Menu

Premium

De brieven van Johannes

De eerste brief van Johannes

De eerste brief van Johannes is een bijzondere tekst. Het is een verzameling spreuken van een wijsheidsleraar die midden in de johanneïsche traditie staat. Wat hij te zeggen heeft, leeft van deze traditie en geeft er vorm aan. Hij geeft instructies; hij reageert op gebeurtenissen binnen de johanneïsche gemeenschap; hij laat zien wat de consequenties zijn van een bepaald soort gedrag en vooral wil hij zijn lezers invoeren in zijn eigen bijzondere en alternatieve wereld. Hij legt getuigenis af van zijn ervaringen met de figuur van Jezus en hoopt met dit getuigenis de groepssamenhang te versterken.

De spreuken vormen onderling dikwijls kleine clusters. Er wordt bijvoorbeeld een paar keer op rij een openingszin gebruikt die grammaticaal hetzelfde is; of, er wordt een argumentatie opgezet die zich over enige zinnen uitstrekt; of, er wordt een vergelijking gebruikt die invloed uitoefent op een iets langere tekst. Veel exegeten willen voor de structurering van de tekst niet verder gaan dan deze simpele clustering.

Anderen maken grotere eenheden. Ze willen bovendien graag laten zien dat deze grotere teksteenheden ook onderling op elkaar betrokken zijn. Het is een verdeling van de tekst die ofschoon met bezwaren, toch door een aantal mensen verdedigd wordt. Zoals door mij nu. Ik houd de titels van de afzonderlijke eenheden tamelijk formeel. De onderlinge relaties zijn dan het meest zichtbaar, ofschoon de verschillen niet echt aan bod komen. Proloog (1:1-4) en epiloog (5:14-21) staan duidelijk apart. Bij het corpus zelf is er sprake van een drieslag. Drie keer op rij wordt eenzelfde boodschap voorgehouden: hoe te leven in verbondenheid met God. De delen zelf vallen in drie/twee subdelen uiteen die, omdat ze parallel aan elkaar zijn, voor de herhaling zorgen. Dit voert tot bijgaand structuurschema.

Structuur van de eerste brief van Johannes

Proloog 1:1-4

I:

De voorwaarden in verbondenheid met God te leven 1:5-2:27

1.1: Vrijheid van zonde: 1:5-2:2

1.2: Het gebod van de liefde: 2:3-11

1.3: Breuk met de wereld: de goede en de foute belijdenis: 2:12-27

II:

De voorwaarden in verbondenheid met God te leven 2:28-4:6

2.1: Vrijheid van zonde: 2:28-3:10

2.2: Het gebod van de liefde: 3:11-24

2.3: Breuk met de wereld: de goede en de foute belijdenis: 4:1-6

III:

De voorwaarden in verbondenheid met God te leven 4:7-5:13

3.2: Het gebod van de liefde: 4:7-21

3.3: De overwinning over de wereld in geloof en liefde: 5:1-13

Epiloog-Postscriptum 5:14-21

DE PROLOOG 1:1-4

In een proloog wordt het plan van de komende tekst ontvouwd. Heel in het kort komen de thema’s ter sprake: het woord van het leven over de Vader en de Zoon; de gemeenschap met elkaar en met het goddelijke en de vreugde die dat met zich meebrengt. Het zijn vijf/zes woorden die op een speciale manier met elkaar in verbinding worden gebracht. Deze proloog is namelijk een tekst die spreekt over een openbaring: een ervaring van het zichtbaar worden van een andere wereld, een werkelijkheid die vanaf het begin geldt en die voor de schrijver hoorbaar, zichtbaar en tastbaar aanwezig is geweest.

Er zijn allerlei verwijzingen naar het begin van de proloog van het Johannesevangelie en indirect ook naar de eerste zinnen van Genesis: ‘wat vanaf het begin was’ (1:1). De Genesis-verwijzing is indirect, omdat rechtstreeks de uitdrukking ‘vanaf het begin’ vanwege het hierna volgende ‘horen, zien en voelen van wat vanaf het begin was’, over het begin van de Jezus-beweging moet gaan. Tussen deze twee interpretaties is overigens geen tegenstelling. Het historische begin van Jezus impliceert het pre-historische begin bij God. Dat was ook al het geval in de proloog van het Johannesevangelie die begint met een beschrijving van het plan van God met de wereld en die onmiddellijk daarna, zonder de vermelding van enige andere historische gebeurtenis, vertelt over het getuigenis van Johannes de Doper en het komen van Jezus als lichtfiguur en in het vlees. Wie Jezus gehoord, gezien en met zijn handen heeft aangeraakt, heeft weet gekregen van hoe God zelf begonnen is. Althans dat is het wat de schrijver zelf heeft ervaren en dat is het wat hij voor zijn lezers hoopt.

De meest bijzondere uitdrukking wordt al in het begin van de tekst gebruikt: ‘wat wij gehoord hebben, wat wij met onze ogen hebben gezien, wat wij aanschouwd hebben en wat onze handen hebben aangeraakt’ (1:1). Dat ‘aanraken’ is al een heel oud woord. Het gaat over het ‘zien’ van een blinde die al tastend zijn weg zoekt. Lucas laat Jezus het gebruiken, als Jezus na zijn dood voor zijn leerlingen zichtbaar wordt en zij denken met een geest van doen te hebben. Jezus zegt hun dat ze hem mogen aanraken en voelen dat hij een echt lichaam heeft (Luc. 24:39). En in de toespraak op de Areopaag laat Lucas Paulus het woord opnieuw gebruiken, nu over het vinden van God: ‘om God te zoeken opdat zij hem al tastend mogen vinden want Hij is niet ver van ieder van ons’ (Hand. 17:27). Het gaat over een vorm van zien van wat men eigenlijk niet zien : samen met de schrijver al horend, ziende, nadenkend en tastend voelen dat met de komst van Jezus een goddelijke wereld present is geworden waarmee men proberen in contact te komen.

I – DE VOORWAARDEN IN VERBONDENHEID MET GOD TE LEVEN 1:5-2:27

God als licht en Jezus als verzoening voor onze zonden: 1:5-2:2

Het eerste deel van de eerste cyclus begint met de introductie van de drie belangrijkste personages van de tekst: God, Jezus en een wij-groep.

Met God wordt begonnen. Er worden twee metaforen gebruikt: ‘God is licht (1:5) en ‘God is trouw en rechtvaardig’ (1:9). Bij de eerste metafoor is er een relatie met de verkondiging van Jezus: ‘dit is de boodschap die wij van hem hebben gehoord’ (1:5). Het licht waarover het hier gaat is niet het licht dat God als eerste schepsel in het bestaan geroepen heeft, maar het is een licht dat daaraan voorafgaat: God als licht is God als levensschenker en als degene die laat zien hoe het met mensen gesteld is. De tweede metafoor, ‘God is trouw en rechtvaardig’, is ontleend aan de geschiedenis van God met Israël. Het is een samenvattende omschrijving van de God van het verbond: God die onvoorwaardelijk trouw is en die rechtvaardig is, omdat hij met zijn Thora het welzijn van alle mensen nastreeft.

Dat wil zeggen, vanaf het allereerste begin is God er als de God van de schepping en de God van het verbond.

De zinnen die over Jezus worden gezegd roepen het feest van de Verzoendag op: het bloed van Jezus dat ons reinigt van iedere zonde (1:7); Jezus als voorspreker bij God in de hemel (2:1) en vooral, Jezus als verzoening voor onze zonden (2:2). Op de Verzoendag vernieuwt God elk jaar opnieuw zijn verbond met Israël. Het is een nieuw begin waarop alles wat fout gegaan is, samen met de bok wordt weggestuurd naar de woestijn. Omdat Jezus in persoon ‘verzoening’ is geworden, is de noodzaak van de jaarlijkse herhaling van het feest van de Verzoendag komen te vervallen. Alles wat de toegang tot God blokkeert, onmiddellijk verwijderd worden.

De voorwaarde hiervoor is het besef van de zonde. De eigen zondigheid moet niet worden weggedrukt. Overal is er (de mogelijkheid tot) zonde (1:8). Men moet dat willen toegeven. Herstel van het contact met God is altijd mogelijk, maar alleen als men bereid is de eigen zondigheid te zien en de eigen zonde te belijden (1:9). Dit is de deur die toegang geeft tot die andere wereld van het licht, de waarheid, het leven en de gemeenschap met God en met elkaar.

Het onderhouden van de geboden van God; het gebod van Jezus; in het licht of in de duisternis zijn: 2:3-11

Langs een driedeling in de tekst komen de drie personages terug, nu in relatie met het geven en het onderhouden van de geboden.

Bij het sluiten van het verbond heeft God zijn geboden gegeven. Wie deze geboden onderhoudt, erkent dat God het recht heeft deze geboden voor te schrijven. Met zijn daden bewijst zo iemand te weten wie God is (2:3). Men wel beweren God te kennen, maar als men er zich niet naar gedraagt, is zo’n bewering leeg (leugenachtig en zonder waarheid) (2:4). Goed Joods gedacht wil dat zeggen: er moet een overeenstemming zijn tussen zeggen en doen. Als dat het geval is, komt – verrassend geformuleerd – de liefde van God in zijn volheid (2:5). Het gaat over de liefde die van God uitgaat. Wie de geboden onderhoudt, dat is, wie God met heel zijn hart en ziel en verstand respecteert, krijgt van God diens liefde terug. Het zijn opnieuw allemaal bijbelse verbondstermen die de wereld van God bij de mensen thuisbrengen.

De leraar Jezus heeft samen met andere rabbi’s van zijn tijd gezien dat de vele geboden samen te vatten zijn in het ene gebod van de liefde: de liefde tot de naaste als het centrum van de hele wet. Dat heeft Jezus zijn leerlingen voorgehouden en de schrijver neemt dit nu over: ‘ik schrijf niet over een nieuw gebod, maar over een oud gebod dat jullie al vanaf het begin hebben’ (2:7). Dit ‘vanaf het begin’ is in ieder geval vanaf het begin van de Jezus-beweging, maar misschien wil ook gezegd zijn ‘vanaf het begin dat God zijn geboden gaf, vanaf de Sinaï dus, het echte begin van het volk van God. Het gebod is daarom heel oud, maar het is ook nieuw omdat het werkelijkheid geworden is in Jezus en (daarom ook) bij jullie (2:8).

Het is nieuw, omdat het een nieuwe overgang is in de oude oerstrijd tussen het licht en de duisternis. Met de komst van Jezus heeft het licht een nieuwe impuls en kracht gekregen. Jezus heeft het woord van God over de noodzaak van de liefde, het enige gebod dat er echt toe doet, tot het einde toe waargemaakt. Het waarachtige licht is gaan schijnen (2:8). En dat wordt elke keer opnieuw verwerkelijkt, als iemand het gebod van de liefde onderhoudt (2:10). Zoals ook de duisternis zijn plaats opeist, steeds als de haat de overhand krijgt (2:9.11).

De verschillende licht-metaforen schuiven over elkaar heen. Het licht dat God is; het licht van de eerste scheppingsdag; het licht dat met Jezus gekomen is, is in strijd met de duisternis. De liefde en de haat van de mensen beïnvloeden deze strijd en zijn er ook de symptomen van. Omdat God het licht gewild heeft, en omdat Jezus het licht in deze wereld gebracht heeft, zal het licht het uiteindelijk winnen: ‘de duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt reeds’ (2:8).

De breuk met de wereld; de anti-christussen en de gezalfden: 2:12-27

De anti-wereld komt in het vizier: de wereld als tegenkracht tegenover de hemelse wereld van God en Jezus. Als anti-type heeft de wereld in de voorafgaande tekst volgens veel exegeten impliciet al een rol gespeeld. Nu wordt er expliciet gesproken. De wereld staat voor alle krachten die anti-God, anti-Christus en dus anti-gelovigen zijn.

Met een overwinningslied (2:12-14) wordt begonnen. In twee strofen die grotendeels identiek zijn, wordt de overwinning op de wereld bezongen: de vrijheid van zonde; het kennen van de Vader en van hem die vanaf de oorsprong is; en de overwinning op de boze. Aan de kinderen en de vaders worden de zondevergeving en de Godskennis toegeschreven. De strijd en de overwinningskracht horen bij de jonge mannen thuis. Zij zijn de sterken, omdat ze sterk gemaakt zijn door de kracht van het woord van God.

Door middel van de begeerte probeert de wereld de mensen te verleiden (2:15-17). Over een drievoudige begeerte gaat het volgens de auteur: de begeerte van het vlees; de begeerte van de ogen en de verwaandheid van de rijkdom. In het paradijs is het al begonnen en het duurt maar voort. En niet helemaal zonder succes. Een aantal mensen heeft de verkeerde keuze gemaakt. Zij zijn anti-christus geworden, mensen die geen goede belijdenis afleggen.

Er is dus een splitsing in twee groepen gekomen. In een tekst die een langere argumentatie kent, wordt afwisselend over deze twee groepen gesproken: de anti-christussen (2:1819.22-23.26) tegenover de gezalfden, degenen die ‘de balsem’ en ‘de gnosis (= de kennis)’ hebben (2:20-21.24-25.27). Het woord anti-christus moet in de meest letterlijke zin worden opgevat. Het gaat over mensen die ontkennen dat Jezus ‘Christus’ is (2:22). Ze ontkennen daarmee ook dat Jezus de Zoon van God is (want in I Johannes zijn de titels Christus en Zoon van God helemaal identiek geworden) en ze ontkennen daarmee ook God als Vader (want God heeft dan geen Zoon meer) (2:22.23). Het zijn mensen dus die ontkennen dat Jezus een goddelijke oorsprong heeft.

De andere groep, de mensen die de goede belijdenis afleggen, kunnen dat doen, omdat zij ‘de balsem’ en ‘de goede kennis’ ontvangen hebben (2:20.24.27). Deze gave van de balsem en van de goede gnosis hangt samen met wat ‘vanaf de oorsprong af gehoord wordt’ (2:24), het woord van het leven dus (1:1) dat in de ervaring van het hoorbaar, zichtbaar en tastbaar worden van Jezus Christus opklinkt over de oorsprong uit God.

II – DE VOORWAARDEN IN VERBONDENHEID MET GOD TE LEVEN 2:28-4:6

Helemaal vrij van zonde als kind van God: 2:28-3:10

De drie basisbegrippen – de zonde, de liefde en de wereld – worden in het tweede deel in deze zelfde volgorde hernomen. Het gaat niet over een heel letterlijke herhaling, maar dezelfde thema’s worden in een nieuwe context heropgenomen en genereren op deze manier nieuwe betekenissen.

Opnieuw wordt gezegd dat God ‘rechtvaardig’ is (2:29 en 1:9), maar nu wordt dit verbonden met ‘de geboorte uit God’: ‘jullie moeten weten dat ieder die de gerechtigheid doet, uit Hem (= de gerechtige God) geboren is’ (2:29). Het gaat over de God van het verbond en het doen van de Thora. de zin te verstaan, moet men een relatie leggen met 3:7: ‘wie gerechtigheid doet, is gerechtig, zoals deze (=Jezus) gerechtig is’. Dat wil zeggen, omdat Jezus tot het einde toe trouw is geweest aan de Thora van God, heeft hij bewezen de enige Zoon van God te zijn. Daarom is Jezus model voor alle mensen geworden. Als iemand de geboden van God onderhoudt, gaat hij/zij op de Zoon van God lijken. Het onderhouden van de wet van God is daarom het meest betrouwbare teken dat zo iemand ‘uit God geboren is’: door de Zoon van God kind van God geworden.

Deze gelijkmaking is de meest belangrijke topic van deze teksteenheid. Er is nu al een vorm van gelijkheid, maar in de toekomst zal dat nog veel intensievere vormen aannemen. Centraal is de zin: ‘wij weten dat als hij zichtbaar geworden is, wij aan hem gelijk zullen zijn, omdat wij hem zullen zien zoals hij is’ (3:2). Er is dikwijls gezegd dat de ‘hij’ in deze zin God is, maar dat niet correct zijn. De mens die aan God gelijk wil zijn, doet de zonde van Adam die om deze reden uit het paradijs verdreven is. De zin gaat over Jezus als Zoon van God. Bij de paroesie van Jezus zullen de gelovigen hem zien zoals hij is – als Zoon van God – en dit zien maakt ze tot de gelijken van Jezus.

Volgens de auteur wordt door God op deze toekomst al vooruitgegrepen. In de meest fantastische zin van de hele tekst wordt gezegd dat deze gelijkheid met Jezus de onmacht om nog te kunnen zondigen impliceert: ‘wie uit God geboren is, doet geen zonde, want zijn zaad (= het woord van God) blijft in hem, en hij niet zondigen, want hij is uit God geboren’ (3:9). Als Zoon van God is Jezus zonder zonde (3:5). Wie zich dus als Jezus gedraagt – die de hele Thora tot vervulling heeft gebracht – zal in de mate dat dat lukt zonder zonde zijn.

De geboden van God, het gebod van Jezus, de toegang tot God: 3:11-24

In de voorafgaande leeseenheid had de auteur al een soort vergelijking gemaakt tussen de sfeer van God en de sfeer van de duivel: ‘ieder die de zonde doet, is uit de duivel, want de duivel zondigt vanaf het begin’ (3:8, zie ook 3:10). Het is een expliciete verwoording van wat al voortdurend gezegd is. In dit tweede deel van de tekst komt deze tegenstelling in elk subdeel terug.

In deze leeseenheid is het Kaïn tegenover Jezus. Kaïn wordt genoemd als het antitype. De boze staat aan de oorsprong van zijn gedrag en dat blijkt uit zijn handelen: de moord op zijn broer (3:12.13). De naam van de broer wordt niet gegeven, omdat het niet gaat over Abel als persoon, maar over Abel als ‘de broeder’. De daad van Kaïn wordt in de tekst zelfs nog uitgebreid: ‘ieder die zijn broeder haat, is (al) een mensenmoordenaar’ (3:15). Wat voorafgaat aan het doden – het haten – is even erg als het doden zelf. Het gaat hier over een halachische uitleg van Numeri 35:20-21: niet alleen het doodslaan maar ook het haten is moord (zie ook Mat. 5:21-26 waar deze zelfde gedachte uitgewerkt is als begin van de wetsuitleg van Jezus).

Jezus is het prototype van de goede mensen. Hij heeft de groep van de lezers door woord en daad geleerd wat liefde is: ‘Deze heeft voor ons zijn leven gegeven’ (3:16). De dood van Jezus is een dood met betekenis. Opvallend is dat niet gezegd wordt dat deze dood betekenis heeft voor ‘alle mensen’ – in overeenstemming met de ‘toepassing’: ‘zo moeten ook wij ons leven geven voor de broeders’ (3:16). De dood van Jezus staat in de context van ‘de broederliefde’, het gebod dat de samenvatting is van de geboden van God en waarmee zulke grote gaven verbonden zijn: de overgang van de dood naar het leven (3:14) en een haast onvoorstelbare intimiteit met God (3:24: ‘God in hem en hij in God’).

In het midden van deze leeseenheid wordt beschreven hoe dit contact met God vanuit God aangeboden wordt. Centraal staat een soort theologische omschrijving van God: ‘God is groter dan ons hart en Hij weet alles’ (3:20). God is de medelijdende en barmhartige God van het verbond. Het is niet zo eenvoudig de begrippen ‘medelijden’ en ‘barmhartigheid’ met God te verbinden. Het betekent namelijk dat God in staat is van gedachten en van gevoelens te veranderen. De profeet Jona heeft dat tot zijn verbijstering moeten leren. En datzelfde inzicht wordt hier verondersteld: zelfs als het eigen hart iemand aanklaagt, is God nog aanspreekbaar. God is meer vergevingsgezind dan wij in onze fantasie God kunnen voorstellen.

De breuk met de wereld; de goede en de foute belijdenis: 4:1-6

In deze leeseenheid, die opnieuw gaat over de breuk met de wereld en daarom voortdurend terugwijst naar 2:12-27, worden twee soorten geesten tegenover elkaar gezet: de geest van de waarheid en de geest van de dwaling (4:6).

De meeste aandacht krijgt de geest van de waarheid die ook de geest van God is (4:2) en die leeft in de geesten die van God afkomstig zijn (4:1.2). Het is deze geest die voor de goede belijdenis zorgt. Het vervelende is dat de formulering van deze goede belijdenis (4:2) ambigu is en daarom een enorme discussie heeft opgeleverd. Minstens vier interpretaties zijn mogelijk. Ik zelf denk dat de zin vertaald moet worden als ‘iedere geest die Jezus belijdt als de Christus die in vlees gekomen is, is uit God’ (4:2). De zin is dan helemaal parallel met wat in 2:22 is gezegd en met 5:1. De titel ‘Christus’ staat voor een hemelse persoon en ‘in vlees gekomen’ betekent ‘hij die een mens onder mensen geworden is; even tijdelijk als alle mensen zijn’. Het gaat in deze interpretatie om de expliciete belijdenis van de hemelse afkomst van Jezus: in Jezus is ons ‘Christus in vlees verschenen’, dat wil zeggen, in Jezus is het goddelijke als mens zichtbaar geworden.

De geest van de dwaling is dezelfde als de geest van de anti-christus (4:3). Het is een geest die geen belijdenis over Jezus wil afleggen, omdat zij anti-Christus is (4:3), een zin die we al kennen uit 2:18.19 en 2:22.23. Deze mensen worden nu ook pseudo-profeten genoemd (4:1) die ‘naar de wereld’ gekomen zijn (4:2); die ‘in de wereld’ zijn (4:3) en die ‘uit de wereld’ zijn (4:5). Het zijn allemaal uitdrukkingen die afstand willen scheppen. Er is een groot verschil tussen ‘de goeden’ en ‘de slechten’. De goeden zijn met God verbonden; de slechten met de wereld. En zoals in 2:12-14 wordt ook hier ‘de overwinning’ gememoreerd (4:4): ‘jullie hebben hen overwonnen, omdat Hij die in jullie is groter is dan hij die in de wereld is’ (4:4). In de strijd tussen God en de duivel, tussen God en de boze, tussen de goede geest van de waarheid en de slechte geest van de dwaling heeft het goede het kwade overwonnen.

De voorgestelde interpretatie van de goede en de slechte belijdenis bepaalt uiteraard ook wie de zogenaamde ‘tegenstanders’ van de eerste brief van Johannes zijn. Het zijn in mijn opvatting geen (vroege) gnostici of doceten – die het moeilijk vinden de lichamelijkheid van Jezus volledig te accepteren: Jezus zou nooit een echte mens zijn geweest. Volgens mij zijn ‘de tegenstanders’ mensen die vanuit een (Joods) monotheïstisch denken het niet acceptabel vinden dat door middel van de titel Christus (en Zoon van God) aan Jezus goddelijke kwaliteiten worden toegeschreven, vermoedelijk Joodse mensen dus, of in ieder geval, mensen die zo’n Jezus-belijdenis niet kunnen verenigen met de bijbelse God- en Messiasopvattingen.

III – DE VOORWAARDEN IN VERBONDENHEID MET GOD TE LEVEN 4:7-5:13

Dit derde deel herhaalt niet helemaal de drieslag ‘zonde-liefde-wereld’. Er wordt wel een of andere zin over de zonde en zondevergeving gezegd, maar dat is niet een afzonderlijke leeseenheid geworden. Het deel begint met een uiteenzetting over de liefde die ik vanwege de parallel met de voorafgaande delen 3.2 als nummering meegeef (en niet 3.1).

De liefde van God; de liefde van Jezus; de liefde van de gelovige: 4:7-21

Er is sprake van een soort climax. In de eerste leeseenheid over het thema van de liefde (2:311) ging het over de praktijk van de broederliefde als zodanig; in de tweede leeseenheid (3:11-24) over de liefde van Jezus als model voor het menselijke handelen en nu in 4:7-21 over de liefde van God als de diepste grond van handelen: ‘laten wij elkaar liefhebben, want de liefde is uit God’ (4:7).

Ook dit deel kent een eigen Godsnaam. Twee keer wordt gezegd dat God liefde is (4:8 en 4:16). In 4:8 zet de auteur de zin ‘God is liefde’ in de context van de zending van de Zoon van God naar de wereld (4:9). Het gaat bij deze zin dus niet over een kennen van God zoals God in zichzelf is, maar over een weten van God vanuit wat wij te weten gekomen zijn door zijn Zoon. Deze heeft ons de diepte en de grootte van de liefde van God doen kennen. In 4:16 staat de zin bovendien in de context van de goddelijke immanentie: ‘wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem’ (4:16, zie ook 4:12.13 en 4:15 die allemaal over deze goddelijke immanentie spreken). Op basis van het liefdesverbond tussen God en Jezus moet er een blijvende liefdesuitwisseling komen tussen God, Jezus en de gelovigen. God is liefde wil zeggen: God is goedheid die niet anders dan goedheid uitstralen over alles wat leeft; God is liefde wil zeggen: God wil niets anders dan het goede. Hij is daarin zelf tot het uiterste gegaan. Wie daarin geloven , wordt door God in deze liefde van God opgenomen en begint zelf liefde uit te stralen (zie 4:16-18).

De rol van Jezus is te laten zien hoe het met de liefde van God voor de mensen gesteld is. Hij is door God gestuurd om de mensen deelachtig te maken aan het goddelijke leven (4:9). Hij is door God gestuurd als verzoening voor onze zonden (4:10), waarmee de kruisdood van Jezus gememoreerd wordt. En hij is door God gestuurd als redder van de wereld (4:14). Deze laatste functieomschrijving is nieuw en hangt samen met het negatieve denken over de wereld: in de wereld is Jezus de redder van de mensen.

Van de gelovigen zelf wordt gevraagd dat zij elkaar liefhebben. Vier keer wordt in een wij-zin over de noodzaak van de onderlinge liefde gesproken (4:7.11.12.19) en daarnaast nog vijf keer in zinnen die grammaticaal meer objectief zijn (4:7.8.16.20.21). Het model is nu niet het gedrag van Jezus (zoals in 3:11-24) maar het liefdeshandelen van God zelf: de liefde is uit God (4:7); God heeft ons als eerste liefgehad (4:10.19); zoals God ons heeft liefgehad, zo moeten wij elkaar liefhebben (4:11). Het is duidelijk: de hele leeseenheid is een groot loflied op de liefde.

De overwinning over de wereld in geloof en liefde: 5:1-13

De goede belijdenis krijgt in deze leeseenheid de meest simpele formulering: ‘ieder die gelooft dat Jezus de Christus is’ (5:1); en: ‘ieder die gelooft dat Jezus de Zoon van God is’ (5:5). Nergens anders wordt zo duidelijk dat volgens de auteur van I Johannes de titels Christus en Zoon van God met elkaar identiek zijn: Jezus is als Messias Zoon van God en als Zoon van God Messias. De belijdenissen komen overeen met de formulering van de goede belijdenis in 2:22 en 4:2, althans in de interpretatie die ik hiervan meen te hebben moeten geven. Jezus is op een speciale manier met God en het goddelijke verbonden. In hem kunnen we zien, horen en voelen wie en wat God is.

Deze goede belijdenis wordt in deze leeseenheid expliciet verbonden met de overwinning op de wereld: ons geloof is de overwinning van de wereld (5:4). En ‘wie is het die de wereld overwint? Hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is’ (5:5). De anti-God-krachten die bedoeld zijn met de chiffre wereld, worden te niet gedaan door ieder die met een goede belijdenis bewijst dat hij/zij met God in aanraking is gekomen. In de johanneïsche geschriften is deze relatie tussen Godservaring en Jezus-ontmoeting exclusief. Men kan alleen via Jezus iets van God te weten komen — en niet (ook) door een reflectie op de schepping en de schepselen of door de ontmoeting met medemensen zoals we dat in het boek van de Wijsheid vinden, of bij Paulus, bij Philo of in andere Joodse, christelijke en gnosti-cerende literatuur. Volgens de johanneïsche geschriften is God slechts kenbaar via Jezus.

De tekst eindigt met een relatief lange uiteenzetting over het getuigenis van Jezus over zichzelf en van God over Jezus. Jezus is gekomen met water en bloed (5:6, niet ‘door water en bloed’). Hij is gekomen om ons de gave van het water en van zijn bloed te geven. Aan Johannes 19:34-35 is te denken: ‘en aanstonds kwam er bloed en water uit’. Het bloed betekent de dood van Jezus en het water ons leven in hem. Door zijn dood zijn we van onze zonden bevrijd en hebben wij door de geest gemeenschap met God. Alleen door Jezus hebben wij de mogelijkheid leven te krijgen in eeuwigheid. Dit is precies het getuigenis dat God over Jezus heeft afgelegd: Jezus is zijn Zoon (5:9.10.11). En omdat Jezus Gods Zoon is, heeft hij eeuwig leven. En via de Zoon krijgen ook de gelovigen deel aan dit eeuwige leven (5:11.12).

In de slotzin in 5:13, die een pastiche is van een soortgelijke slotzin in Johannes 20:3031, wordt over de lezers van de brief gezegd dat zij mensen zijn die ‘geloven in de naam van de Zoon van God’. Omdat dit geloof ook verbonden wordt met het weten ‘eeuwig leven’ te hebben, ontstaat er een mooie inclusie met de eerste zinnen van de tekst (1:1-3): het woord van (eeuwig) leven dat gemeenschap sticht met de Vader en de Zoon, en, zeker net zo belangrijk, een inclusie met de eerste zinnen van de Johannes-proloog: de deelname aan het eeuwig leven dat vanaf het begin door Vader en Zoon wordt doorgegeven.

Epiloog-postscriptum 5:14-21

De slotzinnen van het boek zijn niet gemakkelijk in te passen. Is het een epiloog—maar dan zou men eigenlijk alleen verwijzingen naar de proloog of naar de brieftekst in zijn geheel verwachten, of is het een postscriptum, een aanvulling bij de tekst wel of niet door een andere auteur geschreven — maar dan zou er eigenlijk minder samenhang met het voorafgaande moeten zijn. Ik pleit voor een combinatie. Zonder heel veel onderlinge samenhang komen er een paar nieuwe zaken aan de orde en er zijn enkele duidelijke terugverwijzingen.

Om met deze laatste te beginnen, er worden een paar thema’s voor de laatste keer heropgenomen:

  • de vrijmoedigheid die aan de gelovigen gegeven is bij de contacten met God en Jezus (5:14.15 en 2:28; 3:21; 4:17);

  • de zonde; de relatie tussen de ongerechtigheid en de zonde; het niet meer kunnen zondigen e.d. (5:16.17.18 en met name de leeseenheden in 1:5-2:22 en 2:28-3:10);

  • de tegenstelling tussen God en de wereld (5:19 en 2:12-17; 4:1-6; 5:1-13);

  • de relatie tussen God en de Zoon van God (5:19.20 en passim in de voorafgaande tekst). Tot op de laatste zin na—die over de waarschuwing voor de afgoden—is er steeds een terugverwijzing. Het meest opvallend is het feit dat niet meer teruggekomen wordt op het thema van het gebod van de liefde en van de liefde zelf.

Een aantal thema’s is helemaal nieuw:

  • het verschil tussen de zonde die ten dode is en de zonde die niet ten dode is (5:16). Het onderscheid sluit aan bij het bijbelse onderscheid tussen de zonde waarop de doodstraf staat en de zonde zonder doodstraf. In I Johannes gaat het niet (meer) over de fysieke dood maar over de dood als het definitief afgescheiden zijn van God.

  • de onaanraakbaarheid door de boze (5:18). Wie uit God geboren is, niet meer zondigen, dat wil zeggen, de boze raakt hem niet meer aan. Het is een gedachte die uniek is in het hele Nieuwe Testament.

  • de kennis van de waarachtige (5:20), een gedachte die aansluit bij het bijbelse begrip van ‘de waarachtige’, dat is, God die in tegenstelling met de afgoden krachtig en sterk is (zie Jes. 65:16). Het vers eindigt tamelijk dubbelzinnig met ‘deze is de waarachtige, een God en eeuwig leven’. Is nog steeds God bedoeld of gaat dit over Jezus?

  • de tekst eindigt met de merkwaardige waarschuwing voor de afgoden (5:21). Het moeilijk over afgoderij gaan. Misschien is een tegenstelling bedoeld tussen 5:20 en 5:21: houd vast aan God, de waarachtige en keer u af van alles wat onwaarachtig is; of, houd vast aan Jezus, de waarachtige, en val hem niet af door een geloofsbelijdenis die hem tekort doet.

De tweede en de derde brief van Johannes

Dat de tweede en de derde brief van Johannesbrief bewaard gebleven zijn, kan men alleen begrijpen als men er van uitgaat dat het echte brieven geweest zijn aan bestaande kerken van een belangrijke presbyter. Het zijn hele kleine briefjes die in hun stijl sterk lijken op wat wij van de briefliteratuur uit de Oudheid kennen: afzender – geadresseerde – vriendelijke groeten – dankzegging – corpus – afsluiting in de ik-vorm – goede wensen aan de geadresseerde en bekenden.

DE TWEEDE BRIEF VAN JOHANNES: DE GRENZEN VAN DE GASTVRIJHEID

Er zijn mensen aangekomen bij de gemeente waar de presbyter woont. Ze hebben vermoedelijk alleen om gastvrijheid gevraagd. Uit niets blijkt dat het om rondtrekkende predikers gaat. De presbyter laat aan de eigen gemeente van deze mensen weten dat hij over hun mensen niets dan goeds te melden heeft. (Brengen zij deze brief bij hun terugkeer misschien met zich mee?) Hun bezoek heeft het contact tussen de zustergemeentes vernieuwd en dat brengt de oude woorden weer boven: het kennen van de waarheid (vv. 1.2.4), de liefde die elkaar wordt toegedragen (vv. 5.6), de onderlinge verbondenheid als het beeld van de verbondenheid met God, via Jezus, de Zoon van God (v. 3). Hun bezoek was een reden tot vreugde èn tot gastvrijheid zodat het gebod van de onderlinge liefde vervuld kon worden en de presbyter dat nu ook weer terugschrijven: ook jullie hebben de verplichting tot het onderhouden van dat nieuwe en toch oude gebod (vv. 5.6).

En dan komt de grote waarschuwing die de belangrijkste reden lijkt waarom de brief geschreven is: ‘maar pas op, want veel bedriegers zijn naar de wereld uitgegaan: zij loochenen dat Jezus de Christus is die in vlees komt. Dat is het kenmerk van de bedrieger en van de anti-christus’ (v. 7). In de ‘johanneïsche’ groep is een scheuring ontstaan. Er zijn mensen die van de ware leer zijn afgeweken. Ze denken dat ze vooruitgegaan zijn in de leer (v. 9), maar dat is helemaal verkeerd gedacht.

De Griekse tekst is niet eenvoudig te verstaan. Als we er van mogen uitgaan dat de tweede Johannesbrief terugwijst naar de eerste Johannesbrief is er een verschil in formulering. In de eerste Johannesbrief stond: ‘ieder die Jezus belijdt als de Christus die in vlees is gekomen(I Joh. 4,2), en in onze tweede brief: ‘zij loochenen dat Jezus Christus in vlees komt’. Gaat de verleden tijd over hetzelfde als de tegenwoordige tijd? Het deelwoord ‘komend’ als een toekomstige tijd opgevat worden en dan staat er: ‘zij loochenen dat Jezus de Christus is die in vlees zal komen’, dat wil zeggen, zij loochenen dat Jezus bij zijn terugkomst ‘in vlees zal verschijnen’. Impliciet betekent dit: zij loochenen de realiteit van de lichamelijke verrijzenis van Jezus, en dan sluit onze tekst nog het meeste aan bij het verhaal van de ongelovige Thomas uit het Johannesevangelie die Jezus wil aanraken, zijn vingers in de wonden steken en zijn hand in de zijde van Jezus.

Maar wat ook precies de betekenis van vers 7 is, de boodschap zelf is dat deze mensen de gastvrijheid geweigerd moet worden (vv. 10.11). Men moet elkaar liefhebben, maar er zijn grenzen aan de gastvrijheid. Die ook gevaarlijk zijn als het over mensen gaat die de toets van de waarheid niet doorstaan.

DE DERDE BRIEF VAN JOHANNES: HET EINDE VAN DE ‘JOHANNEÏSCHE’ GEMEENSCHAP

In deze laatste brief wordt nog veel concreter beschreven hoe deze onderlinge gastvriendschap wel en niet functioneert. Een gecompliceerde mixture van verhoudingen wordt zichtbaar gemaakt: de presbyter die een nieuwe brief schrijft (v. 1); Gaius als de geadresseerde (v. 1); Demetrius die aan Gaius aanbevolen wordt (v. 12); Diotrefes die niet van plan is mensen gastvrijheid te geven, ook al komen zij van de presbyter vandaan (vv. 9.10); mensen die op bezoek zijn bij de gemeente van de presbyter en die ook al bij de gemeente van Gaius te gast geweest zijn (v. 3); er is sprake van een andere brief die de presbyter aan de gemeente (van Diotrefes) heeft geschreven (v. 9); de presbyter is ook zelf van plan in eigen persoon naar de gemeente (van Diotrefes) te komen (v. 10).

Om dit heen en weer het meest eenvoudig te verstaan kan men het beste veronderstellen dat het over minstens drie huisgemeentes gaat: de huisgemeente van de presbyter bij wie mensen aangekomen zijn die in de gemeente van Gaius gastvrijheid gekregen hebben, ook al kende Gaius ze niet; de huisgemeente van Gaius aan wie de presbyter nu zijn brief schrijft, een brief die tegelijk dient als aanbevelingsbrief voor Demetrius; en de huisgemeente van Diotrefes over wiens praktijken de presbyter aan Gaius schrijft. Hij heeft deze gemeente al eerder een brief geschreven, maar er is nog niet veel veranderd in de houding van Diotrefes. Hij weigert ‘ons’ te ontvangen (v. 9), vermoedelijk mensen die uit de gemeente van de presbyter naar die van Diotrefes gegaan zijn, misschien voorzien van de voorafgaande brief. Diotrefes staat zelfs niet toe dat mensen particulier deze gasten ontvangen (v. 10). Hij gooit deze mensen uit de gemeente, dat wil zeggen, hij weigert hun de toegang tot de huisgemeente.

Het is geen gering conflict en het is het eerste duidelijke teken dat de ‘johanneïsche’ gemeenschap haar samenhang aan het verliezen is. Het meest waarschijnlijk is de veronderstelling dat Diotrefes niet meer in contact wil staan met de ‘johanneïsche’ broeder- en zusterverbondenheid. Hij moet dan aansluiting zoeken, of misschien al gevonden hebben bij andere christelijke gemeenschappen. Aan de sterke onderlinge contacten met de zus-tergemeentes die zich met de presbyter verbonden hebben, heeft hij duidelijk geen behoefte meer. Of de komst van de presbyter daaraan een einde gemaakt heeft, is verborgen in de schoot van de geschiedenis. Hoe hartelijk de betrekkingen tussen de presbyter, Gaius en Demetrius ook geweest mogen zijn, Diotrefes heeft het historische pleit gewonnen, want de ‘johanneïsche’ gemeentes zijn (snel daarna?) opgelost in de grotere, meer algemene kerkgemeenschap.

Wellicht ook interessant

None

Boekbespreking God zelf ontmoeten

Er verscheen opnieuw een mooi vormgegeven, doordacht en praktisch boek van de hand van de inmiddels bekende Jezuïet en internetpastor Nikolaas Sintobin (verbonden aan de Krijtberg in Amsterdam). Geïnspireerd door de Ignatiaanse spiritualiteit schreef hij intussen meerdere boeken, waarin hij wegen wijst om mensen in de drukte van het leven te helpen stil te worden tot God. Deze priester is ervan overtuigd, mede uit eigen ervaring, dat het mogelijk is om zó te bidden bij een open bijbel dat het leidt tot ontmoeting met de eeuwige God zelf. Je kunt die weliswaar niet organiseren, maar je kunt wel een weg gaan, die leidt tot grotere openheid en meer ontvankelijkheid. De ontmoeting zelf, het spreken van God tot ons hart, blijft een ‘verrassend godsgeschenk’.

Nieuwe boeken