Menu

Premium

De bruid en de hoer

Bij Openbaring 21,9-23, Ezechiël 34,11-16, 1 Petrus 2,21b-25 en Johannes 10,11-16

Het nieuwe Jeruzalem

In de tekst van de eerste lezing bevinden we ons aan het slot van het boek Openbaring. Johannes heeft in Openbaring 21,1-4 het nieuwe Jeruzalem uit de hemel zien neerdalen. Hij heeft Hem die op de troon zit horen zeggen dat Hij alle dingen nieuw maakt (Openbaring 21,5) en heeft de opdracht gekregen om alles wat hij hoort op te schrijven. Nu wordt hij door een van de engelen met de zeven schalen meegevoerd naar een hoge berg.

Vanaf die hoge berg heeft hij uitzicht over de heilige stad met al haar pracht en praal. Net als Mozes in Deuteronomium 34,1, Ezechiël in Ezechiël 40,2 en Jezus in Matteüs 4,8 krijgt Johannes vanaf deze hoge plek als het ware een inkijkje in het perspectief van God. Zo heeft God Jeruzalem bedoeld.

De bruid: mooier versierd dan de hoer

Deze tekst doet ons ook denken aan Openbaring 17, waar een van de zeven engelen met de zeven schalen Johannes meevoert om hem iets te laten zien. In Openbaring 17 wordt Johannes niet naar een berg, niet naar een goddelijk perspectief geleid. De engel brengt hem naar de woestijn, een plek van droogte en van afwachten. Wat hij daar ziet is ook anders: niet een heilige stad die getooid is als een bruid, maar een vrouw op een beest, gekleed in scharlakenrood. Vanuit de woestijn ziet Johannes de hoer; vanaf de berg de bruid. De sieraden van de hoer worden uitgebreid beschreven: ze is aangekleed met goud, edelstenen en parels. Het nieuwe Jeruzalem, Gods bruid, is zo mogelijk nog mooier versierd: de stad is gemaakt van zuiver goud, de muren zijn versierd met edelstenen en de twaalf stadspoorten zijn twaalf parels (Openbaring 21,18-21).

Oud en nieuw

Op deze twaalf poorten staan de namen van de twaalf stammen van Israël geschreven. De stad is gebouwd op twaalf fundamenten, waarop de namen van de twaalf apostelen staan geschreven. Zo komen oud en nieuw samen: de Tora en de leerlingen van Jezus. In de Bijbel heeft het getal twaalf de betekenis van compleetheid. De stad is helemaal af, precies zoals God haar bedoelt. Maar waarom zijn er nog muren om de stad? De muren van een stad zijn er voor de veiligheid, om de stad goed te kunnen verdedigen tegen de vijand van buitenaf. Is dat dan nog nodig in dit nieuwe Jeruzalem? En waarom zijn er nog poorten? In het Oude Testament functioneren deze vooral als de plaats om rechtsgedingen te houden, en natuurlijk om mensen naar binnen en naar buiten te laten. Zou het kunnen zijn dat de poorten er zijn om mensen te blijven verwelkomen? In ieder geval klinkt de Tora door in alle aspecten van de stad. Maar de bruid staat voor alle volken, de gehele geloofsgemeenschap.

Schapen van één herder

We doen een klein uitstapje naar het boek Ezechiël. Er zijn veel parallellen tussen dit boek en het boek Openbaring. We hebben al gezien dat Ezechiël, net als Johannes, naar een hoge berg wordt gevoerd om een visioen van God te ontvangen. In Ezechiël 34 belooft God om zijn verstrooide schapen terug te halen uit de volken. Het beeld van schapen als volgelingen van één herder komt in het Nieuwe Testament verschillende keren terug. In 1 Petrus 2,25 zijn de dwalende schapen die terugkeren naar hun herder niet langer alleen de Israëlieten, maar alle volgelingen van de ene herder. In Johannes 10 gaat het over de schapen die niet van deze stal zijn, de volgelingen van Jezus die niet uit het volk Israël komen. Toch is er één kudde en één herder. En over die ene kudde gaat het in Openbaring 21. Weer komen het Oude en het Nieuwe Testament samen.

Proeftuin Jeruzalem

De engel die Johannes de stad laat zien heeft een gouden maatstok waarmee hij de stad opmeet (Openbaring 21,15). Deze stok (Gr.: kalamos) komt ook voor in Ezechiël 40,3-5, waar God in een visioen van Ezechiël een stad opmeet. Openbaring 21 beschrijft een stad in de vorm van een vierkant; de stad heeft vier uithoeken, één in iedere windrichting. De maat van de hoogte, breedte en lengte is twaalfduizend stadiën (Openbaring 21,16). Twaalf maal duizend; dat is gigantisch, oneindig haast. In de hoogte reikt de stad tot in de hemel – net als de toren van Babel (Genesis 11). Het grote verschil is dat God de stad uit de hemel doet neerdalen. Deze stad is niet gebouwd door mensenhanden.

Maar dan volgt er een tweede meting: de meting naar de menselijke maat. De engel meet de stadsmuren van het nieuwe Jeruzalem op: 144 el (Openbaring 21,17). Dat is zo weinig vergeleken met de voorgaande verzen, dat sommige uitleggers denken dat het om de dikte van de muur moet gaan. Maar waarschijnlijk is hier iets anders aan de hand. Naar menselijke maat is Jeruzalem een kleine stad, die niks is vergeleken met bijvoorbeeld Babylon. Maar doordat de stad is ingericht volgens de maten van de Tora, is ze als het ware een proeftuin

N. Ter Linden, Het verhaal gaat. De verhalen van Lucas en Johannes, Amsterdam 2003, 335.

: weliswaar een kleine stad, maar de situatie van het nieuwe Jeruzalem geldt voor de gehele mensheid. Naastepad schrijft hierover: ‘Overal waar mensen zijn, daar is Jeruzalem.’

Th.J.M. Naastepad, Geen vrede met het bestaande. Uitleg van het boek Openbaring, Baarn 1999, 233.

Een merkwaardig verschil met de stad die wordt beschreven in Ezechiël 40-48 is dat er geen tempel is (Openbaring 21,22). Dat is ook niet meer nodig. God woont nu onder de mensen, in de stad. Er is daarom geen zon en geen maan nodig. God zelf verlicht de stad.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken