het gebruikelijke loon voor een hele dag werk. Is dat rechtvaardig? De ploeg die al vanaf zes uur in de morgen heeft gezwoegd, protesteert. In het gangbare economische denken, toen en nu, is de beloningssystematiek niet eerlijk, niet evenredig naar geleverde kwantiteit, ook al is het dagloon marktconform. In de tijd dat deze gelijkenis ontstond, waren in het joodse land veel arbeiders beschikbaar voor weinig werk. Ze moesten dus wel genoegen nemen met wat hun broodheren wilden betalen.

Loon volgens de Tora

De landheer in de gelijkenis komt met de eerste arbeiders het gebruikelijke dagloon overeen: één denarie (Matteüs 20,2). Als we rekenen dat brood voor vijfduizend mensen ten minste tweehonderd denarie kostte (Marcus 6,37; Johannes 6,7), kon een los arbeider van een dagloon zichzelf en een familie van tien personen tweemaal per dag te eten geven. Dan bleef er nog ongeveer een kwart denarie over om verdere kosten te dekken. Het was een karig bestaan, maar niet onmogelijk. Die heer doet het niet slecht met zijn denarie per dag. De tweede en de derde ploeg biedt hij ‘rechtvaardige betaling’ (Matteüs 20,4). Betaling naar evenredigheid van de gewerkte uren; beter iets dan niets? Bij de laatste ploeg maakt de landheer geen enkele toespeling op loon; de arbeiders mogen wel naar de wijngaard. Gingen ze omdat ze die heer kenden als rechtvaardig en hoopten op enige betaling? Investeerden ze een uur om de volgende dag twaalf uur werk en een heel dagloon te krijgen? De landheer hanteert de arbeidsvoorwaarden uit de Wet van Mozes. Die bepaalt dat dagloners behoeftige mensen zijn (Leviticus 19,13; Deuteronomium 24,14). Ze moeten daarom voor zonsondergang hun loon ontvangen. Dat voorkomt dat zij hun nood klagen bij de HEER en het de landheer als zonde wordt aangerekend dat hij te laat heeft uitbetaald (Deuteronomium 24,15).

Een ‘boos oog’

De heer gaat zelf naar de markt om mensen in dienst te nemen, maar hij laat hun uitbetalen door de rentmeester. De laatsten krijgen als eersten hun loon, de eersten als laatsten. Ze krijgen allemaal één denarie, een heel dagloon. De werkers van het eerste uur vinden dat onrechtvaardig en gaan klagen bij de heer. Die wijst hun op de gemaakte, op zich rechtvaardige, afspraak. Hij vraagt: ‘Zet het kwaad bloed dat ik goed ben?’ (Matteüs 20,15 – Nieuwe Bijbelvertaling). Letterlijk staat er: ‘Is uw oog boos (Gr.: ophthalmos ponèros) omdat ik goed ben?’ (Statenvertaling, NBG ’51). Een ‘boos oog’ betekent niet alleen dat iemand kwaad kijkt. Omdat het oog de lamp is van het lichaam, kun je eraan zien wat er vanbinnen speelt (Matteüs 6,22-23): als het oog ‘boos’ (Statenvertaling; Nieuwe Bijbelvertaling: ‘troebel’) is, ‘alleen maar duisternis’. In Marcus 7,22 zien we ‘een boos oog’ (Nieuwe Bijbelvertaling: ‘kwaadaardigheid’) in een opsomming van dingen die ‘uit de mens komen’ en hem onrein maken. In het Oude Testament is een ‘boos oog’ (Hebr.: ‘ajin ra‘) spreekwoordelijk. De man die zich haast naar goed is ‘een man van een boos oog’ (Spreuken 28,22, Statenvertaling; Nieuwe Bijbelvertaling: ‘hebzuchtig’) en het gebrek zal hem overkomen. Er wordt gewaarschuwd voor tafelgemeenschap met iemand die ‘boos is van oog’ (Spreuken 23,6 – Statenvertaling; Nieuwe Bijbelvertaling: ‘gierigaard’). Ogen tonen wat de mens is en boze ogen worden door raven uitgepikt (Spreuken 30,17 – Statenvertaling).

In de context is de gelijkenis meer dan een mooie sociale leer waarin armen tot hun recht komen, al wekt dat woede bij wie niet aan hun recht menen te komen. Matteüs 20,1 laat zien dat de gelijkenis niet losgemaakt kan worden van het voorafgaande gesprek: ‘Want (Gr.: gar) het is met het koninkrijk van de hemel als (…)’ Ze gaat in op de vragen: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ en ‘Waar kunnen wij naar uitzien?’ (Matteüs 19,25b.27b). Ze laat ook zien dat niet degenen die er het eerst bij waren ook als eersten hun beloning krijgen of meer ontvangen dan de anderen.

De HEER is rechtvaardig én royaal

Ieder herkent in de heer van de wijngaard de rechtvaardige HEER van Israël. Hij is rechtvaardig, maar nooit ‘streng maar rechtvaardig’. Wel: goed, liefhebbend, trouw, barmhartig en lankmoedig (zie ook Psalmen 145). Jona kan die rechtvaardigheid niet zetten; Ninevé mag zich niet omkeren om anders te gaan leven. Velen die hun best doen het eeuwige leven te verwerven (Matteüs 19,16-26) hebben moeite met de goedheid van de HEER voor allen die Hem zoeken. Zullen de eerste leerlingen die alles hebben achtergelaten om Jezus te volgen (Matteüs 19,27-30) ook de eersten blijven? Al heel vroeg helpen ze Jezus bij de ‘rijke oogst’, waarvan Hij in Matteüs 9,37-38 al sprak. Er waren meer arbeiders nodig; Hij laat erom vragen aan de ‘eigenaar’ (Matteüs 9,38 – Nieuwe Bijbelvertaling; Statenvertaling: ‘Heere’) van de oogst. In Matteüs 19,16-20,16 zien we die oogst in volle gang. De oogst is een bekend beeld voor de dag dat de Mensenzoon zal komen om te oordelen (Matteüs 19,28; 25,31-33). De man die van jongsaf alle geboden heeft gehouden, blijkt nog niet rijp. Hij gaat weg. Anderen gaan hem voor. Hoe zullen de leerlingen reageren als ze zien dat niet alleen zij op tronen zitten ‘in de tijd dat alles vernieuwd wordt’ (Matteüs 19,27-28 – Nieuwe Bijbelvertaling; Statenvertaling: ‘in de wedergeboorte’)? Jezus spreekt van ‘het honderdvoudige ontvangen’ voor ieder die alles heeft achtergelaten om Hem, maar voegt er meteen aan toe: ‘Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten’ (Matteüs 19,30). De gelijkenis besluit met: ‘Zo zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten’ (Matteüs 20,16). De Heer van de oogst is echt royaler dan sommige gelovigen waar willen hebben: ook de eersten worden binnengehaald, zij het als laatsten!

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken